een stevige handdruk

Oligodendrocyte

Het duurde even voor ik begreep waar ik was. Niets was zoals ik het kende, en ik was ook niet langer alleen. Er waren anderen, een paar stonden aan mijn bed. Niet mijn bed, een heel ander bed. ‘U bent er weer,’ zei een man met grijs haar. Was ik weggeweest?

Ik lag in een ziekenhuiskamer, opeens wist ik het weer, de man met het grijze haar was de chirurg die me zou helpen. Of geholpen had. ‘U bent zojuist bijgekomen,’ zei hij.

‘Is het goed gegaan?’ vroeg ik.

‘Geen complicaties,’ zei de man, en hij knikte me geruststellend toe. ‘Zegt u eens,  wat vind u van de kleurstelling van deze kamer?’

Ik keek rond, maar ik kon mijn hoofd nauwelijks optillen, dus veel zag ik niet. Het plafond was wit, de bovenranden van de muren hadden een kleur die langzaam verschoof, van pasteltint naar pasteltint, iets met lichteffecten.

‘Wat vind u ervan? Overdreven? Kalmerend? Moeten ze dat overal doen of is het een verspilling van geld dat beter in andere dingen gestoken had kunnen worden?’

Ik begreep niet waarom hij zoveel belang aan de kleuren hechtte. ‘Het is wat het is,’ zei ik.

‘Heel goed,’ zei de chirurg, en hij knikte even naar de mensen die zich aan het voeteneind van het bed hadden verzameld. ‘Operatie geslaagd.’

Na een dag mocht ik al naar huis. Voor ik werd ontslagen, moest ik nog even langs de chirurg. Hij zat op zijn kamertje naar een hersenscan te kijken. ‘Goed,’ zei hij, nadat hij mij de hand had geschud. ‘U bent weer op de been. Heel mooi. Om het even samen te vatten: we hebben op uw eigen verzoek uw vermogen tot meningsvorming geëlimineerd. Dat is allemaal goed gelukt, geen enkele bijkomende schade, u bent nog helder en volgens de verpleging loopt tijdens de maaltijden het eten niet uit uw mondhoeken naar beneden. Dat laatste is een grapje, dergelijke bijwerkingen hebben we al lang geleden weten op te lossen. Dan moet u alleen dit formulier nog even ondertekenen waarin u vastlegt dat u voor de rest van uw leven afziet van uw stemrecht’ – hij haalde het formulier uit een map waarop iemand ‘a small price to pay’ had geschreven – ‘en dan mag u wat ons betreft naar huis. U weet dat u een jaar lang het recht hebt op een hersteloperatie? Ik knoop met alle plezier de draadjes weer aan elkaar, dus als het verlangen naar meningen opeens bij u opkomt, kunt u altijd bellen. Maar kijk dan eerst even naar wat er op dat moment aan uitwisselingen op twitter en Facebook plaatsvindt.’

Hij kwam overeind, liep met me mee naar de deur en nam afscheid met een stevige handdruk. ‘Het ga u goed,’ zei hij, alsof hij ervan overtuigd was dat we elkaar nooit terug zouden zien.

 

 

Geplaatst in verhalen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

geen blijvende stad

Algemeen_uitbreidingsplan_amsterdam1935

comeniusstraat bos en lommer luchtfoto slotermeer colenbranderhof, osdorp

Naar het stadsarchief in gebouw De Bazel voor de tentoonstelling Een Betere Stad, over de Amsterdamse stadsuitbreiding die het gevolg was van het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935. Vier kleine zalen, waarin steeds een moment uit de ontwikkeling van het plan centraal staat, van de eerste bijeenkomsten in de jaren dertig tot de renovaties van de eenentwintigste eeuw. Veel kaarten, films en foto’s – en hoorspelen. Zo hoorde je in een van de eerste zalen een nagespeeld interview met Cornelis van Eesteren, de grote man achter het Plan dat er uiteindelijk voor zorgde dat de stad zich zou verdubbelen. Erg gelukkig pakte die keuze voor hoorspelen niet uit. In de laatste zaal was een nagespeeld overleg te horen tussen bestuur, woningbouwvereniging en bewoners over de sloop dan wel renovatie van Jeruzalem, het wederopbouwwijkje in de Watergraafsmeer, in een eeuwigdurende loop van een minuut of tien, je hoorde het al van verre, het stond zo hard dat het eigenlijk ondoenlijk was om de in die zaal tentoongestelde zaken en teksten te bekijken dan wel te lezen. Ik neem aan dat dat niet de bedoeling van de makers was maar misschien was het toevallig Hardhorenden-middag toen ik er was.

