de goede zoon; recensieoverzicht

 

omslag jpgEen overzicht van wat er inmiddels zoal is geschreven over De goede zoon.

‘Heel bijzonder,’ schreef Rob Schouten in Trouw. ‘Lezers van Rob van Essen moeten wel literaire avonturiers zijn, voor geen kleintje vervaard. […] zijn werk herinnert aan dat van Murakami en Paul Auster en het doet soms ook een beetje denken aan James Bond en Startrek. […] Het lijkt of Van Essen de vraag wil stellen wat er in de toekomst nog overblijft van ons ik, van onze identiteit. Tegelijkertijd is hij zich er voortdurend van bewust dat hij literatuur bedrijft, dat het fictie is wat hij schrijft. Die twee elementen, boodschap en verbeelding, sturen zijn romans in even onwaarschijnlijke als onvoorspelbare richtingen.’

Lees de hele recensie hier: Trouw Letter & Geest, 13-10-2018, Rob van Essen, De goede zoon

*

Vier ballen in de NRC, van Judith Eiselin: ‘Een roman waarin álles mogelijk lijkt. Wc’s informeren je over je bolus, robots begrijpen ironie, auto’s rijden zelf en kunnen converseren, en nog veel meer. Meestentijds weet je niet waar Van Essen het vandaan haalt of kun je er van alles bij halen (behalve aan Dr. Strangelove dacht ik bijvoorbeeld aan Ogen van tijgers van Tonke Dragt). […] Het is een krankjorume wereld, en toch ook weer niet. Want De goede zoon is toch vooral een roman over een man die zijn moeder kwijt is. Hij vraagt zich af wie zij was, en wie hij zelf is. […] De bevreemding van de hoofdpersoon werkt door in de lezer van dit rijke, wonderlijke boek.’

De hele recensie, mét tekening van Paul van der Steen: NRC Handelsblad, 19-10-2018, Rob van Essen, De goede zoon

*

Marja Pruis in De Groene Amsterdammer: ‘De droefgeestige en sardonische bespiegelingen die Van Essen loslaat op de toekomstige mens en diens omgeving zetten het leven nú – en wat het betekent om mens te zijn – in een scherp, treurig en uiteindelijk meedogenloos licht. Het is een gecompliceerd, veellagig boek, De goede zoon, met een verteltoon die uit alle macht lichtheid blijft nastreven, grappigheid soms, en een diepere betekenis die voortdurend nét onder het oppervlak schuilgaat. […] Zoals we inmiddels van Van Essen gewend zijn, laveert hij in zijn fictie tussen droom en werkelijkheid, een ‘echte’ en een bijna magische wereld. […] In zijn woordkeuze, en in de manier waarop hij parallelle werelden oproept van droom en realiteit echoot Van Essen de mystiek van het gedicht Afsluitdijk van Vasalis […] De roman evenaart Vasalis’ gedicht in een helder soort raadselachtigheid, een verdrietig existentieel besef, en ja, zonder meer, in zijn schitterende kracht.’

Hier de hele recensie, let ook op de foto: De groene amsterdammer, 01-11-2018, Rob van Essen, De goede zoon

*

‘Van Essens boeken zijn toegankelijk genoeg, intelligent zonder topzwaar te worden,’ schreef Thomas van den Bergh in HP/De Tijd. ‘In zijn schrijfstijl zit altijd een zekere lichtheid ingebakken, een ironie die veel lezers zou moeten aanspreken. […] Van Essens nieuwste, ambitieuze roman De goede zoon […] is zijn beste boek tot nu toe. […] Met De goede zoon laat Van Essen overtuigend zien dat kunst en literatuur ons geen verwrongen kopie van de werkelijkheid dient voor te houden, maar ons juist kan verzoenen met de onbegrijpelijkheid van alles. Dat resulteert in een groots en overdonderend boek.’

