de russische boerenkeuken op mars

Gisteren mocht ik in Putten met een feestrede de opening opluisteren van de eerste onbemande bibliotheek van Nederland. Niet wat u denkt (en wat ik dacht), het betekent dat leden met een pasje ook buiten openingsuren naar binnen kunnen. In Scandinavië en Vlaanderen al gangbaar, naar verluidt, nu dus ook in Nederland. Ze wilden graag dat ik een ‘ode aan de moderne bibliotheek’ bracht; die zit er wel degelijk ergens in verborgen, hieronder, maar het ging me natuurlijk vooral om Olga. En of ze het nog ergens konden nalezen? Nou, zeker, hier,van tien tot nul:

10

De eerste onbemande ruimtevlucht vond plaats op 4 oktober 1957, toen in de Sovjet-Unie de satelliet Sputnik 1 werd gelanceerd en vervolgens in een baan om de aarde gebracht. Na 92 dagen zacht bliepend om de planeet te hebben gecirkeld, verbrandde de kunstmaan volgens plan in de atmosfeer. Dit onverwachte Sovjet-Russische succes zette de Amerikanen aan tot een verbeten concurrentiestrijd die erin resulteerde dat twaalf jaar later Neil Amstrong van een laddertje afdaalde en de eerste stappen op de maan zette – iets dat overigens door steeds minder mensen wordt geloofd, maar dat is een ander verhaal.

En dus niet het verhaal dat ik u wil vertellen. Weinig mensen weten dat de ruimtetechnici van de Sovjets niet lang na de eerste onbemande ruimtevlucht nóg een satelliet lanceerden, Sputnik 1a, de eerste onbemande ruimtebibliotheek. Ik zie aan uw gezichten dat dit nieuw voor u is. Dat viel dan ook te verwachten, weinig mensen weten hier nog iets van, omdat vrij snel na de lancering alle medewerkers aan dit programma het zwijgen werd opgelegd.

De eerste onbemande ruimtebibliotheek was uiteraard niet erg groot, en het aanbod niet heel divers. De collectie bestond uit het verzameld werk van Karl Marx, het verzameld werk van Vladimir Iljitsj Lenin en nog een klein aantal boeken waarin de zegeningen van de socialistische revolutie en het communisme werden bezongen.

Na enkele dagen namen de technici in het vluchtleidingscentrum in Kazachstan via een primitieve, maar voor die tijd uiterst geavanceerde beeldverbinding enige beweging waar bij de satelliet. Een ruimtevaartuig dat, naar latere berekeningen uitwezen, waarschijnlijk afkomstig was van de planeet Mars, legde aan bij de sluis van de satelliet en na enige minuten zagen de verbijsterde technici in Kazachstan een vage gestalte de eerste onbemande ruimtebibliotheek binnen kruipen.

De gestalte bewoog zich zeer traag en nam ook nog eens de tijd om de hele collectie uitgebreid in ogenschouw te nemen, dus in het vluchtleidingscentrum was alle tijd om weddenschappen af te sluiten over het boek of de boeken waarmee de buitenaardse bezoeker de bibliotheek zou verlaten. Lenin, Marx, een brochure van tweeduizend pagina’s over het laatste Vijfjarenplan? Groot was de consternatie toen de alien de satelliet verliet met een boek dat niemand thuis kon brengen. Na uitgebreide bestudering van beeldmateriaal bleek het te gaan om het boek 101 recepten uit de Russische Boerenkeuken, dat door iemand op het laatste moment de collectie moest zijn binnen gesmokkeld.

Uiteraard probeerde men dit geheim te houden, maar aangezien op het vluchtleidingscentrum permanent enige vertegenwoordigers van de Opperste Sovjet aanwezig waren, die bovendien enkele malen per dag een rapport moesten uitbrengen, was er geen mogelijkheid om de kennis van wat er zojuist in de ruimte was gebeurd beperkt te houden tot de direct betrokkenen. Zoals gezegd, er werd meteen ingegrepen, en van vrijwel niemand die op dat moment in het vluchtleidingscentrum aanwezig was, is ooit nog iets vernomen. Het is waarschijnlijk hieraan te wijten dat het Russische ruimtevaartprogramma ten opzichte van het Amerikaanse een achterstand opliep die nooit meer is ingehaald.

9

Er valt veel te zeggen over het bovenstaande, bijvoorbeeld dat het concept van de onbemande bibliotheek ouder is dan men soms wil doen geloven, maar er blijkt ook uit dat bezoekers van bibliotheken hun eigen, zelfstandige keuzes maken, ongeacht de propagandistische bedoelingen van de samenstellers van die bibliotheek. Een goede bibliotheek is propaganda voor het maken van je eigen keuzes. Ik ben nog steeds dankbaar dat in het stadje waar ik opgroeide een Openbare Bibliotheek was waar ik mijn eigen keuzes kon maken. Daar zal ik zo meteen het een en ander over vertellen, maar laten we de nostalgische en misschien wel melancholische bespiegelingen nog even uitstellen, om eerst nog even het verhaal af te maken. Al valt er niet veel meer te vertellen. Dat we nadat de onverwachte bezoeker de eerste onbemande ruimtebibliotheek had verlaten, nooit meer bezoekers van de planeet Mars hebben mogen ontvangen, zou iets kunnen zeggen over de vernietigende eigenschappen van de Russische boerenkeuken – maar mocht die keuken de gehele bevolking van Mars hebben uitgeroeid, dan kan dat natuurlijk ook liggen aan vertaalfouten of de vervanging van bepaalde, niet op Mars verkrijgbare ingrediënten door andere voedingsmiddelen die, eenmaal gecombineerd en verhit, zich op fatale wijze tot een dodelijk gif bleken te ontwikkelen.

8

Het stadje waar ik opgroeide en de Openbare Bibliotheek bezocht, heette Rijssen. Ik weet mijn lidmaatschapsnummer nog: 2552. Mijn lidmaatschapskaart was van dik, gelig papier, dat door overmatig gebruik langzaam verviltte. De inkt waarmee een bibliotheekmedewerkster het nummer 2552 en mijn naam en adres had genoteerd, vervaagde in de loop der jaren langzaam van donkerblauw naar een wonderlijke tint vaalblauwgroen. Het was de eerste Openbare Bibliotheek waarvan ik lid werd, en zeker niet de laatste: waar ik sindsdien ook heb gewoond, ik heb altijd een bibliotheekkaart op zak gehad. Veruit het grootste deel van mijn leven ben ik dus lid geweest van de Openbare Bibliotheek, veruit het grootste deel van mijn leven heb ik het bestaan van de bibliotheek voor een vaste waarde binnen de samenleving aangenomen. Maar de tijden veranderen, zoals tijden dat nu eenmaal plegen te doen als je even niet oplet.

Ooit was de Openbare Bibliotheek een middel tot verheffing, een middel om ook degenen die niet zoveel verdienden om boeken te kunnen aanschaffen of de drempel van de boekhandel te hoog vonden, de mogelijkheid te geven zich te ontwikkelen. In de Bibliotheekwet van 1975 werd de functie van de bibliotheek nog als volgt omschreven:

een elementaire voorziening in een democratische en zich democratiserende samenleving, die aan ieder het recht toekent zich bewust en in vrijheid te ontwikkelen, een mening te vormen.

1975 – dat was dan ook tijdens de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat, dat is al weer lang geleden. In de decennia die volgden zouden ook de bibliotheken niet ontkomen aan bezuinigingsrondes, maar dat de bibliotheek als instelling, als elementaire voorziening ter discussie werd gesteld, merkte ik pas vijf jaar geleden, toen ik in Het Parool las dat de toenmalige woordvoerder cultuur van de Amsterdamse afdeling van de VVD tijdens een discussie over de begroting van de Openbare Bibliotheek het volgende had gezegd:

Amsterdammers jong en oud zijn al lang niet meer alleen afhankelijk van de bieb voor een goedkoop en goed toegankelijk aanbod van boeken. Van W.F. Hermans tot Homerus en van Jip en Janneke tot Anna Karenina, via websites als Marktplaats is de gehele Wereldbibliotheek voor een paar euro per titel te koop en eenmaal gelezen kan hetzelfde boek net zo gemakkelijk weer worden doorverkocht.

Er is niet zoiets als ‘de samenleving’, zei de Britse premier Margaret Tatcher al in de jaren tachtig, en de uitspraak van de Amsterdamse VVD’er is een uitvloeisel van die gedachte, die met vrolijke danspasjes op het graf van de verzorgingsstaat wordt verwoord. Want dat is wat opvalt: die provocatief-badinerende toon, het triomfantelijke dedain waarmee de hele bibliotheektraditie opzij wordt geschoven als een overblijfsel uit een andere tijd, toen Marktplaats nog niet dé virtuele locatie voor al onze cultuurbehoeftes was.

Het is natuurlijk nog maar de vraag hoeveel van de collectie van een gemiddelde bibliotheek voor een paar euro op websites als Marktplaats te vinden is, en dat de woordvoerder het over Marktplaats heeft en niet over een binnen deze context meer voor de hand liggende site als Boekwinkeltjes.nl, laat al zien hoe vreemd de boekenwereld  voor haar is, maar wat vooral opvalt is dat ze het heeft over  ‘Amsterdammers, jong en oud’. Ik zie schoolkinderen nog niet zo gauw volkomen zelfstandig boeken bestellen en verkopen op internet. Ze kunnen wel zelfstandig boeken zoeken in een bibliotheek, zonder dat er per boek moet worden afgerekend, of überhaupt moet worden afgerekend. Juist voor kinderen uit alle geledingen van de maatschappij (en hoeveel geledingen telt de maatschappij wel niet) betekent de Openbare Bibliotheek een belangrijke kennismaking met de wereld van het boek, erger nog: de werelden van het boek, en dus: de wereld zelf. Zelf zoeken vergroot je zelfstandigheid. En voor jong en oud geldt: zoeken is iets anders dan bestellen. Je bestelt wat je wilt hebben; maar als je daadwerkelijk zoekt, vind je nog eens wat waarvan je het bestaan niet kende, en zo ontwikkel je je. Zoeken verruimt je blik, of je nu wilt of niet. En die blikverruiming is gebaat bij een breed aanbod.

7

Natuurlijk, op badinerende toon gestelde beweringen als die van  de VVD-cultuurwoordvoerder zijn bedoeld om de discussie op gang te brengen en dit soort reacties vol heilige verontwaardiging, als die van mij en hopelijk ook van u, op te wekken. Inderdaad, tijden veranderen, dat weet ik ook wel. Want zeg eens eerlijk, klonk dat net allemaal niet wat braaf en ouderwets? Discussies over bibliotheken wekken maar al te vaak de indruk van achterhoedegevechten. Boeken? Van papier? Op een plank, in een gebouw? Dat je tegenwoordig ook e-books kan lenen doet daar weinig aan af.

Maar ik herinner me – en daar zijn we aanbeland bij de al beloofde nostalgische en wie weet zelfs melancholische bespiegelingen – ik herinner me dus nog mijn lidmaatschapsnummer van de Openbare Bibliotheek in het Twentse stadje waar ik in de jaren zeventig opgroeide, het zojuist al genoemde Rijssen. Mijn gereformeerde ouders die uit het westen kwamen en iets wereldwijzer waren dan de autochtone Rijssenaars vonden het goed dat hun kinderen lid werden van die bibliotheek, wat niet vanzelfsprekend was, want: Openbaar, het woord zegt het al, werelds tot en met. In die bibliotheek vond ik boeken die niet werden gekenmerkt door een eng-christelijke moraal, die niet bestemd waren voor ‘mensen van onze kerk’, boeken waarin mensen avonturen beleefden zonder God en gebod, en zonder gebed aan het eind. In die bibliotheek vond ik ook boeken waarin stond dat de aarde veel ouder was dan zesduizend jaar, en dat er iets had plaatsgevonden dat evolutie heette, en waarvan mooie diagrammen bestonden, die ik thuis natekende. Ik ben nog steeds blij voor het tegenwicht dat die kennis bood, ik ben nog steeds blij dat ik niet pas veel later met al die zaken kennis maakte. De kennis die ik opdeed, en ook de avonturenboeken die ik las vielen daaronder, hielp me zelfstandiger worden.

In feite was die bibliotheek in Rijssen ook onbemand, want er werkten alleen maar vrouwen. De hoofdbibliothecaresse herinner ik me nog goed. Lichtbruin brilmontuur, kort haar, degelijke bloezen, degelijke rokken. Ze kende op een gegeven moment de lidmaatschapsnummers van mijn broer en mij uit haar hoofd (want bij elke uitlening moesten die nummers worden genoteerd), ze kneep regelmatig een oogje dicht als we meer leenden dan we eigenlijk in huis mochten hebben en vond het zelfs goed dat wij boeken uit de afdeling voor volwassenen leenden – er was een dag waarop mijn broer, die grote belangstelling had voor het oude Egypte, alle bibliotheekboeken over dat onderwerp tegelijkertijd in huis had, zonder dat iemand dat erg vond, niet alleen de boeken die voor de jeugd waren bestemd, maar ook die van de volwassenenafdeling.

6

Nu zou het niet meer kunnen, zo’n zelfstandig opererende bibliotheekmedewerkster. Uitleningen zijn geautomatiseerd, het is onmogelijk om meer boeken te lenen dan toegestaan, het lidmaatschapsnummer kent niemand meer uit z’n hoofd, het enige geheugen waarin dat opgeslagen zit is dat van je smartphone, omdat het nummer nodig is om in te loggen op de gratis wifi. De bibliotheek van vroeger bestaat niet meer. Vaak letterlijk. Toen ik een paar jaar geleden in Rijssen was, ben ik nog op zoek gegaan naar de plek waar de Openbare Bibliotheek zich destijds had bevonden, ergens achter de Haarstraat, een vrijstaand gebouw van een paar bouwlagen met een plat dak, naast een braakliggend terrein waar weinig gras groeide en dat was afgezet met kleine stenen paaltjes.

 Ik vond het niet meer terug. Niet alleen het gebouw niet, ook de straat niet meer, alsof er een nieuwe wijk was gebouwd met nieuwe straten, alles zag er nieuw en onbekend uit. Er was nog wel een bibliotheek, maar die stond elders, bij de Schildkerk. Voor zover ik weet zijn alle bibliotheken waarvan ik lid ben geweest verdwenen – als het om de gebouwen gaat tenminste. De bibliotheek van Ede zit in een ander pand, ook de hoofdvestiging van de  bibliotheek van Amsterdam verhuisde op een gegeven moment, van de Prinsengracht naar het Oosterdok. En waar de Bibliobus is gebleven die in de buitendorpen van de gemeente Ede zijn zegenrijke werk deed, en waar ook ik een paar jaar lang een enthousiaste bezoeker van was, dat weet ik al lang: die is naar de sloop gegaan.

Die Bibliobus was .de merkwaardigste bibliotheek uit mijn carrière als bibliotheekpashouder, en ik zal er zo meteen op terugkomen, en vooral op de chauffeuse ervan, de uitbaatster, hoe ze ook genoemd moet worden;. Maar het gaat niet om de gebouwen of die bus, want de bibliotheek is geen gebouw of een bus, het is een concept dat vele vormen kan aannemen. We moeten ons nu weer optakelen uit de nostalgische put waarin we ons even hadden laten zakken, en wanneer we over de rand van de put heen kijken zien we dat de tijden zijn veranderd, en niet zo’n beetje ook.

Een gereformeerd jongetje dat is opgevoed met strenge leef- en denkregels is niet meer aangewezen op de bibliotheek voor informatie over de wereld. Hij kan ook terecht op het internet. Hij hoeft daar de deur niet meer voor uit. Bibliotheken hebben zichzelf moeten heruitvinden. Ik herinner me van de oude Amsterdamse bibliotheek aan de Prinsengracht een zaaltje met encyclopedieën waar je van alles kon opzoeken. Om maar iets te noemen. En daar zocht je dan dingen op. Zo ging dat.

Toen de nieuwbouw aan het Oosterdok klaar was, vroegen veel mensen zich af: waar zijn alle boeken gebleven? Al was het alleen maar omdat de kasten lager waren dan in de oude vestiging, je kon erover heen kijken, er was meer ruimte, meer daglicht. De boeken waren er nog wel, maar andere dingen stonden op het punt om te verdwijnen.

Ik herinner me de verdieping die in het nieuwe gebouw aan het Oosterdok was vrijgemaakt voor cd’s en dvd’s, prachtig vormgegeven ook, een feest voor oog en oor. Maar in de jaren tussen het ontwerp van het nieuwe gebouw en de oplevering ervan was het rad van de digitalisering weer een paar tandjes verder gedraaid. Muziek werd gestreamd, er was Netflix, die prachtige afdeling op de eerste etage, je kwam er op de roltrap langs op weg naar boven en je zag er bijna nooit iemand. Die afdeling bestaat nu dan ook niet meer, de hele etage is ontruimd en veranderd in een studie- en werkplek.

Waarna de vraag rijst: is de bibliotheek een monument uit het verleden dat wanhopig aansluiting zoekt bij het heden en voortdurend de boot mist?

Laten we die vraag eens beantwoorden met: nee. Het concept verandert, en hoe sneller de tijden veranderen, hoe sneller het concept mee verandert, misschien met hangen en wurgen, misschien zelfs voor de troepen uit. Voor sommigen is het vloeken in de kerk als de bibliotheken zich afficheren als ontmoetingsplek of studieplek. Alsof daar iets mis mee is. Laten al die scholieren en studenten die daar zo geconcentreerd aan het werk zijn elkaar maar elders ontmoeten! En nu we het er toch over hebben, laten al die mensen die daar langs de boekenkasten lopen, maar een e-reader kopen! Of op Marktplaats gaan kijken, wat daar allemaal aangeboden wordt! En al die mensen die daar een krant of een tijdschrift lezen en een kopje koffie drinken, hoeveel andere gelegenheden zijn er niet waar dat ook kan?  Zonder dat daar belastinggeld heen gaat?

O ja, natuurlijk. Belastinggeld. Ach, wie weet ben ik gewoon niet de aangewezen persoon om de bibliotheken te verdedigen omdat ik er te veel goede herinneringen aan heb. Misschien is het wel het mooist als de bibliotheek iets onbenoembaars wordt, iets dat niet is te vangen in één woord of beeld, iets dat niet alleen verandert door de tijd heen, maar ook door je leeftijd heen. Altijd is de bibliotheek weer wat anders, voor iedereen, voor elke levensfase. Zo lang je er nog andere mensen tegenkomt, en jezelf, voorziet ze nog in een behoefte.

Vanwege corona heb ik het laatste halfjaar vooral bij mijn vriendin in Brussel gebivakkeerd, en als ik iets mis van Amsterdam is het wel de bibliotheek aan het Oosterdok, waar ik ook gewoon vaak op een stoel op een van de bovenste verdiepingen, al dan niet met koffie, naar de stad zat te staren, en hoe daar in het westen de zon onderging. Alsof dit hele gebouw alleen maar opgetrokken was om mij ’s avonds van het uitzicht te laten genieten. In mijn meest zelfzuchtige buien fluisterde ik dan tegen mezelf: en waarom ook niet. Maar dat vertel ik natuurlijk aan niemand. Ik kan het alleen iedereen aanraden, om daar bovenin het gebouw naar de stad te kijken. Ik zou ervoor naar Amsterdam reizen.

5

 Maar het punt is natuurlijk dat de veranderde functie van bibliotheken (dééls veranderde functie, bedoel ik, laten we ook niet overdrijven, er leent heus nog wel eens iemand een boek) het punt is dat die veranderde functie de aandacht trekt van politici en beleidsmakers en managers die budgetten kleiner maken of kleiner zien worden. En ik moet eerlijk zeggen: toen ik werd uitgenodigd om bij de opening van de eerste onbemande bibliotheek van Nederland een lezing te geven dacht ik óók even dat het hier ging om een mooi verpakte bezuinigingsmaatregel, dat gewoon het voltallige personeel ontslagen zou worden. Maar dat bleek gelukkig niet waar, het ging om een verruiming van de openingstijden, vergroting van de service, versterking van de functie voor de gemeenschap. En eerlijk gezegd; het lijkt me heerlijk om ’s avonds in m’n eentje in een bibliotheek rond te dwalen, te werken of te lezen. Ik word er jaloers van.