Hoogtepunt was de diashow een zaal eerder (met het woordelijk verstaanbare Jeruzalemoverleg op de achtergrond) waarin een eindeloze rij zwart-witfoto’s werd getoond over de totstandkoming van de wijken Buitenveldert, Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse veld en Osdorp. Het begon steeds weer met uitgestrekte polders met smalle wegen en hier en daar een boerderij, daarna kwamen de bouwketen, het zand, de hei-installaties, de steigers en de bouwvakkers, en daar waren de huizenblokken, de gloednieuwe straten, de gloednieuwe strokenbouw, nieuwe wijk na nieuwe wijk na nieuwe wijk, luchtfoto’s die niet van maquettes zijn te onderscheiden – het zijn onthutsende foto’s, de vanzelfsprekendheid waarmee die wijken nu deel van Amsterdam uitmaken wordt met terugwerkende kracht vernietigd, eerst was er niets, eerst was er polder.

En dan die nieuwe wijken zelf, net uit het ei, met brede straten waar zo en dan iemand doorheen fietst, nog voor de Tijd de kans heeft gekregen er met een brede kwast zijn patina overheen te sausen, gloednieuw, en modern. Want dat valt ook op: alles is ouderwets op die foto’s, behalve de bebouwing zelf. De hoogwaardigheidsbekleders die voor elke wijk weer een eerste paal slaan, de bouwvakkers op houten steigers, de apparatuur die ze gebruiken, de kleding van de bewoners, de auto’s en de bussen en de trams die door de straten rijden wanneer de wijken eenmaal klaar zijn – alles maakt een ouderwetse, vooroorlogse indruk. Die wijken waren hun tijd letterlijk vooruit, dat kan je gewoon op die foto’s zien, het zijn nieuwe wijken die vragen om nieuwe vormen, pas op foto’s uit de jaren zestig begint het een beetje recht te trekken, dan gaan mode en auto’s bij de bebouwing passen, al blijven de autobussen te oud, als relicten uit een ver verleden dat eigenlijk door deze nieuwe wijken uitgewist zou moeten zijn.

En ik besef nu ook weer eens dat het polderlandschap rond Amsterdam waar ik graag doorheen fiets (weilanden, sloten, lage horizon, veel hemel, vooral veel hemel, en altijd autosnelwegen op de achtergrond) vroeger groter was, er was meer van, er zijn grote delen bezet door de groeiende stad – en ook het landschap waar ik doorheen fiets zal opgeslokt worden, ook de bewoners van die toekomstige wijken zullen door de polder fietsen zonder zich ervan bewust te zijn dat ze zelf op voormalige weilanden wonen.

Alles verandert, soms heb je fotoseries nodig die je dat weer eens inprenten. Als je maar lang genoeg ergens woont, zie je de veranderingen zelf ook. Ik woon nu zesendertig jaar in Amsterdam en heb de stad voortdurend zien veranderen – nee, dat klopt niet helemaal; je ziet de verandering niet, je beweegt je in een veranderend geheel, pas als je even stilhoud of ergens een tijd niet bent geweest, zie je wat er de afgelopen jaren is veranderd. Je beweegt je in verandering, je bent onderdeel van een transformerend geheel, dat zelfs geen geheel is, en zelf ben je niet anders. Het is een fascinerend gezicht. Het houdt  niet op, ook als jij dat wel doet. Soms denk ik dat de zin van het leven eruit bestaat je omgeving te zien veranderen.

 

op de foto’s onder de kaart van het Algemeen Uitbreidingsplan van links naar rechts: Comeniusstraat, Slotermeer, Colenbranderhof (foto’s afkomstig van de beeldbank van het Amsterdamse Stadsarchief, waar honderden foto’s van de nieuwe wijken te vinden zijn)
Geplaatst in kunst, leven | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

zo bewaken ze ons (kunst en katten)