Zie voor meer hier: HP de Tijd 30 oktober 2018

*

In De Standaard vier sterren van Matthijs de Ridder: ‘De Nederlandse auteur Rob van Essen roept in De goede zoon een wereld op die op tal van punten nog zeer herkenbaar is, maar in het hart van het verhaal is niets meer wat het lijkt. […]De goede zoon is geschreven vanuit een fundamenteel en herkenbaar gevoel van ontheemding. Wat er precies veranderd is, blijft onduidelijk, maar dat de beschaving die ons moest behoeden voor onwetendheid, machtswellust en geweld schielijk is verdwenen (zie Trump, Brexit, enz.), is een onweerlegbaar feit.’

Het hele stuk is hier te zien: recensie De goede zoon, De Standaard Letteren, 16-10-2018

*

Coen Peppelenbos in Het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant: ‘Je krijgt pas geleidelijk door dat alles met alles te maken heeft in deze complexe, maar razend knappe roman. […] Het wordt tijd dat Rob van Essen een grote prijs krijgt.’ (Hij doet er vijf sterren bij.)

De recensie staat ook  op Tzum, zie hier.

*

In BoekenFM, de podcast van Das Mag en De Groene Amsterdammer, bespraken Peter Buurman, Ellen Deckwitz en Joost de Vries de roman. Die laaste zei: ‘Een heel, heel bijzonder boek […] Geef alsjeblieft de Libris Prijs aan De goede zoon. Dit is echt heel bijzondere literatuur, waarin je als lezer aan het werk wordt gezet, waarin je ook beloond wordt als lezer, het is uiteindelijk echt ontroerend. […] Met veel verbazing en verwondering gelezen. […] Een boek dat ik niet zomaar met iets anders zou kunnen of willen vergelijken.’

De hele podcast is hier te beluisteren.

*

En op de site van De Groene Amsterdammer staat ook nog een aflevering van de rubriek ’21 vragen aan…’ waarin ik, inderdaad, 21 vragen beantwoord: zie hier. Over Alan Watts, de Strugatsky brothers, hongerende personages en Tristram Shandy.

Advertenties
Geplaatst in de goede zoon, recensie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

teentje breken in kamagurkistan

 

Met Metsike en D. naar ’s Hertogenbosch, of beter gezegd, naar Kamagurkistan, de Kamagurka-tentoonstelling in het Noord Brabants Museum. D. is een fan, ik ging eigenlijk alleen mee omdat Metsike binnenkort Kamagurka gaat interviewen. Vroeger hield ik erg van Kamagurka, maar de laatste jaren (decennia) was daar een beetje de klad in gekomen, zijn werk begroette ik inmiddels met een wat achteloos ja-nu-weten-we-het wel. Dat was àl te achteloos, bleek deze middag; ik vond het gevoel terug waarmee ik ooit een album als De Rimpelclub had gekoesterd. (Op het trottoir zittende man met hamer: ‘Teentje breken meneer?’ Passant: ‘Ach waarom niet, ik ben toch bijna thuis.’)

Maar dat kwam pas later, het eerste dat opviel was de grote besmettingsfactor dat het werk van Kamagurka bezit. Om de tentoonstellingsruimte te bereiken moesten we eerst door wat zalen met moderne kunst en terwijl we daar naar de opgehangen dan wel neergezette werken keken, kregen we sterk de indruk dat het hier om parodieën ging en dat alle namen op de bordjes pseudoniemen van Kamagurka waren. Immuniteit was hier een teken van kwaliteit: alleen een schilderij van Marc Mulders slaagde erin zich te onttrekken aan de infecterende werking van wat een paar zalen verder was te zien.

En daar was veel te zien, van jeugdwerk tot cartoons die een paar dagen geleden in de krant hadden gestaan. Strips en cartoons die ingelijst aan de muren van een museum hangen, dat is niet de bedoeling, je kan ze beter thuis lezen – dat zou je denken, ik dacht het ook, maar juist die ingelijste tekeningen herstelden mijn gedoofde vertrouwen in het werk van Kamagurka, meer dan de echt museale objecten in deze zalen, de schilderijen en de beelden. (Die laatsten voornamelijk variaties op spiegeleieren.)

