excuses voor het ongemak

 

Begin maart was er een stroomstoring die ’s ochtends begon en tot de volgende ochtend zou duren. Dat ik vierentwintig uur zonder elektriciteit zou zitten wist ik nog niet toen de storing begon, volgens de tweets van netbeheerder Liander zou het ongemak waarschijnlijk tot half twee duren. Een week eerder hadden we bij ons in de wijk ook al een stroomstoring gehad, en beide storingen begonnen nét nadat ik mijn wasmachine had aangezet. De eerste keer dacht ik nog dat het daaraan lag, maar de tweede keer wist ik beter, al was het alleen maar omdat de storing diverse wijken besloeg en ik op mijn telefoon een filmpje zag van iemand die terwijl hij bij een café op het Weteringcircuit aan het werk was verrast werd door een enorme steekvlam; dat mijn wasmachine ertoe in staat was om iemand op het Weteringcircuit met een uit de grond schietende vuurtong van zijn ladder te blazen leek me onwaarschijnlijk.

’s Middags was er nog steeds geen stroom. Mijn laptop was inmiddels leeg en ik fietste de wijk uit, de grens van de stroomstoring over, om in een koffiehuis mijn telefoon op te laden. ’s Avonds was het boekenbal. In de schemering fietste ik mijn donkere wijk uit, naar de pré-bal-borrel van mijn uitgever in een hotel aan de Prinsengracht. Achter donkere zijstraten schitterden aan de overkant van de Amstel lampen en straatverlichting. Meteen ontstond, met de daarbij behorende afgunst, een wij-zijgevoel waarvoor ik me eigenlijk een beetje schaamde omdat het te groot was voor de gelegenheid, iets voor iemand die nooit échte tegenstellingen had meegemaakt.

Op weg naar de Prinsengracht stak ik de Ceintuurbaan over. Aan de overkant hadden ze inmiddels weer stroom, in huizen brandde licht, overal, in alle kamers, het zag er feestelijk en opwekkend uit, en pas toen ik een paar blokken was gevorderd registreerde ik waardoor die feestelijkheid werd veroorzaakt: in elke woning die ik passeerde brandde niet alleen de lampen, maar stonden ook brandende kaarsen op tafel. Het was duidelijk wat er was gebeurd: de bewoners hadden kaarsen ontstoken toen de schemering inviel, en toen ze weer stroom hadden, hadden ze besloten die kaarsen te laten staan, omdat het zo goed stond. Je zag ze aan die tafels zitten, je zag ze heen en weer lopen in die goed verlichte ruimtes, je wist dat ze dachten: dat moeten we vaker doen, kaarsen branden; en je wist ook dat het er niet van zou komen, daarvoor zou je later geen controleritten hoeven uitvoeren.

Toen ik om een uur ’s nachts naar huis fietste, leek alles in orde. Ik naderde mijn wijk, in de straten die bij mijn vertrek eerder op de avond nog donker waren geweest, brandde de straatverlichting weer. Maar toen ik van de Van Woustraat wilde afslaan naar de Lutmastraat keek ik in duisternis. Mijn wijk was de laatste zonder stroom. Ik fietste donkere smalle straten in, alles duister, nergens kaarsen, alsof iedereen al sliep. Dat het niet helemáál donker was, was alleen te danken aan de laaghangende bewolking die het licht weerkaatste dat de rest van de stad naar boven zond. Bij het licht van mijn telefoon zette ik mijn fiets op slot, opende ik de voordeur en beklom ik de twee trappen naar mijn etage. Thuis had ik een zaklantaarn. Mijn etage bestond uit een opeenvolging van kleine delen die zwalkend werden verlicht. Terwijl ik me uitkleedde en in bed kroop, merkte ik dat ik niet alleen was. De afwezigheid van stroom zorgde niet voor leegte, maar voor een nieuwe aanwezigheid: die van duisternis. Niet de duisternis die ontstaat als je aan het eind van de avond het licht uitdoet, duisternis als afwezigheid van licht, maar duisternis als aanwezigheid; de aanwezigheid van iets onnoembaars dat vrijelijk door mijn etage wolkte en waarvoor ik een beetje op mijn hoede was, omdat ik eraan ondergeschikt was; oude, bejaarde duisternis die ooit vanzelfsprekend was geweest en die zich nu nog eens kon laten gelden, duisternis die ondanks dit machtsvertoon uitgespeeld was, en daarvan zelf ook op de hoogte was, en die zijn tijdelijke terugkeer alleen met chagrijnige gelatenheid kon uitzitten. Het was duisternis die ik met rust moest laten en ik ging gedwee slapen. Toen ik de volgende ochtend wakker werd, was de stroomstoring net een paar minuten voorbij.