110 090 050

Viktor F. nam me mee naar een Holland Festivalvoorstelling, ‘Promised Ends’ van Derrick Ryan Claude Mitchell en diens groep Saint Genet, in de Zuiveringshal van het Westergasfabriekterrein. Een mix van performance, dance, opera en toneel. Vooraf bezochten we een inleiding waarin we werden bijgepraat over de geschiedenis van de performancekunst (Joseph Beuys met de coyote, Marina Abramović en Ulay, Chris Burden die zich in zijn arm liet schieten.) Bij de voorstelling zelf stond uiteindelijk weinig op het spel. We zaten op tribunes en keken naar het speelveld, waar men in de weer was met bloed, honing en lichamen. Een variatie op King Lear maar dat stuk ken ik alleen in ultrakorte samenvatting. Herhaling, herhaling – zo probeerden ze ons murw te beuken, maar de vonk sloeg slechts zo nu en dan over. We bleven veilig. Ze slaan elkaar, maar je weet dat er niemand dood zal gaan daar beneden, ze wikkelen elkaar in folie maar je weet dat niemand gaat stikken, ook zullen er geen emmers bloed over de toeschouwers worden omgekeerd omdat de organisatie de stomerijrekening niet zal kunnen betalen.

Voor het stuk begon mochten we, op aanwijzing van in Holland Festival-uniformen gestoken medewerkers, om het speelveld heenlopen, waar al van alles gebeurde met zand en honing. Langs de rand lagen dode konijnen, en ik dacht: nu zijn de katten ook dood, want ik paste sinds die middag op de katten van Metsike, die een paar dagen weg was, en telkens wanneer ik op haar katten pas, ben ik de eerste uren uiterst nerveus omdat ik deuren en ramen en gaskranen open heb laten staan terwijl ik vergeten ben de waterbakjes bij te vullen. Dat was het meest indrukwekkende van de tweeënhalf uur durende voorstelling: dat ondertussen elders in Amsterdam Metsikes katten waren veranderd in Schrödingers katten waarmee van alles aan de hand kon zijn, of niet.

Toen ik tegen middernacht hun domein betrad leefden ze natuurlijk nog, een goede geest had stilzwijgend ramen, deuren en gaskranen gesloten en het water bijgevuld. Ik ken de drie katten al jaren, ze zijn ondertussen aardig op leeftijd, 17, 17 en 16, twee zussen en een zoon/neef, drie totaal verschillende persoonlijkheden en elk op hun eigen, niet-sentimentele manier ontroerend, stuk voor stuk een uitgebreide beschrijving verdienend – Pippi, die iets kangoeroe- of eekhoornachtigs heeft omdat ze twee kromme vergroeide voorpootjes heeft (radiale hypoplasie heet dat, in het Engels worden dergelijke katjes squitten genoemd, van squirrel en kitten) en die zodra ik binnenkom al mijn bewegingen volgt om te kijken waar ik ga zitten, en nog belangrijker, hoe ik ga zitten – om meteen op schoot te springen als de positie van mijn benen klopt met haar verlangens; Joey, de mooie, aarzelende chocoladesiamees, die voor elke handeling altijd lang moet nadenken en helemaal niet van gedoe en drukte houdt; Sawa die vroeger altijd erg op zichzelf was maar door Metsike bij de groep is getrokken, en die nu ze een nierziekte heeft meer dan ooit gezelschap en warmte zoekt en soms al een beetje ver weg lijkt – ’s nachts lag ze opgerold naast me, tegen mijn flank aan, vanwege haar ziekte een beetje schonkig en mager, ze schoot weg toen ik in een droom uithaalde naar mijn broer die niet wilde vertellen waar hij mijn laptop had verstopt maar kwam later gelukkig weer terug. (Elke keer als je de rust van een kat verstoort zet ergens iemand een streepje achter je naam.)

Waarom zijn katten zo goed om naar te kijken? Het zijn sierlijke miniaturen, in perfecte verhouding tot het origineel, roofdieren op eentiende van hun ware grootte. Daarom lijken ze zich ook altijd net in een andere wereld te bewegen dan wij, want wij zijn geen miniaturen – hoe veel sierlijker zouden wij niet zijn als we tien keer zo klein waren, maar nee, wij banjeren op ware grootte door de wereld.

Toen ik in de vroege ochtendschemering wakker werd, zat Joey naast me op het kussen, rechtop, voorpoten naast elkaar, staart langs zijn lichaam, starend in de verte, als een oud Egyptisch beeld. Zo bewaken ze ons. Niet voor ons, in dienst voor ons, maar in opdracht van iets groters, dat we nooit helemaal zullen begrijpen, zoals de katten zelf ook weten. Ze vinden dat niet erg, ze kennen onze beperkingen, voor hun zijn die beperkingen een eeuwenoud gegeven waar ze neutraal tegenover staan.