Van de vervreemdende en soms melancholische absurditeit van Bert Vanderslagmulders tot de uitzinnige logica van het universum van Cowboy Henk – het was allemaal opwekkend goed, ongekend goed bijna, al kende ik het meeste al van vroeger. En ja, het kan uiterst flauw zijn in Kamagurkistan, zie schilderijen als De schreeuw en Bassie en Mondriaan, maar toen ik ervoor stond werd ik bevangen door een prettige weerloosheid die me aan het lachen bracht. En dat gold niet alleen voor deze schilderijen. Je kon om je kamagurkistan 4kamagurkistan 7heen wijzen in deze zalen en beweren dat alles flauw was, en dan had je waarschijnlijk nog gelijk ook, maar toch was er sprake van raffinement waardoor je je eraan overgaf –  alsof de kunstenaar je voor was geweest door zich die flauwiteiten toe te staan, alsof hij eerder dan jij had gezien dat die flauwheid een opwekkende en verrassende werking kon hebben, kortom, dat wat je als flauw had betiteld helemaal niet flauw was, sterker nog, dat ‘flauw’ een categorie was die helemaal niet bestaat. ‘Flauw’ is een definitie voor als je van buiten naar binnen kijkt. Eenmaal binnen is die niet meer van toepassing. Niet voor niets is de tentoonstelling (nog tot morgen te zien) opgebouwd als een land met een naam, een grens en een slagboom.

Behalve de besmetting vanuit Kamagurkistan naar de omringende zalen toe was er nog kamagurkistan 3een poging tot infectie, de andere kant op, vanuit het museum richting Kamagurkistan: her en der hing bij een schilderij of een tekening een bordje met het droge en uitleggerige conservatorenproza dat doorgaans op dergelijke bordjes te vinden is. Maar het werk van Kamagurka liet zich niet besmetten door deze museale benadering, je dacht meteen dat de artiest deze teksten zelf had geschreven, bij wijze van parodie, en ook de paar rondleiders die met hun groep in het kielzog in hetzelfde conservatorenproza vertelden over de thema’s van de kunstenaar waren niet te vertrouwen; ook hun rol was ongetwijfeld door Kamagurka geschreven. In Kamagurkistan was maar plaats voor één autoriteit en dat was de naamgever zelf. Ik liep er rond en dacht: als ik ooit in een ziekenhuis terechtkom (iemand die we kenden was opgenomen en die middag hoorden we dat het weer beter ging), wil ik daar het verzameld werk van Bert Vanderslagmulders lezen.

kamagurkistan 5Het was gistermiddag behoorlijk druk in de drie zalen die deze tentoonstelling besloeg, maar niemand liep een ander in de weg. maar niemand liep een ander in de weg. Er werd veel gelachen, door ons en door de anderen, en dat was op zich al opmerkelijk, wanneer wordt er nou gelachen in musea? Hier zag je mensen de slappe lach krijgen voor wanden met cartoons, hoofdschuddend, opgewekt, met schuldige schrik als het grof én grappig was. Ik zag zelfs iemand zich van vreugde op de knieën slaan, en terecht. Vreemden die op hetzelfde moment in de lach schoten keken elkaar onder het lachen even aan, om op quasi-verontschuldigende manier een ervaring te delen. De sfeer in de zalen was licht en prettig. Mensen die lachen zijn aardig voor elkaar, ze dringen niet voor, ze vinden het niet erg als iemand per ongeluk op hun tenen gaat staan, ze kijken hun medelachers herkennend aan, ook al zien ze die voor het eerst en laatst in hun leven. Ze moeten ook wel vriendelijk zijn: als je lacht ben je verslapt, hulpeloos, kwetsbaar, humor verbindt en verzoent en dat is maar goed ook: al lachend kan je je niet verdedigen, ook aanvallen hoort niet echt tot de mogelijkheden. Het was een mooie middag. Teentje breken hing er ook.

kamagurkistan 6

 

Geplaatst in Geen categorie, kunst | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

liefde en hamburgers

 

presentatie2

Bij de presentatie van De goede zoon, gisteren in het tuinhuis van de uitgeverij, kreeg ik een opwindrobot en een beurtbalkje dat écht niet uit een Albert Heijn was gestolen, zo werd me verzekerd door de geefster, die we voor de zekerheid toch maar niet met haar volledige naam zullen aanduiden; laten we haar Edith V. noemen.

Edith Vroon was er ook. Ze hield een mooie toespraak en las de eerste pagina van De goede zoon voor. Daarna vroeg ik de aanwezigen wat ze nog wilden horen, want ik was van plan geweest dezelfde pagina voor te lezen. ‘Pagina 62 tot 64!’ riepen medewerkers van de uitgeverij (en niet de minsten) enthousiast in koor, wat ik nogal opvallend vond gezien de aard van de passage.

Iedereen die erbij was: dank voor je komst! Ik was jullie helemaal vergeten te vertellen dat de schedel op mijn shirt een verwijzing was naar de met diamanten bezette schedel van Damien Hirst, het kunstwerk For the love of God dat in de roman een rol speelt. Tegen het einde van de presentatie werd in kleine kring nog eens benadrukt dat binnen twaalf maanden bij iemand een tatoeage van die schedel zal worden aangebracht. Vanwege de aard van de weddenschap en door verwaterd boeddhisme ingegeven compassie met de andere partij zie ik me genoodzaakt te hopen dat ik diegene ben. Over het formaat (of de plek) is gelukkig niets afgesproken.

Na afloop zaten we met z’n vieren in een hamburgerrestaurant. Onze serveerster zat op de middelbare school die Metsike ooit had bezocht, er viel een naam van een docent die over de generatiekloof heen bij beide partijen nog steeds eenzelfde enthousiaste afkeer opriep. (‘Nee maar echt!’) We hielden haar zo lang aan de praat dat we bang waren dat ze ontslagen zou worden. Bij het afrekenen werd ons verzekerd dat dat niet zou gebeuren.

Geplaatst in de goede zoon, Geen categorie | Tags: , , , , , , | 2 reacties

uitnodiging

Voor iedereen bij wie dit soort uitnodigingen in de spambox terechtkomt, voor iedereen van wie ik geen e-mailadres heb:

uitnodiging

Geplaatst in de goede zoon, schrijven | Tags: , | 4 reacties

life on mars

nagele 4

Met F. en H., in hun auto, naar Nagele gereden. Het was er mooi weer voor: blauwe lucht, wolken van strakke slagroom. Ik kom eigenlijk alleen met de trein door de polder, en ook dan zie je ze staan, maar pas als je er met de auto doorheen rijdt zie je pas goed dat heel Flevoland is vergeven van de windmolens. Ze draaien lusteloos met hun wieken, je kan je niet voorstellen dat door die slome bewegingen energie wordt opgewekt, je krijgt de neiging een raampje open te draaien en te roepen: Doe es wat beter je best, lamzakken! (Hier de dictie van een gymnastiekleraar uit de jaren zeventig bij denken.)

Als je de Noordoostpolder binnenrijdt merk je meteen het leeftijdsverschil met Flevoland, alles wat ouder, de bomen wat hoger. We naderen Nagele via de Domineesweg, parkeren bij de Spar en lopen rond. We hebben ons een beetje ingelezen, herkennen het grote middenterrein met de drie kerken en de drie scholen (katholiek, hervormd, gereformeerd). Om dat grote veld liggen kleine wijken met strokenbouw, elk weer om een (kleiner) veld heen. Het enige dorp in de Noordoostpolder dat (in de jaren vijftig) is ontworpen door architecten van het Nieuw Bouwen, en niet de minsten; Cornelis van Eesteren, Aldo van Eyck, Jaap Bakema, Gerrit Rietveld en de tuinarchitecte Mien Ruys werkten mee aan de plannen voor het dorp. Als je er rondloopt wordt je enigszins onderworpen aan de wet van de remmende voorsprong: erg bijzonder was het op het eerste gezicht niet, de strokenbouw met platte daken deed ons denken aan saaie nieuwbouwwijken uit onze jeugd, in mijn geval Ede-Veldhuizen.

Met als verschil de ruime opzet, met die velden, en vooral dat parkachtige middenveld met de kerken en de scholen, het bezat meer eenheid dan die nieuwbouwwijken van groeikernen uit de jaren zestig en zeventig, een heel dorp dat in één keer is ontworpen en neergezet,  omvat door de stevige, hoge bomenwal die het dorp vanaf het begin moest beschermen tegen de nietsontziende, over de lege lage polder scherende wind.

De kerken zijn klein maar toch, op een bescheiden manier, monumentaal. Blijkbaar waren de katholieken het minst kerkvast, want in hun voormalige kerk was het museum gevestigd, de andere kerken deden nog dienst. In de hal van het museum stond een Rietveldstoel, volgens het briefje dat erop lag in de jaren tachtig gemaakt door bewoners nagele 5van een van de door Rietveld ontworpen huizen. Van buiten zag je het er niet meteen aan af, maar die voormalige kerk was van binnen behoorlijk groot voor zo’n klein dorp, een van de wanden bestond uit in beton gevatte kleine vlakken glas. In het museum werd Een nieuw dorp op nieuw land vertoond, een film uit 1960 van Louis van Gasteren over nagele 2het ontwerp en de bouw van Nagele, alles in zwart-wit. Bij de beelden van overleggende en elkaar maquettes overhandigende architecten viel op dat de voice-over geen enkele naam noemde, ook verscheen er geen enkele naam in beeld als ondertitel; blijkbaar ging het om het collectief. Ook de term ‘het Nieuwe Bouwen’ viel nergens. Na beelden van bijeenkomsten van architecten volgden heroïsche beelden van aanleg en bouw (heien in het midden van oneindige velden, steigers, betonmolens, metselaars, stralend nieuwe blokken, nog steeds in het midden van niets). In de tweede helft van de film werd, nog steeds in zwart-wit, een landarbeider gevolgd die met zijn gezin van het oude land verhuisde naar zijn nagele 1nieuwe woning in Nagele. Een al wat oudere man met ingevallen wangen en sjofele kleren verliet zijn arbeiderswoninkje in een niet nader genoemde straat in een niet nader genoemde stad en beklom de laadbak van een vrachtwagen waar een deel van zijn gezin al in had plaatsgenomen, naast hun met een dekzeil overtrokken huisraad. De echtgenote zat naast de chauffeur in de cabine. Uitgezwaaid door de buren reden ze de straat uit. Bij de grens van het nieuwe land werd eerst een uitkijktoren beklommen voor er verder werd gereden. Alle geluiden waren duidelijk nagesynchroniseerd, en er kwam niemand aan het woord, behalve de voice-over.

Ze reden verder en kwamen in Nagele aan. De bescheiden huizenblokken waren blinkend nieuw. Alles was recht en hoekig en ruim en helder. En net als toen ik vorig jaar in het Amsterdamse stadsarchief een tentoonstelling over de bouw van de naoorlogse stadsuitbreiding bezocht (zie hier) viel me ook nu op dat het nieuwe decor eigenlijk té nieuw was: het verschil met de oude vrachtauto, met de kleding van de mannen en de vrouwen, met die mannen en vrouwen zelf, met de straat waaruit ze hierheen waren gehaald, met de eikenhouten meubels die uit de vrachtwagen werden geladen – al die verschillen waren te groot, alsof er een tijdreis was gemaakt, alsof ze op een andere planeet waren terechtgekomen; ik moest denken aan de kolonisten die in de verhalen van Ray Bradbury naar Mars vertrekken. In het begin van de film had de kleding en het trage, minzame gedrag van de architecten al hopeloos ouderwets aan gedaan vergeleken met de glashelderheid van wat ze aan het ontwerpen waren – alsof ze willoze marionetten waren van een toekomst die via hen zichzelf ontwierp.

En daar liepen ze dan, de nieuwe kolonisten, daar liep de man met ingevallen wangen in zijn sjofele pak door zijn kleine nieuwe rijtjeshuis, vol licht en rechte hoeken. Daar liep zijn vrouw, daar kwamen de buren het nieuwe gezin begroeten, op hun nieuwe planeet, waarvan de horizontale leegte werd benadrukt door de platte daken van de lage woonblokken. Alles moest plat zijn, dat hadden de architecten in hun wijsheid besloten. De meeste bewoners zullen graag een zolder hebben gehad, maar nee, geen punt- of zadeldaken, zelfs de kerken hadden platte daken en de torens moesten het zonder spits stellen; alles werkte mee om een idee van horizontale uitgestrektheid te benadrukken. Het middenterrein waar het huis van de zojuist gearriveerde ruimtereizigers op uitkeek en waar nog geen enkele volwassen boom stond was van een reusachtige en ruimtevrees verwekkende leegte. Alleen de groepjes kinderen die door die oneindige ruimte rondrenden leken zich nergens iets van aan te trekken. Ook op de zwart-wit foto’s van Eva Besnyö die elders in het museum hingen zag je die eerste generatie Nagelse kinderen onbekommerd spelen op de pleinen van hun nieuwe lage horizontale scholen met op de nagele 6achtergrond die huiveringwekkende leegte van het middenterrein; alleen de bomenrij in de verte hield het allemaal nog een beetje bij elkaar.

Toen we het museum verlieten waren we weer in het huidige Nagele, in kleur, met hoge, volwassen bomen, alles beheersbaarder en kleiner, vriendelijker en rustiger. We liepen nog even langs de Spar naar het kleine winkelstraatje, een mini-lijnbaan. Daar was geen winkel meer te bekennen, de als etalage ontworpen uitbouwtjes waren leeg; ook de toekomst is niet voor de eeuwigheid – hier had de toekomst die zichzelf had ontworpen zichzelf ingehaald.

 

 

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

ik dacht dat we iets hadden opgebouwd, zei het blok

IMG_20180824_115935258 IMG_20180824_115948610

Naar het Stedelijk Museum voor de tentoonstelling van Studio Drift, en natuurlijk vooral om het zwevende betonblok te zien. Dat werk was niet te missen: je liep de trap op en daar hing het, in de Erezaal. Kalm zweefde het boven een afgezet gedeelte van de zaal, groot en rechthoekig. Mijn eerste, onwillekeurige reactie: waar zijn de draadjes? Maar er waren geen draadjes, het was inderdaad zo dat het blok zweefde. Mijn tweede reactie: het is beschilderd piepschuim, hoewel het ruw betonnen oppervlak er geloofwaardig uitzag.

Er waren veel bezoekers, het blok werd gefotografeerd en gefilmd met telefoons, het was dan ook een vreemd en vervreemdend gezicht, iets dat niet kon en dat toch gebeurde, waar wij bij stonden. Ik bevond me in een van de eerste scènes van een Hollywoodfilm over een buitenaardse invasie. Er is een vreemd object gevonden, het is ondergebracht in een loods in de woestijn, en nu wordt het ding in die loods door groepen wetenschappers van verschillende disciplines geobserveerd. Wij, de bezoekers, speelden die wetenschappers, maar we moesten ons niet te veel van onze rol voorstellen, wij waren de disposable extra’s, het was een kwestie van tijd voordat de zijkanten van het zwevende blok opzij zouden klappen en wij allemaal door een felgroene death ray tot as werden teruggebracht – waarna het eigenlijke verhaal van de film zou beginnen.

Het idee dat ik me in een filmscène bevond werd nog versterkt door de harde drone-achtige muziek die in de zaal klonk, eerder klank dan muziek. Ik zag nu ook dat het blok bewoog, het zweefde rond boven het afgezette deel van de zaal; misschien was dat er net te veel aan, want aan de manier waarop het blok bewoog, zag je op de een of andere manier dat het niet zwaar en massief was. Daarvoor waren de kleine, trage zwenkingen die het maakte te luchtig, te licht. De zwarte stippen aan de zijkanten die ik aanvankelijk voor schroeven had gehouden bleken kleine luchtgaten.