Gisteren viel er een brief van Liander in de bus met de mededeling dat ik met de storing 115 euro had verdiend. Met het bestaan van compensatieregelingen had ik geen rekening gehouden, eigenlijk had ik best voor de ervaring willen betalen. Ik heb meteen op de site van Liander gekeken wanneer ik me voor de volgende storing kon opgeven, maar ik kon nergens een formulier vinden. Dat begrijp ik ook wel, je moet zoiets met de hele wijk regelen en vind maar eens een datum waarop iedereen kan. Maar jammer is het wel.

Advertenties
Geplaatst in amsterdam, leven | Tags: , , , , | 8 reacties

ploegstraat 57 (nu 89)

 

Drukwerk

Met collega Viktor F. fietste ik maandagavond langs de Weespertrekvaart naar de rand van Betondorp, waar in een tent het met veel liefde en humor vervaardigde stuk Circus Reve werd opgevoerd. (Je kan het daar nog tot en met 22 april zien; er zijn slechtere manieren om een avond door te brengen.) Omdat we een beetje vroeg waren, liepen we een rondje om het terrein. Op de hoek van de belendende straat voerde een man in een hemd stukjes brood aan een nijlgans.

‘Wat vindt u hier nu van, van dit theater hier?’ vroeg Viktor opgeruimd, met een weids handgebaar naar de tent.

‘Verschrikkelijk,’ zei de man met een van haat vertrokken gezicht, ‘voor mij mag het weg, moet je zien hoe dat er allemaal uitziet.’

Daarop viel een stilte, omdat niemand van ons drieën wist hoe dit gesprek verder moest.

De nijlgans at zijn brood.

Na afloop fietsten we nog even door Betondorp, op zoek naar het huis waarin Reve als kind had gewoond. Ergens in de Ploegstraat was het, maar Google kon ons niet aan het juiste nummer helpen. Terwijl we in de donkere en uitgestorven straten van Betondorp op onze telefoons op zoek waren, liep aan de overkant een zacht zingende man in een supermanpak voorbij.

Pas thuis vond Viktor het juiste huisnummer, in de biografie van Nop Maas.

 

 

Geplaatst in Geen categorie, leven, lezen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

“O frabjous day! Callooh! Callay!”

(ingezonden mededeling)

 

Beste Nijmegenaren (in de ruimste zin van het woord),

Baarlijke nonsens! Maar wel van het soort waar je gelukkig van wordt: als je iets opsteekt van Alice en haar avonturen in Wonderland, dan is het wel dat het leven één zoektocht is naar een excuus om te blijven spelen.

Dit is een uitnodiging, mocht je je dat afvragen. Op vrijdag 20 april organiseer ik samen met confrater Jur een literaire borrel bij boekhandel RoelantsJur en ik houden een duo-verhaal overAlice-auteur Lewis Carroll, uitgestorven loopvogels, nonsens en het monster Jabberwock. Schrijver Rob van Essen (winnaar van de Biesheuvelprijs, genomineerd voor de Librisprijs) komt een paar van zijn geweldige absurdistische verhalen voorlezen. En natuurlijk wordt er geborreld. Iedereen is welkom. De prognoses zijn onbehoorlijk gezellig. Inloop vanaf 17u, het programma begint om 17.30u.

Er is natuurlijk een aanleiding. Jur en ik hebben onlangs een nieuw tijdschrift gelanceerd, dodo/nododo, dat wordt uitgegeven door het Lewis Carroll Genootschap. Het LCG heeft ook een verzameling Nederlandse vertalingen van Carrolls nonsensgedicht Jabberwocky uitgebracht, met een nieuwe vertaling en een essay van Jur en mij. Wij zitten, met andere woorden, stevig in de materie. En we willen ons enthousiasme graag met jullie delen. Leve de deeleconomie! (Alle uitgaves zijn bij Roelants te koop, overigens.)

Welgemeende nonsensicale groet,

Joep Stapel

Geplaatst in agenda, lezen | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

dutch androids dream of electronic magazines

dick_p_dromen_1979_1 dick dick 3 dick 2

Gisteren, op de sterfdag van Philip K. Dick, lanceerde uitgeverij Lebowski het Engelstalige online tijdschrift 2.3.74, met ‘grounded sf-verhalen’ van Nederlandse en Vlaamse auteurs. In het eerste nummer verhalen van Hanna Bervoets, Jerry Goossens, Joost Vandecasteele, Erik Nieuwenhuis, Willem Bosch, PJ Pancras en mij – ik droeg een herschreven versie bij van ‘Al die dooie baasjes’ uit de bundel Elektriciteit: ‘Catching Dogs with Dogs’; het is vertaald door Kristen Gehrman.

Meer informatie hier, het tijdschrift zelf is hier te vinden.

 

 

 

Geplaatst in schrijven | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

longlist

wia longlist

Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , | 2 reacties

lux aeterna

IMG_20170524_154332944 IMG_20180216_142818718_HDR

Wanneer ik op weg naar mijn moeder van station Naarden-Bussum naar Huizen wandel, loop ik nadat ik langs het beukenpad heb gelopen en de Oud Bussummerweg ben overgestoken vaak even het kleine naaldbos in. Dat bestaat uit smalle, bruine, recht omhoog rijzende stammen waar het licht van de laagstaande zon op allerlei manieren doorheen kan vallen, in schuine balken van zacht licht. Je loopt ook zacht, over dennennaalden van jaren, vanmiddag lagen er nog overal groene dennentakken van de storm van een paar weken geleden. Je kan dwars door het bos heen kijken, aan het eind zie je tussen de donkere stammen een onwerkelijk lichtgroen oplichten, daar ligt een stuk land met gras, maar het is alsof het licht daar zelf woont, lichtgroen lichtgevend licht, iets waar je naartoe moet lopen zodra je het ziet.

Toen ik de eerste keer uit het naaldbos stapte en aan de rand van dat veld stond, zag ik bij mijn voeten een grafkaars staan, een waxinelichtjeshouder van rood plastic met een koperkleurig dekseltje met ronde luchtgaatjes. Hij stond klem tussen twee stenen, en ik stelde me voor dat het een persoonlijke herdenkplek was van iemand die hier zo nu en dan naartoe liep om een waxinelichtje aan te steken en herinneringen op te halen aan iemand die er niet meer was.

De grafkaars is al lang geleden verdwenen, en toen ik vanmiddag uit het bos stapte, zag ik dat er nog maar één steen lag, de andere was weg, meegenomen waarschijnlijk, hoe kan een steen anders verdwijnen? Er kwam een vrouw langs met een poedel, beiden woonden ongetwijfeld in een van de villa’s in de buurt, toen ze weg waren zag ik dat er vlakbij een bankje stond, ik had daar nooit op gezeten, ik weet niet eens zeker of ik het al eerder had gezien, maar het moest er al een tijd hebben gestaan, het hout was behoorlijk verweerd.

Ik liep naar het bankje en ging zitten. Om me heen zaten overal gaten in de bodem, gegraven door honden nam ik aan, in verwoede pogingen iets te vinden of misschien alleen maar om het graven zelf. Terwijl ik naar het veld keek waar het licht woont, at ik op mijn gemak een boterham. Ik had geen haast, ik hoefde alleen wat spullen van mijn moeder op te halen uit haar kamertje dat al bijna helemaal ontruimd was.

Toen ik opstond, zag ik dat ik op letters had gezeten: iemand had rip ZOE in het hout van de bank gekerfd, rust in vrede, ik hoop dat ze dat doet.

IMG_20180216_142752430_HDR IMG_20180216_142651971

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

een tijdelijke huisgenoot

 

 

Ik liep over de Reguliersgracht, ik was in een goede stemming, ik had die dag mooie berichten gehad en ziek was ik ook niet meer. Achter de donkergroene deur van het pand waar ik langs liep, hoorde ik geklop.

‘Binnen!’ riep ik joviaal.

De deur werd geopend en een magere man stapte aarzelend naar buiten. Hij droeg een grijs pak en een loshangende regenjas.

‘Ja?’ vroeg hij aarzelend.

‘Goedemiddag,’ zei ik opgewekt, ‘komt u verder.’

De man stapte de stenen treden af en keek om zich heen. ‘Hier woont u?’ vroeg hij.

‘Hier woon ik,’ knikte ik.

‘Ruim,’ zei man terwijl hij naar het water en naar  de wolken keek.

‘Ja,’ zei ik, ‘ik heb geen klagen.’

‘En dit is allemaal van u?’

‘Nee, nee, zo is het ook weer niet,’ zei ik.

De man knikte. ‘U huurt,’ zei hij. ‘Ik dacht ook al, al dat onderhoud, daar zou je niet graag verantwoordelijk voor zijn. Hoe hoog is het hier?’

‘Geen idee,’ zei ik.

‘Brede gangen,’ zei hij. ‘En al dat water. Veel personeel?’

‘Nee, zo ligt het niet helemaal,’ zei ik.

‘U bent te bescheiden,’ zei de man, ‘ik begrijp dat wel.’

Ik begon weer te lopen, en hij liep met me mee, terwijl hij om zich heen bleef kijken. Al na een paar meter zag ik dat hij ongerust werd. ‘Ik ben wel erg plotseling komen binnenvallen hè,’ zei hij. ‘Vind u dat niet erg?’

‘Nee hoor,’ zei ik. Hij leek bijna teleurgesteld door dat antwoord. ‘Misschien stoor ik u? Wat was  u van plan te gaan doen?’

‘U stoort helemaal niet,’ zei  ik. ‘Ik sla zo meteen af naar de Prinsengracht, bij de volgende brug is een café waar ik koffie wil gaan drinken. Verder had ik geen plannen voor vanmiddag.’

De man knikte ernstig en bedachtzaam. We sloegen af naar de Prinsengracht. Opeens verscheen er een sluwe uitdrukking op zijn gezicht. ‘En stel nu,’ zei hij gehaast, ‘stél nu dat ik me opeens een belangrijke afspraak herinner… Hoe kom ik dan weer buiten?’

Ik haalde mijn schouders op en wees naar de grachtenpanden om ons heen. ‘Op dezelfde manier waarop u hier bent gekomen,’  zei ik. ‘Deuren genoeg.’

‘Ja ja,’ knikte de man. ‘Ja ja.’ Volkomen onverwacht rende hij weg. Hij stormde een trap op en probeerde de deur. Toen die niet meegaf, rende hij weer naar beneden, naar het volgende pand, om daar de deur te proberen.

Terwijl hij met openhangende regenjas haastig van deur tot deur rende, ging ik het café binnen. Ik pakte een krant en bestelde een koffie. Ik had mijn eerste slok nog niet genomen of de man plofte voor me neer. ‘Ik kom hier niet meer weg,’ zei hij. Hij keek om zich heen naar de andere gasten en begon op zijn nagels te bijten.

‘Blijft u rustig zitten,’ zei ik. ‘Trek uw jas uit, dan bestel ik iets voor u. Koffie?’ De man knikte afwezig, maar hij trok zijn regenjas uit en hing hem over de rug van de stoel. ‘Even iets drinken,’ zei hij zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak. ‘U heeft zelfs een café, u heeft het goed voor elkaar.’ Ik hield een passerende ober aan en bestelde een kop koffie en een stuk appeltaart met slagroom. De man tegenover me zag er mager genoeg uit. Terwijl ik wat in mijn krant probeerde te lezen begon hij nerveus te zuchten.

‘Gaat het?’ vroeg ik.

Hij knikte, maar toen de ober de koffie en de appeltaart voor hem neerzette, sprong hij geschrokken op. Hij ging meteen weer zitten en fluisterde: ‘Dank u’ tegen me, maar nadat hij  een paar happen van zijn appeltaart had genomen kwam hij weer overeind. Hij rende naar het toilet, kwam vrijwel onmiddellijk weer naar buiten en verdween achter de deur naast de bar. Er klonken geluiden van vallend materiaal, daarna verscheen hij weer, met een verwilderde uitdrukking op zijn gezicht. Hij ging hijgend tegenover me zitten. ‘Ik kom hier echt niet weg,’ zei hij, ‘er is nergens een uitgang.’

De ober kwam op ons af en vroeg aan de man of hij wilde vertrekken. ‘Ja heel graag,’ zei de man, ‘maar ik weet niet hoe.’ ‘Ik zal het u laten zien,’ zei de ober. Hij trok de man omhoog, sleepte hem naar de deur en gooide hem naar buiten, de gracht op. Ik nam een haastige slok koffie, pakte de regenjas van de stoel tegenover me en verliet het café.

De man stond midden op straat. Hij beefde een beetje. ‘De houding van uw personeel…’ zei hij. ‘Ik ben u dankbaar voor uw gastvrijheid maar ik wil nu heel graag naar huis.’ Hij keek om zich heen, naar alle deuren aan de gracht. ‘Maar ik weet niet…’

‘Weet u nog uit welke deur u kwam?’ vroeg ik.

‘Nee,’ zei de man. ‘Ja. Daar ergens.’ Hij wees in de richting van het kruispunt met de Reguliersgracht.

‘We vinden het wel,’ zei ik ‘Ik loop wel even met u mee.’

We liepen terug zoals we gekomen waren.

‘Het is niet dat ik ondankbaar wil zijn…’ zei de man.

‘Nee, nee,’ zei ik, ‘het is goed.’ We sloegen de Reguliersgracht in. De man slikte een paar keer, ik zag zijn adamsappel wild bewegen.

‘Volgens mij was het daar ergens,’ wees ik.

De man schudde zijn hoofd, maar opeens klaarde zijn gezicht op. ‘Hier kwam ik binnen!’ zei hij. Hij liep de stenen treden op en probeerde de deur. Die zat op slot. Hij bleef  proberen en wierp daarbij steeds blikken op mij, met lichte paniek in zijn ogen, en schaamte, alsof hij liever niet had dat ik hem in deze toestand zag.

‘Misschien heeft u een sleutel,’ zei ik.

Hij keek me even aan, alsof mijn woorden tijd nodig hadden om tot hem door te dringen. Daarna stak hij zijn hand in zijn broekzak en haalde een kleine sleutelbos tevoorschijn. Eén van de sleutels paste. Hij stapte gehaast naar binnen, riep snel ‘Nog bedankt voor de gastvrijheid!’ en liet de deur achter zich dichtvallen.

Zijn regenjas hing nog over mijn arm. Ik liep de stenen trap op en klopte op de deur. ‘Hallo?’ riep ik, ‘ik heb uw jas.’ Maar hoe ik ook klopte en bonsde, er werd niet opengedaan.

 

 

Geplaatst in Geen categorie, verhalen | Tags: , , | 15 reacties