 

Geplaatst in kunst, leven | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

fiets kopen? (of: het Grote Witte Fietsenplan)

IMG_20170604_172123611 Mountfujijapan

Nadat ik met Metsike naar de film was geweest (Ascent van Fiona Tan; over de berg Fuji, een film zonder ook maar één bewegend beeld; een fascinerende afwisseling van foto’s (alsof de berg met zijn bekende, perfecte bergvorm in elk denkbaar landschap aan de horizon staat) maar als film toch, mede door het verhaal dat de voice-overs vertellen, niet helemaal geslaagd) liep ik een eind met haar op, met mijn fiets aan de hand. Toen we de donkere, verlaten Weesperstraat overstaken, kwam er een zwarte man ontspannen op ons af fietsen. Hij vroeg vriendelijk of wij nog een fiets nodig hadden. Nee, zeiden wij uiteindelijk – het duurde even voor we doorhadden dat hij ons een fiets te koop aanbood, het was voor ons allebei lang geleden dat ons op straat een dergelijk aanbod was gedaan, en bovendien zagen de fietsverkopers er vroeger anders uit,  magerder, nerveuzer, slechter gekleed en altijd met een ondertoon van haast en agressie. Deze man was op zijn gemak en goed gekleed, als een vertegenwoordiger van een  nieuwe gemeentelijke dienst die voorzag in vervoer voor mensen die duidelijk een fiets te kort kwamen, een nieuwe versie van het witte fietsenplan: niet alleen werden gratis fietsen beschikbaar gesteld, ze werden nu ook nog eens naar de mensen toegebracht. Een mooi initiatief, maar we hadden op dat moment geen behoefte aan een fiets. De man knikte begrijpend, maakte een ruime bocht en verdween in de richting van waaruit hij gekomen was, in het kalme tempo van iemand die per uur wordt betaald en niet afhankelijk is van stukloon.

(Zou het geen goed idee zijn, bedacht ik later, om in Amsterdam op een nacht alle sloten van alle geparkeerde fietsen te verwijderen? De volgende ochtend begint dan Het Grote Witte Fietsenplan. Met de gigantische aantallen fietsen die tegenwoordig op straten, stoepen en pleinen in en buiten de rekken staan grijp je nooit naast een fiets, en kan je ’m na gebruik met een gerust hart weer ergens anders neerzetten, er zijn overal meer dan genoeg fietsen te vinden. Het enige wat je mee moet nemen zijn je eigen lampjes.)

 

(foto Fuji: Wikipedia)

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , | 2 reacties

witte hersens (concert voor fietsenrek)

IMG_20170604_163345086_BURST000_COVER_TOP  IMG_20170604_163427019_HDR IMG_20170604_172123611

Pinksterzondag. ’s Middags naar het Amstelstation gewandeld, daarna bij de Spaklerweg onder het spoor door naar de Wenckenbachweg, waar druk gebouwd werd, op het zand stonden moderne villa’s, elk huis een eigen ontwerp, sommige al bewoond. Weer een stuk dat bij de stad getrokken wordt. De laatste keer dat ik hier kwam was het een kale vlakte, daarvóór was het een duister buurtje met veel begroeiing en daartussen het honk van de Hell’s Angels, in de schaduw van de Bijlmerbajes. De gevangenis is inmiddels een asielzoekerscentrum geworden, de laagbouw met kleurige blokken beschilderd, de torens nog steeds grauw. Het cipierdorpje van de bajes (pas onlangs over gelezen, nooit geweten dat er zoiets bestond, uit betonsteen opgetrokken vierkante huizen in veel groen) is tegenwoordig een broedplaats, er stonden veel oude campers. Via het bedrijventerrein liep ik naar de Gooiseknoop om daar over te steken naar het loop/fietspad langs de Weespertrekvaart, terug richting Amstelstation, langs dezelfde nieuwe villa’s maar dan vanaf de andere kant, over het water. Zon, wolken, wind, hectisch weer waardoor je vanzelf sneller gaat lopen. Naast het Amstelstation wordt ook weer een nieuwe toren gebouwd, er wordt nu zo snel gebouwd in Amsterdam – als je ergens een maand niet bent geweest, krijg je de indruk dat je bent teruggekeerd na een reis van jaren. Bij het gebouw van de Hogeschool van Amsterdam doemde vanaf de lager gelegen parkeerplaats een reusachtig wit stel hersens op, alsof ik me opeens in een tweedimensionale collage bevond waarin iemand op een foto van kantoorbebouwing een uit een biologieboek geknipte afbeelding van een brein had geplakt. Bij nader inzien bleken de hersens op de laadbak van een pick-up bevestigd – niet dat daardoor dan opeens elk mysterie was verklaard, maar in een collage bevond ik me in elk geval niet en ik kon gewoon ergens gaan koffiedrinken.

Op weg naar huis kwam ik op de Jozef Israëlskade langs een vrouw met een peuter op de arm. Ze stond bij een fietsenrek en liet haar kind één voor één de verschillende fietsbellen horen. (Elk fietsenrek is een instrument, een componist zou een stuk moeten schrijven dat alle fietsenrekken van de stad omvat en dat alleen door de goden in zijn geheel zal zijn te volgen.)

 

 

 

Geplaatst in leven, wandelen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

zeeën van tijd had hij

Omdat vandaag vijftig jaar geleden Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band uitkwam, hier een fragment uit hoofdstuk 22 van Alles komt goed, uit 2012, waarin Rudolf terugdenkt aan een logeerpartij toen hij zestien was; in de tuin van het grote huis las hij een boek over de dag waarop Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band uitkwam. (Ik heb zelf ook vage herinneringen aan een soortgelijk artikel uit een soortgelijk boek (was het een bloemlezing uit Rolling Stone?), maar heb het, net als Rudolf,  nooit terug kunnen vinden.

De echte Rudolf is vijftien, zestien, en logeert een zomer in de villa van de ouders van Walter. De echte Rudolf luistert naar de muziek die de oudere broer van Walter hem laat horen op diens ruime zonnige kamer, en daar zou hij graag naar terug willen, […]  terug naar die villa van Walters ouders, met de achtertuin die niet aan een bos grensde, maar aan weiland, en Walters moeder die naar de horizon wees en zei: ‘Dat is niet meer van ons.’ Hij ziet zich op het terras zitten, of (als de zon te heet is) op het balkon van de logeerkamer, en hij leest, want de broer van Walter heeft niet alleen platen, maar ook boeken.

En het ging vooral om één boek, het was Engels – nee, Amerikaans, de taal was Engels, maar het kwam uit Amerika; dan zal hij eerder zestien dan vijftien zijn geweest, als hij dat boek toen al kon lezen. Het was een groot en zwaar boek met een harde kaft, een bloemlezing van artikelen over popmuziek, uit de Rolling Stone als hij het zich goed herinnert, gedrukt op glanzend papier dat al een beetje oud was, en met veel paginagrote zwart-witfoto’s. En de tekst, was de tekst niet gezet in kleine letter, en in twee kolommen? Dat zou goed kunnen, zo ziet hij het in ieder geval voor zich, hij voelt zelfs de bescheiden zwaarte van de bladzijden bij het omslaan.

Hij had The Beatles toen al ontdekt (ze waren al jaren uit elkaar, in Engeland kwam de new wave op) en één artikel uit het boek is hem altijd bijgebleven, een stuk over de dag waarop Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band uitkwam in de Verenigde Staten, de langverwachte lp waarmee The Beatles alle beloften zouden inlossen en meer dan dat, de dag waarop ze iedereen van vrolijke verbazing steil achterover lieten slaan. De schrijver van het stuk beschreef hoe hij op die dag een lange autorit door de Verenigde Staten maakte. Bij elk benzinestation waar hij uitstapte, hoorde hij op de radio een nummer van Sgt. Pepper, waar hij dan samen met de pompbedienden, de monteurs en andere automobilisten opgewonden naar luisterde. Dat was alles, maar het was genoeg: een lange rit door uitgestrekte bossen, en dan telkens een klein benzinestation waar mensen naar de radio luisterden en het met elkaar over de song hadden waarnaar ze zojuist hadden geluisterd. Toen de schrijver aan het eind van de dag zijn bestemming had bereikt, had hij het hele album gehoord.

Natuurlijk blijven er veel vragen over. Had de auteur geen autoradio, waarom stopte hij bij al die benzinestations, had hij een auto die benzine slurpte, of stopte hij juist omdat hij geen autoradio had en al die nummers wilde horen? Echt plausibel klinkt het niet, maar toch, Rudolf had erbij willen zijn, hij had mee willen rijden en die magische opeenvolging van momenten willen meemaken, de gedeelde opwinding met vreemden die gedurende die dag steeds weer werd herhaald. Juist dat de auteur onderweg was gaf het verhaal iets klassieks, hij was getuige van de geboorte van een nieuwe wereld in een bestaande omgeving van autowegen, benzinestations, passanten en monteurs. Zoiets zou een heel leven moeten vullen, het zou een heel leven moeten zijn. En nu ziet Rudolf ook de grote zwart-witfoto voor zich die bij het artikel stond: een klein wit benzinestation, een vierkant gebouwtje met een plat dak, wat auto’s, een paar ouderwetse benzinepompen, en direct daarachter een hoog oprijzend bos, tot aan de bovenrand van de foto, je zag geen lucht, alleen de stammen van bomen.

Dit was het boek dat hij had moeten opsporen, […] maar hij heeft het niet gedaan, en nooit heeft hij die reis door Amerika gemaakt. Hij heeft het gewild, vanaf toen, het was zijn droom, met een huurauto, wekenlang, het hele land door. Eerst had hij geen rijbewijs, daarna had hij geen geld, en toen hij eenmaal geld had – het is er in ieder geval nooit van gekomen, hij had het er zelfs ooit nog met Paul Hoveling over gehad, zullen we met z’n tweeën… Maar het liefst in zijn eentje, ergens in de jaren zestig, van benzinestation naar benzinestation. Geen tijd? Tijd genoeg heeft hij gehad, zeeën van tijd had hij.

 

 

 

Geplaatst in Alles komt goed, lezen, muziek | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

iets groots dat op normale dagen ontbreekt

 

De sprinter was voller dan gewoonlijk en toen ik gisteravond om een uur of half acht vanaf station RAI de stad in fietste, hing er een vreemde spanning op straat. Het was druk – overal fietsten mensen met Ajaxshirts, ze keken met verbeten gezichten naar hun telefoon, op zoek naar een plek om naar de wedstrijd te kijken. Op trottoirs mensen met dezelfde shirts, voor de cafés in de Rijnstraat, achter de ramen in huizen – overal die shirts. Het was anders dan als het Nederlands elftal speelt, dan is iedereen in het oranje, oranje is van iedereen; dit was alleen van ons, dit had met de stad te maken, het Ajaxshirt was een stadsuniform: eigenlijk was het raar was dat niet iederéén zo’n shirt droeg. En dit was ook grimmiger, belangrijker. Er stond meer op het spel; nederlagen van Oranje kan je over het hele land verdelen, dit viel veel minder te verdunnen als het mis ging.

Thuis deed ik de balkondeur open. De studentes van een paar balkons verder zongen mee met André Hazes, vol ironische overgave. In de verte hoorde ik een vreemd gedruis en golvend gezang, het duurde even voor ik begreep dat dat de honderdduizend mensen waren die zich op het Museumplein hadden verzameld, bijna anderhalve kilometer van me vandaan.  Het klonk als iets groots en gekooids, als iets dat zich niet zomaar over de stad zou moeten verspreiden. Er kwam een dringend politie-alert binnen die waarschuwde dat we niet naar Amsterdam moesten komen, de studentes van een paar balkons verder hadden hem ook gekregen, ze lazen hem luidkeels voor, daarna zongen ze weer verder.

De spanning bleef boven de stad hangen, net als het gedruis, de hele stad was één groot stadion geworden. Ik moest denken aan de Kroningsdag, toen straaljagers verbijsterend laag over de stad vlogen, en het geluid dat daarbij hoorde. Ook dat had iets dreigends en opwindends gehad: iets groots dat op normale dagen ontbreekt.

De wedstrijd begon en de avond viel. Ik had graag overal om me heen het verwachtingsvol aanzwellende en orgastisch ontploffende gejuich gehoord bij een doelpunt van Ajax – uit de open ramen en vanaf de balkons in de straat, daarna van de straten en pleinen van de wijk, daarna, vier, vijf seconden later, de grote vloedgolf vanaf het Museumplein. Het bleef bij wat verwachtingsvolle kreten hier en daar. De studentes keken met een vertraging van drie, vier seconden, een op tv gemiste kans zorgde bij hun nog voor hoopvol geschreeuw.

Toen Manchester United voor de tweede keer scoorde zette ik het geluid van de tv uit. Buiten hoorde ik alleen een merel zingen, in een heldere, spanningsloze avond – en heel in de verte toch nog het vage gemurmureer van het Museumplein.

Geplaatst in leven | Tags: , , , | Een reactie plaatsen