Wat er ook te veel aan was: de informatie op het wandbordje. Informatie bij hedendaagse kunst, dat blijft altijd tricky, omdat het zo sturend is. … Dit blok is echter losgebroken uit het collectief, en conformeert zich niet aan de geldende structuur.  Opeens is het blok niet meer iets opzichzelfstaands, een autonoom wonder, maar krijgt het een IMG_20180824_122851889verhaal (een narratief, moet je dan natuurlijk zeggen, uit het gebruik van een woord als  ‘echter’ wordt al duidelijk dat het hier om belangrijke zaken gaat.) Door deze informatie wordt het blok bijna een individu, je zou dan ook willen dat het verder ging met zijn verhaal, en langzaam de zaal verliet, over de grote trap naar beneden zweefde en door de ruiten heen brak, de straat op, om daar mensen en auto’s te gaan verpletteren, of wie weet om op zoek te gaan naar het collectief, om zich daar weer mee te verenigen.

Ik vind het altijd wel prettig om gewoon te mogen kijken, zonder nadere sturing. Natuurlijk, ik verzin er ook verhalen bij, zie boven, maar dat is in reactie op wat ik zie, om er iets van te maken, van dat wonder. Als producenten en conservatoren het wonder al van te voren gaan inkaderen, heb ik als kijker niets meer te doen.

Het blok zweefde natuurlijk niet de trap af, maar er gebeurde wel iets anders: het zweefde langzaam naar beneden, naar de vloer, het ging landen, vlak naast de afscheiding. Dat had ik niet verwacht, ik vroeg me af of het ’t geluid zou maken van een landend betonblok, of het dan toch om iets zwaars zou gaan. Maar nee, het landde geruisloos, of zweefde het nog een millimeter boven de vloer?

Het bleek in ieder geval niet de bedoeling. Een suppoost liep met zwaaiende armen rond en riep dat we de zaal moesten verlaten, we’re closing for ten minutes, we’re closing for ten minutes! Verschillende gasten staken een hand uit naar het blok, nu het eindelijk onder bereik was. Don’t touch! Don’t touch! riep de suppoost, maar ook ik liep erop af om even te voelen. Ik voelde beschilderd linnen dat een beetje meegaf. Doek, waarschijnlijk gespannen op een houtskelet, het ding woog misschien maar een paar kilo. Op hout gespannen doek: ik had gewoon de hele tijd naar een schilderij gekeken

Toen ook ik de zaal verliet had ik spijt dat ik het blok had aangeraakt. Natuurlijk was het nooit een zwevend betonblok geweest. Maar waarom moest ik dat dan ook nog eens proefondervindelijk voor me zelf bewijzen? Ik voelde me lullig, als een man die zijn hand op De Nachtwacht heeft gelegd en verontwaardigd uitroept: maar het zijn helemaal geen mensen, het is beschilderd doek!

Ik had naar die suppoost moeten luisteren, maar zoiets weet je pas achteraf. Het had met respect te maken, niet voor die suppoost of het duo van Studio Drift maar respect voor het object zelf, dat zo zijn best had gedaan om de illusie in stand te houden. En dat samen met mij, daar ging het nu juist om. Ik dacht dat we iets hadden opgebouwd, jij en ik, zei het blok; maar in plaats daarvan moest je per se even voelen.

 Zo was het: alsof er tijdens een goochelvoorstelling iets mis ging zodat je zag hoe het werkte; en je voelde opwinding maar achteraf werd je er een beetje treurig van – want je wist de hele tijd al dat het weesmeisje niet door midden wordt gezaagd; maar desondanks je zag het voor je ogen gebeuren en daar ging het nu juist om.

 

 

 

 

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , | 3 reacties

oude dagboekaantekening

28 maart 2000

Verleden week dinsdag kwam Troje van de drukker, en kreeg ik op de Van Miereveldstraat een eerste exemplaar overhandigd door Jasper. Die nacht droomde ik dat ik op de middelbare school zat. Er was een repetitie die ik niet had geleerd. Het was niet de eerste repetitie die ik niet geleerd had, ik voerde al tijden niets uit, en dat begon in de gaten te lopen; ongerust­heid. Waarop een lerares mij onder haar hoede nam, en mee naar haar kamer. Waarna een leraar kwam die haar met zich meenam, van mij afpakte. Waarna ik naar huis ging. Op een stoffige zandweg werd ik opgewacht door drie jongens die mij in elkaar wilden slaan.

 

 

Geplaatst in boek, schrijven | Tags: , , | 2 reacties