Maar mocht het bij dit project uiteindelijk toch om een bezuinigingsmaatregel blijken te gaan, dan kom ik hier weer een toespraak houden, voor het gebouw, met een megafoon desnoods, en met een geheel andere inhoud, weer of geen weer. Liever met een beetje mooi weer natuurlijk, maar hoe dan ook: u bent gewaarschuwd.

4

Maar ik dwaal af, we waren net zo goed op gang, met die lofzang op de bibliotheek. Ik ben oprecht blij dat ik die lof hier kan zingen, in het openbaar, net zo openbaar als de bibliotheek zelf, want niet zo lang geleden heb ik een enorme kans laten liggen om dat te doen, óók in het openbaar.

Zoals u weet, want het is net nog gememoreerd, werd mijn roman De goede zoon vorig jaar bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Dat was een mooie avond, in het Amsterdamse Amstel hotel – voor mij althans, andere schrijvers hebben daar misschien andere herinneringen aan. Een van de dingen die nog steeds een beetje knaagt is dat mijn dankwoord zo kort was. Ook anderen reageerden daar teleurgesteld op. Had ik daar niet iets meer werk van kunnen maken? Het is lastig om een helder hoofd te houden als je opeens zo’n prijs krijgt, en bovendien dacht ik: ik doe een dankwoord dat zo kort is dat het in zijn geheel door Nieuwsuur zal worden uitgezonden. Doorgaans schakelen ze bij Nieuwsuur na de eerste al dan niet stamelend uitgesproken zinnen van de gelukkige winnaar weer terug naar de studio, zodat de kijkers maar moeten raden hoe het verder ging. Nou ja, zo werd mijn dankwoord dus heel kort. Eerlijk gezegd had ik van tevoren geen tekst voorbereid, want dat is de goden verzoeken – als je niet wint loop je aan het eind van de avond zacht verwensingen mompelend naar huis met in je binnenzak je ongebruikte dankwoord, en hoe treurig is dat wel niet.  Als ik bij het Literatuurmuseum werkte dan wist ik het wel, dan ving ik de vijf niet-winnaars na afloop op en vroeg ik om die tevergeefs op papier gestelde dankwoorden en vervolgens maakte ik daar de meest melancholische collectie van het hele museum van, een archiefmapje vol niet ingeloste verwachtingen en tevergeefse hoop. Maar dit terzijde.

Pas later op die voor mij zo feestelijke avond in het Amstelhotel bedacht ik dat ik in mijn dankwoord aan had kunnen knopen bij juryvoorzitter Alexander Rinnooy Kan, die eerder op de avond in zijn rede de Openbare Bibliotheek verdedigde tegen aanvallen van op bezuiniging beluste beleidsmakers, managers en politici. Dáár had ik in mijn dankwoord op door moeten gaan, ik had mijn solidair met de Openbare Bibliotheek moeten verklaren, u weet ondertussen hoeveel ik aan die instelling heb gehad. Ze verruimde mijn blik, die bibliotheek in Rijssen aan de Bevervoorde – ik heb  even opgezocht aan welke straat dat gebouw destijds lag, dat kan heel snel tegenwoordig, op internet, je hoeft er je deur ook niet meer voor uit, heel handig is dat, vroeger zou je daarvoor bijvoorbeeld helemaal naar de bibliotheek moeten gaan. Volgens de beknopte geschiedenis van de Rijssense bibliotheek die ik online vond, trok de bieb begin jaren zestig in dat pand aan de Bevervoorde, omdat het vorige gebouw te klein was geworden. Een deel van de inventaris was vervaardigd door de plaatselijke ambachtsschool, stond erbij vermeld. Ik vind dat een ontroerende zin.

3

Zijn we toch weer in de nostalgie terecht gekomen. ‘Ambachtsschool’, alleen dat woord al. Je ziet meteen een wereld voor je waar iedereen zijn plaats kent en waar dan ook dringend een revolutie moet uitbreken. Toch is die gedachte aan revolutie en vooruitgang niet genoeg om de ontroering te laten verdwijnen. Ik heb via google Streetview nog even rondgekeken op die Bevervoorde, maar het gebouw vond ik ook deze keer niet terug.

En toch, al die gebouwen die niet meer bestaan, en de ondertussen gesloopte bussen, niet te vergeten – eigenlijk is het wel goed dat ze verdwenen zijn. Het voorkomt dat je alléén maar achteruit kijkt, en het bewijst eens te meer hoe sterk een concept is als het vele vormen en gebouwen én plaatselijke ambachtsscholen kan overleven.

2

Ja, die bus. Ik zou daar nog op terugkomen en daar is het nu de tijd voor, nu we zojuist toch weer even in vroeger tijden waren beland. Toen ik elf jaar was, verhuisden we van Rijssen naar Harskamp, een van de buitendorpen in de gemeente Ede. Harskamp was te klein, veel te klein voor een bibliotheek, maar een keer per week kwam de Bibliobus langsrijden. Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik die bus bij de school zag halt houden. We kenden de SRV-man, maar dit was een stadium verder. Een bibliotheek in een bus. Geen idee of het nog bestaat. Mijn broer ging naar de middelbare school in Ede, en bezocht daar de bibliotheek, maar ik zat in het laatste jaar van de lagere school en leende mijn boeken bij de Bibliobus wanneer die op vrijdagmiddag het dorp aandeed. De bus werd bestuurd (en als ik zeg ‘bestuurd’ bedoel ik meer dan alleen achter het stuur zitten) door een grote, forse vrouw die zomer en winter jurken aanhad die haar ontzagwekkende armen bloot lieten. Ze droeg een bril met een stevig, zwart montuur, eerder een mannenbril dan een vrouwenbril. Op het rechterglas van die bril was een zwart kokertje gemonteerd, alsof ze met één oog altijd door het oculair van een microscoop keek. Ik vroeg me altijd af of ze met zo’n bril wel zo’n grote bus kon besturen, blijkbaar kon dat, er zaten maar weinig krassen op de zijkanten. De boeken die bij haar werden geleend stempelde ze krachtig af, zoals ze alles met grote gebaren deed. Ze sprak met een vreemd accent, het verhaal ging dat ze uit Oost-Europa kwam, misschien wel uit Rusland, en dat ze na vele omzwervingen bij ons was terechtgekomen. Om die theorie te testen nam ik op een middag mijn postzegelalbum mee naar de Bibliobus, om haar op een rustig moment de postzegels uit de Sovjet-Unie te laten zien die ik had verzameld. Misschien zou ze kunnen lezen wat daar op stond. Ik had inmiddels al een band met haar opgebouwd, ik was dat leesgierige jongetje dat altijd het langst moest zoeken naar boeken die hij nog niet gelezen had, en ze had de gewoonte ontwikkeld om uit het depot speciaal boeken mee te nemen die misschien wel iets voor mij waren. Soms legde ze haar hand op mijn hoofd en noemde ze me liefkozend ‘Kleintje’. Ik mocht vaak meehelpen opruimen als de laatste leners waren vertrokken, en reed dan met haar mee naar de parkeerplaats bij de Gereformeerde Kerk, waar de bus nog een paar uur stond om de volwassenen van het dorp de gelegenheid te geven boeken te lenen. Het was daar dat ik haar de Russische pagina’s van mijn postzegelalbum liet zien, op een rustig moment, we waren alleen in de bus, buiten schemerde het. Op een groot aantal van die postzegels stonden satellieten en kosmonauten afgebeeld. ‘Steek die maar weer weg Kleintje,’ zei ze hoofdschuddend. ‘Daar heeft Olga al genoeg mee te doen gehad.’ Ze pakte een klein flesje uit haar tas en nam een flinke slok.

Het was voor het eerst dat ik haar naam hoorde. De week daarop reed ik weer mee naar de Gereformeerde Kerk. ‘Geen postzegels deze keer?’ vroeg ze. En toen ik verlegen nee schudde legde ze haar op mijn hoofd. ‘Jij kan er ook niets aan doen Kleintje,’ zei ze. Ze nam weer wat slokken uit haar flesje. ‘Ooit was er een bibliotheek in de ruimte, weet jij dat wel? Olga bouwde daar aan mee.’

En die namiddag vertelde ze het verhaal over de eerste onbemande bibliotheek in de ruimte, in fragmenten, want zodra iemand de bus binnenkwam, wachtte ze tot we weer alleen waren. ‘Niemand heeft dit ooit geweten,’ zei ze terwijl ze zich naar me voorover boog. ‘Niemand mag dit ooit van jou horen. Iedereen denkt dat Olga dood is.’ Ze trok haar hoofd terug en keek me wantrouwig aan, alsof ze me kennis had verschaft waarvan ik misbruik zou gaan maken. Ik beloofde haar dat ik zou zwijgen – aan wie zou ik het ook moeten vertellen?

‘Moet jij niet naar de Bibliobus?’ vroeg mijn moeder een week later. ‘Nee,’ zei ik, ‘ik heb mijn boeken nog niet uit.’

Dat was niet waar. Ik durfde niet.

Die avond werd de Bibliobus aangetroffen in een greppel langs de weg van Harskamp naar Otterlo. De bestuurdersplaats was leeg, van Olga geen spoor. Voor zover ik weet heeft niemand haar ooit nog gezien. De volgende dag fietste ik naar de plek waar het was gebeurd. Een reusachtige takelwagen was net bezig de bus uit de greppel te halen. ‘De boeken zijn al opgehaald,’ zei een van de omstanders tegen mij. Door de gebarsten voorruit wierp ik een blik naar binnen, de lege planken boden een troosteloze aanblik. Ik stak de greppel over. Achter een rij bomen lag een hobbelig weiland. Daar vond ik haar flesje, het was leeg. Ik nam het mee naar huis en begroef het in de tuin.

Na een paar maanden verscheen er een nieuwe Bibliobus in het dorp, groter, glanzender, met meer boeken, en een vrolijke jongeman achter het stuur die Erik-Jan heette.

1

Ik heb nog vaak aan Olga gedacht. In de loop der jaren ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat zij degene was die het boek over de Russische boerenkeuken in de satelliet heeft gelegd, en dat ze zich op tijd uit de voeten heeft weten te maken nadat de eenzame lener uit het heelal uitgerekend met dát exemplaar vertrok. Soms hoor ik het haar tegen me zeggen tijdens een van onze gesprekken, ‘natuurlijk heb ik dat boek daar binnen gelegd, Kleintje.’ En dan neemt ze weer een slok uit haar flesje.

0

Van de eerste onbemande bibliotheek in de ruimte nu dan weer terug naar de eerste in Nederland, en wel hier. Nul: het moment van lancering.

Ik dank u voor uw aandacht.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

interview met mijzelf

Op de achterpagina van de boekenbijlage van De Standaard, De Standaard der Letteren, wordt elk weekend een schrijver door zichzelf geïnterviewd. Vorige week was het mijn beurt.

Ik las ergens dat je niet uitkeek naar al die corona-romans die momenteel ongetwijfeld geschreven worden. Waarom is dat?

O, kom op zeg, daar moet jij toch ook niet aan denken? Ik begrijp de mensen niet die zich daarop verheugen. Die vreemde drang om meteen alles wat we meemaken in literatuur terug te willen zien. Alsof het pas echt is gebeurd wanneer er een roman over is geschreven. Ik vind dat een zeldzaam idioot idee.

Is dat niet erg kort door de bocht? Het is toch ook zo dat…

O ja, het wordt in perspectief geplaatst hè, er wordt kunst van gemaakt. Dat is wat veel lezers van literatuur verwachten: dat ze iets zegt over de tijden die we meemaken, dat ze duiding geeft, dat we doordat de verbeelding erop is losgelaten, de werkelijkheid beter gaan begrijpen, en daarom onszelf.

Dat klinkt toch niet slecht?

Nee, nu ik het zo formuleer zou ik er zelf bijna ook nog in gaan geloven. Kijk, als je wilt  weten wat er nu gebeurt, moet je over vijf jaar de non-fictieboeken lezen die over deze periode uitkomen. En nu zijn er al dagboeken, voor als je niet kan wachten, van Octavie Wolters, van Ilja Pfeijffer…. Goed geschreven en erg nuttig om het allemaal weer in herinnering te roepen. Maar romans, waarom in godsnaam romans?

Waarom in godsnaam niet?

Volgens mij is het allemaal terug te voeren op die aloude, steeds weer terugkerende straatrumoer-discussie. De schrijver moet de straat op, uit zijn studeerkamer, we willen literatuur die weergeeft wat er in de maatschappij speelt, waar we doorheen gaan met z’n allen, anders wordt de literatuur irrelevant, ingeslapen, navelstaarderig. Maar valt je niets op?

Ja, je gaat steeds harder praten en loopt een beetje rood aan.

Het zijn altijd mensen die midden in de literatuur staan die dit soort dingen zeggen. Schrijvers, recensenten, doorgewinterde lezers…  Maar niemand van hen heeft ooit gedacht: goh, wat leven we in hectische tijden, ik wou dat er een roman verscheen die daarover ging zodat ik weet wat ik ervan moet denken. Ze hebben geen behoefte aan duiding, maar aan een beter zelfbeeld. Ze willen niet dat de literatuur de wereld weerspiegelt, maar henzelf. Ze zien zichzelf als mannen (het zijn vooral mannen volgens mij) die middenin de wereld staan, ze willen ook een literatuur die midden in de wereld staat. Stoere en actuele literatuur, daar worden we zelf ook een beetje stoer en actueel van. Literatuur die de actualiteit omhelst is de moeite waard, en als wij dat lezen zijn we ook de moeite waard. Het is niet alleen die straatrumoer-discussie, het is ook de aloude vraag naar het nut van literatuur. En die vraag komt voort uit vaag schuldgevoel. Is het wel nuttig wat we doen, al dat schrijven en lezen, betekent dat wel iets? Want actuele romans of niet, in werkelijkheid zitten we met z’n allen gezellig in de literaire bubbel en daar veranderen ook corona-romans niets aan. Al die kinderen die vroeger zo veel boeken lazen! Dit is er van ze geworden.

Jij was toch ook zo’n kind?

Nou en of, breek me de bek niet open. Ik was een lezend kind, net als al die anderen die in die bubbel zitten. Nou, dan weet je het wel. Terwijl de klasgenootjes hun sociale vaardigheden oefenden door samen te voetballen, te elastieken, touwtje te springen of doktertje te spelen, zat ik thuis te lezen. Pas later, op de middelbare school, op de universiteit, kom je een paar gelijkgestemden tegen, en voor je het weet maak je dan deel uit van een gewaardeerde subcultuur. Terwijl je het ook gewoon een verslaving kan noemen hè, dat lezen. De wereld kenden we niet, dus wilden we dat de literatuur die weerspiegelde, dan werden we alsnog mannen van de wereld, maar dan op veilige afstand. Misschien is dit het: we hebben de beste jaren van ons leven aan de literatuur vergooid, en nu willen we onze investering terug door van literatuur relevantie te eisen. Maar literatuur is niet relevant.

Hè? Echt niet?

Alleen op individueel niveau, tussen lezer en boek. Daar vindt de echte ontmoeting plaats, de vervoering, de ontroering, het plezier, wat al niet.

Dat klinkt hopeloos romantisch, toch?

Dat moet dan maar. Literatuur gaat in wezen tussen een lezer en een boek. En dan moet die lezer zich nog van veel ballast ontdoen, en het boek ook.

Maar je kan zowel lezer als boek toch niet isoleren, die bevinden zich toch in een bepaalde tijd, een bepaalde cultuur?

Toch kunnen ze daar ook buiten treden, al is het maar deels, voor even, al is het dan een illusie.

En de schrijver speelt geen enkele rol?

De schrijver is een noodzakelijk kwaad. Zonder schrijver geen boeken, maar daarmee is zijn of haar rol wel uitgespeeld. De schrijver is het materiaal waarvan de literatuur zich bedient om zich te manifesteren. De tubes die ze uitknijpt. Op het eind kan je ze openknippen om de laatste restjes eruit te schrapen maar daarna kunnen ze weg.

Sorry hoor, is dit niet gewoon gesublimeerde zelfhaat?

Wie weet, en wat dan nog? Schrijvers zonder zelfhaat vertrouw ik niet.

Ik wilde je calvinistische opvoeding er eigenlijk buiten laten, maar dit riekt toch naar …


Hou toch op. Het is een dubieus beroep, schrijver, het is helemaal geen echt beroep, soms denk ik dat we ontzettend boffen met z’n allen dat we zo serieus worden genomen, dat literatuur als verschijnsel zo hoog wordt aangeslagen.

Dat zal best, maar is alles wat je zegt in feite niet één grote manoeuvre om de aandacht af te leiden  van je eigen coronaroman-in-wording?  Ik bedoel, er zit in je laptop een mapje dat Grand Hotel Corona heet, is dat niet …

Nee, nee, dat is, eh, dat is heel wat anders, er is ook helemaal niet zo’n mapje, dit heb je gewoon verzonnen, nogal raar dit hoor, eerlijk gezegd.

.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | 8 reacties

de laatste gewone kassa

Een stevige jongen die ik nooit eerder had gezien plukte me uit de rij bij de kassa en nam me mee naar achteren. ‘Ik heb niets gestolen hoor,’ zei ik, ‘ik kom hier al twintig jaar.’ Beide elementen van deze uitspraak waren waar, maar ik zag zelf ook in dat het gelegde verband op z’n minst zwak te noemen was. ‘Geen probleem,’ zei de jongen, ‘u mag vrijwillig met me mee.’ Ook dat was een rare uitspraak, we waren nog maar een paar seconden bezig en nu was alles al vreemd. Met zachte hand voerde de jongen me mee naar een onopvallende deur naast de broodafdeling. Hij toetste een code in. Achter de deur bevond zich een betonnen trap. ‘Je mag naar boven.’ De jongen legde een hand op mijn rug en duwde voorzichtig, tot ik mijn voet op de onderste tree zette. Hij volgde me omhoog. Boven was nog een deur, zonder code, die ik zelf mocht opendoen. ‘Niet trekken, duwen,’ zei de jongen. Toen ik de deur achter me had gesloten hoorde ik hem de trap afdalen, haastig, alsof er nog meer vrijwilligers op hem wachtten.

Ik bevond me in een fel verlichte, vensterloze ruimte met kale muren. Achter een tafel met een formica blad zat een man die me zakelijk toeknikte. Hij maakte een gebaar naar de lege stoel aan mijn kant van de tafel en zei: ‘U mag plaatsnemen.’ Op het tafelblad lag alleen een tablet, waarop hij zijn blik richtte toen ik ging zitten. Ik was nieuwsgierig. Ik had nog steeds niets gestolen, dus wat kon mij gebeuren. Zonder op te kijken stelde de man tegenover me zich voor als Fleetscheerder. Misschien verstond ik dat verkeerd, maar ik vroeg er verder niet naar. Hij noemde mijn naam en een nummer. ‘Dat is niet mijn telefoonnummer,’ zei ik. Geen idee waarom ik dat zei, laat ze maar bellen, zolang ze mij maar met rust lieten. ‘Het is het nummer van uw bonuskaart,’ zei Fleetscheerder. Hij had een scherp accent, dat alle zware klanken omhoog tilde. Misschien heette hij Vlootschouwer.

‘Vlootschouwer?’ vroeg ik.

De man keek me verrast aan. ‘Is dat een woord?’ Hij veegde over zijn kin. ‘Vlootschouw, ja, dat bestaat wel, geloof ik,’ mompelde hij, ‘maar kan je dan iemand die dat doet, die schouwt, beschouwen als…’ Hij brak zichzelf af. ‘Waar we mee zitten is dat u geen gebruik maakt van de zelfscankassa’s. In het begin heeft u het een paar keer gedaan, dat is zeker waar, maar daarna zoekt u altijd uw toevlucht tot de ouderwetse, door mensen bediende kassa.’ Hij keek me recht aan. ‘We zouden graag zien dat dat verandert.’

Ik rechtte mijn rug. Hier had ik een mening over. ‘Ik begrijp dat het voor jullie goedkoper is, er zijn minder caissières nodig, de doorstroming gaat sneller et cetera, en het zal efficiënter wezen, maar wat mij opviel, die paar keer dat ik de zelfscankassa’s gebruikte, was dat ik alleen nog maar contact met het personeel had wanneer iemand met een scanner in mijn tas wilde kijken of ik wel alles had afgerekend.’

‘Een kleine steekproef,’ zei Fleetscheerder.

‘Ik weet wat het is,’ zei ik. ‘Maar het komt er dus op neer dat in dit systeem –’ Fleetscheerder veerde op bij het woord – ‘dat in dit systeem wantrouwen de enige reden voor persoonlijk contact is. Verder spreek je niemand meer. Dat voelt niet goed, contact betekent nu slecht nieuws. U weet hoe dat gaat, als je gecontroleerd wordt voel je je al een halve verdachte, een beetje bezoedeld loop je de winkel uit.’

‘Bij de oude kassa hangt ook gewoon een camera die opneemt of er niets in uw karretje achterblijft,’ zei Fleetscheerder. ‘Wat is het verschil? En het is ook weer niet zo dat u bij de ouderwetse kassa’s altijd van die diepgaande gesprekken hebt hè. Weet u hoeveel woorden u het afgelopen jaar met de caissières hier hebt gewisseld?’ Hij raadpleegde zijn schermpje. ‘Niet veel hoor, zeg ik er alvast bij. En er zit ook niet veel variatie in. De langste zin is O wacht ik moet mijn bonuskaart nog scannen. Teert u daar een hele dag op, op zo’n moment van diep menselijk contact?’ Hij moest er zelf om grinniken. ‘Ik mag u dit niet vertellen,’ zei hij, ‘maar als te veel klanten dat tegen een bepaalde caissière zeggen vliegt ze eruit. Ze moet u zelf aan uw bonuskaart herinneren. Maar goed. Wantrouwen. Potentiële verdachte. Vat ik uw bezwaar zo goed samen?’

Nog voor ik iets kon zeggen legde hij me met een handgebaar het zwijgen op. Hij kwam overeind, wenkte me en liep naar de achterwand van het zaaltje. Toen ik naast hem stond veegde hij de muur opzij. Door een grote glaswand keken we van bovenaf in de winkel. We stonden boven de kassa’s. ‘Kijk dan,’ zei Fleetscheerder.

Ik keek. Bij de zelfscankassa’s ging men kalm en efficiënt zijn gang, zo nu en dan kwam er een meisje met een stralende lach iemands boodschappentas controleren, anderen rekenden ongemoeid af en checkten opgewekt uit met het bonnetje. Bij de laatste gewone kassa stond een lange rij, waarin geen enkele voortgang zat, want de oude man die aan de beurt was zocht op handen en voeten naar zijn kleingeld, dat hij blijkbaar uit zijn portemonnee had laten ontsnappen. Terwijl de caissière wachtte tot de man ook de laatste cent had teruggevonden peuterde ze met haar vingers iets tussen haar tanden vandaan.

‘Dit is een animatie,’ zei ik.

‘Uiteraard,’ zei Fleetscheerder, ‘u staat zelf in de rij.’

Ik keek nog eens, en inderdaad, daar stond ik. Met gebogen rug staarde ik somber naar mijn half gevulde mandje. Toen de oude man zich met zijn weer teruggevonden voorraad kleingeld aan de kassa omhoogtrok, puffend, blazend, en met een vuurrood hoofd, schoof ik het mandje met de punt van mijn schoen  een paar centimeter naar voren, alvast inspelend op de doorstroming waarvan zo meteen hopelijk weer sprake zou zijn.

‘U staat er lekker bij hè?’ zei Fleetscheerder. ‘Nee, dat voelt goed, een beetje voor je uit staren. Op weg naar weer zo’n diepzinnig gesprek met de caissière.’

‘Een oefening in geduld,’ zei ik. ‘Dat kan heel waardevol zijn.’

‘O ja, u bent er zo eentje. Maar kijk dan eens naar de flow van de mensen die zelf afrekenen. Ononderbroken gaan ze hun weg, niets stokt, één vloeiend geheel vanaf het moment dat ze de winkel binnenkomen tot ze weer naar buiten stappen. En afgezien daarvan, denk nou eens na. Zelf afrekenen! Dat is het onvermijdelijke volgende stadium van onze ontwikkelingsgang. Eindelijk volwassen! Maar u wilt uw boodschappen nog steeds langs een symbolische moederfiguur laten gaan om van haar toestemming te verkrijgen ze mee naar huis te nemen.’ Hij liep terug naar de tafel en liet zich in zijn stoel vallen. ‘Over tien jaar weet u niet beter!’ riep hij naar me. ‘Waarom zou u nu daar niet alvast mee beginnen? Een winst van tien jaar. Ik zou het wel weten hoor.’ Hij zuchtte opeens vermoeid.

Ik ging weer tegenover hem zitten. ‘Als het zo belangrijk voor jullie is,’ vroeg ik, ‘waarom halen jullie die laatste gewone kassa dan niet weg?’

Fleetscheerder zuchtte nu nog dieper, ik zag opeens dat hij treurige hondenogen had. ‘Dat moet helaas,’  zei hij, ‘dat zijn de voorschriften, voor als het systeem uitvalt. Er moet altijd iemand op de vloer aanwezig zijn die de oude kassa kan aandraaien.’

‘Aandraaien?’

Hij legde zijn handen op het tafelblad en boog zich een beetje naar me toe. ‘Ik weet gewoon niet meer hoe dat heet,’ zei hij zacht.

‘Bedienen,’ zei ik.

‘O ja, zo noemden ze dat.’ Hij ging weer rechtop zitten en keek me met samengeknepen lippen aan, zijn ogen hadden nu iets katachtigs. ‘U vereist nog wat werk.’

‘Jullie hebben geen enkele macht over me,’ zei ik. ‘Ik kan gewoon naar een andere supermarkt gaan. Bij de Dirk aan het Victorieplein hebben ze nog twee gewone kassa’s, hoorde ik.’

Fleetscheerder glimlachte mat. ‘Het zijn geen gewone kassa’s, het zijn ouderwetse kassa’s. En u gaat niet naar de Dirk. U weet al twintig jaar dat die goedkoper zijn en u bent er al die tijd nog nooit geweest. U bent een gewoontedier. Ja, ga maar naar de Dirk. Dan moet u de weg leren kennen in een nieuwe winkel. Ach kom nou man.’ Hij trok zijn tablet naar zich toen en scrolde even, met een onverwacht zwierig vingergebaar. ‘We weten nog hoe onthand u was na de laatste verbouwing hier, hoe u zoekend rondreed, u was helemaal van uw stuk, het duurde dagen voor u weer een beetje op uw gemak was. U zweette toen ook wat meer dan gebruikelijk. Nou ja,’ hij schoof de tablet opzij. ‘Dan gaat u toch lekker naar de Dirk? Daar kom ik ook. Ik ben niet in dienst van één keten, ik ben in dienst van het systeem.’

‘Het systeem, het systeem… Dat klinkt alsof we in een slechte sciencefictionfilm zitten,’ zei ik.

‘Wie weet,’ zei Fleetscheerder. ‘Misschien is dat ook wel zo. Maar dat vraagstuk bevindt zich op een existentiëler niveau dan dat waarop u en ik  momenteel actief zijn.’ Hij keek opzij, naar de kale muur. ‘Ja ja,’ mompelde hij, ‘ik heb ook gestudeerd.’ Peinzend keek hij zijn eigen woorden na, daarna doorbrak hij de stilte met een harde klap op tafel. ‘Denkt u dat ik een leuk beroep heb? Ik zie uw glimlachje wel, hoor. U voelt zich superieur, maar toch, met u kan ik dan nog een beetje praten, u bezit redelijkheid, ooit krijgen we u wel mee, u begrijpt ons, of u dat nu wilt of niet. Maar ik krijg hier ook…O man, huilende bejaarden… Dat wil je niet weten…. die oude  schokkende magere schouders onder die versleten jassen van ze… En ze ruiken ook zo raar… Ze verstaan je niet, alsof er nooit gehoorapparaten zijn uitgevonden… Laatst ging er eentje halverwege de trap al dood, gewoon, zo maar, we deden niks… ’ Hij verborg zijn gezicht in zijn handen. ‘En het zijn juist díe mensen die… Mijn eigen moeder heb ik hier…’ Zijn schouders schokten. Het duurde even voor ik doorhad dat hij lachte.

(inspiratie van dit verhaal: een kleine twitterconversatie met Margriet Oostveen)

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , | 7 reacties

de lichtjes op de heuvels in de verte

Met L. met de trein van Brussel-Zuid naar Schaarbeek, voor de tentoonstelling van Paul Delvaux in Rail World. Eerste hindernis: de kaartautomaat in de stationshal van het Zuidstation weigerde retourtjes Schaarbeek te geven, we konden alleen de mogelijkheid enkele reis aanklikken, alsof niemand, eenmaal in Schaarbeek gearriveerd, ooit nog terug wil. We vroegen aan de man die in het infohokje zat hoe en wat en waarom en hij legde uit dat Schaarbeek nog binnen Brussel ligt en dat één enkele reis je het recht geeft de hele dag door Brussel te sporen, heen en weer en diagonaal en weer terug als je wilt. Binnen Brussel is elke reis een enkele reis. Dat is mooi, maar vertel het dan ook even aan de automaat. (Brussel heeft meer dan dertig stations, zie ik nu net op Wikipedia, misschien moet ik eens een enkele reisdag uitkiezen om die allemaal aan te doen.)

De tweede hindernis bevond zich in het museum zelf, dat gevestigd is in en om het station van Schaarbeek. Nadat we in de rij hadden staan wachten tot we onze van tevoren bestelde kaartjes konden scannen, liepen we door naar de eerste zaal, om meteen weer met een opstopping geconfronteerd te worden: na de automatische schuifdeuren stond midden op het looppad een jonge vrouw naast een info-tafel. Elke bezoeker werd door haar voorzien van uitgebreide info, zeker als het om gezinnen ging want voor de kinderen was er een schatzoekroute. Met groeiende ergernis (die ook L. niet ontging) zag ik het aan, er waren nog drie echtparen voor ons, niet allemaal met kinderen, maar ook volwassenen werden uitgebreid gebriefd over de zaken waarmee ze zeer binnenkort zouden worden geconfronteerd, er waren handige folders die hierbij een ondersteunende rol konden spelen. Achter ons stond ondertussen al een hele rij. Als de vrouw en de info-tafel nu eens terzijde van het looppad zouden zijn opgesteld, zou iedereen die het museum op eigen kracht wilde veroveren gewoon kunnen doorlopen, terwijl mensen die info wilden die gewoon konden krijgen, zonder enige tijdsdruk en knarsetandende wachtenden achter zich. Wat zou dat handig zijn en waarom dóén ze dat dan niet. Ik kon me voorhouden dat zonder de meditatiecursussen en al die boeken over boeddhisme die ik las mijn ergernis nog groter zou zijn, maar dat hielp natuurlijk niet. Alle ergernis is nederlaag, ze was hier bovendien niet ontstaan, ze was er al voor we die zaal binnen wilden, ze was er al de hele tijd en richtte zich op wat zich toevallig voordeed als prooi. Als een traag wiekende onwelriekende oude roofvogel steeg ze op van mijn schouder om zich op die onschuldige info-verschaffer te storten.

Er was een uitweg: we verlieten de rij, liepen door een nauwe opening tussen twee afzetlinten en stonden in de zaal, de voormalige stationshal, waar we op ons gemak verdiepten in wat er achter de oude loketten was uitgestald (oude kaartjesautomaten, oude uniformen). Dat was natuurlijk te gemakkelijk, niemand volgde ons voorbeeld, zie je wel, dit was niet de bedoeling, elk moment verwachtten we de vrouw van de info-tafel achter ons te zien opduiken om ons te vertellen dat we in overtreding waren. (‘En zeg, is dit úw roofvogel?’). We voeld en ons kortom alsof we zonder kaartje in de trein zaten. Bovendien liepen we nu zonder enige folder rond in het museum, wie weet wat we misten, welke meerwaarde we ons museumbezoek zojuist hadden ontzegd.

Niemand kwam achter ons aan, natuurlijk. Onze bewegingen hebben op onszelf doorgaans een groter effect dan op de mensen om ons heen. Later zou L., wier lijntje met de echte wereld op dat moment iets sterker was dan dat van mij, bedenken dat die opstelling van de info-tafel ongetwijfeld bedoeld was om ervoor te zorgen dat de bezoekersstroom werd opgebroken in kleine eenheden die zich op veilige afstand van elkaar door het museum zouden bewegen. Heel goed in deze tijden, echt verantwoord. Maar zet het er dan even bij!

Hoe snel het went om iedereen met een mondkapje rond te zien lopen, ook hier. Hoe snel je een radar hebt ontwikkeld die meteen registreert of mensen hun mondkapje goed dragen. En wat denken al die kinderen van wie je gewoon de mond kan zien – later als ik groot ben moet ik ook een mondkapje op?

de 12.004,met L., voor de schaal

Het museum: opeenvolgende hoge donkere hallen met uitgelichte treinen. Vooral de hal met de stoomtreinen was indrukwekkend, reusachtige prehistorische wezens waren het, achteloos geparkeerd op doodlopende stukjes rails, maar hier veel groter dan ze buiten ooit zouden kunnen zijn. Toch was het wreed om de indrukwekkende 12.004 uit 1939, de ultieme gestroomlijnde stoomlocomotief, hoogtepunt en slotstuk van de Belgische stoomtractie, te voorzien van een op een lakentje geprojecteerd nep-stoomwolkje boven de schoorsteen. Er was achtergrondmuziek, er waren achtergrondgeluiden (treinwielen klikkend over rails), er waren lichten die bewogen en het was jammer dat dat alles niet even zweeg en uitdoofde om te kunnen bepalen of het nu echt sfeer verhogend werkte.

Er was een groepje van vier volwassenen dat we tijdens onze route (alles afgezet met lint) een paar keer tegenkwamen. Telkens wanneer onze paden elkaar kruisten (wat officieel niet kon, alles was eenrichtingverkeer) was dezelfde man aan het woord. Het was de eerste keer dat ik een spoorwegmuseum bezocht, maar ik herkende hem meteen en hij zal in elk spoorwegmuseum rondlopen: De Man Die Vroeger Bij Het Spoor Heeft Gewerkt. Hij legde alles uit aan zijn gezelschap. De ergernis die ik bij de eerste zaal voelde was niets, vergeleken bij wat deze toehoorders doormaakten, ze moesten nog het hele museum door met die man. In de derde zaal zagen we een man van het gezelschap letterlijk ter aarde storten. Hij mompelde iets over struikelen en de slechte belichting, maar waarschijnlijk had hij net uitgevonden dat hij nóg twee hallen door moest met De Man Die V. B. H. S. H. G.

Hoe dan ook, uiteindelijk kwamen we voor Delvaux. Train World had me van tevoren een vreemde plaats geleken voor een expositie van zijn schilderijen, maar wie weet werkte het. Ik hield altijd al meer van zijn schilderijen van treinen en stations dan van zijn naakten, en deze tentoonstelling (die dan ook nog eens ‘De man die van treinen hield’ heette) zou waarschijnlijk minder van het laatste dan van het eerste bevatten. Op dit blog schreef ik eerder over Delvaux, toen ik met Chrétien B. in Sint Idesbald het aan hem (Delvaux bedoel ik, B. zal nog even moeten wachten) gewijde museum bezocht. Hier valt dat te lezen.

Zo nu en dan een schilderij achter glas langs de wand van de reusachtige hallen van een spoorwegmuseum, het was inderdaad raar maar sommige schilderijen maakten het de moeite waard. Ondanks het thema waren er toch de nodige naakte vrouwen te zien, want Delvaux hield er wel van zijn thema’s (of obsessies) te combineren. Die onpersoonlijke Delvaux vrouwen, allemaal met dezelfde ogen en dezelfde blik, en met die vreemde witheid op hun huid – alsof ze net uit het gips kwamen, schreef ik vier jaar geleden, maar nu zag ik dat het eerder was alsof ze met meel waren bestrooid; misschien om de glans van het plastic weg te nemen, want ik zag nu ook dat al die identieke vrouwen opblaaspoppen waren. Gelukkig hing Station Forestière er ook (zie boven), een van mijn favoriete Delvaux’, ook omdat iedereen daar kleren aanheeft, maar toch vooral om alles wat niet menselijk is, het spoor, het woud, het licht.

Het zit tussen kunst en kitsch, het werk van Delvaux, maar op die grens gebeuren soms mooie dingen. Delvaux’ raadselachtige wereld is kinderlijk en droomachtig. Het is er vreemd, een vreemdheid die niet verontrust maar geruststelt, omdat het een nostalgische vreemdheid is. Avondscènes met lichtjes langs het spoor en boven het spoor, telegraafpalen met wit porseleinen isolatoren, nageldunne maansikkeltjes, seinlampen, verlichte stations, verlichte ramen in huizen op de achtergrond, lichtjes op heuvels in de verte – voor al die dingen mag je me ’s nachts wakker maken, tenzij ik er net van droom. Als kind heb je ooit in zo’n stoomtrein gezeten en naar buiten gekeken en die huizen en die heuvels en die lichtjes gezien. Dat is niet zo, maar je herinnert je het toch als je ervoor staat. Je wilt nog terug ook, even.

PS

Echt interessant wordt het werk van Delvaux als je er onverwacht en buiten vertrouwde contexten mee wordt geconfronteerd. Een paar jaar geleden kwam ik in een tweedehandswinkeltje een oude Penguin-uitgave tegen van de vertaling van Célines Voyage au bout de la nuit, met op het omslag een detail uit een schilderij van Delvaux (Train du soir, uit 1957).  De rauwheid van Céline gecombineerd met de kinderlijke, dromerige nostalgie van Delvaux – het was zo’n vreemde gewaarwording dat het boek zich in mijn handen bijna ophief, als iets dat tegelijk wel en niet kon bestaan. Die vreemdheid was verontrustend, en dat paste dan wel weer bij het boek en misschien was het dan toch wel een heel goede keuze van de omslagontwerper. Maar het blijft schuren. Telkens als ik naar die combinatie van titel en afbeelding kijk, krijg ik nog steeds het gevoel dat er heel erg iets niet klopt; een interessante ervaring maar het is geen prettig gevoel.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

de toekomst hebben we gehad

Een longread voor de zomer: hieronder staan de zeven columns die ik het eerste halfjaar van 2020 voor De Groene Amsterdammer schreef. De serie begint nog in de vorige wereld; dat er in de eerste column geen kinderen naar school gaan, kwam door een staking, niet door een lockdown; hoe vreemd lijkt dat nu.

 

1.Eeuwig leven (5 februari 2020)

 

Na afloop van een leesclubsessie zit ik in het restaurant van het Eemhuis, het nieuwe complex waarin Amersfoort haar bibliotheek heeft ondergebracht. Ik eet mijn salade en kijk naar buiten. Daar loopt de Eem, in de gedaante van een stadsgracht, en daarvoor ligt het Eemplein, een leegte die door geparkeerde fietsen en winkelende Amersfoorters niet minder leeg wordt. Aan de overkant van het plein wordt een groot wooncomplex gebouwd. Volgens het bord bij de bouwplaats gaat het ‘Eemerald’ heten, een woordspeling die elk beoordelingsvermogen te boven gaat en in haar eentje verantwoordelijk zal zijn voor de onbeschrijflijk grijze lucht die op deze vroege middag boven Amersfoort hangt.

De Eemerald is nog maar twee woonlagen hoog. Bouwkranen laten grote, met vers beton gevulde stalen kegels zakken naar mannen met witte helmen. Ik kijk naar een punt tien meter boven de plek waar die gehelmde mannen rondlopen. Ooit zal daar, op die plek in de lucht, iemand zijn broek laten zakken en zich ontlasten. De paar kubieke meter ruimte waarnaar ik kijk weet dat nog niet, anders zou er misschien een kleine huivering doorheen trekken. Pas als het te laat is, als ze ingesloten is, zal de ruimte zich afvragen wat er is gebeurd. Beton, wanden, muren, buizen, leidingen, tegels, een toiletrolhouder –  ze kan geen kant meer op, hoe heeft dit kunnen gebeuren?

Bouwen is het opsluiten van ruimte. Het uit beton opgetrokken complex zal er niets aan kunnen doen, het zal zich verdedigen. ‘Sorry ruimte, ik hoor je zo nu en dan tegen de muren duwen, nogmaals sorry, maar het is niet mijn fout.’ Het complex heeft geen tijd om zich druk te maken om de ruimte. ‘Straks komen de bewoners. Ze lopen voortdurend heen en weer, gaan naar buiten, komen naar binnen, zetten dingen neer, hangen dingen op, ze staan, ze zitten, ze liggen – dat eeuwige gekriebel, dat eeuwige gefrutsel, heb je enig idee hoe dat voelt, hoe dat jeukt?’

Elk bewoond complex heeft jeuk. Pas als de bewoners op vakantie zijn, kan een appartement ontspannen. Als je je hand op de muur legt kan je die rust voelen, even, in die halve seconde die het gebouw nodig heeft om te registeren dat nu opeens weer iemand een hand tegen een muur legt, wat is dat toch, houdt het dan nooit op?

En het water van die keurig gekanaliseerde Eem aan de rand van het plein, dat kan zich toch ook nooit lekker voelen in zo’n strakke omlijsting? Het moet zeer doen, voortdurend door een houten beschoeiing te worden gecorrigeerd, hoe extreem vermoeiend moet zoiets zijn. En dan die beschoeiing, aan de ene kant het water, aan de andere kant de kade, wanneer ontspant een beschoeiing? De losse onderdelen hebben bij de aanleg nog gedacht: fijn, we gaan een groter verband aan, eindelijk spreken we eens een andere plank. Nu verbergen ze hun onvrede achter het leedvermaak waarmee ze zien hoe op de bouwplaats van de Eemerald steeds meer ruimte wordt opgesloten, door beton dat ooit jeuk zal hebben.

Voor de bouwplaats staat een rode minibus. ‘Wie in Jezus gelooft, heeft eeuwig leven,’ staat op de zijkant. De bus is leeg, er zit niemand achter het stuur. Geen slecht beeld van de eeuwigheid, al zal het niet zo zijn bedoeld.

De bus heeft grote ramen, ik kijk er dwars doorheen. Ook voertuigen zitten vol opgesloten ruimte, maar die ruimte komt nog eens ergens.

Ik zal straks in de trein langs wijken komen en al die huizen zullen jeuk hebben. Ik zal de neiging krijgen me te verontschuldigen voor ik mijn eigen appartement binnen ga.

De winkelende moeders op het plein hebben kinderen bij zich, want het onderwijs staakt. Wie van hen in Jezus gelooft, kan je aan de buitenkant niet zien. Er stapt een jongen in het busje. Hij neemt op een van de passagiersstoelen plaats en blijft roerloos zitten, alsof zijn eeuwige leven zojuist is begonnen.

 

 

 

2. Het laat haar koud (19 februari 2020)

 

David Lynch heeft een korte film op Netflix gezet waarin hij in de rol van rechercheur een aapje ondervraagt over een moordzaak, in stemmig, bekrast zwartwit. Het aapje praat terug met een menselijke stem, via een menselijke mond die in zijn gezicht is gemonteerd. Zo deed André van Duin dat ook, dertig jaar geleden, toen hij in zijn tv-programma Animal Crackers de orang oetan Jaap Aap een stem gaf. Toen ik die link eenmaal had gelegd zag ik hoeveel de dapper gekuifde David Lynch inmiddels op André van Duin is gaan lijken. Ze zouden broers kunnen spelen in een heel rare film, tweelingbroers zelfs. (En die noemen we dan Twin Freaks.)

Het pratende aapje was verontrustend, niet alleen door die mond, maar ook door zijn radeloze blik. Als al het niet-menselijke dat ons omringt terug zou kunnen praten, dan liever niet met zo’n gelaatsuitdrukking, dat zou onze eenzaamheid niet echt opheffen. Maar toch, erachter komen waaraan dingen en dieren denken, het gedachteleven kennen van de huizen, de honden, de bomen! Alles zwijgt maar om ons heen. We kunnen sprekende mondjes monteren in alles wat ons omringt, maar zolang we de teksten zelf moeten verzinnen is het vals spel.

Het is allemaal onzekerheid. Wanneer we aan elkaar vragen: ‘Waar denk je aan?’ doen we dat nooit op momenten waarop we ons gelukkig voelen, of kalm, of wanneer de ander een gelukkige of kalme indruk maakt. Dus misschien is het maar goed dat we die vraag niet aan de rest van de wereld kunnen stellen.

Ik las vorig jaar twee boeken waarin de omgeving een stem werd gegeven.  In Brutopia, Pascal Verbekens boek over Brussel, wordt in pro- en epiloog de lezer toegesproken door het beeld van Sint-Michael, de beschermheilige van Brussel, die al bijna zevenhonderd jaar op de toren van het plaatselijke stadhuis staat. In Kamer in Oostende van Koen Peeters is het de zee die een paar keer de auteur rechtstreeks toespreekt. Voor beide boeken geldt dat ze sterker zouden zijn zonder deze passages. De stad is onverschillig, de zee is nog onverschilliger, beiden zijn onbereikbaar.

Het is eigenlijk nooit ver weg, het verlangen naar de bezielde wereld van onze eerste kinderboeken, maar een grotere eenheid met onze omgeving bereiken we niet door die omgeving tot mensen te maken. Het is de ultieme toe-eigening, geboren uit verlangen naar veiligheid en geborgenheid: spelen dat oeroude engelenbeelden en nog veel oudere zeeën onze taal spreken en zich met ons zouden willen verhouden, een op een, alsof we allemaal dezelfde afmetingen en interesses hebben.

We kunnen natuurlijk als radeloze aapjes bij de vloedlijn gaan staan en terwijl het water steeds hoger komt, en eerst onze tenen bedekt, dan onze voeten, ongerust aan de zee vragen waaraan ze denkt, en die vraag zachtjes fluisterend blijven herhalen tot we kopje onder gaan, tevergeefs wachtend op een antwoord dat we zelf hadden moeten verzinnen.

Beter is het om op de trein te stappen, zoals de verteller van Nijhoffs lange gedicht Awater, die na zijn vergeefse zoektocht naar een reisgenoot uiteindelijk op het station belandt. De trein staat klaar. Ze piept en zucht, zeker.  ‘Maar denk niet dat zij zich bekreunt om u,’ waarschuwt Nijhoff. Of je vertrekt met een gerust hart of niet, het is de trein om het even, ‘het deert haar niet’, ‘’t laat haar koud.’ Ze gaat op weg naar haar bestemming, de hoop en twijfel van haar passagiers bereiken haar niet, zij staat niet in dienst van hen, ze mogen meerijden omdat ze toch al die kant op gaat. En juist dat geeft het gedicht een optimistisch, levensbevestigend einde. Als we op zoek naar zijn eenheid met de wereld moet de beweging niet van de wereld (de stad, de zee) naar ons toe gaan. Het moet de andere kant op. Juist door de trein niet te vermenselijken kun je die trein worden, en net zo optimistisch vertrekken.

 

 

 

3. Schuld noch boete (4 maart)

 

Er zat een man in de trein die zei dat hij niet in het hiernamaals geloofde.

Ik had hem als geloofsgenoot kunnen beschouwen, als bondgenoot zelfs, maar hij zei het op zo’n zelfverzekerde toon dat ik hoopte dat het hiernamaals wel in hém geloofde en hem te zijner tijd alle hoeken van de eeuwigheid zou laten zien.

Zelf hoop ik die eeuwigheid niet mee te maken. Ik ben opgegroeid met het idee van hemel en hel, en dat idee bleek bij nader inzien niet erg houdbaar omdat het zo absurd was. Maar om het absurde gaat het niet eens. Het beste argument tegen een hiernamaals blijft volgens mij dat we er gewoon niet belangrijk genoeg voor zijn. (Niemand van ons? Nee, niemand. Ook ik niet? Ik heb nog wel een… Nee, ook jij niet, we hebben allemáál wel eens een levensreddend medicijn uitgevonden.)

Het beste is misschien om er niet te veel over na te denken. We zien wel.  Maar dat kan ik makkelijk zeggen omdat ik er uiteindelijk toch niet in geloof. Soms zou ik willen dat ik net genoeg kon twijfelen om agnost te zijn. Agnosten zijn rustige mensen. Ooit zat ik in een trein vol agnosten. Zo’n kalme treinreis had ik nog nooit meegemaakt. Toch werd de rust verstoord: op een gegeven moment begon de man naast me zachtjes te snikken. ‘Is er iets?’ vroeg ik. ‘Dat is nou juist de grote vraag hè,’ zei hij bedroefd. Bij het volgende station werd hij hardhandig uit de trein verwijderd. ‘Wij hebben er juist vrede mee dat we het niet weten!’ riepen ze hem na terwijl de trein zich weer in beweging zette.

Elk idee van een hiernamaals bevat een moraal, en zo lanceren we onze overtuigingen tot in domeinen die we in ieder geval bij leven nooit zullen bereiken. De gedachte dat we er te onbelangrijk voor zijn bevat een gezonde dosis troost. Of, als je het iets zalvender wilt hebben: als we belang hebben, beste reizigers, dan ligt dat in het hier en nu.

En als het hiernamaals toch bestond, zou het mooi zijn als het om heel andere dingen gaat dan we verwachten, dat het niet om ons zou draaien, laat staan om schuld en boete; zoals in The Sirens of Titan van Kurt Vonnegut de hele menselijke beschaving enkel ten doel heeft een op Titan gestrand ruimtevaartuig van buitenaardse afkomst te voorzien van een cruciaal reserveonderdeel.

Dan glij je na je dood door die tunnel naar het licht (tot nu toe alles volgens verwachtingen, hoe vaak heb je niet over die tunnel gelezen), en sta je opeens in een vaag landschap voor een lange rij auto’s.

Wat is dit? Dit zijn de auto’s waarin je van stations bent opgehaald op avonden waarop je een lezing gaf, lees je op een bordje. En dit is mijn hiernamaals? Ja, zegt het bordje, dit is je hiernamaals. Is het dan al die tijd om deze auto’s gegaan? Hallo? Hallo? Het bordje zwijgt.

Je kijkt naar de auto’s en probeert een manier te verzinnen waarop juist deze auto’s van allesoverheersende betekenis kunnen zijn geweest voor je leven. Staan ze ergens voor? Moet ik hieruit het wezen van mijn bestaan afleiden: het geven van lezingen? Gaat het om de mensen die bereid waren me op te halen? Is het impliciete kritiek op het feit dat ik nooit mijn rijbewijs heb gehaald?

Er is in ieder geval genoeg tijd om erover na te denken; als we in de eeuwigheid nog van tijd mogen spreken tenminste. Op een gegeven moment lijkt een antwoord zich aan te dienen, maar voor het zich definitief kan vormen, veranderen de auto’s in de lamp die bij je ouders in de gang hing. En dan niet de lamp waar je altijd een beetje bang voor was, maar die andere, die zich liet bedienen door de schakelaar die naast de spiegel hing.

 

 

 

4. Opgetogenheid (15 maart)

 

Wel zo rustig. De Boekenweek is voorbij, alles is voorbij, we kunnen weer doorlezen zonder te worden lastiggevallen door geïnstitutionaliseerde rebellen en goedgekeurde dwarsdenkers. Wat me vooral is bijgebleven: hoe Maxim Februari in zijn eentje het zaalprogramma van het Boekenbal redde met een rede waarin hij vriendelijk maar vilein het boekenweekthema ten grave droeg door het als ‘tuttig’ te kwalificeren.

Dat woord bleef daarna nog lang door mijn hoofd spoken.

Bijvoorbeeld toen ik in dit blad de lijstjes zag van de 81 deskundigen die de 21 beste romans van deze eeuw kozen. Bij de deskundigen zaten ook een paar redacteuren van uitgeverijen, die in hun lijstjes prompt een prominente plaats inruimden voor romans die ze zelf hadden uitgegeven.

Je zou nog bijna Özcan Akyol gelijk geven dat de literaire wereld corrupt is maar dit is daar dan toch geen goed voorbeeld van, dit is iets anders, dit is, inderdaad, tuttigheid.

De redacteuren in kwestie zullen ongetwijfeld aanvoeren dat ze nu eenmaal belangrijke boeken uitgeven, wat denk je, alleen máár, en dat is natuurlijk ook zo, net als die andere uitgeverijen dat doen, wat je zegt, wat een weelde, het niveau is nog nooit zo hoog geweest, het is werkelijk fantastisch, eigenlijk is het elke dag Bal, falderalderal – maar we zouden ook een keer kunnen proberen over onze eigen schaduw heen te springen om het panorama te aanschouwen dat zich aan gene zijde van ons eigen silhouet ontvouwt.

Ik heb niets tegen deskundigen, zelfs niet als ze met z’n eenentachtigen komen vertellen wat de beste roman van deze toch nog vrij jonge eeuw is, als mijn koffiepot groot genoeg was zou ik ze zó met z’n allen bij mij thuis uitnodigen om het er eens over te hebben – maar waar zijn eigenlijk de lezers als dergelijke lijstjes worden samengesteld?

Die vragen we niet, die vertrouwen we niet. Waar houden ze zich op? Ze zitten op hebban.nl en bespreken onderling zowel Lucinda Riley als Stephan Enter en Michel Houellebecq. Hun aantal schijnt af te nemen, en dat moet heel erg zijn, want lezen is goed voor ons, we leren ervan, het maakt ons betere mensen.

Ik geloof daar niet zo in; wat eigenlijk betekent dat ik gewoon wil doorlezen zonder er beter, empathischer of socialer van te worden. Dat laatste kan ook helemaal niet, anders zouden er talloze bejaarde lezers zijn die als heiligen door het leven schrijden. Ik ken ze niet. Maar nu iedereen zich vanwege de quarantaine voorneemt eindelijk eens de stapel achterstallige meesterwerken aan te vallen – wie weet.

Natuurlijk is lezen van levensbelang. Maar dan toch vooral om mededelingen van de overheid of de belastingdienst te kunnen ontcijferen, en niet te vergeten de bijsluiters van medicijnen – daar kan je pas écht een beter mens van worden.

Eigenlijk moet ik me er niet mee bemoeien. Lezen – dat is tussen mij en mijn boekenkast. Het is geen gesloten systeem: er verdwijnen dingen uit mijn boekenkast en er komen dingen bij. Voor mij geldt eigenlijk hetzelfde. Over ranglijsten en de definitie van literatuur, daarover maken we ons niet zo druk, mijn boekenkast en ik.

Ik heb een roman gelezen. Ik vond haar goed. Wat heb ik over mezelf geleerd? Ik heb over mezelf geleerd dat ik dit een goede roman vind. Ik heb geleerd dat deze roman past bij andere romans die ik goed vind. Dat veroorzaakt een gevoel van opgetogenheid. Ze kan bij de verzameling Romans Die Ik Goed Vind. Het een bonte verzameling, maar voor mij hebben ze één ding gemeen: schrijvers van die romans beschouw ik als bondgenoten. De roman die ik goed vond is van twee jaar geleden, dat betekent dat niet alle bondgenoten dood zijn. Extra opgetogenheid.

Wat die romans me vooral bijbrengen: zo kan je dus ook schrijven. Zo kan ik misschien ook schrijven. Ik leer schrijven van zo’n roman, en dat ik niet alleen ben.

Hoe niet-schrijvers lezen, daarvan heb ik eigenlijk geen idee.

 

 

 

5. Gretig en gehaast (1 april 2020)

 

Ik zat aan de keukentafel door facebook te scrollen toen L., die aan het aanrecht een boterham smeerde, zonder zich om te draaien vroeg: ‘Aan wie erger je je nu weer?’ Blijkbaar had ik een geluidje gemaakt dat ze inmiddels feilloos herkende.

Geen wonder dat ze het herkent, ik zit al drie weken aan haar Brusselse keukentafel door sociale media en nieuwssites te scrollen. Uit onrust, uit nieuwsgierigheid, uit fascinatie, ja, allemaal waar; maar zonder ergernis had ik het niet zo lang volgehouden, dan zat ik allang op de bank Anna Karenina te lezen.

Wat me vooral verbaasde was de snelheid van alles. Deze nare en onzekere periode was nog niet begonnen of we waren hem al met z’n allen aan het dichtmetselen. Tijdlijnen stroomden vol met goedbedoelde adviezen, betweterij, bangmakerij, stoere grappen en stemmige foto’s van lege straten, het was een drukte van jewelste, met man en macht probeerden we gretig en gehaast een periode te verwerken die nog niet eens was begonnen. We konden niet wachten om er deel van uit te maken.

Ik was er niet bij weg te slaan. Terwijl ik eigenlijk naar iets anders zocht. Ik wilde stilte in plaats van dit lawaai, ik wilde stil ontzag om wat ons nog te wachten stond, ik zocht een oase van zwijgende afwachting. Blijkbaar moest ik de stilte van buitenaf aangereikt krijgen, om het van binnenuit te organiseren lukte niet. Maar degenen die zich aan het lawaai onttrokken waren uiteraard binnen dat lawaai onvindbaar en misschien voorkwam dit dat ik mijn laptop dichtklapte: het idee dat de consequentie van stilte onvindbaarheid zou zijn.

En dus ergerde ik me liever aan het lawaai; dan was ik in ieder geval met iets verbonden.

Er kwam een omslagpunt. Ook hier in Brussel wordt om acht uur ’s avonds geklapt en eerst ergerde ik me eraan, maar toen L. op een avond het raam opende om mee te klappen ging ik achter haar staan en klapte ook. De straat was donker, overal stonden in verlichte vensters silhouetten enthousiast te applaudisseren, we keken opzij en daar stond het stel te klappen met wie we het van de zomer op de rand van de zandbak nog hadden gehad over de andere buren die zo luidruchtig seksten, en kijk, die lawaaiige buren stonden zelf ook te klappen, heel hard zelfs. Ik had geen goede dag gehad en het raakte me tot tranen toe, dit geklap. We klapten niet voor de zorg maar voor elkaar en onszelf, om te laten zien dat we er nog waren, om ons luidruchtig te manifesteren als sociale wezens met behoefte aan contact en sindsdien klap ik elke avond mee, er zijn zelfs buren die erbij op pannen slaan.

Ik zit nog steeds te scrollen aan de keukentafel, dit is geen bekeringsverhaal. Ik erger me nog steeds aan de pompositeit waarmee we denken dat onze particuliere ervaring ertoe doet, onze eigen lege straat, ons eigen exemplaar van De pest. Maar ik zie nu beter wat we doen. We maken geschiedenis mee en willen laten zien dat we daar onderdeel van zijn, onderdeel van iets groters, om niet te krimpen tot onzichtbaarheid. We wisten dat de geschiedenis bestond, we hebben haar gehad op school, en hier is ze weer, het was alweer even geleden maar dit is onze kans om onszelf nog iets van betekenis te geven. We moeten de geschiedenis reflecteren, anders hebben we geen belang, anders bestaan we niet.

Kijk ons daar staan, kleine reflectorpaaltjes langs de loop van de geschiedenis, dapper en verbeten, elkaar verdringend in de berm, vervuld van het nut van onze functie; maar zodra de geschiedenis uit de bocht vliegt is het met ons gedaan.

En daarom staan we daar nu juist: de geschiedenis komt aanstormen en wij kaatsen haar eigen licht naar haar terug om te zorgen dat ze in haar baan blijft en ons niet allemaal uitroeit. Zie ons staan, zie ons staan.

 

 

 

6. De stad kan het niet schelen (15 april 2020)

 

Hoe de kat wacht op de zon. ’s Ochtends valt het licht eerst op de muur bij de deur, waar L.’s vouwfiets staat. De kat drentelt er naartoe en wacht tot de lichtvlek naar de vloer glijdt, dan kan ze erin gaan liggen; en zo beweegt ze zich de rest van de dag met de zon mee door de kamer.

Ik moet naar buiten, ik heb nu al gezondigd tegen een oude columnistenwet: nooit over je kat schrijven (of over het herinrichten van je boekenkast). De straten liggen leeg in de zon, weken geleden is iemand vergeten een zondagochtend uit te zetten en daar zitten we dan, waar de knop zit weet niemand meer.

Ik loop om het centrum heen, langs het kanaal, en dan via de Koningsstraat en de Marollen weer terug naar huis. Vorige week slalomden de weinige wandelaars nog om elkaar heen, nu ben ik de enige die uitwijkt, de anderen lopen stug rechtdoor, niet op- of omkijkend, zombies zonder honger. Misschien wagen alleen degenen die niet in het virus geloven zich nog buiten.

De stad kan het niet schelen, die heeft eindelijk rust. Als kind dacht ik dat steden statische dingen waren, maar later, toen ik daadwerkelijk in een stad woonde, bleek het iets te zijn dat steeds veranderde, nooit was de stad af, altijd werd er wel iets afgebroken of verbouwd of omgeleid. Ik moest daar erg aan wennen. Nu loop ik door Brussel en is alles statisch, deze stad is eindelijk af, in media res tot stilstand gekomen, bouwkranen staan roerloos om kantoorgebouwen in aanbouw. Traag rondrijdende politieauto’s controleren of iemand toch niet onverhoopt de knop vindt die alles weer in werking zet.

Ik probeer nergens een mening over te vormen. Dat valt niet mee maar het lucht ook op. We zijn betekenis afvurende entiteiten, alles willen we overdekken met betekenis. Betekenis voorziet de dingen van een spiegelend laagje waarin we onszelf zien. We hebben er nooit zo druk mee gehad als nu. En nooit heb ik zoveel betekenis zien afketsen als de afgelopen weken.

We proberen met ons spervuur zelfs voorbij het einde van deze periode te komen. ‘Als dit allemaal voorbij is, dán…’ We zien ons doorgaan op dezelfde weg, alleen is die weg nu even bezet door een virus, of beter: door een virus schoongeveegd. Maar we gaan ervan uit dat die weg weer begaanbaar wordt en dat we dan verder trekken, als verbeterde versies van onszelf, en ook de weg zal zijn verbeterd, en we zullen terugkijken en weten wie faalden.

Ik heb geen idee. Ik weet alleen dat ik als dit allemaal voorbij is nooit meer een leestip wil krijgen.

Ik ben bijna thuis. Voor de Moneytransfer op het Baraplein staat een groepje mannen. Er stopt een politiewagen. Er stapt niemand uit maar blijkbaar wordt er iets gezegd, het groepje verandert zich traag in een rij met een onderlinge afstand van anderhalve meter. Ik zie het vanuit de verte. Als je over vijf jaar een film met deze scène begint weet iedereen meteen in welke tijd het verhaal zich afspeelt. Maar met deze gedachte kijk ik dus ook vooruit, of liever: achteruit. Dat is dus de functie van al die vooruitblikken: het zijn kleine tijdreizen, we brengen ons in veiligheid door terug te kijken vanuit de toekomst. Terugkijken betekent dat je het hebt overleefd.

Als ik thuiskom lig de kat nog in de zon. Mijn boekenkast bevindt zich in een andere stad. Ik sla de laptop open en vlucht het internet op. Ik ben verslaafd geraakt aan sites die gewijd zijn aan design en architectuur van de jaren zestig en zeventig, space age-ontwerpen, brutalistische architectuur, raketten, futuristische verkeerstorens, futuristische auto’s, futuristische plastic huizen in de vorm van ufo’s – en opeens besef ik dat we de toekomst al hebben gehad, die speelde zich af toen ik klein was, die is al voorbij.

 

 

 

7. Alles kwam goed (6 mei 2020)

 

Ik krijg een hekel aan mensen. Nooit gedacht dat dit het resultaat van deze periode zou zijn, maar het is wel zo. Al hun meninkjes, adviezen en ideeën, al die goede bedoelingen. Het is geen hekel, het is herkenning, gesublimeerde zelfhaat, dat weet ik ook wel, dat hoeft u me niet te vertellen; ik haat u nu juist omdat u het me toch wilde vertellen, zeg maar eerlijk. Nou goed, jij dan niet. (Alsof ik dat geloof.)

Ik heb een hekel aan de nerveuze hamsters die we zijn geworden. We hamsteren informatie, schrokken het naar binnen en slaan het op, maar voor we er eens goed op kunnen gaan kauwen, slikken we het door omdat er nieuwe informatie naar binnen moet, nieuwe cijfers, over elkaar heen tuimelende beschouwingen, onrijpe duiding. Het is geen prettig gezicht. Wij zijn geen prettig gezicht.

Maar wat hebben we in korte tijd veel geleerd. Nee, niets hebben we geleerd. Zo zal binnenkort een filosoof of een psychiater gewoon weer een alinea kunnen beginnen met ‘We zijn niet meer bereid te accepteren dat…’ of ‘We hebben verleerd hoe we…’ zonder dat iemand ook maar een spier vertrekt, alsof deze mensen zijn gezegend met de blik van God en in ieders hart kunnen kijken, terwijl hun venster op de wereld in werkelijkheid bestaat uit een beslagen spiegel – beslagen door hun eigen adem, omdat ze zichzelf van zo dichtbij het mooist vinden.

En toch – ik hou oprecht van de buren die we elke avond zien wanneer we klappen, naast ons, onder ons, boven ons, tegenover ons. Tegelijkertijd weet ik dat ik ze niet meer zal herkennen als ik ze op straat tegenkom wanneer dit allemaal voorbij is. Ik zal een raam mee moeten nemen en ze daardoorheen aankijken. O ja, u woont op nummer zeventien toch, met die kinderen en dat hondje?

Alsof dit ooit voorbij gaat voordat die kinderen volwassen zijn, en dat hondje dood. Hoe lang is het nu al bezig, het lijkt al jaren aan de gang te zijn. Het is ook al jaren aan de gang, dat weet u toch hè? Of bent u een van de mensen die na de eerste maanden alle besef van voortgang kwijtraakte een eeuwig in het voorjaar van 2020 bleef hangen?

Hoe heeft u die jaren doorstaan, bevalt het basisloon? Geen vetpot, nee. En al die drukte van de eerste quarantainemaanden, al die initiatieven – we weten nu wel wat dat was hè? Als die collectieve doodsangst af te tappen was geweest hadden we de economie erop kunnen laten draaien.

Er zijn inderdaad experimenten geweest, halverwege 2021, weet u nog? In het begin zag het er nog veelbelovend uit. U herinnert zich vast nog wel de beelden van de auto die op afgetapte doodsangst door een idyllisch landschap reed. En al na driehonderd meter tot stilstand kwam.

Als ze een jaar eerder waren begonnen, was onze doodsangst misschien nog sterk genoeg geweest. We waren moe geworden met z’n allen, het klappen om acht uur mocht toen alleen nog maar met dichte ramen omdat er steeds meer mensen onder het applaus duizelig naar buiten vielen.

De mondkapjescouture. De Jehova’s Getuigen met megafoons. De vreemde hype van die clownsschoenen met neuzen van anderhalve meter. Je zal die latere historicus maar zijn.

Hoe elke tijdelijke versoepeling van de regels voelde alsof het deksel van een pan kokend water werd gehaald. De stoom ontsnapte, daarna ging het deksel er weer op.

Hoe we tot het einde toe goede boeken bleven lezen. Nou, als dát geen hoop geeft weet ik het ook niet meer, hoor.

Hoe dol we waren op de pittoreske lege straten waarover later onze kisten naar de koelhuizen werden gereden.

Maar alles kwam goed hè? De tijd was zo lang stil blijven staan dat we ons eigen hiernamaals tot stand hadden gebracht. Alleen de doden zelf waren nog niet gearriveerd, maar dat kon elk moment gebeuren.

We bleven hopen.

Geplaatst in amsterdam, brussel, leven | Tags: , , , , , , , , , , | 6 reacties

al die dooie baasjes

(Speciaal voor iedereen die nu graag boeken en verhalen leest over pandemische toestanden (en dat zijn er tot mijn verbazing vrij veel, op sociale media tuimelen de leestips over elkaar heen): het verhaal ‘Al die dooie baasjes’ uit de bundel Elektriciteit, die in 2010 verscheen. Dit is de versie die ik twee jaar geleden bewerkte voor 2.3.74,  het  Literair Tijdschrift voor Grounded Science Fiction van uitgeverij Lebowski.)

 

Vanmiddag ging ik naar Johanna, om haar te helpen met de honden. Ik maakte een kleine omweg langs het Martin Luther Kingpark, omdat ik benieuwd was hoe hoog het monument voor de griepslachtoffers ondertussen was geworden. Al voordat ik bij het park was, hoorde ik het gehamer. Zo moeten scheepswerven vroeger geklonken hebben. Het monument begon ooit als een paar bosjes bloemen en wat houten kruisjes aan de rand van het grootste massagraf, maar ondertussen is het uitgegroeid tot een naar alle kanten uitdijende toren van hout waaraan door allerlei mensen wordt gewerkt. Elke bouwer voegt zijn eigen gedenkteken toe. Er wordt veel geruzied, en ondertussen wordt het ding steeds hoger, nog even en hij steekt boven de bomen uit. Ik zag dat er nu zelfs steigers omheen staan. Overal aan het hout hangen kaartjes, foto’s en verlepte bossen bloemen. Op het zwarte zand waarmee het massagraf is bedekt begint hier en daar al gras te groeien.
‘Ze hebben geen idee wat ze aan het doen zijn,’ zei een oude man die stond toe te kijken. ‘Dat ding stort in als ze zo doorgaan.’ Hij vertelde dat hij had meegeholpen met het vullen van de graven. Er klonk iets triomfantelijks door in zijn stem. Het valt me op dat meer bejaarden zo’n zelfingenomen toontje hebben. Ze gedragen zich alsof het een persoonlijke verdienste is dat ze immuun bleken voor de griep. Impliciet beweren ze daarmee dat de jongere generaties bestaan uit watjes die zich hebben laten verrassen.

Veel mensen zijn er nog steeds heilig van overtuigd dat de epidemie moedwillig in gang is gezet om de wereldbevolking te decimeren. De vraag is natuurlijk welke wereldregering of buitenaardse invasiemacht in godsnaam een planeet wil die voornamelijk wordt bevolkt door zestigplussers, maar de samenzweringstheoretici hebben ook daar een antwoord op. Juist het feit dat bejaarden geen griep kregen, zien ze als het definitieve bewijs van hun gelijk: als je in je virale aanvalsplan alleen de generaties spaart die zichzelf niet meer kunnen voortplanten, heb je de mensheid zó opgeruimd; en je moet ze niet allemaal tegelijk uitroeien, je moet mensen overhouden om de doden te begraven.

Terwijl ik stond toe te kijken, stortte een deel van het monument in. ‘Ik zei het toch,’ zei de bejaarde man naast me. ‘Ze doen maar wat, ze hebben geen plan.’ Niemand leek zich er veel van aan te trekken. Iemand die beklemd was geraakt werd kermend weggedragen, er werden ook wat lichamen weggesleept waarin geen leven meer leek te zitten, en daarna ging het gehamer weer verder. Het was allemaal volstrekt zinloos, maar het geluid van al die hamers klonk opgewekt, alsof er aan iets werd gebouwd dat nodig was om ons verder te helpen. De bejaarde man keek me aan en vroeg: ‘Hoe heb jij het overleefd?’
Je kunt met niemand meer aan de praat raken zonder dat op een gegeven moment deze vraag langskomt. Ik stel hem zelf ook regelmatig, moet ik toegeven. Eigenlijk is het enig juiste antwoord voor mensen onder de zestig: ‘Blijkbaar verkeerde ik in redelijke conditie en verder zal ook het toeval een rol hebben gespeeld,’ maar dat is niet wat ze willen horen, ze willen specifieke informatie, die hun bij een volgende epidemie van dienst kan zijn.
‘Citroenen,’ antwoord ik meestal, ‘drie per dag.’ (Het is nog waar ook. We deden het alle vier, voor de kinderen met honing, alleen bij mij werkte het.) ‘Ah, citroenen,’ herhalen ze dan, en je ziet ze bedachtzaam knikken.
Maar deze keer gaf ik geen antwoord. De vraag hoe je het hebt overleefd werkt alleen maar als je hem na je antwoord als wedervraag kunt stellen, en bij mensen die immuun zijn werkt dat niet, omdat je het antwoord al weet. (‘Hoe ik het heb overleefd? Dat zie je toch, ik ben gewoon te oud voor die onzin. Een beetje griep, kom op, in onze tijd liepen we daar gewoon mee door.’) Met andere woorden: als bejaarden aan je vragen hoe je het hebt overleefd, doen ze dat alleen maar om hun eigen superioriteit te bewijzen. Daarom stellen ze de vraag ook altijd op zo’n minzaam toontje, de onderliggende boodschap is: wat doe je hier eigenlijk, had jij ook niet dood moeten zijn?
Bejaarden vormen momenteel ongetwijfeld de meest gehate bevolkingsgroep. Het schijnt vrijwel onmogelijk te zijn vrijwilligers te vinden die bereid zijn verzorgingscentra draaiende te houden. ‘Wij zijn de nieuwe Marokkanen,’ hoorde ik een bejaarde man op het journaal zeggen. Waarna de verslaggever hem met de microfoon in het gezicht sloeg. Speels, en niet erg hard, maar toch; vroeger zag je dat soort dingen niet op het journaal. Zo nu en dan hoor je over bejaarden die in elkaar zijn geslagen. Dat gaat natuurlijk ver, maar hun zelfgenoegzaamheid is onverdraaglijk, dus ja, een tik is zo uitgedeeld. Wat ook steekt: het aantal zelfmoorden onder de overlevers stijgt, maar onder de bejaarden juist niet. Je zou bijna denken dat die de tijd van hun leven hebben, dat het feit dat ze immuun waren opweegt tegen hun status als paria’s.

Als je naar het journaal kijkt valt het ook op dat alle virologen het hebben overleefd. Ze maken een onzekere indruk, wat niet zo gek is nu ze van alle kanten wordt verweten dat ze ons niet bang genoeg hebben gemaakt. Ooit zullen er ongetwijfeld commissies worden benoemd die moeten onderzoeken wat er allemaal is misgegaan, maar daarvoor zal toch eerst de regering uit haar zelfverkozen ballingschap moeten terugkeren. Eergisteren was het bijna zover. ’s Middags zouden ze op Schiphol landen, maar daar hadden zich zoveel woedende demonstranten verzameld dat het vliegtuig na te hebben bijgetankt weer terugvloog naar IJsland. Het was misschien ook wat naïef van ze om hun terugkeer aan te kondigen. Wat hadden ze verwacht, bloemen, een muziekkorps? Ik zie al voor me hoe de komende weken het regeringsvliegtuig elke dag weer een poging zal doen op Schiphol te landen, en telkens weer wordt teruggestuurd. Het zou een mooie running gag worden, iets om elke avond het journaal mee te openen.

Ik verliet het park. Met het gehamer van de monumententimmeraars nog in mijn hoofd liep ik naar de Uiterwaardenstraat, waar Johanna’s huisdierenopvang is gevestigd. Ze krijgt steeds meer filialen, die net als haar eigen praktijk zijn gevestigd in voormalige kinderdagverblijven. Daarvan zijn er nu toch niet meer zoveel nodig. Elk filiaal biedt onderdak aan honden die rondzwerven of in verlaten appartementen worden aangetroffen. Mensen die door de gebeurtenissen alleenstaand zijn geworden en om een huisdier verlegen zitten, kunnen er gratis eentje komen uitzoeken. Verleden week vroeg ik Johanna of ze niet bang was dat er misbruik van haar werk wordt gemaakt, omdat ze mensen die van hun hond af  willen, een eenvoudige oplossing biedt: ze hoeven het beest alleen maar op straat te zetten, de medewerkers van Johanna doen de rest. ‘En wat dan nog,’ zei ze, ‘moet het allemaal perfect zijn, dan?’ Ze heeft gelijk, je moet toch ergens beginnen. Soms vind ik het jammer dat ze zich over de loslopende huisdieren heeft ontfermd, en droom ik van grommende meutes honden die door de straten zwerven van een stad waarin niemand meer naar buiten durft.
Wanneer ik bij haar aan het werk ben, zie ik geregeld mannen en vrouwen naar binnen staren. Dat moeten ouders zijn van kinderen die hier vroeger elke werkdag naartoe werden gebracht. Zombies, noemt Johanna ze. Maar dat zijn ze niet, ze vertonen wel degelijk emoties. Sommigen turen verbijsterd naar binnen, alsof wij door zwarte magie hun kinderen hebben veranderd in honden. Anderen kijken smekend, alsof ze ons willen bezweren de betovering weer ongedaan te maken. Mijn kinderen zaten ergens anders, in die straat kom ik niet meer. Ik heb ook een ander huis betrokken, er staat genoeg leeg. Soms vraag ik me af waarom ik de stad niet heb verlaten. Blijkbaar wil ik toch een beetje in de buurt blijven. Voor het geval dat. Maar er is geen geval dat, dus logisch is het allemaal niet.

Zodra ik bij Johanna naar binnen stapte, wist ik weer waarom ik hier kwam: hier was leven, hier hing de rijke, opgewekte geur van de wil tot eten en voortplanting, hier werd niet gerouwd of nagedacht. Het kabaal was hels, en na al die stilte op straat, die nog werd benadrukt door het hamergeklop in de verte, was dat een zegen. Er waren meer honden dan ooit, sommige zaten in oude kinderboxen, andere liepen vrij rond, in de binnentuin stonden grote gazen hokken met nog meer honden. De muren waren bedekt met kleurige schilderingen van vlinders en kabouters.
Johanna begroette me met een kort knikje, ze was net bezig met een bejaarde klant die een hond wilde uitzoeken. Bejaarden willen graag een grote hond, hoe vervaarlijker hoe beter, zo voelen ze zich veiliger op straat.  Ik weet niet waarom Johanna dit werk doet, of ze gedreven wordt door dierenliefde of dat ze geld krijgt van wat voor bestuur er momenteel dan ook voor probeert te zorgen dat de straten veiliger worden. Ik hoef dat ook niet te weten. Het belangrijkste is dat ik iets te doen heb. Anders sta ik straks ook ergens naast een massagraf met mijn eigen hamertje aan een monument te timmeren, en dat moment wil ik zo lang mogelijk uitstellen. Ik weet ook niet bij welk graf ik zou moeten zijn. Er is wel van alles bijgehouden, maar iedereen klaagt over de chaos van die lijsten en algemeen wordt vermoed dat ze volstrekt willekeurig zijn samengesteld.

Johanna stuurde me mee met Ramon, die met een bestelbusje zwerfhonden zou gaan ophalen in de buurt van het Amstelstation. Ramon kende ik nog niet, hij bleek een grote man met een zwarte baard. ‘Heb je niets stevigers voor me?’ vroeg hij terwijl hij me opnam. ‘Het is rustig genoeg op straat de laatste tijd,’ zei Johanna, ‘er wordt nauwelijks meer geplunderd.’
Terwijl we naar het busje liepen, vroeg Ramon of ik dit al eens eerder had gedaan. ‘Nee,’ zei ik, ‘ik werk meestal binnen.’ ‘Het stelt weinig voor,’ zei Ramon. ‘Ze springen zelf naar binnen.’ Hij keek me grijnzend aan. ‘Het is kinderwerk.’

Ze sprongen inderdaad zelf naar binnen. Nadat Ramon het busje had geparkeerd, zette hij de laaddeuren open. Er zaten tien kooien in de laadruimte, en in elke kooi legde Ramon wat slachtafval. De honden liepen op het busje af, sprongen naar binnen en renden een kooi in. Je hoefde alleen maar het deurtje achter ze te sluiten. Het was zo eenvoudig dat het me teleurstelde. Ik had liever gehad dat het moeizamer zou gaan, dat er netten aan te pas zouden komen, dat het gepaard zou gaan met gegrom en geblaf, dat het hard en gevaarlijk werk zou zijn waar je littekens aan overhield. Dat was eigenlijk ook het probleem met de griep: dat je er geen littekens aan overhield. Niemand kan aan je zien of je het hebt overleefd of dat je het helemaal niet hebt gehad.
‘Valt mee hè?’ riep Ramon. Ik knikte. Ik zag mezelf vechten met een hond die me doodbeet. Ik hoopte dat ik daar vannacht van zou dromen. Je kan beter dromen van honden dan van mensen. Ik vroeg Ramon waar hij het slachtafval vandaan haalde waarmee hij de honden lokte.
‘Wat denk je,’ zei hij. ‘Ze eten elkaar op. We vangen honden met honden.’

Tot de griep uitbrak, had Ramon een restaurant gehad. ‘Tot er niemand meer buiten de deur ging eten,’ zei hij. Hij had nog een tijdje maaltijden aan huis bezorgd, maar elke bezorger die hij aannam, was ziek geworden. Toen was het gauw bekeken. Hij had gehoord dat mensen die Griep heetten hun leven niet zeker waren geweest tijdens de epidemie. ‘Er is er eentje achter een scooter door de Rivierenbuurt gesleept,’ zei hij. ‘Een paar anderen zijn in hun huizen levend verbrand.’ Die verhalen had ik ook gehoord.

Met een busje vol onrustige honden reden we terug. Er was weinig verkeer. Eigenlijk is de stad te groot voor ons geworden. Je schrikt als je ziet in hoe weinig huizen ’s avonds licht brandt. We passeerden troepen kinderen die gewapend met stenen ruiten ingooiden van leegstaande panden. ‘Dat hadden wij vroeger ook wel gewild hè?’ riep Ramon me toe. Hij had het raampje omlaag gedraaid en stak routineus zijn middelvinger op tegen elke bejaarde die we tegenkwamen. Op de autoradio werd gediscussieerd over de naweeën en de consequenties van de epidemie. Hoeveel slachtoffers er zijn gevallen, is nog onduidelijk. Het is raar, maar telkens als de getallen naar beneden worden bijgesteld denk ik: ze zouden dus nog kunnen leven. Het is een volstrekt onlogische gedachte, ik vraag me af of anderen die ook hebben.
Toen we langs het Martin Luther Kingpark reden, zag ik dat het monument inmiddels boven de bomen was uitgekomen. Er werd nog steeds druk aan gewerkt, zelfs in de auto konden we het getimmer horen.
‘Dat ding begint steeds meer op een grote brandstapel te lijken,’ zei Ramon.
‘Ja, maar voor wie,’ zei ik. Op de radio las een nieuwslezer het bericht voor dat de regering zojuist op Schiphol was geland. Ramon zei: ‘Daar heb je je antwoord.’
Ik lachte. Ook al konden ze er misschien niets aan doen, ik zou ze zelf aan het hout vastbinden als het moest.
Ramon deed de radio uit. ‘Wat denk je,’ vroeg hij, ‘wordt er nu meer of minder geneukt dan vroeger? Niet in absolute aantallen, maar naar verhouding.’
Ik haalde mijn schouders op. Door mij minder, maar voor het gemiddelde zou dat niet veel uitmaken.
‘Ik denk: meer,’ zei Ramon. ‘Maar dan zonder uitgebreid voorspel.’ Hij keek me spottend aan. ‘Is er toch nog iets goeds uit voortgekomen, hè?’ riep hij. ‘Of hou jij van uitgebreid voorspel?’ Hij begon hard en schamper te lachen. In de laadruimte achter ons begonnen de honden te janken. Ramon gaf een klap op de wand die de cabine van de laadruimte scheidde. ‘Jullie baasjes zijn dood!’ riep hij. De honden bleven janken.

 

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie, verhalen | Tags: , , , , , | 2 reacties

HVWBZEHEZIEMII

 

IMG_20191202_185320728Hieronder de veertien columns die ik afgelopen zomer voor de Volkskrant schreef. Zie het als een bescheiden (of juist onbescheiden) kerst- dan wel nieuwjaarsgeschenk, voor trouwe en ontrouwe lezers (en Trouw-lezers, natuurlijk). Als ik van de zomer al had zien aankomen dat ik dit zou gaan doen, had ik er voor gezorgd dat alle eerste letters van de columns iets zouden spellen als  ‘Fijne Feestdagen’, maar helaas, nu staat er iets wat zich minder makkelijk laat duiden. Eerder vanmiddag zat ik al deze stukjes te knippen en te plakken in het koffiezaakje dat ik beschrijf in nr. 3, ‘Pompelmoespleintje’, en ik hoorde net van de koffiezetter van dienst dat ze over een maand gaan sluiten. Niets is voor altijd, en soms is dat goed, maar niet altijd. Heb een goed 2020.

PS: wat Pompelmoes betreft, ik weet inmiddels in welke bundel dat verhaal over het pleintje stond, verrassend veel lezers hebben de betreffende pagina’s voor me gefotografeerd of gescand, mijn onderbuurman schonk me zelfs de hele bundel, allen nogmaals heel erg bedankt.

 

 

1.Ooievaar

‘Hé Dickie!’ riep iemand vlak achter me in lijn 4. Niemand in de halflege tram keek om, niemand heette Dickie. Bovendien hoorde je dat de man het in zijn telefoon riep. Hoe dat werkt weet ik niet precies, maar je hoort zoiets meteen, de joviale kreet verdween in een trechter naar een andere wereld waarvan op dat moment alleen de man achter me de sleutel in handen had.

‘Ik ben in Amsterdam!’ riep de man. ‘Jij? Waar dan? Ik kom net van de Amstelkade, even gebiljart hè. Ik ga nu naar De Ooievaar!’ Ik stelde me voor hoe hij erbij zat: wijdbeens, een beetje onderuit gezakt. Als ik opzij keek, en een beetje naar achteren, kon ik net een in zwart leer gehulde arm zien.

‘En jij, heb je tijd om…’ De man maakte zijn zin niet af. Hij luisterde en zei op regelmatige afstanden ‘O ja…, o ja,’ alsof hij stuk voor stuk de redenen afvinkte die Dickie aanvoerde om niet naar De Ooievaar te hoeven.

Als ik op dat moment zijn gesprekspartner had kunnen bereiken, had ik tegen hem gezegd: ‘Eén reden is genoeg Dickie. Wrijf het niet in. Het kan natuurlijk zijn dat je schoonmoeder in het ziekenhuis ligt omdat ze over de grasmaaier is gestruikeld, dat je de achterband van de fiets van je dochter moet plakken omdat ze naar ballet moet en de auto bij de garage is, dat de hond een gezwel heeft waar vanmiddag nog iemand naar moet kijken omdat het van binnenuit begint te bewegen, maar kies er ééntje uit en laat de rest zitten. Zelf zou ik voor de achterband gaan.’

De man achter me hing op nadat hij er een opgewekt ‘Nou ja, dan zie ik je nog wel hè?’ had uitgeperst. De tram reed de Utrechtsestraat in en kwam langs café Onder de Ooievaar, maar de man bleef zitten.

Bij het Centraal Station stapten we samen uit. Hij liep voor me uit met de O-benen die je ook wel ziet bij jonge makelaars die te lang op hun scootertje hebben gezeten, maar hij was ouder dan ik had gedacht, en magerder, met kort geknipt grijs haar. Ik bedacht dat er op de Zeedijk ook een café was dat De Ooievaar heette, maar de man sloeg niet af naar het centrum, hij liep het station in, waar hij in de menigte verdween.

Misschien was hij nooit op weg geweest naar een kroeg maar was hij op zoek naar de ooievaar die hem ooit deze wereld had in gevlogen. Hé pik, breng me maar weer terug als je me nog kan tillen, het is niks hier, Dickie heeft ook nooit meer tijd voor me.

 

 

2.Ondergronds

Vanwege een juryuitspraak die gunstig voor me uitviel, mocht ik de afgelopen maanden veel lezingen in boekhandels geven. Als ik iets aan deze lezingen heb overgehouden is het wel een grote bewondering voor de mensen die al die boekhandels draaiende weten te houden. Als je de hoeveelheid boeken ziet die in zo’n winkel ligt – aan wie slijten ze die allemaal, hoe raken ze die kwijt, wie léést dat allemaal?

Het antwoord op die laatste vraag is: niemand. Al die klanten, al die bezoekers van lezingen – allemaal schijn, het zijn steeds dezelfde figuranten die kriskras door het land worden gereden. Omdat ik in die boekhandels ook in kantoortjes en opslagruimtes kwam (‘Hangt u hier uw jas maar even op’) werd me al snel duidelijk dat het in deze branche al lang niet meer om boeken draait.

Ik mag er verder niet te veel over zeggen omdat ik meteen bij mijn eerste boekhandelbezoek iets moest ondertekenen (‘De eerste regel van de boekhandel is dat je niet praat over de boekhandel’), maar achter de schermen lag heel andere koopwaar. Flessen gevuld met vloeistoffen in vreemde kleuren, pakketten die zware coffeeshopgeuren verspreidden, mitrailleurs, handgranaten, pistolen in alle soorten en maten. ‘Ja, wat wil je dan dat we doen?!’ schreeuwde een boekhandelaar die het niet was ontgaan dat ik een verbaasde blik wierp op de twee schappelijk geprijsde luchtdoelraketten op zijn binnenplaats, ‘de laatste lezer is al in 2009 overleden!’ (Die laatste lezer bleek een weduwe uit Veenendaal te zijn, ik heb haar foto in diverse boekhandels zien hangen, ze keek gelaten in de lens.) Ergens in de provincie deed een boekhandelaar nog gauw een luik dicht, maar ik had al gezien wat zich eronder bevond: een grote ruimte waarin kinderen die al lang geen daglicht meer hadden gezien achter grote, ingewikkelde machines zaten waarvan het doel me niet meteen duidelijk was maar die een oorverdovend geraas produceerden.

Soms moest ik meerdere boekhandels per dag bezoeken, en dan werd ik van de ene naar de andere locatie vervoerd via een ondergronds gangenstelsel dat alle Nederlandse boekhandels met elkaar bleek te verbinden. (Ook dat was nieuw voor me.) Het transport werd verzorgd door golfkarretjes die een verbazingwekkende snelheid wisten te bereiken. Gedurende grote delen van die tochten was ik geblinddoekt maar hier en daar slaagde ik er toch in een glimp op te vangen van helverlichte laboratoria waarin mensen in witte overalls en gasmaskers metertjes aflazen en opslagtanks volgoten, en ook kwam ik langs uitgestrekte plantages waarin hoog oprijzende planten door middel van fel brandende lampen tot groeien werden aangezet. Ik kon niet zo snel zien wat voor planten het waren maar het leken me geen zonnebloemen.

 

 

3.Pompelmoespleintje

Warme dag, koffiezaakje teruggevonden.

Toen ik een half jaar geleden in Brussel bivakkeerde, dronk ik er een paar keer koffie: een klein hipsterzaakje met vriendelijk-nerveuze bediening, in een van die smalle kasseienstraten die van de bovenstad naar beneden voeren, niet ver van het Justitiepaleis dat als een reusachtige versteende mee-eter boven de stad uittorent. Het zat op een hoek, met een terras waar het toen veel te koud was.

Bij latere bezoeken aan Brussel kon ik zowel het zaakje als het kruispunt niet terugvinden. En het bleef spoorloos, ook wanneer ik thuis in Amsterdam aan de hand van Google Streetview als een manische sprinkhaan door Brussel sprong; alsof het nooit bestaan had, alsof het een tijdelijke verschijning was geweest. Kortom, hier was sprake van een Pompelmoespleintje.

We waren thuis lid van een streng gereformeerde kerk en veel dingen waren van de duivel maar gelukkig mocht ik naar de Openbare Bibliotheek. Ik hield van de boeken van Hans Andreus over Meester Pompelmoes. In een van die boeken stond een verhaal waarin de oude Pompelmoes op een wandeling door de stad een steegje in loopt dat hij nooit eerder heeft gezien. Aan het eind bevindt zich een zonnig pleintje met een caféterras en een vriendelijke ober die aardige dingen zegt en lekkere koffie zet en een vogel die mooi fluit in een boom, ik geloof zelfs dat er een tekening van die vogel bij stond, alles was kalm en goed.

Later wil Pompelmoes terug naar dat pleintje, om die dromerige, serene stemming nog eens te ondergaan, maar op de plek waar het steegje de vorige keer begon, staan de huizen tegen elkaar aan, alsof er nooit een doorgang is geweest.

Als acht-, negenjarige kon ik de stemming die het verhaal bij me opriep nog niet benoemen, pas later zou ik het herkennen als de milde melancholie waarvoor ik in de loop der jaren een al te goede antenne zou ontwikkelen.

Ik heb het verhaal nooit terug kunnen vinden, niet als kind en niet als volwassene, niet in de bibliotheek en ook elders niet, en nog steeds niet. Op vrijmarkten en in weggeefkastjes kom ik wel eens een Pompelmoesboek tegen maar nooit het boek met dit verhaal, alsof het nooit echt heeft bestaan, alsof het zelf een voorbeeld is van een Pompelmoespleintje.

Vandaag trok ik er in Brussel op uit om het koffiezaakje terug te vinden. Het lag hoger dan ik had gedacht maar ik vond het, het was er nog, het was er al die tijd geweest. Nu drink ik er koffie, op het terras is het te warm, binnen is het koeler, ik kijk uit over het kruispunt, meisjes met Lize Spit-knotten lopen voorbij in de zon.

 

 

4. Beeldjes

Brussel telt veel stripwinkels en in al die etalages van die winkels staan, zitten of rennen stripfiguren. Soms zie je ook nog ergens een album liggen, maar je ziet toch vooral beeldjes, in allerlei formaten, van klein tot levensgroot. Wat meteen een interessante filosofische vraag oproept: hoe groot is levensgroot voor stripfiguren eigenlijk? Op welke schaal spelen hun avonturen zich af?

Kuifje is het populairst in de etalages, maar hij is niet alleen, hij wordt omringd door de vrienden en vervoersmiddelen die hem tijdens zijn vele avonturen hebben bijgestaan. Hoewel, vele avonturen? Het zijn er 23, als we de Alpha-kunst even niet meerekenen; zijn dat er veel? Niet voor iemand die nooit ouder wordt, ben je geneigd te zeggen. Wat meteen een andere interessante filosofische vraag oproept: als een stripfiguur nooit een dag ouder wordt, betekent dat dan niet dat al zijn avonturen zich tegelijkertijd moeten hebben afgespeeld? Daar ga ik een volgende keer eens diep over nadenken, nu sta ik nog steeds voor die etalages met de beeldjes van Kuifje en zijn kompanen.

Hoe langer je daarnaar kijkt, hoe sterker het idee wordt dat hier heel erg iets niet klopt. Eerst roepen ze door hun gestroomlijnde tastbaarheid en hun kleuren een gevoel van hebberigheid op, maar algauw verdwijnt die hebzucht om plaats te maken voor twijfel en afkeer. Het ligt niet aan de kleuren, het ligt zelfs niet aan de driedimensionaliteit waaraan die vertrouwde figuren opeens onderworpen zijn, het gaat om het wezenlijke dat ontbreekt: de lijn.

Een stripfiguur bestaat uit lijn. De lijn is niet de begrenzing, daar waar het figuurtje ophoudt; de lijn is de figuur. Je kan de ruimte tussen de lijntjes inkleuren maar noodzakelijk is dat niet. Zonder kleuren overleven stripfiguren, zonder lijn niet. Dat is het vreemde van die beeldjes in de etalages: ze zijn gestript van hun essentie. Het is een obsceen gezicht, alsof ze daar naakt staan.

Het zou mogelijk moeten zijn om zo’n beeldje voortdurend door zwarte lijnen begrensd te zien, vanuit welke hoek je er ook naar kijkt.

En zodra de holografische technieken zijn uitgevonden die hiervoor ongetwijfeld nodig zijn, wil ik ze ook op mezelf toegepast zien, want hoe vaker ik die beeldjes in de etalages zie, hoe meer ik besef dat ik er óók zo naakt bij loop.

Ik wil ook duidelijk omlijnd zijn. Hoe zekerder zou ik me niet voelen als ik een stripfiguur was, als mijn ongerichte belevenissen zich zouden kunnen transformeren tot duidelijk omkaderde avonturen die je genummerd in de boekenkast kon zetten; wanneer mijn ene schepper doodging kwam er een volgende die me net zo liefdevol omlijnde, vele mensen zouden zich met mij bezighouden en ik zou nooit ouder worden.

 

 

5. Kafka op de Foor

‘Zullen we gaan wandelen op de Foor?’ vraagt ze op een avond. Ze woont vlakbij de Kleine Ring die het centrum van Brussel omsluit en elk jaar wordt op de brede middenberm van die rondweg de Zuidfoor gehouden. Ruim een maand lang loopt van de Hallepoort tot de Anderlechtsepoort een tijdelijke kermisstraat van een paar kilometer lengte.

We zijn niet de enigen, heel Brussel is er, in al haar geledingen. We werken ons door de massa, alle zintuigen worden aangevallen. Lichten knipperen, muziek dreunt, standhouders tateren in microfoons om publiek te trekken. Ook boven ons gebeurt van alles: in gigantische apparaten worden vastgesnoerde kermisgangers met grote snelheid heen en weer gezwiept, op en neer geslingerd en gecentrifugeerd. Het gegil draagt stratenver.

Ook de Foor zelf reikt verder dan de middenberm van de Kleine Ring. Sommige attracties zijn zo groot dat je vanuit het centrum kunt zien. Als je bij de Beurs de Anspachlaan af kijkt, zie je in de verte een onwerkelijk lange stalen zwiep-arm waarin kluitjes mensen zitten, hun slappe beentjes buitenboord. Op een avond zijn we te gast bij een barbecue in een achtertuin. Opeens komt boven de huizen een zwaaiarm omhoog, gevuld met mensen die razendsnel voorbij schieten, achtervolgd door hun eigen geschreeuw.

Of je al dat geweld nu van veraf ziet of van zo dichtbij dat je het scherpe gezoef van de slinger- en zwaaiarmen kan horen en de neiging krijgt te bukken als er weer eentje over je heen schiet – het is niet moeilijk om je voor te stellen dat al die gillende mensen zich niet vrijwillig hebben aangemeld, maar dat dit een perverse manier is waarop recht wordt gedaan. Deze attracties zijn machines die straffen voltrekken. De veroordeelden overhandigen geen geld aan de mannen bij de kassa, maar briefjes waarop hun vonnis staat. En nadat het briefje is ingenomen worden ze verder geleid en ingesnoerd waarna de machine start en het voorgeschreven aantal minuten moet worden overleefd.

De felle kleuren van de apparaten, de hectisch knipperende lampjes en de harde muziek voorzien de strafvoltrekking van een achteloos sarcasme. Dit is de manier waarop de machthebbers de spot drijven met hun onderdanen. Het is de kermisversie van Kafka’s ‘In de strafkolonie’, het verhaal waarin een gruwelijke machine vonnissen tatoeëert op de rug van veroordeelden, tot de dood erop volgt.

Al deze associaties komen natuurlijk alleen maar bij me op omdat ik me voor geen goud in een van deze attracties zou laten insnoeren. Zij is lichtelijk teleurgesteld. ‘Het reuzenrad dan?’ Ik schud mijn hoofd, ik heb toch niets misdaan? Maar helemaal schuldloos is niemand, ik voel hete naaldjes in mijn rug en ben benieuwd naar de tekst.

 

 

6. Steigers

Eén ei geen ei, één keer is geen keer – als je een stad wilt kennen moet je er regelmatig naartoe. Je moet haar zien veranderen. Je kent pas iets als het niet meer hetzelfde is. Voor mensen geldt dat ook. Over zelfkennis heb ik het nu niet, je moet naar buiten kijken. De zin van het leven bestaat eruit je omgeving te zien veranderen.

Bij elk bezoek in Brussel blijkt het voetgangersgebied-in-aanbouw rond de Beurs weer wat verder opgeschoven over de Anspachlaan. Ik heb daar nog auto’s zien rijden. Opeens is het alsof ik het over heel vroeger heb en hier al ontzettend lang kom, nog even en ik kan een T-shirt laten bedrukken met de tekst opa vertelt.

In het begin weet je niet wat een verandering is en wat er al eeuwenlang is. Nou ja, de Grote Markt, die zal er al wel een tijdje liggen, Egmond en Hoorne zijn er nog onthoofd, maar sinds wanneer zijn al die gebouwen zo schóón, zo gezandstraald? Om dat te weten is één bezoek niet genoeg.

Het voornemen om veranderingen bewust te registreren is ook een poging om je, al is het maar tegenover jezelf, te onderscheiden van de toeristen. Soms steekt nostalgie de kop op. Zo vind ik het ergens ook jammer, die oprukkende voetgangerszones, omdat het niet past bij het beeld van Brussel als stroeve brutalistische stad dat zich in m’n hoofd heeft gevestigd. Aan de andere kant vind ik het prettig om te zien dat in Vlaanderen stadspleinen nog als parkeerplaatsen worden gebruikt, iets dat in Nederland al veel zeldzamer is geworden. België als comfortabele, nostalgische blik op het verleden. Uitkijken dus: voor je het weet let je op verschillen in plaats van veranderingen. Een niet al te subtiel verschil: stilstand in plaats van beweging.

Ook veranderingen kunnen tot stilstand komen. Het beste voorbeeld is de eeuwigdurende restauratie van het negentiende-eeuwse Brusselse Paleis van Justitie. Het megalomane gebouw staat al sinds mensenheugenis in de steigers. Nog nooit heb ik iemand over die steigers zien lopen. Vanuit de verte (en je ziet het gebouw vanuit elke verte) wekken al die steigers, die als dunne horizontale lijnen voor het gebouw langs lopen de indruk dat je naar een verstoord beeld van een oude tv kijkt. Alsof het Justitiepaleis een uitzending uit het verleden is, iets dat wanhopig tot onze wereld probeert door te dringen.

Het verhaal gaat dat sommige steigers inmiddels zelf steigers nodig hebben om het verval tegen te houden. Ooit zullen die steigers óók weer steigers nodig hebben, uiteindelijk zal het Paleis veranderen in een ondoordringbaar woud van steigers. Alleen stokoude Brusselaars zullen nog weten wat er zich midden in dat woud bevindt.

 

 

7. Fliepje

Hoeveel je ook van elkaar houdt, op een gegeven moment sta je toch tegenover elkaar bij een opengescheurd kartonnen pak waarin allerlei onderdelen zitten die samen een boekenkast, een bureau, een tweepersoonsbed of een kastwand met schuifdeuren moeten worden. Als je alle cabaretnummers die de afgelopen decennia aan dergelijke vormen van montage zijn gewijd achter elkaar legt, krijg je een reeks voor de hand liggende grappen van je voordeur tot aan de dichtstbijzijnde meubelboulevard.

Al die grappen gaan over frustratie en woede. Gelukkig is er een manier om te voorkomen dat bij het in elkaar zetten van meubilair vriendschappen of relaties op het spel worden gezet: het gezamenlijk ondertekenen van een Ik Kan Ergenisloos Assembleren-verklaring (kortweg: ikea-verklaring). Iedereen kan zijn eigen tekst opstellen maar om te voorkomen dat dáár dan weer ruzie van komt volgt hier een concept dat in mijn omgeving zijn bruikbaarheid al diverse malen heeft bewezen:

Hierbij verklaren ondergetekenden dat alles wat tijdens het in elkaar zetten van [hier het onderhavige project invullen] voorvalt op communicatief gebied geen uitdrukking is van échte emotie of ergernis, maar slechts een vluchtig, consequentieloos, niet op de persoon gericht bijverschijnsel van het feit dat het aangeschafte meubilair in losse onderdelen wordt geleverd. Dit houdt in dat na het al dan niet succesvol afronden van het project alles wat is uitgewisseld als nooit gezegd zal worden beschouwd. Beide partijen verklaren dat uitingen als ‘Dat moet andersom, anders zitten de gaten van buiten, dat zie je toch óók wel idioot, of ben je opeens blind geworden?’ of ‘Waar heb je dat fliepje waarmee de schroeven moeten worden aangedraaid nú weer neergelegd, lulhannes?’ meteen vergeten zullen worden en niet zullen worden beschouwd als expressies van daadwerkelijke vijandige gevoelens. Hetzelfde geldt voor uitspraken als ‘Ja natuurlijk moet je dat blijven vasthouden, anders kan ik er toch niet bij, klootzak’ en ‘Ja ik weet ook wel dat dat ding geen fliepje heet maar je weet wat ik bedoel, als je bijdehand gaat doen mag je het ook in je eentje in elkaar zetten, zakkenwasser’ en ‘Dat komt omdat je de tekening op z’n kop houdt imbeciel, daarom staan de lettertjes ondersteboven zie je wel?’ en ‘Nee! Nee! Nee! Zonder dat fliepje gaat het niet, kijk dan op de tekening hondelul, ben ik hier dan de enige die niet opeens zwakzinnig is geworden?’ en ‘Ik haat je, ik haat je, weet je wat je met dat fliepje kan doen, wacht, ik doe het zelf wel even, doe je broek naar beneden’ en ‘Ga weg met dat ding, laat m’n kleding met rust gek, hé, goed te zien dat je dat fliepje hebt teruggevonden, als je ’m aangeeft draai ik even deze laatste plank vast.’

8. Stekels

Er stapte een dronken jongen in tram 81. Geen man, een jongen nog, tenger, met kortgeknipt blond haar. T-shirt, spijkerbroek, in zijn hand een blik Jupiler. Het was elf uur ’s ochtends.

Hij begon meteen te praten. Hij liep naar een van de lange banken die met de rugleuning naar het raam staan en onderbrak zijn monoloog om twee bejaarde dames te vertellen dat ze hun tassen weg moesten halen. Nadat ze dat gedaan hadden, ging hij naast een van die dames zitten, languit, alsof hij thuis voor de tv zat, alleen de afstandsbediening ontbrak nog.

Hij bleef praten, met grote armgebaren. Ik kon niet alles verstaan, hij sprak Frans, en bovendien klonterden zijn woorden samen, de alcohol had ze kleverig gemaakt.

Nog voor hij was gaan zitten waren al mijn stekels overeind gaan staan. Ik zat roerloos op mijn stoeltje en keek strak voor me uit, de menselijke versie van een Star Trek-ruimteschip met alle schilden omhoog.

De jongen bleef tegen de twee dames praten, erg hard, de halve tram kon hem horen. De dames keken hem glimlachend aan, bij hen geen schilden of stekels, hun alarm stond lager afgestemd dan het mijne, en draaide op een andere brandstof dan angst. De dronken jongen stelde vragen, de dames antwoordden, hij zei tegen de oudste van het stel dat ze erg mooi was, ze nam het compliment vriendelijk in ontvangst. Daarna begon de jongen te peuteren aan een boodschappentrolley die vlak voor hem in het gangpad stond. De eigenaar van de tas zei zacht dat er geen eten in de tas zat, dus misschien had de jongen gezegd dat hij honger had.

Iedereen om me heen was op zijn of haar hoede zonder te oordelen en zonder zich af te keren. De passagiers die zich verder weg bevonden lachten openlijker en hartelozer, alsof ze zich met de jongen vermaakten.

Net als ik stapte de jongen uit bij Flagey, nog steeds luidkeels pratend. Ik liep café Belga binnen en ging bij het raam zitten, met uitzicht op het kleine park in het midden van het plein. Een half uur later zag ik hem daar opduiken, nog steeds schrikbarend jong. Hij leunde tegen een lantaarnpaal en piste naar een afvalbak die een halve meter verder stond, met een krachtige straal. Een paar meter verder stond een groepje jonge toeristen, ze aten broodjes uit papieren zakken. Ze zagen hem niet. Toen hij klaar was wandelde hij weg, terwijl hij zijn broek nog dichtknoopte. Hij liep moeizaam en wankelend, als iemand die op een plat vlak bergopwaarts gaat. Een tram schoof voor het park langs en toen die tram voorbij was, was ook de dronken jongen verdwenen.

 

 

9. Uitkijken

Ze komen altijd breed lachend op me af, gewapend met die ene vraag die me stil moet laten staan, aan het denken moet zetten, die in ieder geval moet voorkomen dat ik zomaar de supermarkt in loop. Maakt u zich ook bezorgd over het klimaat? Vind u het ook niet vervelend om elke dag weer te moeten verzinnen wat u gaat eten? Weet u hoeveel mensen elke nacht op straat slapen in deze stad? Meestal loop ik door terwijl ik bezwerend maar niet onvriendelijk ‘Nee, nee’ mompel, als een ouder die een kind corrigeert in een ruimte waar niet te hard mag worden gepraat.

Eén keer was ik zo verrast door zo’n eerste, passanten tot stoppen dwingende vraag dat ik inderdaad stilhield. Dat was toen een jonge vrouw me vroeg: ‘Houd u van wereldgeschiedenis?’

Het bleek dat ze een krantenabonnement in de aanbieding had waarbij de kersverse abonnee als beloning een dvd-box met hoogtepunten uit de wereldgeschiedenis mee naar huis mocht nemen, maar haar vraag oversteeg haar poging mij iets aan te smeren. Kan je van wereldgeschiedenis houden? Van de hele wereldgeschiedenis? Is wereldgeschiedenis een hobby, kan je het verzamelen? En wat doe je als je alles hebt? Zijn er ruilbeurzen?

Veel verstand van wereldgeschiedenis heb ik dus niet, maar wat ik wel weet is dat ze twee kanten moet hebben. Zowel ter linker- als ter rechterzijde zetten opiniemakers en -brekers hun tegenstanders voortdurend minachtend weg als onwetenden die zich aan de verkeerde kant van de geschiedenis bevinden. Daaruit volgt dat zij zich aan de goede kant van diezelfde geschiedenis ophouden – en dat is uiteraard the place to be.

Mij lijkt het een prima locatie, die verkeerde kant. Ik zou er graag mijn tentje opslaan, het is er vast heerlijk rustig, vogels zingen, de tijd lijkt er stil te staan, misschien gaat hij wel achteruit.

Maar die verkeerde kant is natuurlijk geen vaststaand gebied, iedereen benoemt een andere kant als de verkeerde, zodat we uiteindelijk nog niets weten. ‘Pardon, aan welke kant van de geschiedenis bevinden we ons momenteel, toch wel de verkéérde?’ ‘Nou, dat denk ik niet hoor, wij kregen net te horen dat dit de goede kant was, nietwaar Fred?’ ‘Ja Mieke, maar nu begin ik zelf toch te twijfelen, als meneer hier zegt dat dit de verkeerde kant is…’ ‘Het is hier ook zo donker, als we de geschiedenis zouden kunnen zien, dan…’ ‘Wacht, we gaan het vragen. Mevrouw, welke kant van de geschiedenis is dit, de verkeerde of de goede?’ ‘Nou gek dat u die vraag stelt meneer, wij dachten de hele tijd dat we hier goed stonden, maar nou staat dáár iemand te verkondigen dat…’ ‘Wacht, kijk uit! Daar, de geschiedenis! bukken!!!’

 

 

10. Nachtwacht

Ik ging naar  het Rijksmuseum om De Nachtwacht te zien. Ik had gelezen dat het schilderij werd gerestaureerd, gewoon in de zaal waar hij altijd hangt, van het publiek afgeschermd door een grote glazen doos.

Nog voor ik de deur uit was, stelde ik me voor hoe dat zou zijn, en daar ging het meteen al mis. Ik zag in witte jassen gehulde restauratoren voor me, gewapend met vergrootglazen, verfdoosjes, wattenstaafjes en wat restaurateurs zoal bij zich hebben wanneer ze naar hun werk gaan. Ik vroeg me af hoe het moest zijn om dag in dag uit in een glazen doos te werken onder het toeziend oog van een steeds wisselend publiek. Werd je daar nerveus van? Ging het ten koste van je vaste hand? Je kon nooit eens uitgebreid geeuwen, even lekker in je neus peuteren kon je ook wel vergeten.

Maar misschien was het ook wel een prettige afleiding, al die toeschouwers. Zouden de restauratoren elkaar op de hoogte houden van vreemde exemplaren? ‘Kijk nou, die man daar links, is dat een kapsel of brandschade?’ En op een dag zou een van de restauratoren opkijken en aan de andere kant van de glaswand de vrouw van zijn leven zien staan. Terwijl ze zijn blik vasthield schreef ze cijfers op het glas, hij wist dat het haar telefoonnummer moest zijn maar kon het niet lezen omdat hij aan zijn kant van het glas spiegelschrift verwachtte, maar zij had dat ingecalculeerd en schreef zélf in spiegelschrift – en omdat men zijn verwarring zag, begonnen alle bezoekers de cijfers luidkeels te herhalen, één voor één, in alle talen van de wereld, en de restaurator toetste ze in op zijn telefoon en kreeg haar inderdaad aan de lijn en ze spraken nog lang en gelukkig.

Maar dit waren gedachten vooraf, toen ik de straat nog op moest. Alles bleek anders toen ik daadwerkelijk voor De Nachtwacht stond. Nergens was een restaurator te bekennen. De glazen doos was leeg, op een gigantisch, in hoogte verstelbaar apparaat na dat vlak voor het schilderij op rails stond. Met een heen en weer schuivend venster scande het een klein deel van het doek, streepje voor streepje, met een onmenselijke, werkelijk gékmakende traagheid en precisie.

Het was een ontnuchterend gezicht. In de glazen doos speelde zich geen romantische komedie af, ik was beland in een sciencefictionfilm. Ik zag voor me hoe het apparaat zichzelf op een stille nacht via een wormgat hiernaartoe had getransporteerd en meteen aan de slag was gegaan. Met elke beweging van het scannende oog ontstond op een verre planeet een identieke versie van De Nachtwacht, streepje voor streepje, met een traagheid en precisie waarmee ze daar geen enkele moeite hadden.

 

 

11. Onthechting

Er was weer eens een festival aan een rand van Amsterdam. De bastonen schoven vanuit de verte over de stad, als het onheilspellende geklop van een kwaadwillige geest die voor een dichte poort stond. Elk moment verwachtte ik een NL-alert waarin alle Amsterdammers werden gewaarschuwd vooral niet open te doen.

Als het om ergernis gaat is het gehoor hofleverancier. Is het mogelijk om je meer te ergeren aan iets wat je voelt of ziet dan aan iets wat je hóórt?

Maar misschien hoorde niet iedereen wat ik hoorde. Vorig jaar maakte ik met Metsike een wandeling langs het Westerdok om te zien wat daar de afgelopen jaren allemaal was gebouwd. Toen we honger kregen vroeg Metsike aan een passant waar hier iets te eten viel, en zo belandden we op het terras van een überhip restaurant aan het IJ. We aten aan het water, alles was goed, maar aan de overkant was een of ander festival bezig; het geluid werd door de wind naar ons tafeltje gebracht. Aan de jongen die ons bediende vroegen we of dat de hele tijd zo doorging. Hij zei verbaasd: ‘Ik hoor helemaal niets.’

Hij ondergaat het al de hele middag, dachten wij, hij is er zo aan gewend dat hij het niet meer registreert.

Maar wat, bedacht ik later, als hij het daadwerkelijk niet hoorde? Voor hem was een festival iets normaals, en viel het geluid weg tussen de andere omgevingsgeluiden. Wij hoorden het boven alles uit. Ergernis is waarschijnlijk de beste geluidsversterker die we ooit hebben uitgevonden.

Alles is context. Er zijn weinig dingen beter dan je met een boek op de bank te nestelen wanneer buiten de regen tegen de ruiten ritselt. Maar wanneer een huisgenoot de kamer binnenkomt om je te vertellen dat het helemaal niet regent, maar dat het geluid veroorzaakt wordt doordat de bovenburen voortdurend grote scheppen fijn zand tegen je ramen aan gooien, houd je het geen seconde meer uit met je roman, ook al is het geluid niet veranderd.

Zou het stadium haalbaar zijn waarin het niet meer uitmaakt wat de bron van het geluid is? Het lijkt iets nastrevenswaardigs, maar hoe onthecht moet je zijn om dat niveau te halen? Sereen glimlachend kijk je op uit Oorlog en vrede, tevreden zeg je tegen jezelf ‘Ah, lekker, de bovenburen zijn weer aan het strooien’, om vervolgens volkomen ontspannen verder te lezen. Later kloppen ze zelfs nog aan, de bovenburen, met het verzoek om een bijdrage in de kosten. Sorry dat we u storen, maar al dat zand, begrijpt u wel… Zonder enige aarzeling trek je je portemonnee, het enige waarmee je zit is de vraag hoeveel fooi je kan geven zonder dat het overdreven overkomt.

 

 

12. Gillen

Met mijn oudste zus ga ik langs bij mijn oudste tante. Over een paar dagen wordt ze 93, tante Annie. Ze dementeert en woont al een aantal jaren in een zorgcentrum. Mijn zus bezoekt haar regelmatig. Ik ging anderhalf jaar geleden voor het laatst mee, toen we Annie gingen vertellen dat haar lievelingszus, onze moeder, was overleden. ‘O, dat vind ik jammer,’ zei ze.

We moeten ons bij een intercom melden en de deur van de afdeling heeft een toegangscode. In de gemeenschappelijke huiskamer zit tante Annie in haar rolstoel te suffen aan de grote tafel. Er zitten nog een paar generatiegenoten van haar, en een dikke, veel jongere man. Zijn verhaal zal niet gelukkig zijn maar ik zal het nooit weten; we nemen onze tante mee, de huiskamer uit, naar haar kamer.

Ze is verder heen dan anderhalf jaar geleden, ze is blij dat we langskomen maar heeft geen idee wie we zijn. Ze praat op dezelfde joviale toon als vroeger, toen we met het hele gezin bij haar langsgingen: opgewekt, dominant, met een tikkeltje kokette zelfspot. Ze kon uren met mijn moeder aan de telefoon hangen. Mijn moeder luisterde vooral. ‘Ja… Ja… Ja zeg!’ Mijn vader keek dan langs zijn krant en wierp hoofdschuddend een blik op zijn horloge. ‘Annie heeft van dat mooie dikke haar,’ zei mijn moeder altijd. ‘O ja,’ riep mijn vader dan vol ergernis, ‘ze heeft van dat mooie dikke háár!’

‘Ik heb het leuk gehad hoor,’ zegt tante Annie toegeeflijk tegen ons. En op dezelfde toon: ‘Ik maak net zo lief het raam open en spring naar buiten.’

Dit is tante Annie, maar tegelijkertijd is ze het niet meer. Wanneer is iemand op z’n best, op z’n volledigst? Is er een moment geweest waarop je had kunnen zeggen: dit is tante Annie in haar ideale verschijningsvorm, die is de complete, verwezenlijkte tante Annie, dit is tante Annie zoals ze eeuwig zou kunnen voortleven mocht er een hiernamaals zijn?

Als dat moment er is geweest, is het nu wel voorbij. Maar het is er nooit geweest, zonder al te vaste vorm stromen we van een begin naar een einde. Soms, zoals bij tante Annie, lijkt een eindpunt gemist, en moeten er nog een paar jaar worden ingevuld zonder dat iemand weet waarom.

‘Kan ze haar raam zelf opendoen?’ vraag ik voor de zekerheid aan mijn zus als we vertrekken. Nee, dat kan ze niet, antwoordt mijn zus. Ze vertelt dat tante Annie ’s nachts vaak ligt te gillen. Onlangs had een late passant de politie gebeld, omdat hij dacht dat er binnen iets aan de hand was.

Er was natuurlijk ook iets aan de hand: onze tante lag te gillen.

 

 

13. Klein tikje

In de trein naar Brussel zat een familie. Vanaf mijn zitplaats kon ik ze niet allemaal zien, maar ze hadden een baby bij zich die veel huilde en zo kreeg ik na verloop van tijd toch een beeld van het hele groepje, omdat de baby voortdurend doorgegeven moest worden en er regelmatig iemand van het gezelschap opstond om een tas uit het bagagerek te pakken waarin iets zat wat de baby misschien kon afleiden of kalmeren. Zonder dat ze er hun best voor hoefden te doen, wonnen ze de eerste prijs in de categorie Meest Aanwezige Passagiers, een onderscheiding die je eigenlijk al zodra ze instappen aan een gezelschap met een baby kunt uitreiken.

Ze waren met z’n vijven. Een jong echtpaar en een ouder echtpaar, en die baby; op basis van uiterlijke kenmerken concludeerde ik dat het oudere echtpaar de ouders van de jonge moeder moesten zijn. Ze praatten hard, alsof ze verder van elkaar zaten dan het geval was. Ze hadden het over hotels, tickets, het uitblijven van de railcatering, de baard van de conducteur en de manieren waarop het de baby naar de zin kon worden gemaakt. Over die manieren bestond vooralsnog geen consensus. Ook over wat de conducteur met zijn gezichtsbeharing moest doen liepen de meningen uiteen.

‘Weet je,’ zei de vader van het kind. ‘Zo’n dagje reizen is inspannender dan een dagje werken.’ Meteen daarop ging zijn telefoon. ‘Ja!’ riep hij. ‘Rik? Hoe is het bij Winterhuisjes? Ben je al bezig met … Shit man. Dan moet je meteen plaatje zes aandraaien. En dan gewoon een klopje met de kopse hamer. Jawel, die zit onderin je kist. Kijk maar. Precies, dat is nou een kopse hamer. Klein tikje. En dan ben je al bijna klaar. Ja, dat kan je doen maar het is niet echt nodig. Straks gaat alles weer dicht, dat ziet niemand. En anders… Ja, dat kan, draai maar even dicht. Nu meteen hè, anders sta je straks tot aan je knieën in … Probeer dan rechtsom. Heel goed, dicht is dicht. Prima. Geen probleem. Als er nog wat is dan bel je maar.’

‘Zei je dat nu echt?’ vroeg zijn vrouw toen hij zijn telefoon had weggestoken.

‘Zei ik wat nu echt?’

‘Als er wat is dan bel je maar.’

‘Ja,’ zei de man. ‘Dat zei ik nu echt.’ Hij sloot zijn ogen, rekte zich uit en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. Je kon aan hem zien dat er wat hem betrof de komende dagen niet genoeg mis kon gaan bij Winterhuisjes.

Naast hem begon de baby te huilen. Zonder opzij te kijken legde de man een hand op het hoofdje van het kind en het huilen stopte meteen.

 

 

14. Zoontje van drie

‘Is vader thuis?’ vroeg ik  aan de man die opendeed.

‘Ik ben de man die u moet hebben,’ zei hij. Voor een honderdjarige zag hij er nog patent uit. Hij was een kop groter dan ik en keek me vorsend aan. ‘Ik weet waarvoor u komt,’ zei hij, ‘ze heeft me gebeld dat u onderweg was.’

De boekhandelaarster die me over hem had verteld was zijn kleindochter. ‘Ze had beter haar mond kunnen houden,’ zei de man, ‘maar komt u verder.’

Hij ging me voor naar een karig ingerichte woonkamer. Nadat ik hem had beloofd dat ik zijn woonplaats niet zou vermelden, stak hij van wal. ‘Goed. U heeft het al gehoord. Ik ben het oorspronkelijke zoontje van drie. De eerste hè. De allereerste. Mijn vader…’ Hij keek om zich heen, alsof zijn tekst ergens op de muur geschreven stond. ‘Mijn vader bezocht zevenennegentig jaar geleden de opening van een tentoonstelling van moderne kunst. Hij was notaris, zat in het museumbestuur, precies weet ik het niet meer. Toen hij de geëxposeerde werken zag, moet hij geroepen hebben: “Dat kan mijn zoontje van drie ook!” Nou ja, er was pers bij, een dag later werd ik geïnterviewd door een landelijke krant. Van de journalist moest ik tekeningen maken, die werden tentoongesteld in datzelfde museum, het werd een hele toestand, die tekeningen gingen het hele land door, u kunt dat allemaal hier nalezen.’

Hij wierp een dikke, met elastiek bijeengehouden map op tafel. Stof dwarrelde op en bleef even hangen. ‘Speciaal voor u van zolder gehaald.’ Hij klonk alsof hij er spijt van had. Ik maakte de map open en bladerde door vergeelde krantenberichten.

‘Er was ook nog iemand in Engeland die zei dat híj het zoontje van drie was,’ zei de man, ‘maar die is dood.’ Hij klonk tevreden, alsof hij hem zelf had vermoord. Zo onverschillig liet het hem dan toch ook niet.

‘Eigenlijk was ik toen vier,’ zei hij. ‘Mijn moeder was kwaad op mijn vader toen ze het artikel in de krant zag staan. Weet je niet eens hoe oud je eigen zoon is, Lodewijk? Nou ja.’ Hij haalde zijn schouders op, alsof de zaak hem opeens weer verveelde.

‘Wat bent u later gaan doen?’ vroeg ik. ‘Bent u doorgegaan met tekenen?’

‘Eerst kwam de oorlog. Daarna ben ik boekhouder geworden. Toch ben ik altijd dingen blijven maken. Wilt u ze zien?’

Hij ging me voor naar een grote loods achter zijn huis, die me eerder niet was opgevallen. Je zou er vliegtuigen in kunnen bouwen. Hij schoof een gigantische deur open, daarna verdween hij in het donker. Toen het licht aan ging stapte ik naar binnen.

Ik wist niet wat ik zag.

 

 

 

Geplaatst in brussel, kunst, leven, schrijven | Tags: , , , | 2 reacties

protesting against myself, of: ben je nu (eindelijk) tevreden?

1

Wat was kunst ook weer? Ik was een middag in Gent, ik moest mezelf drie uur in m’n eentje vermaken voordat er weer andere dingen zouden gebeuren, het regende en ik dacht: ik ga naar het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst, kortweg S.M.A.K.

‘Hier is het droog,’ zei de vrouw die mij m’n kaartje verkocht, en dat is inderdaad een voordeel van musea: het is er droog. Ik stopte mijn tas in een locker en hing mijn natte jas aan een kapstok waaraan al meer jassen hingen. Kon ik het aan om rustig en geconcentreerd urenlang door het museum te dwalen terwijl ik wist dat in de garderobe werkelijk iedereen er met mijn jas vandoor kon gaan? Dat is een ander voordeel van musea: je kan er gratis je neurosen laten testen.

In de eerste zalen die ik binnenliep was een tentoonstelling gaande van de Roemeense kunstenaar Ciprian  Mureşan. Ik zag een videoscherm. In beeld stond een verrijdbare vuilcontainer waaruit een handpop stak met een bord in zijn hand. Zo nu en dan zag je de bovenkant van de schedel van poppenspeler (ongetwijfeld Mureşan zelf) die zich in de bak verborgen hield. De container stond in een rustige straat. De pop sprak repetitieve teksten uit die in het Engels werden ondertiteld. ‘I’m protesting against myself,’ zei de pop steeds, en dan volgde een regel waarin hij de reden van het protest noemde, een mengeling van morele en neutrale uitspraken. Omdat ik gewend ben geraakt aan de vuilcontainer. Omdat mijn haargrens opschuift. Enzovoort. Sluit je aan bij mijn protest. Van alles werken die ik die middag in het S.M.A.K. zou zien raakte dit (I’m protesting against myself, 2011) me het meest. Door het statische, licht hypnotiserende karakter, door de melancholie van de wat treurige stem en de stille straat, door het relativerende maar tegelijk tragische, zelfbeschuldigende karakter. Door de dubbelzinnige oproep Join my protest against myself.

IMG_20191214_143724002 IMG_20191214_143729300

Misschien had ik drie uur voor dat scherm moeten blijven zitten, maar ik liep verder, ik las het tekstbord waarop informatie over Mureşan was te vinden. Hij ‘hercontextualiseert voortdurend historische anekdotes, iconische kunstwerken, religieuze cultuurvormen en ontwricht op deze manier de welomschreven verhalen uit de (kunst)geschiedenis. Mureşans deconstructieve werkwijze typeert zowel zijn video’s en sculpturen, als zijn tekeningen en installaties.’ Dat was even slikken, en niet alleen door het jargon. Want het was waar. Zo was er een korte video waarin een scène uit het iconische kunstwerk Un chien Andalou van Luis Buñuel werd nagespeeld door geanimeerde karakters uit Shrek, en een zaal verder werden religieuze cultuurvormen gehercontextualiseerd door middel van een groot kamerscherm op rails. Door het taaie curatorproza zag ik ook opeens de zelfbeschuldiging uit I’m protesting against myself in communistisch perspectief. Maar dat wilde ik allemaal niet weten, ik wilde al die associaties niet,  ik wilde vrije kunst die vrij is in te vullen, ik wilde melancholische kunst waarop ik kon associëren zonder conclusies te bereiken, als de betekenis werd verwoord en aangereikt gold het niet meer. Maar misschien zijn dat allemaal kinderachtige en narcistische verlangens, want wilde ik uiteindelijk dan niet dat het werk over mij ging?

Een ironische conclusie ook, want verder door het museum dwalend bleek eens te meer dat veel kunst juist over de maker gaat, en over de kunst. Geen bordjes lezen in musea, dat kan helpen. Aan de andere kant, als ik curator was wist ik het wel, dan hing ik overal bordjes op met de tekst: Ja hoor, dit werk gaat óók al over jou. Ben je nu (eindelijk) tevreden?

2

Uiteindelijk won de wereld het van de kunst. Er was een Broodthaerskabinet, gewijd aan het werk van (inderdaad) Marcel Broodthaers, en die twee boven elkaar gelegen zaaltjes hadden ramen die uitkeken op een verbijsterend grote, geheel lege hal met een gietijzeren overkapping – een groot negentiende-eeuws station waar de sporen uit waren verwijderd en vervangen door tegels. De hal maakte geen deel uit van het museum, er was geen enkele deur of doorgang, het was een raadselachtige verschijning, ontzagwekkend, melancholisch stemmend ook, ik dacht: dit  is het grootste kunstwerk dat Kiefer nooit gemaakt heeft; maar die associatie kon ontstaan zonder dat de werkelijkheid het aflegde tegen de kunst. Verderop in het museum zag ik toen ik naar buiten keek een zonovergoten uitzicht over een tuin en een oude imposante gevel. Ook dat ingekaderde uitzicht maakte meer indruk dan de kunst binnen, en niet alleen (maar ook) omdat het buiten op glorieuze wijze droog bleek te zijn geworden. Er was geen ruimte voor vragen – zowel die mysterieuze stationshal als dat optimistisch stemmende uitzicht ging niet over mij, ik verlangde er niets van, erkenning bijvoorbeeld. Het feit dat ik het zag bewees dat het bestond, en ik ook, en dat besef vulde de hele ruimte.

3

Mijn jas hing er nog. Ook dat was nooit over mij gegaan. Als die was verdwenen was niet mijn jas gestolen, maar een jas.

IMG_20191214_143705217

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

december in oostende (2)

 

De laagstaande zon maakt van Oostende een andere stad. Op haar dagelijkse route weet ze zich nauwelijks boven de bebouwing uit te hijsen, ze schijnt door gebouwen heen, ze schijnt in gebouwen, in het cafégedeelte van de Grote Post bijvoorbeeld, en in Du Parc, waar we in de late middag langs liepen en binnen een oud koppel zagen zitten waarvan IMG-20191202-WA0017de gezichten koperig-goud werden uitgelicht; meteen kregen ze iets waardigs, een verbannen vorstenpaar, net zoals de oude man die zich eerder die middag in de Grote Post met gesloten ogen in het lage zonlicht koesterde een Italiaanse prelaat of stadsbestuurder uit de renaissance werd. (En nu maar onthouden dat al die mensen, ‘wij’ zou ik bijna zeggen, die waardigheid ook bezitten bij bewolkt weer.) Ook het strand ziet er anders uit met die lage zon. Toen ze even een wandeling ging maken appte L. me een foto en ik vroeg me meteen af naar welke planeet ze was afgereisd.

Niet alleen de mensen en het strand, ook de stad wordt uitgelicht; aan het eind van de middag hangt aan het westelijke uiteinde van de Koningsstraat een wolk van stofgoud, waaruit de rails van de Kusttram zich als gouden tentakels uitstrekken naar het pleintje voor Du Parc. De zee haalt de zon deze maand niet meer, net voor ze die bereikt zakt ze moe achter Middelkerke naar beneden. Elke avond is er weer een andere kunstenaar verantwoordelijk voor haar daadwerkelijke ondergang, soms een impressionist die het houdt bij pastelkleuren, dan weer een expressionist die meer risico’s durft te nemen en niet terugschrikt voor een ziekelijk roodpaars. Ook zit er altijd wel wat groen bij.

*

Het is een onverhuld fantastische ochtend, we gaan een strandwandeling maken naar het zuiden, we zien wel hoe ver we komen. Het is eb, het strand is onwerkelijk breed en leeg, bijna iedereen is ergens anders, wat vreemd is, want hier is het het mooist. Ons komt het niet slecht uit. We wandelen, we zijn Oostende voorbij, er zijn duinen, er is een villa, er is luchtafweergeschut, het strand blijft leeg, om de paar honderd meter klimmen we over een strandhoofd dat als een stenen slang de zee in steekt en die aanmerkelijk hoger waren voordat het strand hier opgespoten werd. Op bijna elk strandhoofd steken hengels schuin omhoog, die bewaakt worden door vissers. Links van ons, boven het land, reist de lage zon met ons mee, net altijd even voor ons, we halen haar niet in.

Ter hoogte van Raversijde waadt een man in een felgeel oliepak heen en weer tussen twee strandhoofden, moeizaam trekt hij een onzichtbare last door het water, dat tot aan zijn ellebogen komt. Als hij bij een van de strandhoofden aankomt, wisselt hij wat woorden met een visser, daarna keert hij om en gaat weer op weg naar de andere kant. Daar staat, in de schaduw van het strandhoofd, een oude man met een wankel karretje waarop plastic bakken staan. Het ziet eruit als een scène van Beckett, je krijgt vermoeide benen alleen al als je naar de eenzame wader kijkt, maar er is niets surrealistisch aan de hand, ze vissen op garnalen, zo blijkt als L. de oude man met het karretje aanspreekt. Hij heeft een pluizig wit sikje, op zijn ene neusvleugel zit een uitgehard snotje en op het zwarte sweatshirt dat om zijn dikke buik spant staat I’m a limited edition. Hij laat een bakje zien, de bodem is bedekt net bruine garnalen, de vangst tot dusverre. Zolang het eb is, gaan ze door, voor zichzelf, niet voor de handel. Het is uitkijken voor de pietermannen die tussen de garnalen zitten, die kunnen gemeen steken. Zelf gaat hij het water niet meer in, dat laat hij over aan de jongeren, hij is tenslotte al zesenzeventig. Samen met de oude man en een aantal in afwachting ronddribbelende meeuwen wachten we tot zijn medevisser het water uit komt. Langzaam werkt die zich in onze richting, hij draagt een zonnebril en een zwarte bandana met witte schedels. Het trechtervormige net dat hij langs de bodem heeft gesleept wordt aan het smalle uiteinde opengeknoopt en de vangst in een bak gestort. Routineus beginnen de mannen te sorteren. De beweeglijke pietermannen – kleine, doorzichtige visjes – worden bij de staart gepakt en naar de meeuwen gesmeten, die ze in één keer doorslikken. Er zitten ook kleine krabbetjes tussen de garnalen, die worden ook weggeworpen, zodra ze landen beginnen ze zich in het natte zand in te graven, binnen een paar seconden zijn ze verdwenen. De meeuwen moeten ze niet.

We nemen afscheid en terwijl we verder lopen moet ik denken aan Blue Highways, het boek dat William Least Heat Moon schreef over de reis die hij eind jaren zeventig langs de omtrek van de Verenigde Staten maakte, in een kleine camper, om zijn verbroken relatie te verwerken. Onderweg kwam hij voortdurend mensen tegen die met iets bezig waren en daarover vertelden, zoals deze garnalenvissers, en al die mensen waren sympathiek. Misschien is dat wanneer we op ons best zijn: wanneer we vertellen over iets wat we graag doen, en waarvoor een ander belangstelling toont.

Het strand is nog steeds uitgestrekt en leeg. Hier en daar zitten bij de waterlijn groepen meeuwen, die blijkbaar niet doorhebben dat een strandhoofd terug regelmatig gratis pietermannen worden uitgedeeld.

We naderen Middelkerke, het zeefront rijst schuin voor ons op, een brokkelige rij flats,IMG_20191204_133521564_HDR die er volgens L. uitziet als een reusachtige gestrande goederentrein, – en opeens zijn we personages uit een dystopische roman van J.G. Ballard die door de woestijn een uitgestorven stad naderen. Als we de Zeedijk oplopen, blijft het uitgestorven, alles is dicht en leeg, de Dijk zelf ligt in de schaduw en is spekglad, misschien hebben ze hier gestrooid in verwachting van nachtvorst en is het middel erger dan de kwaal. Achter het zeefront is er enig leven maar het houdt niet over. Er valt op het eerste gezicht weinig voor Middelkerke te zeggen. Ik weiger me nog steeds aan te sluiten bij het koor dat zo wellustig de lelijkheid van de Belgische kust bezingt maar dit stadje is een punt voor het koor. Op zoek naar iets dat open is en koffie schenkt komen we met behulp van internet terecht in Barista; vooraf doet de naam vermoeden dat dit de verzamelplek is van de Middelkerkse hipsters maar het blijkt het restaurant van het plaatselijke zwembad te zijn. Terwijl we lunchen kijken we door een grote glaswand uit op het binnenbad waarin een paar zwemmers bezig zijn. Als ik me omdraai kijk ik via een ander raam in de muil van een grote waterglijbaan die na een paar minuten een miezerig waterstraaltje begint uit te spugen maar waaruit zolang wij er zitten niemand tevoorschijn schiet. Als ik in Middelkerke woonde zou ik hier vaker komen.

We hebben tweeënhalfuur gewandeld; in twintig minuten brengt de Kusttram ons terug naar Oostende.

*

De volgde ochtend is het mistig. De zee heeft geen horizon en de Zeedijk lijkt op te houden achter de gestroomlijnde bulk van de Kursaal. Maar als je verder loopt onthult het zeefront zich stukje bij beetje, aarzelend, alsof de stad is vergeten hoe ze er ook weer uitziet en het meter voor meter uit haar geheugen moet opdiepen, eerst de vage contouren, dan de details, als laatste de kleuren; maar alles vaag en net niet helemaal echt.

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie, leven | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

december in oostende (1)

 

We komen in de namiddag aan en wanneer we van negenhoog naar beneden kijken, geeft de ondergaande zon de wandelaars op de Dijk en op het strand schaduwen van dertig, veertig meter, schaduwen die eerder thuis zullen komen dan de mensen zelf, en vast de verwarming en de lampen aan kunnen doen.

Het strand en de zee liggen er ondertussen haarscherp bij, het strand opgeruwd en koperkleurig, de zee grijs en blauw, maar onverwacht fel. Heel in de verte zien we nog net de witte staakjes van het windmolenpark.

Wanneer het donker is gaan we naar de stad in. De grootste attractie qua kerstverlichting is de lichttunnel die in de lengte over de Adolf Buylstraat is gespannen en waarvan de kleur verschiet van geel naar groen naar rood naar paars naar wat al niet. We eten bij Du Parc, witlof met ham, tussen oudere Westvlaamse echtparen, het is er onverwacht IMG_20191201_194020716warm en huislijk, zelfs het lamplicht is warm. Op het donkere perkje van het Marie Joséplein waarop we uitkijken staat een grote, uit lampjes opgebouwde kerstbal, het is eigenlijk een poort, je kan er doorheen lopen; wel is het vreemd dat ik lang niet alle passanten die erin verdwijnen aan de andere kant weer zie opduiken, alsof er zich in de bal een afslag bevindt naar een andere dimensie.  Als we weer buiten zijn, lopen we er ook doorheen, en we komen aan de andere kant ongeschonden naar buiten, tenzij u dit niet leest maar naar een wit scherm staart; dan is er toch iets misgegaan.

IMG_20191201_193848752Een straat verder is de lichttunnel ondertussen aan het echte werk begonnen: in razendsnelle opeenvolging toveren de duizenden lampjes kleurige, veelvormige patronen op het gebogen oppervlak terwijl er kersthits worden afgespeeld. All I Want For Christmas, War is Over, en vele anderen – we hopen maar dat de omwonenden inspraak in de afspeellijst hebben gehad, want als we het goed begrepen hebben wordt deze voorstelling vijf keer per avond gegeven.

We lopen naar de Kerstmarkt in het Leopoldpark. De contouren van de draaimolens en de kramen en de huisjes zijn met lichtjes aangegeven, ook sommige bomen zijn met lichtjes omwonden, er is een schaatsbaan waarop wordt geschaatst. Het is een heuvelachtig park en daarom is het een mooi klein kerstdorp om doorheen te dwalen. Als het zou sneeuwen zou de avond perfect zijn. Soms zou je willen dat het hiernamaals een kerstfilm was. De achterste draaimolen staat helverlicht hoog op een heuvel aan de rand van de kerstmarkt, erachter ondoordringbaar duister – opeens is de gezelligheid ver weg, alsof uit het duister handen zullen komen die de kinderen van de paardjes en uit de wagentjes zullen grissen, alsof deze uithoek van de kerstmarkt is ontworpen door Stephen King.

Thuisgekomen kijken we uit over de donkere zee. Het is de vierde keer dat we hier zijn, en telkens lijken er weer nieuwe lichten bijgekomen in het donker. Sommige dingen zijn nog hetzelfde, zoals de mysterieuze scheepsfile aan de horizon. De windmolens in de verte blijken inmiddels voorzien van rode lichten, die allemaal min of meer tegelijk aan en uit gaan, allemaal min of meer op dezelfde hoogte. De windmolens zelf zijn onzichtbaar. Je kan er lang naar kijken zonder het helemaal te begrijpen. Ja, het zijn windmolens met rode lampjes maar het is ook iets heel anders, een boodschap die niet te ontcijferen is en misschien toch aan jou gericht.

 

 

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen