gastoptreden

Screenshot_20180109-112641

Advertenties
Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , , | Een reactie plaatsen

van twee kanten

 

Naar het Stedelijk gelopen, om te kijken naar de nieuwe opstelling van de vaste collectie. Die opstelling heet Stedelijk Base en ‘beslaat de gehele nieuwe vleugel van het museum’, volgens de website van het Stedelijk. Dat is niet zo, de nieuwe vleugel is in 2006 afgebroken en in plaats daarvan kwam de opvallende verschijning die de Badkuip wordt genoemd – en daar is die opstelling gemaakt.

De inrichting van Stedelijk Base is ontworpen door Rem Koolhaas, ik had er al over IMG_20171221_140406758gelezen, ik had er foto’s van gezien, ik had al gelezen dat het op een winkel of een uitdragerij leek – en inderdaad, maar dat was nu juist wel spannend. Bekende en overbekende werken uit de vaste collectie hangen op witte dan wel donkergrijze stalen schotten dicht op elkaar, chronologisch dan wel thematisch geordend, het is een labyrint waarin ik meteen de weg kwijtraakte. Je kon het labyrint zelfs van boven bekijken, vanaf het dak van het model van het interieur van het Rietveldhuis – iets dat doet denken aan de torens bij doolhoven in pretparken, waarvandaan je de ronddolenden kan toeroepen dat ze naar links moeten, of naar rechts, of rechtdoor.

IMG_20171221_140653204De werken hingen allemaal dicht bij elkaar, boven en onder elkaar, het was eigenlijk onmogelijk om in de vertrouwde pose van de kunstliefhebber voor één stuk in artistieke contemplatie te blijven stilstaan, je werd te snel afgeleid door alles wat er omheen hing. Ook genres hingen door elkaar. Het is even wennen om naast een Barnett Newman een verticale opstelling van drie stoelen te zien hangen. Het zou mooi zijn als je een van die stoelen van de muur mocht halen en voor het schilderij zetten, om dat vervolgens eens goed in je op te nemen, maar ik geloof niet dat dat de bedoeling is. IMG_20171221_135944294

Het was nieuw, het was anders, het werkte – maar dan vooral als ervaring. Het ging een beetje ten koste van de kunst. Niet alleen van de kunstwerken, ook van de kunst. Het deed me inderdaad denken aan een winkel, een kijkdag, ze hadden er eigenlijk ook nog gewoon prijskaartjes bij moeten hangen om de illusie compleet te maken. Want juist die illusie maakte het interessant.

Kunst komt van twee kanten, het is een concept waar je je zelf ook binnen moet bevinden. Ik kom als gelovige naar het museum, verwacht blijkbaar nog steeds een eredienst met witte zalen en zorgvuldig geplaatste kunstwerken, en wordt geconfronteerd met een heidense opstelling. De werken zijn hun fluïdum kwijt, ze zijn decoratie geworden, onderdeel van een ander concept, het concept opstelling. Het was interessant om in dát concept rond te dwalen, maar de kunst maakte minder indruk op me.

Maar ook dat was goedbeschouwd geen onprettige ervaring, omdat het allerlei vragen opriep. Stel dat de vaste collectie van het Rijksmuseum hier hing, zou ik dan hetzelfde voelen? Of heeft het ook te maken met de houdbaarheid van moderne kunst, is die meer afhankelijk van de afspraak dat we er in een rustiger, witgeschilderde omgeving naar kijken, dat we haar in ieder geval in een lichtelijk gewijde omgeving presenteren p1000268 guggenheimals kunst? Ik herinner me dat ik ooit in New York door het Guggenheim rondliep (letterlijk rondliep dan ook nog) tijdens een tentoonstelling van Kandinsky en dat ik zo getroffen was door de architectonische ervaring dat de tentoongestelde werken gereduceerd werden tot decoratie van die ervaring.

(Bij oudere kunst moet je ook uitkijken, leerde ik toen in het Rijks de met diamanten bezette schedel van Damien Hirst werd geëxposeerd. Maar die ervaring kan ik nu niet delen, ik heb hem uitgeleend aan de verteller van Mannen zonder kinderen. In hoofdstuk 7 legt hij uit wat hem overkwam toen hij op Sinterklaasavond 2008 naar die schedel ging kijken. Als  ik een beetje doorwerk is het over een jaar te lezen.)

IMG_20171102_122055216

 

 

Geplaatst in kunst, schrijven | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

de verontwaardigde echoput, of: kut, fuck en borsten tellen met carel peeters

 

Je hoopt natuurlijk altijd dat de boeken die je schrijft iets oproepen bij de lezer, maar dan bij voorkeur niet de gevoelens waarmee Carel Peeters te kampen kreeg toen hij Winter in Amerika las. In het laatste nummer van Tirade (nr 469) doet hij in zijn rubriek ‘Kroniek van de roman’ verslag van zijn bevindingen. Nou ja – verslag; met een niet al te scherp geslepen bijl doet hij zijn best het boek in stukken te hakken.

Winter in Amerika blinkt volgens Peeters uit ‘door kunstmatigheid en levensloosheid [sic]’, het boek ‘is zo dood als een pier’ en is geschreven ‘met een door niets verantwoord cynisme’; bovendien zit het boek vol ‘staaltje[s] ongein’ en ‘leunt [het] op een en al ongeloofwaardigheid’. Dat klinkt niet al te best, maar toch is er een lichtpuntje, blijkt tegen het eind van Peeters’ kroniek: ‘Winter in Amerika zou een totaal lusteloos boek zijn wanneer er niet een hoofdstuk was waaruit blijkt dat Van Essen misschien toch wel kan schrijven. Dat is hoofdstuk 15 waarin de redactrice op bezoek gaat bij al lange tijd gelukkig getrouwde studievrienden’. Niet alles is verloren, er steekt nog een stukje van de mast boven de waterlijn uit waaraan ik me kan vastklampen.

Eigenlijk is het stuk van Peeters een aanval op Arie Storm. Die besprak op 30 september in Het Parool de laatste roman van Thomas Verbogt,  Alles moet nog beginnen, en wijdde in hetzelfde stuk ook nog een paar woorden aan Winter in Amerika; hij gaf beide boeken vier sterren. Storm pleit in die recensie voor ‘leven in de literatuur’ en op de een of andere manier vindt Peeters dat in tegenspraak met wat de hoofdpersoon van Storms laatste roman, Een diadeem van dauw, over het lezen van literatuur beweert. Peeters zet dus een uitspraak van Storm als criticus en een uitspraak van een personage uit een roman van Storm als gelijkwaardige stellingen naast elkaar en haalt vervolgens twee pagina’s lang Winter in Amerika door de mangel om een tegenspraak in de literatuuropvattingen van Storm aan te tonen.

Het is een wat verwarrend betoog geworden, dat ik nu niet ga samenvatten. Voor degene die alle details wil weten, het nummer van Tirade ligt nog een paar weken in de winkel (maar kost wel 12,50; daar kan je bijvoorbeeld ook De ongewone lezer van Alan Bennett voor kopen en dan hou je nog 2,50 over). Door zijn stuk aan Arie Storm op te hangen, kreeg ik al lezend wel het idee dat Carel Peeters over mijn hoofd heen iets met iemand anders uitvocht. Hoewel, ‘over mijn hoofd heen’ – dwars door mij hoofd heen, eigenlijk. Dwars door mijn hart. Nou ja, zeker wanneer de andere partij met losse flodders schiet, is het ook weer niet zo erg om eens een keertje wat kogels op te vangen voor Arie Storm.

strooien met kut en fuck

Personages, boodschap, titel – er deugt volgens Peeters niets van mijn boek, afgezien dan misschien van hoofdstuk 15. De verteller, Katja Ouwehand, de redacteur van de uitgeverij die de stokoude schrijver Winter begeleidt, is volgens Peeters totaal ongeloofwaardig. Ze heeft de toon ‘van een macho. In de roman wordt door haar lustig met kut en fuck gestrooid, niet bepaald karakteristiek voor iemand van in de vijftig die meer dan twintig jaar bij een uitgeverij werkt.’ Ik heb meteen even het bestand geraadpleegd en een zoekactie op touw gezet. In 224 pagina’s komt drie keer ‘kut’ voor, en één keer ‘fuck’. Als Carel Peeters dat strooien noemt, kan ik voor de kinderen in zijn omgeving alleen maar hopen dat hij nooit voor Zwarte Piet speelt.

(Gemiddeld dus één keer per vijfenvijftig pagina’s een kut of een fuck. En nooit als los woord. Voor de volledigheid: Katja Ouwehand bedenkt dat Winter zijn memoires Kutmemoires zou kunnen noemen, en herhaalt die gedachte een regel later nog eens; verder heeft ze een keer over ‘kutvissen’ – ironisch genoeg in hoofdstuk 15, het hoofdstuk waaruit nu juist zou moeten blijken dat ik toch wel een beetje kan schrijven. In datzelfde hoofdstuk valt tot overmaat van ramp dan ook nog de fuck, wanneer Katja het heeft over ‘Jolanda en fucking Frits’.)

Door de veronderstelde ‘toon van een macho’ had Peeters sowieso moeite te geloven dat de verteller een vrouw was. ‘Dat de hoofdpersoon een redactrice is en geen redacteur van een uitgeverij zou je niet zeggen. Pas op pagina 57 dringt dat pas tot je door wanneer gezegd wordt dat iemand “afwezig naar haar borsten” kijkt.’ Eerst even dit: het juiste citaat is ‘afwezig naar mijn borsten’. En verder: in de eerste scène van het boek, de begrafenis van Winter, wordt al gemeld dat de verteller een rok draagt en stelt diezelfde verteller zich aan de begrafenisgasten voor als Katja Ouwehand; in het vervolg wordt ze geregeld door deze en gene bij haar voornaam genoemd. Je hoeft dan als lezer toch niet over bovenmenselijke opmerkingsgaven te beschikken om te concluderen dat de verteller van het boek een vrouw is. Iemand die pas echt begrijpt dat het om een vrouwelijk personage gaat als het woord ‘borsten’ valt heeft wel een erg anatomisch gerichte leeshouding. Bovendien brengt Katja haar borsten al ver voor pagina 57 ter sprake, op pagina 19, wanneer ze denkt aan de jongens die haar vroeger probeerden te zoenen. Wat Carel Peeters precies voor zich zag toen hij die scène las, laat zich alleen maar raden.

onwaarschijnlijke armzaligheid

Peeters is trouwens niet de enige die moeite had met het vrouwelijk perspectief. In haar recensie van Winter in Amerika in De Groene Amsterdammer van 13 september schreef Marja Pruis dat ‘de stem zozeer niet vrouwelijk aandoet dat de roman er des te meer een constructie van wordt […]’. Ik vond (en vind) het jammer dat ze er toen niet bij schreef waardoor die stem dan ongeloofwaardig wordt, want het is een interessant punt: wat maakt een vertelstem geloofwaardig, wanneer geloof je zo’n stem niet meer, bestaat er iets als een typische vrouwelijke vertelstem? En, om terug te keren naar Peeters, waarom zou een vrouw die (in tegenstelling tot Katja Ouwehand) strooit met kut en fuck eigenlijk niet geloofwaardig zijn? Maar Peeters wil een personage dat zich ‘karakteristiek’ gedraagt. Wat is dat eigenlijk, bestáát er zoiets? En waarom zouden personages zich volgens verwachtingspatronen van de lezer moeten gedragen, waarom zou je je niet willen laten verrassen? ‘Het is,’ schrijft Peeters, ‘onwaarschijnlijk dat een redactrice van een uitgeverij emotioneel, intellectueel en in menselijk opzicht zo armzalig is’. Afgezien van het morele oordeel over het personage dat door zijn hele stuk heen schemert, wat is er tegen onwaarschijnlijkheid? En ze mag ook niks van Peeters, als Katja nadenkt over de boekhandel die ze zou willen beginnen en vervolgens al in haar gedachten haar klanten agressief gaat bejegenen, heeft Peeters het over een ‘tamelijk bedorven gedachtegang’.

Aan de andere kant, ik herken die opwinding van Peeters wel. Als een boek je eenmaal tegenstaat, kan het niets meer goed doen en ga je je overal aan ergeren. Je verontwaardiging holt zich uit tot een echoput waarin elke kut, elke fuck, elke onwaarschijnlijkheid en elke verdorvenheid zich al weerkaatsend vermenigvuldigt totdat het kabaal oorverdovend is en je het boek alleen nog maar vloekend in een hoek kan gooien.

Dit is natuurlijk wel bij uitstek hét moment om te vertellen dat in de eerste versie, toen Winter in Amerika nog een kort verhaal in wording was, de redacteur in kwestie een man was. Pas toen ik een vrouw van het personage maakte, begon het verhaal uit te groeien tot een roman, en kreeg het personage diepgang. Ik had een paar scènes van de mannelijke redacteur geschreven maar de scènes waarin Katja haar veronderstelde cynische kijk op het uitgeversbedrijf geeft, zaten daar niet bij. De mannelijke verteller had nog helemaal geen stem, dat was nu juist het probleem met hem, daarom verving ik hem door Katja. (En gelukkig vindt niet iedereen de vertel toon geloofwaardig. Toen ik bij vpro-boeken was vroegen ze daar bij de redactie of ik Katja Ouwehand had gebaseerd op hun collega Katja de Bruin; niet zozeer om de gedeelde voornaam, maar omdat ze veel van haar in het personage herkenden.)

zorgvuldige verdieping en duiding

Het stuk van Peeters bevat nog meer opmerkingen die om commentaar smeken, zoals ‘De titel Winter in Amerika lijkt me een noodsprong’, maar ik moet vandaag ook nog langs mijn moeder. Om af te sluiten: de moeite die sommige recensenten met het boek hebben, vind ik eigenlijk ook wel weer intrigerend, ook omdat er, zoals gezegd, een moreel oordeel lijkt mee te spelen. Peeters heeft het over ‘door niets verantwoord cynisme’, Pruis gebruikte in haar recensie de term ‘naargeestig’. Beiden bedoelden die kwalificaties negatief – maar sinds wanneer zijn cynisme en naargeestigheid als het om literatuur gaat eigenlijk negatieve grootheden? Dat lijkt me een goede vraag, zeker als die opgeroepen wordt door opmerkingen van professionele lezers. Heeft het met de tijdgeest te maken, zijn we klaar met cynisme en ambivalentie, zijn de tijden daar te duister voor? Zijn we als lezers geëmancipeerd en laten we ons niet alles meer voorschotelen, laten we ons niet meer willoos onderdompelen in negatief getoonzette werelden? Willen we in romans onze eigen wereld terugzien met zorgvuldige verdieping en duiding, en zonder verrassing en cynisme?

Goed, het mogen interessante vragen zijn, maar het probleem is dat ik Winter in Amerika eigenlijk cynisch noch naargeestig  vind. Als Peeters en Pruis in hun artikelen nadruk leggen op het cynisme, hebben ze het over het vermeende cynisme waarmee de literaire wereld wordt beschreven – de wereld dus waarin ze zichzelf bewegen. Je kan er de tijdgeest bijhalen, maar je kan ook zeggen dat ze gewoon moeite hebben met een relatief cynische blik op hun eigen omgeving. Maar kijk, het boek gaat niet alleen over het uitgeverijwezen. Katja mag haar werkzaamheden met een lichtelijk cynische blik bekijken, maar als ze nadenkt over wat literatuur eigenlijk voor haar betekent, is er van cynisme geen sprake – eerder nog van oprechte sentimentaliteit. En eigenlijk gaat het boek daar over; over wat literatuur persoonlijk voor je kan betekenen. En ook over liefde, en het gebrek eraan. Mijn eigen favoriete hoofdstuk is 18, waarin Katja Ouwehand een bezoek brengt aan haar vroegere therapeut en na afloop bij haar boekenkast een kleine epifanie beleeft waarmee de twee verhaallijnen samenkomen. Maar nu ben ik mijn eigen boek aan het bespreken en dat moet je als auteur nooit doen, dat moet je aan deskundigen overlaten.

 

 

Geplaatst in Geen categorie, winter in amerika | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

een tocht door een duistere hel

gray 4

Lang geleden dat ik hier een recensie heb doorgeplaatst, laat ik dat maar weer eens doen, het gaat om een bijzonder boek. Deze recensie verscheen eerder in NRC Handelsblad.

Goede literatuur dringt zich meedogenloos aan je op, klimt je hoofd binnen, kijkt door je eigen ogen weer naar buiten. En ’t zijn niet de personages die je hoofd binnendringen, het is de schrijver zelf. Alasdair Gray weet dat. Meteen in het eerste hoofdstuk van zijn roman Lanark krijgt de dan nog jonge titelheld carrièreadvies van een zekere Sludden. Je moet je in de kunsten bekwamen, houdt Sludden Lanark voor. Maar, voert Lanark aan, ‘ik heb mensen niets te vertellen.’ Sludden antwoordt lachend: ‘Je hebt geen woord begrepen van wat ik heb gezegd. […] Een kunstenaar vertelt mensen geen dingen, hij drukt zichzelf uit. Als hijzelf ongewoon is, schokt of prikkelt zijn werk mensen. Hoe dan ook dringt het zijn persoonlijkheid aan hen op.’

En dus zitten we zeshonderd pagina’s lang met de persoonlijkheid van Alasdair Gray op onze schoot en in ons hoofd. Toen Gray (Glasgow, 1934) in 1981 met Lanark debuteerde had hij er bijna dertig jaar aan gewerkt. Hij had er zijn ziel en zaligheid en een groot deel van zijn eigen leven in gestopt. Inmiddels geldt het boek als een van de grootste Schotse romans. Het is een coming of age-roman én een surrealistisch verslag van een tocht door een duistere hel.

‘Een leven in vier boeken’ luidt de ondertitel. Boek Een en Twee bevatten de coming of age-roman, waarin het leven van Duncan Thaw wordt beschreven. Thaw is geen innemend personage: weerbarstig, seksueel gefrustreerd, niet bereid iets van iemand te leren, einzelgänger uit trots én onvermogen. Net als zijn schepper Gray groeit hij op in het naoorlogse Glasgow en studeert hij daar aan de kunstacademie. Na een al dan niet gefantaseerde moord loopt hij de zee in, en dan volgt (in Boek Drie en Boek Vier) het bizarre gedeelte van de roman: een man die Lanark heet arriveert per trein in een van daglicht verstoken stad die Unthank blijkt te heten. Hij leert een aantal mensen kennen, onder wie Sludden, die hem het eerder genoemde carrièreadvies geeft. Lanark vindt nergens aansluiting en laat zich door de grond opslokken om vervolgens in het Instituut te belanden, een reusachtig ondergronds complex waar hij uiteindelijk dokter wordt en een meisje geneest dat Rima heet. Samen met haar verlaat hij het Instituut. Na een tocht door Escher-achtig landschappen waar tijd en ruimte hun eigen gang gaan belandden ze weer in Unthank.

Zo’n samenvatting doet Lanark eigenlijk geen enkel recht, al was het alleen maar omdat Gray zijn roman begint met Boek Drie, de aankomst van Lanark in Unthank. Deel Een en Twee, de coming of age-roman over Duncan Thaw, vormen het hart van het boek, dat besluit met Boek Vier. Er is ook nog een Proloog en een Epiloog, maar allebei niet op plekken waar je ze zou verwachten. Is Lanark een ingewikkeld boek? Nee, voor de lezer die bereid is zich mee te laten voeren (en er zouden geen andere moeten zijn) wijst het zich allemaal vanzelf. De mysterieuze Lanark is een vervolgversie van Thaw, die na diens zelfgekozen dood terechtkomt in het duistere Unthank, een onderwereldversie van Glasgow.

Lanark is een weerbarstig, maar vooral rijk boek. Gray wil met zijn roman voor Glasgow doen wat Joyce met Ulysses voor Dublin deed. Hij wil zijn stad op de kaart der verbeelding zetten, om haar te behoeden voor de vergetelheid van het alledaagse. Een stad zal pas bestaan als hij door kunstenaars is verbeeld, beweert kunstacademiestudent Thaw. Tegen zijn vader verwoordt hij zijn ambities aldus: ‘Ik wil een moderne Goddelijke Komedie schrijven met illustraties in de stijl van William Blake.’ Het boek waarin we dat lezen is het boek dat we in handen hebben, tot aan de illustraties aan toe.

In Lanark speelt Gray niet alleen met zijn eigen autobiografie en ambitie, maar ook met de roman als vorm. Door de eigenaardige volgorde van de delen en de atypische plaatsing van Pro- en Epiloog wordt je erbij bepaald dat je geen verhaal leest, maar een verhaal dat geschreven is. De schrijver is altijd aanwezig, op een gegeven moment zelfs letterlijk: in de Epiloog ontmoet Lanark zijn schepper, de schrijver zelf, die zich ervan bewust is dat dit geen originele truc is, hij verwijst dan ook naar andere boeken waarin de schrijver zelf optreedt. Het is inderdaad al eerder vertoond maar de flair waarmee Gray de schrijver als personage opvoert vergoedt alles. Die Epiloog is het hoogtepunt van het boek, ook omdat in de marges een ellenlange en niet altijd betrouwbare opsomming-met-uitleg wordt gegeven van alle ontleningen aan andere schrijvers die in Lanark zijn verwerkt, van Kafka tot Flann O’Brien. Je zou Lanark postmodern kunnen noemen, maar je zou het boek ook gewoon kunnen beschouwen als een van die romans die niet net doen of ze onstoffelijke verhalen zijn, romans die de samenzwering met de lezer aangenaam ver weten door te voeren.

Het is jammer dat de Nederlandse vertaling hier en daar te kort schiet. De vertaler blijft dichtbij het Engels, wat stroeve zinnen oplevert, en verschillende malen lijkt hij woord voor woord te vertalen, zonder oog voor de context. (Eén voorbeeld: rusty fence wordt vertaald als ‘roestige schutting’ in plaats van een ‘roestig hek’.) Het woord engineer blijft vreemd genoeg onvertaald, hier en daar ontbreken vraagtekens, ergens is microphone vertaald als ‘microscoop’ – kortom, je krijgt de indruk dat zowel vertaler als uitgever te veel haast hebben gehad.

Wat onverlet laat dat het goed is dat ook de Nederlandse lezer kennis kan maken met de wereld(en) van Thaw en Lanark en de persoonlijkheid van Alasdair Gray. De persoonlijkheid van een eigengereide schrijver is als een Steen der Eigenwijzen die alles wat hij aanraakt in literatuur verandert. Gray is zo’n schrijver en Lanark is meer dan een roman, het is een gebeurtenis, een van die boeken die vol zelfvertrouwen wacht op de volgende generatie lezers, in de wetenschap dat het die generatie hoe dan ook niet onberoerd zal laten.

 

Alasdair Gray, Lanark, vertaald door David Grävling, Koppernik, 600 p., €29,90

 

Geplaatst in lezen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

when evening falls so hard

IMG_20171201_145520929

Ik kreeg een nieuwe elektriciteitsmeter, een slimme meter, zodat ik nooit meer meterstanden hoefde in te vullen, ze konden alles van afstand aflezen, het was allemaal vooruitgang, eindelijk mocht ik ook mee in de vaart der afleesbare volkeren. De installatie was een kwestie van een half uurtje, ik nam afscheid van de monteur, bladerde even in de folders die hij me had gegeven – papieren folders, dat viel toch een beetje tegen – en ging weer aan het werk.

Een paar nachten later kostte het me moeite de slaap te vatten. Om drie uur  ’s nachts stapte ik uit bed. Ik ging naar de keuken, smeerde een boterham, dronk een glas warme melk, liep naar de woonkamer en keek op de laptop of er nog wat in de wereld was gebeurd. Ik schrok toen de telefoon ging.

‘Met uw energiebedrijf. We zien hier op een onverwacht tijdstip verhoogde activiteit bij u thuis. Dat wijst er doorgaans op dat mensen niet kunnen slapen. Is dat in uw geval ook zo?’

‘Ja,’ zei ik.

‘Dat is vervelend. Zullen we een lied voor u zingen?’ En voor ik iets kon zeggen, begonnen ze al. Blijkbaar zaten ze daar met z’n tweeën, ze zongen zacht en loepzuiver, ik herkende het zonder het meteen te kunnen thuisbrengen, opeens hoorde ik wat het was: ‘Bridge over Troubled Water’.

Ze zongen het hele lied, zonder haast, tweestemmig, twee mannen zo te horen, of een man en een vrouw met een lage stem. Terwijl ze nog bezig waren, ging ik met m’n telefoon in bed liggen, toen ze klaar waren wensten ze me zachtjes welterusten. Ik legde mijn telefoon weg en viel na een paar minuten in slaap.

‘Het is een zegen, die afleesbaarheid van afstand,’ zei ik de volgende dag tegen Z., en ik vertelde hem wat me die nacht was overkomen. Hij was niet onder de indruk, volgens hem moest ik me er niet te veel van voorstellen, er kwam geen mens aan te pas, het werkte allemaal met algoritmes en robots.

Mij maakt dat niet uit. Elke nacht stap ik om een uur of drie uit bed, doe alle lampen aan en wacht tot de telefoon overgaat. Ik geloof Z. niet, met zijn algoritmes en robots. Tot nu toe hebben ze nooit twee keer hetzelfde lied gezongen en soms zeggen ze iets terug als ik tegen ze praat.

 

Geplaatst in verhalen | Tags: , , | 4 reacties

amore mio

DSCF2773 IMG_20170613_094559490  Foto op 06-08-17 om 10.40 #2

De Italiaan was op de juiste tijd op de juiste plek. Hij had met zijn vriend zijn kat laten inenten en stond af te rekenen aan de balie toen Sawa haar magere kopje uit de reismand stak en klaaglijk miauwde, de onpersoonlijke, vreemd harde miauw die ze had na de epileptische aanval van een dag eerder; daarna was ze zo hard achteruit gegaan dat Metsike en ik op zaterdagochtend in allerijl een dierenartspraktijk hadden moeten zoeken die open was en waar ze haar konden laten inslapen.

Gelukkig vonden we er een. E. reed ons ernaar toe. Met z’n drieën zaten we op een rijtje in de wachtkamer, Metsike met de reismand op schoot. Toen Sawa zo hard miauwde, keerde de Italiaan zich meteen naar ons om. Jong nog, jonger dan wij. Hij zag het kopje van Sawa, riep ‘Amore mio!’ en stak zijn hand naar haar uit. Maar Sawa zag niet zoveel meer. De hele ochtend was ze overal tegenaan gebotst, we hadden met haar op bed gezeten en haar tussen onze armen beschermd tegen haar eigen gedwaal. De Italiaan zakte door zijn knieën en wilde haar aaien, maar hij trok geschrokken zijn arm terug toen hij Metsikes betraande gezicht zag, en hij schrok nog meer toen hij hoorde waarvoor we kwamen, en dat Sawa al zeventien was, want ze leek nog zo jong – zelfs broodmager, na een jaar nierfalen, zag ze er nog niet oud uit, en had ze nog steeds dat mooie kopje van een lynx, behalve dan dat ze geen pluimpjes op haar oren had. De Italiaan bleef voor haar zitten en praatte tegen haar, met zachte, lieve woordjes, en hij praatte tegen ons, en hij kwam overeind en wenste ons sterkte, meelevend, op de goede manier sentimenteel, flamboyant tot aan zijn kleurige kleding en goed gestyleerde hipsterkapsel-met-baard aan toe.

En als dit een filmscène was geweest, kon je het alleen maar eens zijn met de beslissing van de regisseur om juist hier, op dit moment, in deze kleine wachtkamer, een kort optreden in te lassen van een flamboyante Italiaan. Niet als comic relief – er viel niets te lachen en er móést ook niet worden gelachen, zelfs niet als afleiding, om de scène minder zwaarte te geven – maar om het verdriet uit te drukken, te personificeren en te kanaliseren. Het verdriet van anderen; zíjn verdriet zou het niet worden, hij stond op het punt om met zijn vriend en hun gezonde kat weer naar huis te gaan. In de film zou hij de intermediair zijn tussen de kijkers en de ongewilde hoofdrolspelers die op een rijtje op de stoelen langs de muur zaten, en zo zou hij de doorgever van het verdriet zijn; maar hij gaf het verdriet ook aan de hoofdrolspelers terug, openbaar gemaakt, ge-uit, verklankt en daardoor misschien iets beter verteerbaar; verwezenlijkt verdriet deelde hij uit en hij wist het zelf niet eens.

Het gaat om een bijrol van een paar minuten, maar dit is een belangrijk moment, zou de regisseur zeggen, laten we er een Italiaan van maken, en hij mag het best een beetje aanzetten, het mag best een beetje over the top, laten we niet te voorzichtig zijn, het hoeft in deze scène allemaal niet zo ingehouden, júíst niet – en hij zou zo ontzettend gelijk hebben dat hij nog jaren later brieven kreeg van kijkers die hem juist voor deze kleine scène prezen en bedankten.

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

hiernamaals

 

Ik kwam langs grote blokken, reusachtige kubussen. Ik liep er tussendoor. Het was alles wat ik gegeten had, geordend op product. Een gigantisch blok aardappelen, een nog groter blok rijst. Een kubus bananen, een kleine kubus spruitjes. Een zacht drillend donkergeel blok dat ik pas herkende toen ik eraan rook: de appelmoes uit mijn jeugd. Daarna kwam ik langs al het vlees dat ik gegeten had, bloksgewijs per soort, en al het vlees dat ik gedood had – muggen, vliegen. Alles wat ik gedragen had, kleren, schoenen; blok na blok rees omhoog, somber, zwijgend, achter de blokken hing het gele licht van een eeuwige middag. Terwijl ik tussen de blokken door liep, probeerde ik ze te zien als prestaties, maar dat hielp niet. Er was geen enkele manier waarop ik hier trots op kon zijn. Ik liep snel door naar de lege ruimte achter de blokken, in de hoop dat die bestond.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen