de herkomst van joachim stiller

1

Ooit zei ik dat ik meer Vlaamse literatuur wilde lezen.

En kijk, toen ik eerder dit jaar met L. in Turnhout te gast was bij Johny Geerinckx in zijn programma Overlezen, schonk panellid Karl van den Broeck me, bij wijze van huiswerk, De canon van de Nederlandstalige literatuur – een door uitgeverij Vrijdag en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren uitgebracht boek waarin veel aandacht wordt besteed aan schrijvers uit Vlaanderen.

Een Vlaamse schrijver die in die canon ontbrak was Hubert Lampo en dat was jammer, vertelde Van den Broeck erbij, omdat een aantal verhalen uit Een man met goede schoenen hem had doen denken aan Lampo, een van de grondleggers van het magisch realisme in het Nederlandse taalgebied (zoals Lampo’s ondertitel luidt).

Dus beloofde ik Karl iets van Lampo te gaan lezen; dat was er tot nu toe niet van gekomen. Een paar weken later kreeg ik van L. ( in dit geval niet ize maar ennert) een exemplaar van De komst van Joachim Stiller. Toen moest ik wel, en daar ging ik.

Het boek kwam uit in 1961. Mijn exemplaar stamt uit 1989, de vijfendertigste druk. Ik kende de titel, op de middelbare school lazen veel scholieren de roman voor hun lijst. Ik niet, ik heb zowel die school als die lijst niet afgemaakt. Toch kende ik het boek. Je hebt titels die zo bekend zijn dat ze al decennia lang deel uit maken van je culturele bagage, of je ze nu gelezen hebt of niet. De titel is eigenlijk het hele boek geworden, de tekst zelf is veranderd in een nawoord bij die titel, de achtergrondinformatie die de titel eenmaal nodig had om al die tijd aan de hand van een paar steekwoorden in het collectieve geheugen rond te kunnen blijven zoemen.

(Steekwoorden bij deze titel: magisch-realisme / vlaams / stiller is jezus / stiller komt niet / kortgekipte haren / nee dat is dat boek van daisne / verrek je hebt gelijk)

Ik begon te lezen. Dat viel niet mee. De taal was stroef, en een beetje gedragen. ‘Ofschoon verbonden aan een vooruitstrevende krant, vraag ik me soms af, of ik van nature geen conservatief zou zijn,’ luidt de eerste zin van de roman, een opening die niet meteen een snelle rit belooft. Schrijver en journalist Freek Groenevelt woont en werkt in Antwerpen en krijgt een geheimzinnige brief die decennia geleden is gepost maar toch betrekking heeft op Groenevelts heden. Dat van die brief is natuurlijk spannend maar de manier waarop Groenevelt in de eerste hoofdstukken verslag doet van zijn leven, hm, tja, daar zit toch een zekere zelfgenoegzaamheid in, en dat maakt het boek er niet sympathieker op, ook omdat je begint te vermoeden dat Lampo hier een nauwelijks verhuld portret van zichzelf schildert. Wishful writing als resultaat van wishful thinking. Hij (Groenevelt) drinkt graag in fijne Antwerpse kroegjes waar men hem kent, kibbelt vrolijk met zijn hoofdredacteur, is bevriend met een antiquaar,  komt door die geheimzinnige brief ook nog eens in contact met een mooie jonge intrigerende onderbuurvrouw… Wel heeft hij zorgen: als schrijver van tegen de veertig (Lampo was van 1920) voelt hij zich bedreigd door leden van de jongere schrijversgeneratie, die middels hun armetierige blaadje met hem afrekenen. Maar kijk, de mooie jonge vrouw die zich in de kringen van die valse jonge honden bevindt, kiest uiteindelijk (nou ja, eigenlijk al heel gauw) voor Groenevelt en blijkt zijn soulmate, de liefde van zijn leven.

Kortom: een geïdealiseerd zelfportret waarin de auteur, die langzamerhand een schrijver van middelbare leeftijd wordt, middels zijn alter ego zijn opvolgers ontmant door er met hun trofee vandoor te gaan.

Of eerder toch dit: een angstig zelfportret waarin de sombere auteur een manier zoekt om om te gaan met het feit dat hij ouder wordt en opgevolgd gaat worden door een volgende generatie. Het is uit angst en niet uit zelfgenoegzaamheid dat hij die generatie belachelijk maakt en de leden ervan castreert. Trouwens, niet alleen de nieuwe literatuur is een vijand, via zijn roman geeft de auteur ook af op de beeldende kunst die na zijn vormende jaren is opgekomen: er is ook nog een verhaallijntje over een nieuwe schildersensatie die een mummelende debiel blijkt en zijn scabreuze krabbelwerk letterlijk op de binnenwanden van urinoirs schildert. Het is satire van dik hout – dunner hout kon de angst blijkbaar niet bezweren.

Zelfgenoegzaamheid in semi-autobiografische romans is onverteerbaar, en maakt zo’n roman algauw onleesbaar. Wanneer die zelfgenoegzaamheid dient als bezwering van angst gebeurt er iets anders, dan komt er spanning op de tekst te staan. Maar daar heb je wel wat voor nodig: kennis van buiten de roman.

2

In 1990 schreef Hubert Lampo in Dietse Warande en Belfort een stuk (hier terug te vinden) waarin hij terugblikte op het ontstaan van zijn roman over Joachim Stiller, en de donkere gevoelens waaraan hij in die tijd leed. ‘Net als ikzelf toen ik het boek concipieerde, heeft Groenevelt behoefte aan hulp,’ schrijft hij over zijn alter ego.

Groenevelts trauma heeft betrekking op een V-2 die eind 1944 op de Teniersplaats in Antwerpen insloeg en een tram raakte. Joachim Stiller is dat trauma, dat tot entiteit geworden zijn best doet om Groenevelt te bereiken om hem gerust te stellen, om ervoor te zorgen dat hij verder kan met zijn leven, dat de tijd weer voor hem begint te lopen. Uiteindelijk lukt Stiller dat door zich op te offeren, niet aan het kruis maar op het plaveisel.

Lampo maakte die bominslag mee in 1944, vanuit de verte. Via zijn alter ego Groenevelt probeerde hij zichzelf te genezen van zijn oorlogstrauma’s die vooral ‘op het vlak van de geest’ bestonden. De Koude Oorlog die na de bevrijding volgde zorgde voor grote somberheid, schrijft hij in het genoemde stuk. Hij begint aan een roman over Joachim Stiller en merkt gaandeweg wat hij aan het doen is: hij schept een vorm om zich te bevrijden.

Dat ook de generatie die na hem komt hem zoveel onrust baarde dat die verslagen moest worden is eigenlijk een extra complicatie van de roman. Vooral daarin zit de zelfgenoegzaamheid, die blijft woekeren omdat de auteur zich er niet helemaal van bewust lijkt te zijn. Dat geeft de tekst iets naïefs, alsof de auteur hier meer van zichzelf laat zien dan eigenlijk de bedoeling was. Terwijl Joachim Stiller het oorlogstrauma beëindigt, grijpt Lampo’s alter ego de kans zijn viriliteit te bewijzen door de draak van zijn opvolgers, zijn zonen, te verslaan en de prinses te verwerven. Wat is nu het grote, het eigenlijke trauma? De komst van volgende generaties, zo had het boek ook kunnen heten.

3

De komst van Joachim Stiller is zo’n roman die beter of in ieder geval sympathieker wordt naarmate je je meer verdiept in de herkomst, de biografie van de schrijver, diens eigen commentaar op zijn werk. Dat is een zwakte van het boek, ben je dan meteen geneigd te roepen, gevoed door de opvatting dat de tekst voor zich moet spreken, dat de maker er niet meer toe doet als de tekst eenmaal bestaat; maar in plaats van zwakte kan je ook zeggen: eigenschap. (Misschien moeten we dat vaker doen: zodra iemand zwakte! roept meteen eroverheen gaan met: nee, eigenschap!)

Je kan op papier draken doden, maar fictie kan niet alles bewerkstellingen. Wensdromen verslaan geen generaties. Voor Groenevelt ging de tijd weer door toen Joachim Stiller zijn offer bracht, maar de ironie daarvan is natuurlijk dat als gevolg daarvan de schrijver alleen maar steeds ouder zal worden, met steeds meer nieuwe generaties onder hem. De roman lijkt zich niet van die ironie bewust. In Lampo’s artikel uit 1990 klinkt nog steeds de toon van iemand die zich verdedigt, die zich ondanks zijn opgesomde successen nog steeds miskend voelt.

Toen De komst van Joachim Stiller in1961uitkwam was Wolkers net begonnen, Hugo Claus al lang en breed bezig, De avonden al twaalf jaar oud. Je kan je voorstellen dat dit boek toen meteen al niet meer bij de tijd was, in ieder geval niet als het ging om de tijdzone waarin de literaire voorhoede opereerde. Het voordeel van een late lezing is dat dat er allemaal niet meer zo toe doet. Romans zijn doorgaans niet onsterfelijk, maar ze kunnen in de loop der decennia wel enige tijdloosheid verwerven, al was het alleen maar omdat de tijdgeest die ooit als een onzichtbaar fluïdum om het boek heen wolkte inmiddels is vervlogen, opgegaan in een groter geheel.

Geen idee wat ik van het boek gevonden had als ik het eind jaren zeventig wel voor mijn lijst had gelezen. Wie weet hoe goed ik het had gevonden, dit lijkt een boek dat in staat is vooral adolescenten en twintigers te betoveren.

4

In 1976 werd van De komst van Joachim Stiller een tv-serie gemaakt, geregisseerd door Harry Kümel, met Hugo Metsers in de hoofdrol, en bijrollen voor Cox Habbema en Willeke van Ammelrooy. Die serie is in zijn geheel op YouTube te zien, en wel hier, 2 uur 33 minuten en 53 seconden lang. Met name geschikt voor nieuwsgierigen met een goed uithoudingsvermogen en een stoïcijnse bereidwilligheid alles in zijn tijd te zien. Heel erg goed is het allemaal niet. In zijn rol van Groenevelt leidt Hugo Metsers aan een ernstig geval van voice-over, bovendien praat hij in sommige scènes ook nog in zichzelf, om het de kijker maar zo makkelijk mogelijk te maken. Mooie beelden van Antwerpen midden jaren zeventig, dat wel. Met de daarbij behorende mode (zelfs in de flashbacks die in de oorlogsjaren spelen hebben de jongetjes halflang jarenzeventig haar), auto’s (opeens een Snoek in beeld, altijd mooi), en gebouwen (Het Steen nog zonder eenentwintigste-eeuwse aanbouw!)

Het boek wordt vrij nauwkeurig gevolgd. Maar toch. Wanneer Hugo Metsers in zijn rol als Groenevelt voor het eerst zijn onderbuurvrouw Maria van de Casteele (Willeke van Ammelrooy) bezoekt, dartelt die haar appartement rond in een luchtige peignoir, waaronder ze een zwarte bh draagt die de tepels blootlaat.

Ook in de roman loopt Maria op dat moment rond in een peignoir, maar de roman-Groenevelt observeert tevreden dat deze toestand niets clichématigs heeft, ondanks de verwachtingen die erotische literatuur en ‘de kitschfilm’ in onze hersens hebben geprent. ‘Haar peignoir viel niet toevallig open, terwijl ze zich onder een of ander voorwendsel vooroverboog of de benen kruiste. En ook zat zij mij niet uitdagend van onder de neergeslagen wimpers aan te kijken.’

In de tv-serie valt de peignoir op dat moment nu juist wél open, om over uitdagende blikken nog maar te zwijgen. Je zou er een meta-commentaar van de scenarioschrijvers op het boek in kunnen zien: dit wat wij maken is nu juist zo’n kitschfilm waar de auteur zich in zijn roman bij deze zelfde scène tegen afzet – maar dat zal wel niet; hier wordt gewoon voldaan aan de eis die Nederlandstalige tv-series uit de jaren zeventig en tachtig zichzelf stelden omdat ze wisten uit welk hout de kijkers gesneden waren: er moeten blote borsten in.

En dat is een beetje tragisch, het is jammer dat de scenarioschrijvers niet iets beter voor het boek hebben gezorgd. Door alle kledingstukken gesloten te houden hadden ze hier met de verwachtingen van de contemporaine kijkers kunnen spelen op de manier die de auteur al in zijn tekst had aangegeven, maar nee. Weer stijgt je sympathie voor Lampo, omdat ze dat niet konden opbrengen.

Geplaatst in boek, lezen | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

een koetsje in je hart

Toen ik de vorige blogpost schreef, over De grachtengordel van Meijsing en De ontdekking van de hemel van Mulisch, was ik Kraken aan het lezen, een behoorlijk krankzinnige fantasyroman van China Mieville, en toen ik dat boek een dag later uit las, merkte ik tot mijn verbazing dat die roman op een bepaalde manier met De ontdekking van de hemel te vergelijken was – bij Mieville ging het niet om een God die uit onvrede over de wegen die de mensen waren ingeslagen zijn Tien Geboden terug wilde, maar (spoiler, spoiler) over een krankzinnige geleerde die met terugwerkende kracht Darwins evolutietheorie uit de wetenschapsgeschiedenis wilde verwijderen. Het zijn verder totaal verschillende romans, maar toch, je zou ze in de boekenkast bijna naast elkaar zetten om telkens wanneer je blik er op valt iets te kunnen mompelen als ‘nou nou, bien étonnés de se trouver ensemble’.

*

Maar eigenlijk wilde ik het over heel andere schrijvers hebben, of over een verschijnsel, iets dat je als lezer kan overkomen: dat je volledig bereid bent een schrijver goed te vinden en dat het dan toch niets wordt. Je bent niet zozeer bereid als wel voorbereid. Je was de naam van de schrijver al herhaaldelijk tegengekomen, jarenlang, telkens in veelbelovende contexten, het was een raadsel dat je hem nog niet gelezen had, het leek een interessante schrijver, misschien wel een geestverwant, een schrijver naar je hart; en je had dat hart al wagenwijd opengesteld, er reed zelfs al een koetsje naar binnen – maar dat koetsje was leeg; als je wilde dat de schrijver daarin zou zitten, moest je toch eerst daadwerkelijk diens werk lezen.

En als je dat dan uiteindelijk had gedaan, kwam er uit dat koetsje een bleek aardmannetje gestapt dat een beetje vreemd rook en raar uit zijn ogen keek.

Het overkwam me onlangs met Pessoa en Cioran.

Verleden jaar kocht ik eindelijk Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa. Altijd al willen hebben, veel over gehoord, mensen wier smaak ik serieus nam prezen het: het moest iets voor mij zijn, dat kon niet anders. Mooie privé-domein uitgave dan ook nog, via boekwinkeltjes.nl tweedehands gekocht bij een antiquaar in Amsterdam. Toen ik van de zomer daar was heb ik het boek zelf opgehaald bij de verkoper, in een hoekje van Bos en Lommer waar ik nooit eerder was geweest, met straten vol wederopbouwblokken waar het optimisme waarmee ze ooit waren opgetrokken nog vanaf spatte omdat de zon zo mooi scheen, aardige man ook nog, die verkoper, ik fietste door naar de Sloterplas om het boek daar op een bankje open te slaan, zonlicht schitterde op het water, het boek lag goed in de hand, ik appte een foto van het boek naar L. in Brussel om dit kleine maar belangrijke geluk met haar te delen, ik bladerde door het fotokatern, het was een prachtige middag vol verwachting én innerlijke rust – maar ja, er stond ook tekst in het boek en daar ging het een beetje mis.

Wat kan ik ervan zeggen? Het klikte niet. Aantekeningen vol, ja, vol met wat, sombere zelfbeschouwing. Ik probeerde het te lezen als de roman die het in feite is, maar dat veranderde weinig. Ik wist dat ik iets las wat een lezer diep zou kunnen  raken, iets dat diezelfde lezer iets over zijn of haar eigen leven kon bijbrengen over berusting, lijdzame fierheid, tragische aanvaarding van het eigen lot, van ieders lot – maar ik was niet die lezer. Of niet meer. Er moest een manier zijn om deze tekst te lezen zonder dat het woord ‘zelfbeklag’ bij je opkwam, waar zich dan op een gegeven moment ook nog het bijvoeglijk naamwoord ‘koket’ voor wurmde, maar ik kende die manier niet. 

Wacht, ik pak het boek er even bij en sla het op een willekeurige plek open.

Het vereist enige geestelijke moed van een mens om onverschrokken te erkennen dat hij niet méér is dan een menselijk vod, een overlevende miskraam, gek op de rand van opname […]

Nee, dat gaat niet, ik word geestelijk moedeloos van zo’n opmerking. ‘Ach, wie zal mij redden van te bestaan?’ vind ik ook nog ergens, al bladerend.

Waar is mijn antenne voor het tragische gebleven, ik had dit veel eerder moeten lezen, op mijn vijfentwintigste, overdag met de gordijnen dicht, gezellig Joy Division erbij opgezet, dát was de goede tijd geweest voor dit soort zelfkwellende berusting, toen was ik daar oud genoeg voor, als lezer ben je als vijfentwintigjarige op je oudst…

*

Toch zie ik het ook als een gebrek van mezelf dat ik deze teksten niet weet te waarderen. Ik heb het boek bovendien bij lange niet helemaal gelezen, dus wat kan ik er nu eigenlijk over zeggen? Dat ik er zelf rusteloos van word, rusteloos genoeg om dit boek weg te leggen en een ander open te slaan; maar toch met enige spijt en een niet helemaal zuiver geweten.

Met Cioran ging dat makkelijker. Ik kocht, ook tweedehands, maar deze keer in Arnhem, Geboren zijn is ongemak, een van de in het Nederlands vertaalde boeken van de Roemeense filosoof-aforist, in een mooie synopsis-editie uit 1984. Ook deze schrijver zweefde al jaren in de wolk Veelbelovende Auteurs Aan Wie Je Door Eigen Laksheid Nog Niet Was Toegekomen, wat kon er mis gaan – nou, alles eigenlijk. Om er poëzie van te maken: ik schoot in de lach/ van zoveel zelfbeklag.

Ciorans aforismen waren kernachtiger dan die van Pessoa, maar niet beter. Een boek als een monotone dreun, bijna elk aforisme was een variatie op de titel, zodat je de man al na een paar onzalige pagina’s zou willen toeroepen: ‘Get over it!’ Natuurlijk heeft hij gelijk, geboren zijn is ongemak, zeker wanneer de luieruitslag toeslaat en de eerste tandjes doorkomen, maar kan je niet éven opkijken, naar buiten kijken? Van Cioran is bekend (maar deze anekdote verzin ik ter plekke) dat hij alleen maar naar buiten keek als het donker was, zodat hij in het raam de weerspiegeling van zijn eigen gezicht zag, en niets anders.

Dat het tussen Cioran en mij niet boterde kwam misschien ook uit het wat al te hagiografische nawoord dat de editie bevatte die ik had gekocht, geschreven door Fred Backus. Ergens citeert hij uit een brief van Cioran:

Ik heb in een dorp, niet ver van Nanter, enkele dagen als metselaar gewerkt. Alleen het handwerk kan me bevrijden van mijn onthopen. Voor de rest ben ik als Hadewijch: Mi gruwelt dat ic leve.

Was dan gewoon blijven door metselen, ben je dan geneigd te zeggen. Dat ‘enkele dagen’ klinkt toch een beetje aanstellerig, als een intellectueel die een middag lang helpt met de oogst om zich even verbonden te voelen met de landarbeider, en om die heerlijke spierpijn de volgende ochtend. Ik weet verder weinig of niets van Cioran, dus misschien doe ik hem met deze opmerkingen groot onrecht. Wie weet is hij toen van een steiger gevallen of waren na enkele dagen alle stenen op.

*

Maar iets weet ik toch wel over Cioran, want in De Groene Amsterdammer van 24 maart las ik een artikel van Marijn Kruk dat ‘De privileges van een aristocraat’ heet. Kruk schrijft over Le consentement, het boek waarin Vanessa Springora afrekent met de Franse schrijver Gabriel Matzneff, die jarenlang relaties had met pubermeisjes, onder wie Springora, en daarover schreef, en daar mee weg kwam. In haar boek beschrijft Springora hoe ze als zestienjarige haar toevlucht zoekt bij Cioran, een vriend en mentor van Matzneff. Ze is wanhopig omdat Matzneff haar weer eens heeft bedrogen.

Nu staat ze ineens in de huiskamer van de beroemde misantroop. Ze legt uit dat ze het niet meer aankan, de leugens, de mysterieuze absenties, de meisjes die aan de deur komen kloppen. ‘Vanessa’, zo onderbreekt hij haar, ‘Matzneff is een kunstenaar, un très grand écrivain, en op een dag zal de wereld zich daar rekenschap van geven […] Hij bewijst je een enorme eer door jou uit te kiezen. Jouw rol is het om hem te begeleiden op de weg van de schepping, en je te voegen naar zijn grillen.’

Zie je wel, denk ik als ik dit lees, ’t is een grote lul, die Cioran, een bombastische zak, heb ik even gelijk dat ik die teksten van hem nooit serieus genomen heb. Ja ja, literatuur gaat vóór het leven, vooral het leven van anderen dan; het eigen leven wordt koket beklaagd, het leven van anderen niet serieus genomen.

Maar die vreugde deugt natuurlijk niet, al was het alleen maar omdat ze gepaard gaat met gevoelens van superioriteit ten opzichte van iedereen die Ciorans teksten al die jaren wel vol bedachtzame eerbied en trage knikken van herkenning tot zich heeft genomen.


Want stel dat het hier om een schrijver was gegaan wiens werk ik wel bewonderde, dan had ik uiteraard de oude waarheid van stal gehaald dat je auteur en werk van elkaar moet kunnen scheiden, dat je gedrag en oeuvre los van elkaar moet kunnen zien, dat waarde van een werk niet tenietgedaan wordt door gedrag van de maker dat misschien wel jaren voor of na de productie van het werk in kwestie plaatsvond. Et cetera. En de naam die dan meteen bij iedereen opkomt is Céline, en laat ik nu net als lid van leesclub De Kapsalon diens Reis naar het einde van de nacht aan het herlezen zijn.

Ook dat boek valt bij tweede lezing niet mee. Ik las het lang geleden voor het eerst, misschien wel overdag met de gordijnen dicht, of iets later – van die lezing kan ik me eigenlijk alleen nog maar herinneren dat ik er om een of andere reden vanuit was gegaan dat de hele roman zich tijdens de Eerste Wereldoorlog afspeelde; en dus was ik nogal verbijsterd toen de loopgraven al na een bladzij of zeventig werden verlaten en de rest van het verhaal zich honderden pagina’s lang afspeelde in het interbellum.

En ja, ook bij Céline volop nihilisme over de menselijke conditie. In dit geval verwoord op een stoere toon die ooit vernieuwend zal zijn geweest maar die nu algauw een beetje gaat vervelen.

*

Céline, Cioran en Pessoa: bien étonnés de se trouver ensemble, ongetwijfeld, maar toch lijkt het even een logisch verbond. Céline heeft zijn aforismen tenminste nog op enige afstand van elkaar gezet en de tussenruimte opgevuld met verhaal, dat heeft als voordeel dat er bij hem sprake is van een wereld, en andere personages dan alleen de verteller. En er is ook ontroering, maar die verdrinkt helaas voortdurend in een lauwzout bad van sentimentaliteit. Bij Cioran en Pessoa is die sentimentaliteit ook aanwezig, maar bij hen zit het tussen de regels. Hoe hard en stoer ze op het eerste gezicht ook klinkt, zelfbeklag is zacht beklag. En dan zijn de waterlanders nooit ver weg. Kom hier, mama heeft een zakdoek.

Misschien zijn deze drie, hier min of meer toevallig samengeworpen auteurs vooral geschikt voor oudere lezers die dat übersentimentele boek uit hun jeugd nooit helemaal te boven zijn gekomen en terug willen vinden in alles wat ze lezen: Kees de jongen.

Over bien étonnés gesproken. Ik zie leesclubs voor me vol mannen op leeftijd die zichzelf jongens zijn blijven noemen, met half lang haar en truien onder hun colbertjes, tranen wegslikkend terwijl ze hun Pessoa, Cioran, Céline en Theo Thijssen lezen; en zich in stilte verheugend over die tranen, en hun ontgoocheling koesterend.

Ik zal me voor dit karikaturale beeld van leesclub Mama’s Zakdoek straffen door Het boek der rusteloosheid van a tot z te lezen en wie weet verwijder ik Pessoa dan alsnog uit deze toch vrij wankele en associatieve vergelijking. Hoewel, ik kan in plaats daarvan ook een volgend boek van China Mieville lezen, ik heb er nog eentje staan.

*

Nu ik dit nog eens overlees: eigenlijk is dit hele stuk een pleidooi voor humor.

Geplaatst in lezen | Tags: , , , , , , , , | 7 reacties

meijsing en mulisch, of: de (her)ontdekking van de grachtengordel

De grachtengordel van Geerten Meijsing las ik voor het eerst in 1993, een jaar nadat deze ‘sleutelroman over het Amsterdamse literaire wereldje’ was uitgekomen. Een paar weken geleden kocht ik de nieuwe editie die vorig jaar uitkwam en las ik de roman voor de tweede keer.  

In 1993 was ik dertig. Drie jaar later zou ik als schrijver debuteren – ik las een roman over een wereld waar ik onderdeel van wilde zijn.

Als je bij een wereld wilt horen maakt het niet uit hoe die wereld beschreven wordt; dat hij beschreven wordt is belangrijk, het feit van de beschrijving bevestigt het belang van die wereld. Als een waarschuwing las ik het boek in ieder geval niet. (‘Ga die wééreld uit,’ hoor ik nu opeens Frank Boeijen zingen.)

Hoe ik het boek wel las? Met overmoed, waarschijnlijk. Als jongere lezer vereenzelvig je je met het streven, niet met de frustratie. Het streven deelde ik, de frustratie was voor ouderen – alsof ik eeuwig dertig zou blijven. Het is vergelijkbaar met hoe ik in die tijd Nescio las: met (verlangende) herkenning als het ging om het streven van de personages, met minzaamheid als het ging over hun latere capitulatie of ondergang. Als je op een gegeven moment de leeftijd van capitulatie en ondergang hebt bereikt, denk je met lichte gêne terug aan die minzaamheid. De ontwikkeling van een lezer komt neer op het verliezen van overmoed.

*

Veel zal me zijn ontgaan toen ik De grachtengordel voor het eerst las. De recente herdruk is voorzien van een uitgebreid nawoord van de auteur, een ‘who’s (ongeveer) who’ en een register, maar bij de eerste uitgave zat geen sleutel. Ik was al blij wanneer ik iemand meende te herkennen. (‘Is dat Zwagerman, is dat Jessica Durlacher?’)

Nu, bij mijn tweede lezing, ben ik inmiddels een kwarteeuw schrijver, en herken ik meer. En dan gaat het niet om wie voor wie model heeft gestaan, dat is het eigenlijk het minst interessante aspect van het boek.

Ik herken de frustraties, de hoop, het gedoe, de uitgevers, de hoogmoed, de jaloezie, de onzekerheid, de verbetenheid, het verlangen naar erkenning, het verlangen naar zuiverheid, de desillusie, de ontgoocheling – al die zaken zijn van alle tijden, zeker als het om schrijvers gaat. ‘Schrijver’ is een beroep dat geen beroep is, een zelf in het leven geroepen roeping, een naïef idee van compleetheid en vervuldheid dat zich nooit (of toch tenminste nooit langer dan twee seconden) in de werkelijkheid manifesteert. Door hun hoog opgeschroefde verwachtingen organiseren schrijvers hun eigen teleurstelling. Ze staan te schreeuwen in een berglandschap waarin echo geen natuurwet is.

Bij schrijvers is er niets nieuws onder de zon, je komt al deze zaken ook al tegen in New Grub Street van George Gissing (uit 1891), niet toevallig een van Meijsings favoriete romans. Alhoewel: misschien is er toch een verschil, misschien waren Gissings en Meijsings schrijvers eenzamer dan hun huidige collega’s omdat het internet nog geen rol speelde, laat staan sociale media. Ze hadden maar één versie van zichzelf, die ze alleen maar aan anderen konden tonen in de echte wereld. Ze moesten elkaar tegenkomen, ze moesten naar buiten; elke ontmoeting betekende dat tenminste één van het gezelschap zijn of haar eigen woning had verlaten. Wat ze lieten zien konden ze niet wissen, retoucheren of vergezeld laten gaan van een ergens vandaan gehaalde stemmige foto die op een vage manier precies uitdrukte hoe ze zich voelden – of: hoe ze zich wilden voelen, of hoe ze wilden dat de ander dacht dat zij zich voelden. Maar dat is niet het opheffen van eenzaamheid, het is het capitonneren van je eenzaamheid met een steeds weer verversbare versie van jezelf. Dat geldt overigens niet alleen voor schrijvers. Je hebt nu een spiegel die je kunt omkeren naar het publiek zonder dat je spiegelbeeld verloren gaat.

*

Wat me vooral opvalt bij herlezing van De grachtengordel is hoe goed het boek is, hoe goed het in elkaar zit ook, met de niet-chronologische opbouw, de stijlpastiches, de prachtige ingreep om uitgerekend het moment van de prijsuitreiking niet te beschrijven. Dat zal me allemaal zijn ontgaan, dertig jaar geleden, vrees ik. Ik zal toen gedacht hebben dat iemand wraak nam op zijn wereld. Maar iemand neemt vooral wraak op zichzelf. De roman is geen afrekening, het beschrijft afrekeningen. Het is niet larmoyant, het beschrijft larmoyantie. Het is, misschien nog het meest, een verkenning. En de verkenner van dienst, die tegelijk deelnemer is, beweegt zich gejaagd door een gejaagde kleine claustrofobische wereld vol verdoemden. (Een van de motto’s van het boek is van Gissing en beschrijft het literaire bedrijf als ‘a trade of the damned’.) Achteraf lijkt het alsof het hoofdpersonage, de schrijver Provenier, voortdurend met grote passen op weg is door Amsterdamse straten in een gele schemering met donkerpaarse gekartelde wolken. Zelfs de rustige Rooseveltlaan krijgt een apocalyptische glans. (Hij zit meer in taxi’s dan dat hij daadwerkelijk rondloopt geloof ik, maar het gaat om het beeld dat in je opkomt wanneer je na lezing je oog nog eens op het boek laat vallen; kijk, daar gaat Provenier, in zijn schemerwereld, gejaagd op weg in een stad die in eeuwige schemering is verzonken.)

Het uitgebreide nawoord van de nieuwe editie is misschien ál te uitgebreid, maar het roept wel reminiscenties op met door Penguin Classics of Oxford University Press heruitgegeven klassieken – al zijn bij die boeken de nawoorden doorgaans niet door de auteur zelf geschreven, zoals hier wel het geval is. Toch is het niet onterecht, deze associatie met die classics. Als we uit de jaren negentig één klassieker mogen meenemen, dan toch eerder De grachtengordel dan, om maar eens wat te noemen, De ontdekking van de hemel.

*

Dat magnum opus van Harry Mulisch kwam ook uit in 1992, maar ik heb het destijds niet gelezen. Pas een paar jaar geleden las ik het voor het eerst, ik zal nooit weten wat mijn jongere ik ervan gevonden zou hebben. Toen ik het uiteindelijk las vond ik het vooral een mal boek. Met goede delen, dat wel, zoals het deel waarin Quinten op een kasteel verblijft waar alle andere bewoners hem stuk voor stuk een kunde bijbrengen die hij later nodig zal hebben voor het vervullen van zijn opdracht. Goed gevonden, ik moest meteen aan Tonke Dragt denken. (Over klassiekers gesproken.)

Het grootste probleem van De ontdekking van de hemel is dat het verhaal zich veel te laat afspeelt. Dat hele idee dat door de opkomst van wetenschap en techniek, ‘de onttovering van de wereld’, de mensheid het contract met God heeft opgezegd en dat daarom de tafelen met de Tien Geboden terug moeten – dat doet in een twintigste-eeuwse setting toch een beetje achterhaald en ouderwets aan. Mulisch had er beter een historische roman van kunnen maken; wanneer het verhaal zich in de zeventiende of achttiende eeuw had afgespeeld had er meer op het spel gestaan, was het verhaal  ‘eigentijdser’ geworden. Mooier nog was het geweest wanneer Mulisch het boek in de zeventiende of achttiende eeuw had geschreven. Maar zoiets zou waarschijnlijk zelfs de krachten van een Mulisch te boven zijn gegaan.

Je zou bijna nog gaan hopen dat een uitgever of een fonds ooit een schrijver de opdracht geeft om De ontdekking van de hemel te herschrijven als historische roman, om te zien hoe dat zou uitpakken. Of meerdere schrijvers, die elk het boek zich in een andere tijd laten afspelen. En daarna kunnen ook andere romans in een andere periode worden geplaatst, waarom niet, een nieuw genre dient zich aan. Max Havelaar aan de vooravond van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, Kleine Johannes in de jaren zestig, Gimmick in de jaren vijftig, Lijmen/Het been eind jaren tachtig, De grachtengordel in 2021.  

Geplaatst in lezen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

gratis aangeboden: fragment voor schrijvers m/v die bezig zijn aan een dystopische roman (en wie is dat niet, tegenwoordig)

[…]

In die tijd, tegen het midden van de eenentwintigste eeuw, begonnen ook de eerste processen tegen romanpersonages. Sommige historici trokken meteen parallellen met de rechtszaken die in de middeleeuwen tegen dieren waren aangespannen maar hen werd algauw duidelijk gemaakt dat het hier om iets anders ging en dat we inmiddels niet meer in die middeleeuwen in kwestie leefden.

De eerste maanden werden aangeklaagde personages voornamelijk veroordeeld wegens discriminatie, minachting voor het andere geslacht, toxische masculiniteit, bordeelbezoek, gebruik van drugs, het bezigen van inmiddels niet meer acceptabele terminologie en het onvermogen te leren van het verleden, hoewel er ook personages om andere redenen werden aangeklaagd – zo was er het geruchtmakende proces tegen Holden C. uit The Catcher in the Rye, die werd veroordeeld wegens het zich voordoen als een zestienjarige (de aanklager wist aan te tonen dat Holden minstens een al wat ouwelijke man van zesentwintig moest zijn), en de niet minder beruchte zaak tegen Sal P. en Dean M. uit On the Road wegens het voortdurend zonder doel per auto onderweg zijn en zodoende een niet door nut of noodzaak gepardonneerde bijdrage aan de opwarming van de aarde leverend.

De processen waren goed bezochte bijeenkomsten waar lezers en anti-lezers (in die jaren waren ook de eerste anti-leesclubs ontstaan) zich op de tribune van de rechtszaal verdrongen. Ook werden ze uitgebreid  besproken in talkshows van de publieke omroep als De Rechtse Vooravond en De Iets Minder Rechtse Vooravond, die waren bedoeld om het gehele politieke spectrum te bedienen. Nooit eerder was er op tv en op sociale media zo intensief over literatuur gesproken.

Een nieuw stadium werd bereikt toen de heer Rodion R. uit Misdaad en straf werd aangeklaagd wegens een moord op een hospita die hij in de roman waarin hij de hoofdrol speelde al had bekend. De advocaat van R. voerde aan dat dit een geval was van Ne Bis in Idem, met andere woorden, dat zijn cliënt niet twee keer voor hetzelfde feit kon worden veroordeeld. De aanklager in kwestie, die inmiddels was uitgegroeid tot de grote ster van deze serie processen en luisterde naar de merkwaardige naam Alfons van de Letteren, pareerde de advocaat succesvol met de stelling dat het hier ging om veroordelingen in verschillende dimensies, die van het boek en die van de wereld waarin dat boek werkzaam was, en dat het Ne Bis in Idem-principe alleen geldig was binnen één bepaalde dimensie.

De veroordeling van R. opende de deur tot een vloed van andere processen, waarvan het bekendste ongetwijfeld het massaproces was  dat werd aangespannen tegen de daders uit de verzamelde detectiveromans van Agatha Christie. Niemand van hen ontsnapte de dans, waardoor het percentage  vrouwen onder de veroordeelden ook weer wat steeg.  

Gaandeweg de processen werden Van de Letteren en zijn mede-aanklagers er steeds vaker van beschuldigd dat ze vooral personages van inmiddels overleden schrijvers voor de rechtbank sleepten. Waarschijnlijk toch enigszins geraakt door die kritiek werden er vervolgens meer personages van nog levende auteurs gedaagd. Dit veranderde weinig aan de procedures, aangezien er voor de schrijvers geen enkele rol was weggelegd. Die moesten zich elders maar verantwoorden, mochten ze daar behoefte aan hebben; er werd voor dat doel zelfs een bescheiden subsidiebedrag vrijgemaakt.

Telkens wanneer een personage was veroordeeld (van vrijspraak was eigenlijk nooit sprake) werd een symbolisch aantal exemplaren van de roman waarin het desbetreffende personage optrad (doorgaans ging het om enkele honderden exemplaren; soms moest er worden bijgedrukt) opgestapeld in een cel van een tot een gevangenis omgebouwde vleugel van het Letterenmuseum, waarna die cel symbolisch, maar wel met echte stenen, werd dichtgemetseld. Lezers en anti-lezers werden uitgenodigd in hun directe omgeving hetzelfde te doen met hun eigen exemplaren, en zo verschenen op de trottoirs van de witte middenklassewijken de inmiddels niet meer uit het straatbeeld weg te denken houten gevangeniskastjes waarin buurtbewoners hun besmette romans kwijt konden. Elk gevuld kastje werd vervolgens door een buurtcoördinator verzegeld. Dat die gevangeniskastjes grote overeenkomst vertoonden met de weggeefboekenkastjes die enige decennia eerder in diezelfde wijken zo populair waren geweest, was geen toeval: veel van die gevangeniskastjes waren omgebouwde weggeefkastjes die ergens uit een schuurtje of kelder waren opgediept.

Geplaatst in leven, lezen | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

PS bij wát voor membranen?

Nadat ik gisteren de voorgaande blogpost had geplaatst, viel het nieuwe nummer van De Groene Amsterdammer in de digitale brievenbus. In dat nummer recenseert Christiaan Weijts De stem, de nieuwe roman van Jessica Durlacher. En kijk, als je het over de duivel hebt: ook in die recensie valt het woord Netflix.

De stem is ‘doeltreffend geschreven,’ volgens Weijts. En even later: ‘Want filmisch is het. Het is niet moeilijk je een meerdelige Netflix-bewerking voor te stellen.’

Weijts legt nader uit hoe hij tot die gedachte komt: er is sprake van ‘effectief, doelgericht schrijven, met vooruitwijzingen die precies goed gedoseerd zijn […] met een perfect gevoel voor timing en tactisch opgetuigde suspense.’

Blijkbaar is er inderdaad sprake een nieuw recensentencliché: de Netflix-vergelijking, waarbij Netflix duidelijk als soortnaam wordt gebruikt.

Even speculeren: ik heb de indruk dat vrijwel iedereen in onze gezellige bubbel van schrijvers, lezers, recensenten, redacteuren en boekhandelaren, kortom, iedereen die zich professioneel dan wel uit liefde met boeken bezighoudt, te kampen heeft met een lichte verslaving aan streamingdiensten. Eigenlijk zijn we er te veel tijd aan kwijt, eigenlijk zouden we meer boeken moeten lezen! En als we dat dan gaan doen, en vervolgens in romans dingen tegenkomen die kenmerkend zijn voor Netflixseries, zoals timing, suspense, doelgerichte vooruitwijzingen, dan zijn we (of ieder geval: de recensenten) teleurgesteld; want ja zeg, dat kunnen we ook van Netflix krijgen, dáárvoor hebben we de tv of de laptop toch niet uitgezet?! Nu we met een boek op de bank zitten willen we wel waar voor ons geld en onze moeite.

Maar misschien is er ook iets anders aan de hand. Verderop in zijn recensie schrijft Weijts: ‘Toch wordt De stem het sterkst op die momenten dat de achtbaan even pauzeert en [de verteller] een stap opzij doet voor reflectie en introspectie. Dat zorgt voor indringende passages met twijfel en tegenstrijdige gevoelens. Die laag van de roman laat zich niet zomaar in twee, drie zinnen navertellen. Daar begint de literatuur.’

We hebben dus in één roman zowel Netflix als literatuur.

Het ziet er dus naar uit dat voor ons recensenten (ik ben er tenslotte zelf ook een) een nieuwe tool beschikbaar is gekomen om romans te analyseren en te beoordelen. Romans zijn geen eenheid meer, maar een samenstel van elementen. Met onze oordelende blik kunnen we ze in bestanddelen doen uiteenvallen: zoveel delen literatuur, zoveel delen netflix.

Alles zal in toekomstige recensies afhangen van de verhoudingen. Sterren en ballen zullen worden vervangen door grafieken en cirkeldiagrammen. ‘Uiteindelijk bevat deze roman iets te veel netflix.’ ‘Jammer dat in de tweede helft van het boek het tempo daalt omdat de literatuur het overneemt van de netflix.’

‘Netflix, netflix,’ zullen literatuurwetenschappers zich over een aantal decennia afvragen, ‘waar komt die term eigenlijk vandaan?’

‘O, dat was vroeger zo’n dienst waarop je je kon abonneren en dan zag je films en zo.’

‘En literatuur?’

‘Dat weet ik niet precies, dat was wat je zag als je het beeld op zwart zette, geloof ik.’

Geplaatst in lezen, recensie, schrijven | Tags: , , , , , | 2 reacties

wát voor membranen?

Eigenlijk was ik van plan om op deze plek een ander stuk te schrijven, een beknopte analyse van het feit dat bij mijn laatste verhalenbundel lezers (en recensenten) er al te vaak automatisch vanuit gaan dat de verteller een man is als het verhaal verteld wordt in eerste persoon enkelvoud. Iets wat voor de hand ligt als de schrijver, zoals in mijn geval, een man is; maar wat me wel verbaast is hoe hardnekkig lezers ervan overtuigd blijven dat de verteller van het mannelijk geslacht is, ook als er in de tekst steeds meer bewijzen van het tegendeel opduiken.

Ook wilde ik nog een diepgravende mediabeschouwing schrijven die zou culmineren in de lezersvraag of ergens in de indrukwekkende, vele eeuwen bestrijkende geschiedenis van kranten en tijdschriften ooit iemand werkelijk plezier heeft beleefd aan een themanummer.

Maar er diende zich iets anders aan: een opvallend element dat opdook in verscheidene recensies van de laatste roman van Lize Spit.

Daar moet ik natuurlijk helemaal niet over beginnen, dat onderwerp is te dichtbij, terwijl ik dit schrijf zit ik zelfs naast de auteur in kwestie op de bank (of zetel, zoals ze dat meubelstuk hier noemen). Ik zal het dus kort en uiterst objectief houden.

Wat dat laatste betreft (die objectiviteit) is dat eigenlijk wel jammer. In een eerdere versie van dit stuk werden sommige recensenten op sarcastische en soms ronduit kwetsende wijze op hun nummer gezet. Al die fragmenten heb ik eruit gehaald. Ik heb ze wel bewaard, want je weet maar nooit; ze hangen aan de binnenkant van de deur van het keukenkastje waarin we de glazen bewaren die tegen een stootje kunnen. Zodat ik ze toch weer even zie wanneer ik zin heb in iets strafs.

Goed, even kort dan: een aantal recensenten dat moeite met het boek had, maakte de vergelijking met Netflix. Eerst gebeurde dat in De Standaard en op doorbraak.be, een paar weken later werd dezelfde vergelijking in de Volkskrant overgenomen door Onno Blom – die bovendien net dat ene lesuur in de cursus Recenseren voor Beginners bleek te hebben gemist waarin met klem werd benadrukt dat je in je recensie nooit een woordspeling moet maken op de titel van het boek dat je beoordeelt – en als je het dan toch doet, doe het dan niet in de laatste regel.

(Sorry, hier ging iets mis. Ik heb geen idee hoe deze opmerking zich uit het keukenkastje heeft weten te bevrijden. Ik ga even het deurtje goed aanduwen.)

Als meerdere recensenten min of meer tegelijk met eenzelfde vergelijking aankomen, is er meestal sprake van een nieuw cliché, een verwijzing naar ‘iets moderns’ om eigentijdsheid uit te stralen. Al kan in dit geval ook meespelen dat de auteur die naast me op de zetel zit een scenario-opleiding heeft gevolgd – dan is het verband met film of tv zo gelegd.

De vergelijkingen met Netflix waren niet bedoeld als compliment, integendeel, ze waren impliciet of expliciet bedoeld om het literaire karakter van het boek in twijfel te trekken. Het ging hier over de roman als scenario, over de vergelijking van het lezen van het boek met binge watching.

Het waren weer eens ouderwetse poortwachtersrecensies: de recensent als bewaker van het fort van de literatuur die bepaalt wie naar binnen mag en wie niet. Het interessante van de recensies was dat het literaire gehalte van de rest van het boek eigenlijk niet in twijfel werd getrokken, de Netflix-dus-geen-literatuurvergelijking had alleen te maken met de manier waarop het verhaal werd opgebouwd en verteld.

Goede vergelijkingen, mooie beelden = prima. Spanning opbouwen en op die manier lezers meeslepen = niet prima. Ik vat het maar even ongenuanceerd samen. Je zou het ook zo kunnen zeggen: als je er als schrijver voor zorgt dat je lezers je boek in één adem uitlezen, dan moeten we het er nog maar eens over hebben of dat boek wel literatuur is. De recensent van De Groene Amsterdammer had het zelfs over ‘licht weerzinwekkend effectbejag’. Als de middelen waarmee je lezers meesleept betrekking hebben op spanning lijken die middelen per definitie niet literair te zijn.

Als het om spanningsopbouw en meeslepende leeservaringen gaat, kan je je vergelijkingen ook binnen de literatuur zoeken. Kijk naar negentiende-eeuwse romans, van Dickens bijvoorbeeld. Veel van die romans werden bovendien in afleveringen gepubliceerd, mensen verdrongen zich om een nieuwe aflevering te pakken te krijgen.

In afleveringen – hoe Netflix wil je het hebben? Netflix heeft het tenslotte ook niet zelf uitgevonden. We kunnen als poortwachters alle romans die tot binge reading uitnodigen wel buiten het fort willen houden door ze met buiten-literaire zaken te vergelijken, maar het gevaar bestaat dat we dan een literatuur overhouden die vrijwel in z’n geheel bestaat uit semi-autobiografische, semi-essayistische, plotloze verkenningen van individuele levens en generaties. Wat ook bloedmooie romans kan opleveren en heeft opgeleverd, maar waarom zouden we het fort bevolken met een homogene populatie?

Je zou zelfs kunnen aanvoeren dat de literatuur best wat van Netflix mag overnemen – ze heeft zich de afgelopen eeuwen al uitgebreid door de beeldcultuur laten beïnvloeden, en daar zijn we niet slechter van geworden.

Het is hoe dan ook een interessante discussie, al ben ik nu even de laatste die zich ermee moet bemoeien, en heb ik de indruk dat die vrij lokaal is, en bijvoorbeeld in Engelstalige landen veel minder urgent is. Ik vind het altijd zo’n gereformeerde discussie: wie is uitverkoren en wie niet?

De roman in kwestie staat inmiddels op de longlist van de Libris Literatuur Prijs en bevindt zich momenteel dus in het fort, of alle poortwachters het daar nu mee eens zijn of niet.

Maar voor zover dat al niet gebeurd is, mogen de stenen muren van het fort wat mij betreft worden vervangen door permeabele membranen, zoals celwanden: er gaat van alles ongehinderd door, heen en weer, naar beide kanten. Dan zijn er ook geen poorten meer nodig.

Geplaatst in boek, lezen, recensie, schrijven | Tags: , , , , , , | 19 reacties

ruis en kussen

Ter lezing en vermaak in de datumloze dagen tussen kerst en nieuwjaar twee stukken, opgediept uit mappen met losse artikelen-in-opdracht. Een (very) short read en een longread.

Het korte stuk (Ruis) stond eind vorig jaar in, of liever gezegd achterop het decembernummer van het tijdschrift Lezen, in de rubriek ‘Uit een schrijversleven’; het lange stuk (De kus op het sterfbed) schreef ik op verzoek, het moest een essay worden over vriendschap naar aanleiding van het eerder dit jaar met de Socratesbeker bekroonde boek van Donald Loose, Over vriendschap. De praktische filosofie van Kant. Ik haalde er ook nog een ander boek bij, en dacht ook zelf nog even na, en toen ging het zoveel kanten op (no pun intended) dat het te lang werd. Ik had het kunnen inkorten, maar daar was ik niet gelukkiger van geworden, en zo verschijnt het hier voor het eerst; het onderwerp vraagt misschien om een nóg veel langer stuk.

Kleine waarschuwing: na het lezen van dat laatste artikel zit dat refrein uit dat ene nummer van Het Goede Doel onwrikbaar verankerd in uw hoofd, daarom hier meteen maar het hele nummer:

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , , , , , | 4 reacties

de russische boerenkeuken op mars

Gisteren mocht ik in Putten met een feestrede de opening opluisteren van de eerste onbemande bibliotheek van Nederland. Niet wat u denkt (en wat ik dacht), het betekent dat leden met een pasje ook buiten openingsuren naar binnen kunnen. In Scandinavië en Vlaanderen al gangbaar, naar verluidt, nu dus ook in Nederland. Ze wilden graag dat ik een ‘ode aan de moderne bibliotheek’ bracht; die zit er wel degelijk ergens in verborgen, hieronder, maar het ging me natuurlijk vooral om Olga. En of ze het nog ergens konden nalezen? Nou, zeker, hier,van tien tot nul:

10

De eerste onbemande ruimtevlucht vond plaats op 4 oktober 1957, toen in de Sovjet-Unie de satelliet Sputnik 1 werd gelanceerd en vervolgens in een baan om de aarde gebracht. Na 92 dagen zacht bliepend om de planeet te hebben gecirkeld, verbrandde de kunstmaan volgens plan in de atmosfeer. Dit onverwachte Sovjet-Russische succes zette de Amerikanen aan tot een verbeten concurrentiestrijd die erin resulteerde dat twaalf jaar later Neil Amstrong van een laddertje afdaalde en de eerste stappen op de maan zette – iets dat overigens door steeds minder mensen wordt geloofd, maar dat is een ander verhaal.

En dus niet het verhaal dat ik u wil vertellen. Weinig mensen weten dat de ruimtetechnici van de Sovjets niet lang na de eerste onbemande ruimtevlucht nóg een satelliet lanceerden, Sputnik 1a, de eerste onbemande ruimtebibliotheek. Ik zie aan uw gezichten dat dit nieuw voor u is. Dat viel dan ook te verwachten, weinig mensen weten hier nog iets van, omdat vrij snel na de lancering alle medewerkers aan dit programma het zwijgen werd opgelegd.

De eerste onbemande ruimtebibliotheek was uiteraard niet erg groot, en het aanbod niet heel divers. De collectie bestond uit het verzameld werk van Karl Marx, het verzameld werk van Vladimir Iljitsj Lenin en nog een klein aantal boeken waarin de zegeningen van de socialistische revolutie en het communisme werden bezongen.

Na enkele dagen namen de technici in het vluchtleidingscentrum in Kazachstan via een primitieve, maar voor die tijd uiterst geavanceerde beeldverbinding enige beweging waar bij de satelliet. Een ruimtevaartuig dat, naar latere berekeningen uitwezen, waarschijnlijk afkomstig was van de planeet Mars, legde aan bij de sluis van de satelliet en na enige minuten zagen de verbijsterde technici in Kazachstan een vage gestalte de eerste onbemande ruimtebibliotheek binnen kruipen.

De gestalte bewoog zich zeer traag en nam ook nog eens de tijd om de hele collectie uitgebreid in ogenschouw te nemen, dus in het vluchtleidingscentrum was alle tijd om weddenschappen af te sluiten over het boek of de boeken waarmee de buitenaardse bezoeker de bibliotheek zou verlaten. Lenin, Marx, een brochure van tweeduizend pagina’s over het laatste Vijfjarenplan? Groot was de consternatie toen de alien de satelliet verliet met een boek dat niemand thuis kon brengen. Na uitgebreide bestudering van beeldmateriaal bleek het te gaan om het boek 101 recepten uit de Russische Boerenkeuken, dat door iemand op het laatste moment de collectie moest zijn binnen gesmokkeld.

Uiteraard probeerde men dit geheim te houden, maar aangezien op het vluchtleidingscentrum permanent enige vertegenwoordigers van de Opperste Sovjet aanwezig waren, die bovendien enkele malen per dag een rapport moesten uitbrengen, was er geen mogelijkheid om de kennis van wat er zojuist in de ruimte was gebeurd beperkt te houden tot de direct betrokkenen. Zoals gezegd, er werd meteen ingegrepen, en van vrijwel niemand die op dat moment in het vluchtleidingscentrum aanwezig was, is ooit nog iets vernomen. Het is waarschijnlijk hieraan te wijten dat het Russische ruimtevaartprogramma ten opzichte van het Amerikaanse een achterstand opliep die nooit meer is ingehaald.

9

Er valt veel te zeggen over het bovenstaande, bijvoorbeeld dat het concept van de onbemande bibliotheek ouder is dan men soms wil doen geloven, maar er blijkt ook uit dat bezoekers van bibliotheken hun eigen, zelfstandige keuzes maken, ongeacht de propagandistische bedoelingen van de samenstellers van die bibliotheek. Een goede bibliotheek is propaganda voor het maken van je eigen keuzes. Ik ben nog steeds dankbaar dat in het stadje waar ik opgroeide een Openbare Bibliotheek was waar ik mijn eigen keuzes kon maken. Daar zal ik zo meteen het een en ander over vertellen, maar laten we de nostalgische en misschien wel melancholische bespiegelingen nog even uitstellen, om eerst nog even het verhaal af te maken. Al valt er niet veel meer te vertellen. Dat we nadat de onverwachte bezoeker de eerste onbemande ruimtebibliotheek had verlaten, nooit meer bezoekers van de planeet Mars hebben mogen ontvangen, zou iets kunnen zeggen over de vernietigende eigenschappen van de Russische boerenkeuken – maar mocht die keuken de gehele bevolking van Mars hebben uitgeroeid, dan kan dat natuurlijk ook liggen aan vertaalfouten of de vervanging van bepaalde, niet op Mars verkrijgbare ingrediënten door andere voedingsmiddelen die, eenmaal gecombineerd en verhit, zich op fatale wijze tot een dodelijk gif bleken te ontwikkelen.

8

Het stadje waar ik opgroeide en de Openbare Bibliotheek bezocht, heette Rijssen. Ik weet mijn lidmaatschapsnummer nog: 2552. Mijn lidmaatschapskaart was van dik, gelig papier, dat door overmatig gebruik langzaam verviltte. De inkt waarmee een bibliotheekmedewerkster het nummer 2552 en mijn naam en adres had genoteerd, vervaagde in de loop der jaren langzaam van donkerblauw naar een wonderlijke tint vaalblauwgroen. Het was de eerste Openbare Bibliotheek waarvan ik lid werd, en zeker niet de laatste: waar ik sindsdien ook heb gewoond, ik heb altijd een bibliotheekkaart op zak gehad. Veruit het grootste deel van mijn leven ben ik dus lid geweest van de Openbare Bibliotheek, veruit het grootste deel van mijn leven heb ik het bestaan van de bibliotheek voor een vaste waarde binnen de samenleving aangenomen. Maar de tijden veranderen, zoals tijden dat nu eenmaal plegen te doen als je even niet oplet.

Ooit was de Openbare Bibliotheek een middel tot verheffing, een middel om ook degenen die niet zoveel verdienden om boeken te kunnen aanschaffen of de drempel van de boekhandel te hoog vonden, de mogelijkheid te geven zich te ontwikkelen. In de Bibliotheekwet van 1975 werd de functie van de bibliotheek nog als volgt omschreven:

een elementaire voorziening in een democratische en zich democratiserende samenleving, die aan ieder het recht toekent zich bewust en in vrijheid te ontwikkelen, een mening te vormen.

1975 – dat was dan ook tijdens de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat, dat is al weer lang geleden. In de decennia die volgden zouden ook de bibliotheken niet ontkomen aan bezuinigingsrondes, maar dat de bibliotheek als instelling, als elementaire voorziening ter discussie werd gesteld, merkte ik pas vijf jaar geleden, toen ik in Het Parool las dat de toenmalige woordvoerder cultuur van de Amsterdamse afdeling van de VVD tijdens een discussie over de begroting van de Openbare Bibliotheek het volgende had gezegd:

Amsterdammers jong en oud zijn al lang niet meer alleen afhankelijk van de bieb voor een goedkoop en goed toegankelijk aanbod van boeken. Van W.F. Hermans tot Homerus en van Jip en Janneke tot Anna Karenina, via websites als Marktplaats is de gehele Wereldbibliotheek voor een paar euro per titel te koop en eenmaal gelezen kan hetzelfde boek net zo gemakkelijk weer worden doorverkocht.

Er is niet zoiets als ‘de samenleving’, zei de Britse premier Margaret Tatcher al in de jaren tachtig, en de uitspraak van de Amsterdamse VVD’er is een uitvloeisel van die gedachte, die met vrolijke danspasjes op het graf van de verzorgingsstaat wordt verwoord. Want dat is wat opvalt: die provocatief-badinerende toon, het triomfantelijke dedain waarmee de hele bibliotheektraditie opzij wordt geschoven als een overblijfsel uit een andere tijd, toen Marktplaats nog niet dé virtuele locatie voor al onze cultuurbehoeftes was.

Het is natuurlijk nog maar de vraag hoeveel van de collectie van een gemiddelde bibliotheek voor een paar euro op websites als Marktplaats te vinden is, en dat de woordvoerder het over Marktplaats heeft en niet over een binnen deze context meer voor de hand liggende site als Boekwinkeltjes.nl, laat al zien hoe vreemd de boekenwereld  voor haar is, maar wat vooral opvalt is dat ze het heeft over  ‘Amsterdammers, jong en oud’. Ik zie schoolkinderen nog niet zo gauw volkomen zelfstandig boeken bestellen en verkopen op internet. Ze kunnen wel zelfstandig boeken zoeken in een bibliotheek, zonder dat er per boek moet worden afgerekend, of überhaupt moet worden afgerekend. Juist voor kinderen uit alle geledingen van de maatschappij (en hoeveel geledingen telt de maatschappij wel niet) betekent de Openbare Bibliotheek een belangrijke kennismaking met de wereld van het boek, erger nog: de werelden van het boek, en dus: de wereld zelf. Zelf zoeken vergroot je zelfstandigheid. En voor jong en oud geldt: zoeken is iets anders dan bestellen. Je bestelt wat je wilt hebben; maar als je daadwerkelijk zoekt, vind je nog eens wat waarvan je het bestaan niet kende, en zo ontwikkel je je. Zoeken verruimt je blik, of je nu wilt of niet. En die blikverruiming is gebaat bij een breed aanbod.

7

Natuurlijk, op badinerende toon gestelde beweringen als die van  de VVD-cultuurwoordvoerder zijn bedoeld om de discussie op gang te brengen en dit soort reacties vol heilige verontwaardiging, als die van mij en hopelijk ook van u, op te wekken. Inderdaad, tijden veranderen, dat weet ik ook wel. Want zeg eens eerlijk, klonk dat net allemaal niet wat braaf en ouderwets? Discussies over bibliotheken wekken maar al te vaak de indruk van achterhoedegevechten. Boeken? Van papier? Op een plank, in een gebouw? Dat je tegenwoordig ook e-books kan lenen doet daar weinig aan af.

Maar ik herinner me – en daar zijn we aanbeland bij de al beloofde nostalgische en wie weet zelfs melancholische bespiegelingen – ik herinner me dus nog mijn lidmaatschapsnummer van de Openbare Bibliotheek in het Twentse stadje waar ik in de jaren zeventig opgroeide, het zojuist al genoemde Rijssen. Mijn gereformeerde ouders die uit het westen kwamen en iets wereldwijzer waren dan de autochtone Rijssenaars vonden het goed dat hun kinderen lid werden van die bibliotheek, wat niet vanzelfsprekend was, want: Openbaar, het woord zegt het al, werelds tot en met. In die bibliotheek vond ik boeken die niet werden gekenmerkt door een eng-christelijke moraal, die niet bestemd waren voor ‘mensen van onze kerk’, boeken waarin mensen avonturen beleefden zonder God en gebod, en zonder gebed aan het eind. In die bibliotheek vond ik ook boeken waarin stond dat de aarde veel ouder was dan zesduizend jaar, en dat er iets had plaatsgevonden dat evolutie heette, en waarvan mooie diagrammen bestonden, die ik thuis natekende. Ik ben nog steeds blij voor het tegenwicht dat die kennis bood, ik ben nog steeds blij dat ik niet pas veel later met al die zaken kennis maakte. De kennis die ik opdeed, en ook de avonturenboeken die ik las vielen daaronder, hielp me zelfstandiger worden.

In feite was die bibliotheek in Rijssen ook onbemand, want er werkten alleen maar vrouwen. De hoofdbibliothecaresse herinner ik me nog goed. Lichtbruin brilmontuur, kort haar, degelijke bloezen, degelijke rokken. Ze kende op een gegeven moment de lidmaatschapsnummers van mijn broer en mij uit haar hoofd (want bij elke uitlening moesten die nummers worden genoteerd), ze kneep regelmatig een oogje dicht als we meer leenden dan we eigenlijk in huis mochten hebben en vond het zelfs goed dat wij boeken uit de afdeling voor volwassenen leenden – er was een dag waarop mijn broer, die grote belangstelling had voor het oude Egypte, alle bibliotheekboeken over dat onderwerp tegelijkertijd in huis had, zonder dat iemand dat erg vond, niet alleen de boeken die voor de jeugd waren bestemd, maar ook die van de volwassenenafdeling.

6

Nu zou het niet meer kunnen, zo’n zelfstandig opererende bibliotheekmedewerkster. Uitleningen zijn geautomatiseerd, het is onmogelijk om meer boeken te lenen dan toegestaan, het lidmaatschapsnummer kent niemand meer uit z’n hoofd, het enige geheugen waarin dat opgeslagen zit is dat van je smartphone, omdat het nummer nodig is om in te loggen op de gratis wifi. De bibliotheek van vroeger bestaat niet meer. Vaak letterlijk. Toen ik een paar jaar geleden in Rijssen was, ben ik nog op zoek gegaan naar de plek waar de Openbare Bibliotheek zich destijds had bevonden, ergens achter de Haarstraat, een vrijstaand gebouw van een paar bouwlagen met een plat dak, naast een braakliggend terrein waar weinig gras groeide en dat was afgezet met kleine stenen paaltjes.

 Ik vond het niet meer terug. Niet alleen het gebouw niet, ook de straat niet meer, alsof er een nieuwe wijk was gebouwd met nieuwe straten, alles zag er nieuw en onbekend uit. Er was nog wel een bibliotheek, maar die stond elders, bij de Schildkerk. Voor zover ik weet zijn alle bibliotheken waarvan ik lid ben geweest verdwenen – als het om de gebouwen gaat tenminste. De bibliotheek van Ede zit in een ander pand, ook de hoofdvestiging van de  bibliotheek van Amsterdam verhuisde op een gegeven moment, van de Prinsengracht naar het Oosterdok. En waar de Bibliobus is gebleven die in de buitendorpen van de gemeente Ede zijn zegenrijke werk deed, en waar ook ik een paar jaar lang een enthousiaste bezoeker van was, dat weet ik al lang: die is naar de sloop gegaan.

Die Bibliobus was .de merkwaardigste bibliotheek uit mijn carrière als bibliotheekpashouder, en ik zal er zo meteen op terugkomen, en vooral op de chauffeuse ervan, de uitbaatster, hoe ze ook genoemd moet worden;. Maar het gaat niet om de gebouwen of die bus, want de bibliotheek is geen gebouw of een bus, het is een concept dat vele vormen kan aannemen. We moeten ons nu weer optakelen uit de nostalgische put waarin we ons even hadden laten zakken, en wanneer we over de rand van de put heen kijken zien we dat de tijden zijn veranderd, en niet zo’n beetje ook.

Een gereformeerd jongetje dat is opgevoed met strenge leef- en denkregels is niet meer aangewezen op de bibliotheek voor informatie over de wereld. Hij kan ook terecht op het internet. Hij hoeft daar de deur niet meer voor uit. Bibliotheken hebben zichzelf moeten heruitvinden. Ik herinner me van de oude Amsterdamse bibliotheek aan de Prinsengracht een zaaltje met encyclopedieën waar je van alles kon opzoeken. Om maar iets te noemen. En daar zocht je dan dingen op. Zo ging dat.

Toen de nieuwbouw aan het Oosterdok klaar was, vroegen veel mensen zich af: waar zijn alle boeken gebleven? Al was het alleen maar omdat de kasten lager waren dan in de oude vestiging, je kon erover heen kijken, er was meer ruimte, meer daglicht. De boeken waren er nog wel, maar andere dingen stonden op het punt om te verdwijnen.

Ik herinner me de verdieping die in het nieuwe gebouw aan het Oosterdok was vrijgemaakt voor cd’s en dvd’s, prachtig vormgegeven ook, een feest voor oog en oor. Maar in de jaren tussen het ontwerp van het nieuwe gebouw en de oplevering ervan was het rad van de digitalisering weer een paar tandjes verder gedraaid. Muziek werd gestreamd, er was Netflix, die prachtige afdeling op de eerste etage, je kwam er op de roltrap langs op weg naar boven en je zag er bijna nooit iemand. Die afdeling bestaat nu dan ook niet meer, de hele etage is ontruimd en veranderd in een studie- en werkplek.

Waarna de vraag rijst: is de bibliotheek een monument uit het verleden dat wanhopig aansluiting zoekt bij het heden en voortdurend de boot mist?

Laten we die vraag eens beantwoorden met: nee. Het concept verandert, en hoe sneller de tijden veranderen, hoe sneller het concept mee verandert, misschien met hangen en wurgen, misschien zelfs voor de troepen uit. Voor sommigen is het vloeken in de kerk als de bibliotheken zich afficheren als ontmoetingsplek of studieplek. Alsof daar iets mis mee is. Laten al die scholieren en studenten die daar zo geconcentreerd aan het werk zijn elkaar maar elders ontmoeten! En nu we het er toch over hebben, laten al die mensen die daar langs de boekenkasten lopen, maar een e-reader kopen! Of op Marktplaats gaan kijken, wat daar allemaal aangeboden wordt! En al die mensen die daar een krant of een tijdschrift lezen en een kopje koffie drinken, hoeveel andere gelegenheden zijn er niet waar dat ook kan?  Zonder dat daar belastinggeld heen gaat?

O ja, natuurlijk. Belastinggeld. Ach, wie weet ben ik gewoon niet de aangewezen persoon om de bibliotheken te verdedigen omdat ik er te veel goede herinneringen aan heb. Misschien is het wel het mooist als de bibliotheek iets onbenoembaars wordt, iets dat niet is te vangen in één woord of beeld, iets dat niet alleen verandert door de tijd heen, maar ook door je leeftijd heen. Altijd is de bibliotheek weer wat anders, voor iedereen, voor elke levensfase. Zo lang je er nog andere mensen tegenkomt, en jezelf, voorziet ze nog in een behoefte.

Vanwege corona heb ik het laatste halfjaar vooral bij mijn vriendin in Brussel gebivakkeerd, en als ik iets mis van Amsterdam is het wel de bibliotheek aan het Oosterdok, waar ik ook gewoon vaak op een stoel op een van de bovenste verdiepingen, al dan niet met koffie, naar de stad zat te staren, en hoe daar in het westen de zon onderging. Alsof dit hele gebouw alleen maar opgetrokken was om mij ’s avonds van het uitzicht te laten genieten. In mijn meest zelfzuchtige buien fluisterde ik dan tegen mezelf: en waarom ook niet. Maar dat vertel ik natuurlijk aan niemand. Ik kan het alleen iedereen aanraden, om daar bovenin het gebouw naar de stad te kijken. Ik zou ervoor naar Amsterdam reizen.

5

 Maar het punt is natuurlijk dat de veranderde functie van bibliotheken (dééls veranderde functie, bedoel ik, laten we ook niet overdrijven, er leent heus nog wel eens iemand een boek) het punt is dat die veranderde functie de aandacht trekt van politici en beleidsmakers en managers die budgetten kleiner maken of kleiner zien worden. En ik moet eerlijk zeggen: toen ik werd uitgenodigd om bij de opening van de eerste onbemande bibliotheek van Nederland een lezing te geven dacht ik óók even dat het hier ging om een mooi verpakte bezuinigingsmaatregel, dat gewoon het voltallige personeel ontslagen zou worden. Maar dat bleek gelukkig niet waar, het ging om een verruiming van de openingstijden, vergroting van de service, versterking van de functie voor de gemeenschap. En eerlijk gezegd; het lijkt me heerlijk om ’s avonds in m’n eentje in een bibliotheek rond te dwalen, te werken of te lezen. Ik word er jaloers van.

Maar mocht het bij dit project uiteindelijk toch om een bezuinigingsmaatregel blijken te gaan, dan kom ik hier weer een toespraak houden, voor het gebouw, met een megafoon desnoods, en met een geheel andere inhoud, weer of geen weer. Liever met een beetje mooi weer natuurlijk, maar hoe dan ook: u bent gewaarschuwd.

4

Maar ik dwaal af, we waren net zo goed op gang, met die lofzang op de bibliotheek. Ik ben oprecht blij dat ik die lof hier kan zingen, in het openbaar, net zo openbaar als de bibliotheek zelf, want niet zo lang geleden heb ik een enorme kans laten liggen om dat te doen, óók in het openbaar.

Zoals u weet, want het is net nog gememoreerd, werd mijn roman De goede zoon vorig jaar bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Dat was een mooie avond, in het Amsterdamse Amstel hotel – voor mij althans, andere schrijvers hebben daar misschien andere herinneringen aan. Een van de dingen die nog steeds een beetje knaagt is dat mijn dankwoord zo kort was. Ook anderen reageerden daar teleurgesteld op. Had ik daar niet iets meer werk van kunnen maken? Het is lastig om een helder hoofd te houden als je opeens zo’n prijs krijgt, en bovendien dacht ik: ik doe een dankwoord dat zo kort is dat het in zijn geheel door Nieuwsuur zal worden uitgezonden. Doorgaans schakelen ze bij Nieuwsuur na de eerste al dan niet stamelend uitgesproken zinnen van de gelukkige winnaar weer terug naar de studio, zodat de kijkers maar moeten raden hoe het verder ging. Nou ja, zo werd mijn dankwoord dus heel kort. Eerlijk gezegd had ik van tevoren geen tekst voorbereid, want dat is de goden verzoeken – als je niet wint loop je aan het eind van de avond zacht verwensingen mompelend naar huis met in je binnenzak je ongebruikte dankwoord, en hoe treurig is dat wel niet.  Als ik bij het Literatuurmuseum werkte dan wist ik het wel, dan ving ik de vijf niet-winnaars na afloop op en vroeg ik om die tevergeefs op papier gestelde dankwoorden en vervolgens maakte ik daar de meest melancholische collectie van het hele museum van, een archiefmapje vol niet ingeloste verwachtingen en tevergeefse hoop. Maar dit terzijde.

Pas later op die voor mij zo feestelijke avond in het Amstelhotel bedacht ik dat ik in mijn dankwoord aan had kunnen knopen bij juryvoorzitter Alexander Rinnooy Kan, die eerder op de avond in zijn rede de Openbare Bibliotheek verdedigde tegen aanvallen van op bezuiniging beluste beleidsmakers, managers en politici. Dáár had ik in mijn dankwoord op door moeten gaan, ik had mijn solidair met de Openbare Bibliotheek moeten verklaren, u weet ondertussen hoeveel ik aan die instelling heb gehad. Ze verruimde mijn blik, die bibliotheek in Rijssen aan de Bevervoorde – ik heb  even opgezocht aan welke straat dat gebouw destijds lag, dat kan heel snel tegenwoordig, op internet, je hoeft er je deur ook niet meer voor uit, heel handig is dat, vroeger zou je daarvoor bijvoorbeeld helemaal naar de bibliotheek moeten gaan. Volgens de beknopte geschiedenis van de Rijssense bibliotheek die ik online vond, trok de bieb begin jaren zestig in dat pand aan de Bevervoorde, omdat het vorige gebouw te klein was geworden. Een deel van de inventaris was vervaardigd door de plaatselijke ambachtsschool, stond erbij vermeld. Ik vind dat een ontroerende zin.

3

Zijn we toch weer in de nostalgie terecht gekomen. ‘Ambachtsschool’, alleen dat woord al. Je ziet meteen een wereld voor je waar iedereen zijn plaats kent en waar dan ook dringend een revolutie moet uitbreken. Toch is die gedachte aan revolutie en vooruitgang niet genoeg om de ontroering te laten verdwijnen. Ik heb via google Streetview nog even rondgekeken op die Bevervoorde, maar het gebouw vond ik ook deze keer niet terug.

En toch, al die gebouwen die niet meer bestaan, en de ondertussen gesloopte bussen, niet te vergeten – eigenlijk is het wel goed dat ze verdwenen zijn. Het voorkomt dat je alléén maar achteruit kijkt, en het bewijst eens te meer hoe sterk een concept is als het vele vormen en gebouwen én plaatselijke ambachtsscholen kan overleven.

2

Ja, die bus. Ik zou daar nog op terugkomen en daar is het nu de tijd voor, nu we zojuist toch weer even in vroeger tijden waren beland. Toen ik elf jaar was, verhuisden we van Rijssen naar Harskamp, een van de buitendorpen in de gemeente Ede. Harskamp was te klein, veel te klein voor een bibliotheek, maar een keer per week kwam de Bibliobus langsrijden. Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik die bus bij de school zag halt houden. We kenden de SRV-man, maar dit was een stadium verder. Een bibliotheek in een bus. Geen idee of het nog bestaat. Mijn broer ging naar de middelbare school in Ede, en bezocht daar de bibliotheek, maar ik zat in het laatste jaar van de lagere school en leende mijn boeken bij de Bibliobus wanneer die op vrijdagmiddag het dorp aandeed. De bus werd bestuurd (en als ik zeg ‘bestuurd’ bedoel ik meer dan alleen achter het stuur zitten) door een grote, forse vrouw die zomer en winter jurken aanhad die haar ontzagwekkende armen bloot lieten. Ze droeg een bril met een stevig, zwart montuur, eerder een mannenbril dan een vrouwenbril. Op het rechterglas van die bril was een zwart kokertje gemonteerd, alsof ze met één oog altijd door het oculair van een microscoop keek. Ik vroeg me altijd af of ze met zo’n bril wel zo’n grote bus kon besturen, blijkbaar kon dat, er zaten maar weinig krassen op de zijkanten. De boeken die bij haar werden geleend stempelde ze krachtig af, zoals ze alles met grote gebaren deed. Ze sprak met een vreemd accent, het verhaal ging dat ze uit Oost-Europa kwam, misschien wel uit Rusland, en dat ze na vele omzwervingen bij ons was terechtgekomen. Om die theorie te testen nam ik op een middag mijn postzegelalbum mee naar de Bibliobus, om haar op een rustig moment de postzegels uit de Sovjet-Unie te laten zien die ik had verzameld. Misschien zou ze kunnen lezen wat daar op stond. Ik had inmiddels al een band met haar opgebouwd, ik was dat leesgierige jongetje dat altijd het langst moest zoeken naar boeken die hij nog niet gelezen had, en ze had de gewoonte ontwikkeld om uit het depot speciaal boeken mee te nemen die misschien wel iets voor mij waren. Soms legde ze haar hand op mijn hoofd en noemde ze me liefkozend ‘Kleintje’. Ik mocht vaak meehelpen opruimen als de laatste leners waren vertrokken, en reed dan met haar mee naar de parkeerplaats bij de Gereformeerde Kerk, waar de bus nog een paar uur stond om de volwassenen van het dorp de gelegenheid te geven boeken te lenen. Het was daar dat ik haar de Russische pagina’s van mijn postzegelalbum liet zien, op een rustig moment, we waren alleen in de bus, buiten schemerde het. Op een groot aantal van die postzegels stonden satellieten en kosmonauten afgebeeld. ‘Steek die maar weer weg Kleintje,’ zei ze hoofdschuddend. ‘Daar heeft Olga al genoeg mee te doen gehad.’ Ze pakte een klein flesje uit haar tas en nam een flinke slok.

Het was voor het eerst dat ik haar naam hoorde. De week daarop reed ik weer mee naar de Gereformeerde Kerk. ‘Geen postzegels deze keer?’ vroeg ze. En toen ik verlegen nee schudde legde ze haar op mijn hoofd. ‘Jij kan er ook niets aan doen Kleintje,’ zei ze. Ze nam weer wat slokken uit haar flesje. ‘Ooit was er een bibliotheek in de ruimte, weet jij dat wel? Olga bouwde daar aan mee.’

En die namiddag vertelde ze het verhaal over de eerste onbemande bibliotheek in de ruimte, in fragmenten, want zodra iemand de bus binnenkwam, wachtte ze tot we weer alleen waren. ‘Niemand heeft dit ooit geweten,’ zei ze terwijl ze zich naar me voorover boog. ‘Niemand mag dit ooit van jou horen. Iedereen denkt dat Olga dood is.’ Ze trok haar hoofd terug en keek me wantrouwig aan, alsof ze me kennis had verschaft waarvan ik misbruik zou gaan maken. Ik beloofde haar dat ik zou zwijgen – aan wie zou ik het ook moeten vertellen?

‘Moet jij niet naar de Bibliobus?’ vroeg mijn moeder een week later. ‘Nee,’ zei ik, ‘ik heb mijn boeken nog niet uit.’

Dat was niet waar. Ik durfde niet.

Die avond werd de Bibliobus aangetroffen in een greppel langs de weg van Harskamp naar Otterlo. De bestuurdersplaats was leeg, van Olga geen spoor. Voor zover ik weet heeft niemand haar ooit nog gezien. De volgende dag fietste ik naar de plek waar het was gebeurd. Een reusachtige takelwagen was net bezig de bus uit de greppel te halen. ‘De boeken zijn al opgehaald,’ zei een van de omstanders tegen mij. Door de gebarsten voorruit wierp ik een blik naar binnen, de lege planken boden een troosteloze aanblik. Ik stak de greppel over. Achter een rij bomen lag een hobbelig weiland. Daar vond ik haar flesje, het was leeg. Ik nam het mee naar huis en begroef het in de tuin.

Na een paar maanden verscheen er een nieuwe Bibliobus in het dorp, groter, glanzender, met meer boeken, en een vrolijke jongeman achter het stuur die Erik-Jan heette.

1

Ik heb nog vaak aan Olga gedacht. In de loop der jaren ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat zij degene was die het boek over de Russische boerenkeuken in de satelliet heeft gelegd, en dat ze zich op tijd uit de voeten heeft weten te maken nadat de eenzame lener uit het heelal uitgerekend met dát exemplaar vertrok. Soms hoor ik het haar tegen me zeggen tijdens een van onze gesprekken, ‘natuurlijk heb ik dat boek daar binnen gelegd, Kleintje.’ En dan neemt ze weer een slok uit haar flesje.

0

Van de eerste onbemande bibliotheek in de ruimte nu dan weer terug naar de eerste in Nederland, en wel hier. Nul: het moment van lancering.

Ik dank u voor uw aandacht.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , , | 10 reacties

interview met mijzelf

Op de achterpagina van de boekenbijlage van De Standaard, De Standaard der Letteren, wordt elk weekend een schrijver door zichzelf geïnterviewd. Vorige week was het mijn beurt.

Ik las ergens dat je niet uitkeek naar al die corona-romans die momenteel ongetwijfeld geschreven worden. Waarom is dat?

O, kom op zeg, daar moet jij toch ook niet aan denken? Ik begrijp de mensen niet die zich daarop verheugen. Die vreemde drang om meteen alles wat we meemaken in literatuur terug te willen zien. Alsof het pas echt is gebeurd wanneer er een roman over is geschreven. Ik vind dat een zeldzaam idioot idee.

Is dat niet erg kort door de bocht? Het is toch ook zo dat…

O ja, het wordt in perspectief geplaatst hè, er wordt kunst van gemaakt. Dat is wat veel lezers van literatuur verwachten: dat ze iets zegt over de tijden die we meemaken, dat ze duiding geeft, dat we doordat de verbeelding erop is losgelaten, de werkelijkheid beter gaan begrijpen, en daarom onszelf.

Dat klinkt toch niet slecht?

Nee, nu ik het zo formuleer zou ik er zelf bijna ook nog in gaan geloven. Kijk, als je wilt  weten wat er nu gebeurt, moet je over vijf jaar de non-fictieboeken lezen die over deze periode uitkomen. En nu zijn er al dagboeken, voor als je niet kan wachten, van Octavie Wolters, van Ilja Pfeijffer…. Goed geschreven en erg nuttig om het allemaal weer in herinnering te roepen. Maar romans, waarom in godsnaam romans?

Waarom in godsnaam niet?

Volgens mij is het allemaal terug te voeren op die aloude, steeds weer terugkerende straatrumoer-discussie. De schrijver moet de straat op, uit zijn studeerkamer, we willen literatuur die weergeeft wat er in de maatschappij speelt, waar we doorheen gaan met z’n allen, anders wordt de literatuur irrelevant, ingeslapen, navelstaarderig. Maar valt je niets op?

Ja, je gaat steeds harder praten en loopt een beetje rood aan.

Het zijn altijd mensen die midden in de literatuur staan die dit soort dingen zeggen. Schrijvers, recensenten, doorgewinterde lezers…  Maar niemand van hen heeft ooit gedacht: goh, wat leven we in hectische tijden, ik wou dat er een roman verscheen die daarover ging zodat ik weet wat ik ervan moet denken. Ze hebben geen behoefte aan duiding, maar aan een beter zelfbeeld. Ze willen niet dat de literatuur de wereld weerspiegelt, maar henzelf. Ze zien zichzelf als mannen (het zijn vooral mannen volgens mij) die middenin de wereld staan, ze willen ook een literatuur die midden in de wereld staat. Stoere en actuele literatuur, daar worden we zelf ook een beetje stoer en actueel van. Literatuur die de actualiteit omhelst is de moeite waard, en als wij dat lezen zijn we ook de moeite waard. Het is niet alleen die straatrumoer-discussie, het is ook de aloude vraag naar het nut van literatuur. En die vraag komt voort uit vaag schuldgevoel. Is het wel nuttig wat we doen, al dat schrijven en lezen, betekent dat wel iets? Want actuele romans of niet, in werkelijkheid zitten we met z’n allen gezellig in de literaire bubbel en daar veranderen ook corona-romans niets aan. Al die kinderen die vroeger zo veel boeken lazen! Dit is er van ze geworden.

Jij was toch ook zo’n kind?

Nou en of, breek me de bek niet open. Ik was een lezend kind, net als al die anderen die in die bubbel zitten. Nou, dan weet je het wel. Terwijl de klasgenootjes hun sociale vaardigheden oefenden door samen te voetballen, te elastieken, touwtje te springen of doktertje te spelen, zat ik thuis te lezen. Pas later, op de middelbare school, op de universiteit, kom je een paar gelijkgestemden tegen, en voor je het weet maak je dan deel uit van een gewaardeerde subcultuur. Terwijl je het ook gewoon een verslaving kan noemen hè, dat lezen. De wereld kenden we niet, dus wilden we dat de literatuur die weerspiegelde, dan werden we alsnog mannen van de wereld, maar dan op veilige afstand. Misschien is dit het: we hebben de beste jaren van ons leven aan de literatuur vergooid, en nu willen we onze investering terug door van literatuur relevantie te eisen. Maar literatuur is niet relevant.

Hè? Echt niet?

Alleen op individueel niveau, tussen lezer en boek. Daar vindt de echte ontmoeting plaats, de vervoering, de ontroering, het plezier, wat al niet.

Dat klinkt hopeloos romantisch, toch?

Dat moet dan maar. Literatuur gaat in wezen tussen een lezer en een boek. En dan moet die lezer zich nog van veel ballast ontdoen, en het boek ook.

Maar je kan zowel lezer als boek toch niet isoleren, die bevinden zich toch in een bepaalde tijd, een bepaalde cultuur?

Toch kunnen ze daar ook buiten treden, al is het maar deels, voor even, al is het dan een illusie.

En de schrijver speelt geen enkele rol?

De schrijver is een noodzakelijk kwaad. Zonder schrijver geen boeken, maar daarmee is zijn of haar rol wel uitgespeeld. De schrijver is het materiaal waarvan de literatuur zich bedient om zich te manifesteren. De tubes die ze uitknijpt. Op het eind kan je ze openknippen om de laatste restjes eruit te schrapen maar daarna kunnen ze weg.

Sorry hoor, is dit niet gewoon gesublimeerde zelfhaat?

Wie weet, en wat dan nog? Schrijvers zonder zelfhaat vertrouw ik niet.

Ik wilde je calvinistische opvoeding er eigenlijk buiten laten, maar dit riekt toch naar …


Hou toch op. Het is een dubieus beroep, schrijver, het is helemaal geen echt beroep, soms denk ik dat we ontzettend boffen met z’n allen dat we zo serieus worden genomen, dat literatuur als verschijnsel zo hoog wordt aangeslagen.

Dat zal best, maar is alles wat je zegt in feite niet één grote manoeuvre om de aandacht af te leiden  van je eigen coronaroman-in-wording?  Ik bedoel, er zit in je laptop een mapje dat Grand Hotel Corona heet, is dat niet …

Nee, nee, dat is, eh, dat is heel wat anders, er is ook helemaal niet zo’n mapje, dit heb je gewoon verzonnen, nogal raar dit hoor, eerlijk gezegd.

.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | 8 reacties

de laatste gewone kassa

Een stevige jongen die ik nooit eerder had gezien plukte me uit de rij bij de kassa en nam me mee naar achteren. ‘Ik heb niets gestolen hoor,’ zei ik, ‘ik kom hier al twintig jaar.’ Beide elementen van deze uitspraak waren waar, maar ik zag zelf ook in dat het gelegde verband op z’n minst zwak te noemen was. ‘Geen probleem,’ zei de jongen, ‘u mag vrijwillig met me mee.’ Ook dat was een rare uitspraak, we waren nog maar een paar seconden bezig en nu was alles al vreemd. Met zachte hand voerde de jongen me mee naar een onopvallende deur naast de broodafdeling. Hij toetste een code in. Achter de deur bevond zich een betonnen trap. ‘Je mag naar boven.’ De jongen legde een hand op mijn rug en duwde voorzichtig, tot ik mijn voet op de onderste tree zette. Hij volgde me omhoog. Boven was nog een deur, zonder code, die ik zelf mocht opendoen. ‘Niet trekken, duwen,’ zei de jongen. Toen ik de deur achter me had gesloten hoorde ik hem de trap afdalen, haastig, alsof er nog meer vrijwilligers op hem wachtten.

Ik bevond me in een fel verlichte, vensterloze ruimte met kale muren. Achter een tafel met een formica blad zat een man die me zakelijk toeknikte. Hij maakte een gebaar naar de lege stoel aan mijn kant van de tafel en zei: ‘U mag plaatsnemen.’ Op het tafelblad lag alleen een tablet, waarop hij zijn blik richtte toen ik ging zitten. Ik was nieuwsgierig. Ik had nog steeds niets gestolen, dus wat kon mij gebeuren. Zonder op te kijken stelde de man tegenover me zich voor als Fleetscheerder. Misschien verstond ik dat verkeerd, maar ik vroeg er verder niet naar. Hij noemde mijn naam en een nummer. ‘Dat is niet mijn telefoonnummer,’ zei ik. Geen idee waarom ik dat zei, laat ze maar bellen, zolang ze mij maar met rust lieten. ‘Het is het nummer van uw bonuskaart,’ zei Fleetscheerder. Hij had een scherp accent, dat alle zware klanken omhoog tilde. Misschien heette hij Vlootschouwer.

‘Vlootschouwer?’ vroeg ik.

De man keek me verrast aan. ‘Is dat een woord?’ Hij veegde over zijn kin. ‘Vlootschouw, ja, dat bestaat wel, geloof ik,’ mompelde hij, ‘maar kan je dan iemand die dat doet, die schouwt, beschouwen als…’ Hij brak zichzelf af. ‘Waar we mee zitten is dat u geen gebruik maakt van de zelfscankassa’s. In het begin heeft u het een paar keer gedaan, dat is zeker waar, maar daarna zoekt u altijd uw toevlucht tot de ouderwetse, door mensen bediende kassa.’ Hij keek me recht aan. ‘We zouden graag zien dat dat verandert.’

Ik rechtte mijn rug. Hier had ik een mening over. ‘Ik begrijp dat het voor jullie goedkoper is, er zijn minder caissières nodig, de doorstroming gaat sneller et cetera, en het zal efficiënter wezen, maar wat mij opviel, die paar keer dat ik de zelfscankassa’s gebruikte, was dat ik alleen nog maar contact met het personeel had wanneer iemand met een scanner in mijn tas wilde kijken of ik wel alles had afgerekend.’

‘Een kleine steekproef,’ zei Fleetscheerder.

‘Ik weet wat het is,’ zei ik. ‘Maar het komt er dus op neer dat in dit systeem –’ Fleetscheerder veerde op bij het woord – ‘dat in dit systeem wantrouwen de enige reden voor persoonlijk contact is. Verder spreek je niemand meer. Dat voelt niet goed, contact betekent nu slecht nieuws. U weet hoe dat gaat, als je gecontroleerd wordt voel je je al een halve verdachte, een beetje bezoedeld loop je de winkel uit.’

‘Bij de oude kassa hangt ook gewoon een camera die opneemt of er niets in uw karretje achterblijft,’ zei Fleetscheerder. ‘Wat is het verschil? En het is ook weer niet zo dat u bij de ouderwetse kassa’s altijd van die diepgaande gesprekken hebt hè. Weet u hoeveel woorden u het afgelopen jaar met de caissières hier hebt gewisseld?’ Hij raadpleegde zijn schermpje. ‘Niet veel hoor, zeg ik er alvast bij. En er zit ook niet veel variatie in. De langste zin is O wacht ik moet mijn bonuskaart nog scannen. Teert u daar een hele dag op, op zo’n moment van diep menselijk contact?’ Hij moest er zelf om grinniken. ‘Ik mag u dit niet vertellen,’ zei hij, ‘maar als te veel klanten dat tegen een bepaalde caissière zeggen vliegt ze eruit. Ze moet u zelf aan uw bonuskaart herinneren. Maar goed. Wantrouwen. Potentiële verdachte. Vat ik uw bezwaar zo goed samen?’

Nog voor ik iets kon zeggen legde hij me met een handgebaar het zwijgen op. Hij kwam overeind, wenkte me en liep naar de achterwand van het zaaltje. Toen ik naast hem stond veegde hij de muur opzij. Door een grote glaswand keken we van bovenaf in de winkel. We stonden boven de kassa’s. ‘Kijk dan,’ zei Fleetscheerder.

Ik keek. Bij de zelfscankassa’s ging men kalm en efficiënt zijn gang, zo nu en dan kwam er een meisje met een stralende lach iemands boodschappentas controleren, anderen rekenden ongemoeid af en checkten opgewekt uit met het bonnetje. Bij de laatste gewone kassa stond een lange rij, waarin geen enkele voortgang zat, want de oude man die aan de beurt was zocht op handen en voeten naar zijn kleingeld, dat hij blijkbaar uit zijn portemonnee had laten ontsnappen. Terwijl de caissière wachtte tot de man ook de laatste cent had teruggevonden peuterde ze met haar vingers iets tussen haar tanden vandaan.

‘Dit is een animatie,’ zei ik.

‘Uiteraard,’ zei Fleetscheerder, ‘u staat zelf in de rij.’

Ik keek nog eens, en inderdaad, daar stond ik. Met gebogen rug staarde ik somber naar mijn half gevulde mandje. Toen de oude man zich met zijn weer teruggevonden voorraad kleingeld aan de kassa omhoogtrok, puffend, blazend, en met een vuurrood hoofd, schoof ik het mandje met de punt van mijn schoen  een paar centimeter naar voren, alvast inspelend op de doorstroming waarvan zo meteen hopelijk weer sprake zou zijn.

‘U staat er lekker bij hè?’ zei Fleetscheerder. ‘Nee, dat voelt goed, een beetje voor je uit staren. Op weg naar weer zo’n diepzinnig gesprek met de caissière.’

‘Een oefening in geduld,’ zei ik. ‘Dat kan heel waardevol zijn.’

‘O ja, u bent er zo eentje. Maar kijk dan eens naar de flow van de mensen die zelf afrekenen. Ononderbroken gaan ze hun weg, niets stokt, één vloeiend geheel vanaf het moment dat ze de winkel binnenkomen tot ze weer naar buiten stappen. En afgezien daarvan, denk nou eens na. Zelf afrekenen! Dat is het onvermijdelijke volgende stadium van onze ontwikkelingsgang. Eindelijk volwassen! Maar u wilt uw boodschappen nog steeds langs een symbolische moederfiguur laten gaan om van haar toestemming te verkrijgen ze mee naar huis te nemen.’ Hij liep terug naar de tafel en liet zich in zijn stoel vallen. ‘Over tien jaar weet u niet beter!’ riep hij naar me. ‘Waarom zou u nu daar niet alvast mee beginnen? Een winst van tien jaar. Ik zou het wel weten hoor.’ Hij zuchtte opeens vermoeid.

Ik ging weer tegenover hem zitten. ‘Als het zo belangrijk voor jullie is,’ vroeg ik, ‘waarom halen jullie die laatste gewone kassa dan niet weg?’

Fleetscheerder zuchtte nu nog dieper, ik zag opeens dat hij treurige hondenogen had. ‘Dat moet helaas,’  zei hij, ‘dat zijn de voorschriften, voor als het systeem uitvalt. Er moet altijd iemand op de vloer aanwezig zijn die de oude kassa kan aandraaien.’

‘Aandraaien?’

Hij legde zijn handen op het tafelblad en boog zich een beetje naar me toe. ‘Ik weet gewoon niet meer hoe dat heet,’ zei hij zacht.

‘Bedienen,’ zei ik.

‘O ja, zo noemden ze dat.’ Hij ging weer rechtop zitten en keek me met samengeknepen lippen aan, zijn ogen hadden nu iets katachtigs. ‘U vereist nog wat werk.’

‘Jullie hebben geen enkele macht over me,’ zei ik. ‘Ik kan gewoon naar een andere supermarkt gaan. Bij de Dirk aan het Victorieplein hebben ze nog twee gewone kassa’s, hoorde ik.’

Fleetscheerder glimlachte mat. ‘Het zijn geen gewone kassa’s, het zijn ouderwetse kassa’s. En u gaat niet naar de Dirk. U weet al twintig jaar dat die goedkoper zijn en u bent er al die tijd nog nooit geweest. U bent een gewoontedier. Ja, ga maar naar de Dirk. Dan moet u de weg leren kennen in een nieuwe winkel. Ach kom nou man.’ Hij trok zijn tablet naar zich toen en scrolde even, met een onverwacht zwierig vingergebaar. ‘We weten nog hoe onthand u was na de laatste verbouwing hier, hoe u zoekend rondreed, u was helemaal van uw stuk, het duurde dagen voor u weer een beetje op uw gemak was. U zweette toen ook wat meer dan gebruikelijk. Nou ja,’ hij schoof de tablet opzij. ‘Dan gaat u toch lekker naar de Dirk? Daar kom ik ook. Ik ben niet in dienst van één keten, ik ben in dienst van het systeem.’

‘Het systeem, het systeem… Dat klinkt alsof we in een slechte sciencefictionfilm zitten,’ zei ik.

‘Wie weet,’ zei Fleetscheerder. ‘Misschien is dat ook wel zo. Maar dat vraagstuk bevindt zich op een existentiëler niveau dan dat waarop u en ik  momenteel actief zijn.’ Hij keek opzij, naar de kale muur. ‘Ja ja,’ mompelde hij, ‘ik heb ook gestudeerd.’ Peinzend keek hij zijn eigen woorden na, daarna doorbrak hij de stilte met een harde klap op tafel. ‘Denkt u dat ik een leuk beroep heb? Ik zie uw glimlachje wel, hoor. U voelt zich superieur, maar toch, met u kan ik dan nog een beetje praten, u bezit redelijkheid, ooit krijgen we u wel mee, u begrijpt ons, of u dat nu wilt of niet. Maar ik krijg hier ook…O man, huilende bejaarden… Dat wil je niet weten…. die oude  schokkende magere schouders onder die versleten jassen van ze… En ze ruiken ook zo raar… Ze verstaan je niet, alsof er nooit gehoorapparaten zijn uitgevonden… Laatst ging er eentje halverwege de trap al dood, gewoon, zo maar, we deden niks… ’ Hij verborg zijn gezicht in zijn handen. ‘En het zijn juist díe mensen die… Mijn eigen moeder heb ik hier…’ Zijn schouders schokten. Het duurde even voor ik doorhad dat hij lachte.

(inspiratie van dit verhaal: een kleine twitterconversatie met Margriet Oostveen)

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , | 7 reacties