scipio’s zuster (slot)

 

Bij wijze van feuilleton: het laatste verhaal over Scipio, in vier delen. Vandaag het laatste deel. (Dit hele verhaal is trouwens geschreven toen ik eerder deze zomer op Amstelglorie in het Wolkershuisje zat.)  

 

Ik was toevallig bij Scipio op bezoek toen hij dat telefoontje kreeg, we zaten met z’n allen in de gemeenschappelijke woonkamer van  de studentenflat naar voetbal te kijken, de telefoon hing in de gang, toen hij had opgehangen kwam Scipio de woonkamer binnen en vertelde wat hij zojuist telefonisch had afgesproken. Nu moeten we alleen nog een kat vinden die sprekend op die kat van de foto lijkt, zei hij, hoe moeilijk kan dat zijn?

Nog behoorlijk moeilijk, zo bleek. Ten eerste had niemand meer een poster, dus werd er iemand naar buiten gestuurd om een exemplaar van de dichtstbijzijnde lantarenpaal te halen. Daarna werd er druk rondgebeld naar mensen van wie we wisten dat ze katten hadden. We stonden op een kluitje om de telefoon. En heeft jou kat dan ook een zwarte vlek tussen zijn oren? Ken je dan misschien iemand die… Het werd later en later, op een gegeven moment waren we mensen uit bed aan het bellen. Maar we hadden geluk, iemand kende iemand die bij het asiel op de Polderweg werkte, misschien moesten we die eens bellen. Dat deden we, hij was thuis en sliep niet, tenminste niet meer toen hij de telefoon opnam. Vreemd genoeg was hij meteen enthousiast. Hij wist meteen waar het om ging, hij had de poster zien hangen en had hem zo leuk gevonden dat hij hem had meegenomen naar zijn werk, het ding hing nu op het prikbord in de personeelsruimte. Ze hadden daar vast wel ergens een kat die op het dier van de foto leek. Uitlenen deden ze natuurlijk niet bij het asiel, maar er viel wel iets te regelen.

En er werd iets geregeld. De volgende ochtend kwam Scipio thuis met een grote kattentas waarin een kat zat die een redelijke gelijkenis vertoonde met het dier van de foto. Ik was weer van de partij, ik wilde er niets van missen. De kat blies en gromde, en toen we op Scipio’s kamer de tas openmaakten, schoot hij in een rechte lijn onder het bed, maar niet nadat hij Scipio een fikse haal over zijn hand had gegeven. We probeerden hem te lokken met speeltjes en lekkere hapjes, die Scipio speciaal voor de gelegenheid had aangeschaft, maar het dier liet zich niet vermurwen. Zodra een hand te ver onder het bed stak, schoot hij naar voren om uit te halen. Laat hem maar even, zei Scipio, hij moet vast nog wennen. Hij stak zijn hoofd onder het bed en riep: ik heb een gloednieuwe kattenbak voor je gekocht, hij staat daar in de hoek! Het was mooi geweest als de kat nu had geantwoord: dat zie ik ook wel lul, en toch ga ik je hele kamer onderpissen, maar dat gebeurde niet. We sloten de kamerdeur en liepen naar de keuken, waar we met een paar andere bewoners koffie gingen drinken, of bier, dat weet ik niet meer. Zo nu en dan ging Scipio even kijken ‘of de kat al gewend was’, telkens kwam hij met nieuwe beschadigingen terug. We begonnen ons ongerust af te vragen hoe dat vanavond zou moeten, als Nansie langs kwam om de kat te aaien. Iemand kende een meisje dat op een andere eenheid woonde en dat erg goed was met katten. Ze werd erbij gehaald en na vijf minuten stak ze haar hoofd om de keukendeur met de mededeling dat ze een tetanusinjectie ging halen. Dat zou jij ook moeten doen, zei ze tegen Scipio, die er bij liep als een zelfmutilator die net enthousiast een pak nieuwe scheermesjes heeft opengemaakt. Dat is van later zorg, zei Scipio, ik denk dat ik die man van het asiel nog eens ga bellen, of hij geen verdovend of kalmerend middel heeft.

De man van het asiel had van alles, maar was natuurlijk geen dierenarts, en het was bovendien niet de bedoeling dat gezonde katten medicatie toegediend kregen om ze handelbaar te maken. Alles draaide om het winnen van vertrouwen en dat kon een proces van weken zijn; maar aangezien deze kat vanavond al moest optreden, viel er wel iets te regelen. Aan het eind van de middag kwam hij wel even langs, beloofde hij.

En inderdaad, aan het eind van de middag kwam hij langs. Hij had een koffertje bij zich en grote handschoenen. Laat me maar even met hem alleen, zei hij, mij kent hij wel. Op het asiel noemen we hem trouwens Horror, dat had ik er vanmorgen misschien even bij moeten zeggen.

Hij verdween in Scipio’s kamer en na een kwartier riep hij met gedempte stem over de gang dat we konden komen, als een begrafenisondernemer die klaar is met het lijk. We dromden de kamer binnen, de kat die blijkbaar Horror heette lag op de vloer te spinnen en tikte zacht tegen een speelgoedmuis. Scipio liep naar voren en begon hem voorzichtig te aaien. Horror begon harder te spinnen en draaide zich loom op zijn rug. Nu moet je zijn buik aaien, zei de man van het asiel. Wat heb je hem gegeven? vroeg Scipio, terwijl hij met zijn vingers in Horrors borsthaar kroelde. Als ik dat zeg moet ik jullie allemaal doden, zei de man, en erger nog, dan raak ik mijn baan kwijt. Ik denk dat het de komende zes, zeven uur wel goed zit met hem. Veel succes! Toen hij de kamer verliet zagen we dat hij een grote scheur in de achterkant van zijn overhemd had.

We gingen eten (steeds ging er iemand kijken of de kat nog goed was) en daarna wachtten we op Nansie. Precies op het afgesproken uur werd er gebeld. Er kwamen twee geblondeerde vrouwen de trap op, zo te zien moeder en dochter. Beiden zagen er moe uit. De dochter droeg een klein mager meisje dat een grote roze pleister op haar voorhoofd had. Dit is Nansie. Zeg eens goedenavond Nansie? Goedenavond, zei Nansie zacht. Ze droeg een geel jurkje. Haar huid was bleek doorzichtig, je zag overal blauwe aderen. Nadat ze was neergezet deed ze een paar voorzichtige passen, alsof ze van een andere planeet kwam en haar lichaam nog niet precies wist hoe het hier zat met de zwaartekracht en de draagkracht van de bodem. Ze keek met grote ogen naar ons omhoog en vroeg: waar is de kat?

Ik zal je naar hem toebrengen, zei Scipio. Hij had gelukkig een overhemd met lange mouwen aangetrokken. Hij pakte haar handje en liep langzaam met Nansie naar zijn kamer. Wij volgden, moeder en grootmoeder sloten de rij. Ach gut dat kind, zei grootmoeder met doorrookte stem. We hielden onze adem in toen Scipio zijn kamerdeur opende, niet voorzichtig, maar met een achteloos gebaar, alsof hij er alle vertrouwen in had. Ik zag voor me hoe de kat naar buiten sprong om zijn klauwen in het hoofd van het meisje te zetten, maar dat gebeurde niet. Horror lag rustig op Scipio’s bed. Kijk, dat is hem, zei Scipio, dat is de kat van de poster. Hij heet Felix. Zullen we hem gaan aaien?

Nansie keek naar de kat en knikte. Ze liepen naar het bed, Nansie stak haar hand uit en aaide de kat, met houterige bewegingen. De kat rekte zich uit en begon te spinnen. Hij spint, hoor je wel? zei Scipio. Dat betekent dat hij je aardig vindt.

Ach gut dat kind, zei de grootmoeder weer, en even dacht ik dat ze Scipio bedoelde. Nansie aaide nog een paar keer en keerde zich toen om naar haar moeder. Leuk? vroeg die. Is het een lieve kat? Nansie knikte. Mooi, zei haar moeder. Nansie liep naar haar toe, greep haar hand en gevolgd door de grootmoeder verlieten ze de kamer. We volgden ze door de gang, Scipio haastte zich naar voren en liet ze uit.

Dat was het? riep ik nadat de voordeur achter ze was dicht gevallen, al die moeite voor vijf minuten? Hiervoor heb je je armen laten openhalen en al die spullen gekocht?

Het gaat niet om hoe lang zoiets duurt, zei Scipio, het gaat erom dat het is gelukt, dat zie je toch, het heeft gewerkt, iedereen gelukkig. Met die kattenbak en die andere spullen kunnen we vast wel iemand anders blij maken. En zo verspreiden wij geluk waar wij maar gaan. Hij wis toen nog niet dat de kat op zijn bed had gepist en dat hij zijn dekbed zou moeten weggooien.

Later die avond haalde de man van het asiel de kat weer op en dat was het verhaal van het meisje dat de kat wilde komen aaien. Ik weet niet of Scipio daarna nog contact met Nansie en haar familie had, hij had nog wel vage plannen om nog iets voor dat meisje te doen, een inzamelingsactie of zoiets, Een vakantie voor Nansie,  Geef Nans een kans, weet ik het, maar daar is natuurlijk nooit meer iets van gekomen.’

Aan de andere kant van de deur bleef het stil. Ik ging verzitten, er schoot een pijnscheut door mijn rug. ik was stijf en moe. ‘Wat een verhaal hè,’ zei ik, ‘ik vraag me af waarom ik het nooit opgeschreven heb.’

Het bleef stil. Ik legde mijn oor tegen de deur, ik hoorde niets, geen geritsel, geen ademhaling, geen aanwezigheid, alsof er aan de andere kant alleen maar leegte was. Ze was niet in slaap gevallen, ze was vertrokken. Had ik dit hele verhaal aan mezelf verteld? Ik kwam moeizaam overeind en rammelde aan de deur, krachteloos en tevergeefs, meer voor de vorm dan dat ik hoopte dat er iets zou gebeuren. Ik liep naar het raam en schoof de gordijnen open. Donkere tuinen, ergens brandde licht in een keuken. Ik ging niet schreeuwen. Ik keerde me om en liep naar de lichtschakelaar naast de deur. Kort kort kort, lang lang lang, kort kort kort. Ik herhaalde het een paar keer en dacht toen: en wat als er iemand komt? Ik deed de gordijnen dicht, piste in de wasbak en probeerde de radio; ik hoorde alleen maar ruis. Ik deed de radio weer uit en ging op het bed liggen om eens rustig over de situatie na te denken.  Door de sprei en het dekbed heen voelde ik hoe dun het matras was. Er zat een flauwe uitholling in waar ik precies in paste.

Toen ik wakker werd was het licht. Zweterig en verkreukeld zwaaide ik mijn benen van het bed. Ik zocht mijn schoenen, ik zag ze nergens, mijn blik zocht de hele kamer af, ik vond ze pas toen ik onder het bed keek: daar stonden ze, keurig naast elkaar. Nadat ik ze had aangetrokken schoof ik de gordijnen open. Een zonnige dag. In een achtertuin hing iemand de was op. Ik keek op mijn horloge. Tien uur. Ik liep naar de deur. Die klemde, maar na een paar keer proberen ging hij open. Verbaasd bleef ik staan. Ik deed de deur dicht en probeerde hem nog eens. Hij klemde behoorlijk, maar hij ging weer open. Ik probeerde het nog eens en nog eens, maar wel vanaf de andere kant, op de overloop. Ik herinnerde me haar zachte gelach. Had de deur ooit op slot gezeten?

Ik liep de trap af. Mijn jas hing nog aan de kapstok. De voorkamer was leeg. Ik liep door naar de achterkamer, op de eettafel stond een glas sinaasappelsap met een schoteltje erop. Zo vliegen de vitaminen niet weg, dacht ik. Het was iets wat mijn moeder vroeger zei. Naast het glas lag een briefje. Trek de voordeur maar gewoon achter je dicht, dat is genoeg, we zijn hier niet in Amsterdam. Ik liet het glas staan, liep naar de gang en haalde mijn jas van de kapstok. Mijn telefoon zat nog in een van de zakken. Ik stapte naar buiten, trok de voordeur achter me dicht en liep het tuinpad af. Ze moest vannacht mijn schoenen hebben uitgetrokken, ik was in slaap gevallen met mijn schoenen aan.

Onderweg naar het station kreeg ik steeds meer de indruk dat ik Scipio zelf had gezien, dat hij van geslacht was veranderd en zich hier als lerares Engels had gevestigd. Hoe langer ik erover nadacht, hoe logischer het leek, de enige aannemelijke verklaring voor de vreemde avond die ik achter de rug had. Het zou in ieder geval verklaren waarom zijn oude naam zo weinig sporen op internet had nagelaten. Ik had dat briefje mee moeten nemen, had ik thuis nog een oud handschrift van Scipio waarmee ik die boodschap had kunnen vergelijken? Nee natuurlijk, waarom zou ik dat al die jaren bewaard hebben, als ik ooit al zoiets had bezeten. Ik kon opzoeken waar ze les gaf, binnen het uur kon ik haar lokaal binnenvallen, daar stond ze dan, achterin de klas, en in de banken zaten die leerlingen met hun donzen huidjes, kijk jongens en meisjes, daar hebben we de auteur

Aan het eind van de straat doemde het station op, de gevel ving de frisse zon van de ochtend. Ik dacht: het is wel goed zo, doe ermee wat je wilt Scipio, schrijf er maar een mooi verhaal over, ja doe dat maar.

 

 

Advertenties
Geplaatst in scipio, verhalen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

scipio’s zuster (3)

Bij wijze van feuilleton: het laatste verhaal over Scipio, in vier delen. Vandaag deel 3. (Dit hele verhaal is trouwens geschreven toen ik eerder deze zomer op Amstelglorie in het Wolkershuisje zat.)  

 

Er klonk een zacht, snuivend gelach. Kort maar onmiskenbaar. ik was te verbaasd om kwaad te worden. ‘Is dit een grap? Hoe lang moet ik hier dan zitten? Tot ik boete heb gedaan? En boete voor wat? Wil je excuses? Had ik die verhalen over Scipio niet moeten schrijven? Had ik andere verhalen over hem moeten schrijven?’

‘Heb je andere verhalen dan?’

Haar stem bleef intiem klinken, alsof het geluid van haar woorden zich warmde aan het hout van de deur tussen ons in. Het was bijna alsof haar stem in mijn hoofd klonk.

‘Ja, ik heb wel andere verhalen over hem.’

‘Vertel er eens een.’

‘Doe je dan de deur open?’

Weer dat onverwachte snuivende lachje. ‘Vertel maar eerst.’

‘Goed,’ zei ik, ‘wat je wilt.’

Ik stelde me voor hoe ze daar zat, dicht bij de grond, haar oor tegen de deur. Als ik opeens heel hard schreeuwde zou ze zich rot schrikken. Maar daar schoot ik niets mee op. ‘Ik stond ooit met Scipio te liften,’ zei ik, ‘ergens in Brabant.’

‘Dat verhaal ken ik al,’ zei ze, ‘dat jullie toen door die agenten werden meegenomen naar Eindhoven en dat die ene agent iets van Cees Nootenboom had gelezen, dat heb ik verleden jaar in Tirade gelezen.’

‘Dat is een ander verhaal,’ zei ik, ‘dat is niet het verhaal wat ik wilde vertellen. We hebben vaker gelift. Maar als je het beter weet.’

‘Nee ga door.’

‘Op een middag stond ik met Scipio ergens tussen Zundert en Etten-Leur te liften toen er vlak voor onze ogen een auto over de kop sloeg.’

‘O, je hebt gelijk, dat is inderdaad een ander verhaal.’

‘Die auto bleef midden op de weg liggen, zwaar in de kreukels. In de anderhalf uur dat we daar hadden gestaan was het de eerste auto die langs was gekomen. Ik wou dat ik iets te drinken had, dat praat makkelijker.’

Om de behoefte aan vloeistof te benadrukken kuchte ik een paar keer. Zodra ze een hand met een glas water door de deuropening zou steken, zou ik de deur verder openduwen. Blijkbaar zag ze die scène ook voor zich, want ze zei: ‘Drink maar uit de wasbak.’

Ik keek om me heen, in de hoek van de kamer bevond zich inderdaad een wasbak, met een spiegel erboven. Hoe kon ik die tot nu toe hebben gemist? Er hing zelfs een handdoekje naast. Ik stond op, nu was ik wel verplicht om water te gaan drinken, ook al had ik helemaal geen dorst. Ik dronk een paar slokken en liet me weer bij de deur zakken. ‘Waar was ik gebleven?’

‘Over de kop,’ zei ze. ‘De enige auto die daar in anderhalf uur was langs gekomen.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Goed. Ik rende meteen naar de telefooncel die daar in de berm stond. Scipio en ik hadden ons daar al over verbaasd, een telefooncel midden op het platteland, maar nu kwam die goed van pas. Ik rukte de deur open, graaide de hoorn van de haak en toetste het alarmnummer in. Het meisje dat antwoordde had een accent dat ik niet zo gauw kon thuisbrengen, ze zei van alles, maar ik riep: ik sta hier tussen Etten-Leur en Zundert en er is hier een auto… Maar het meisje onderbrak me, en vroeg: Wat vond u van de manier waarop ik de telefoon aannam? Wat? riep ik. Ik sta hier tussen Etten-Leur en Zundert en… Kwam ik een beetje naturel over of klonk ik geforceerd? vroeg ze. Ik hing op en stapte de telefooncel uit. Scipio stond bij de verongelukte auto en deed z’n best om door de gebarsten voorruit naar binnen te kijken. Alle ramen van de auto waren geblindeerd, dus je zag niks. Ik zie hem nog staan, op z’n tenen, gereed om weg te springen, alsof hij verwachtte dat de auto elk moment kon ontploffen. Komen ze? riep hij naar me. Ze kunnen maar beter snel zijn denk ik. Nee, zei ik, ze zijn hier een beetje gek of zo. Nu keek Scipio wel om. Bel dan nog eens lul! riep hij. Dus ik ging weer die telefooncel in en toetste voor de tweede keer het alarmummer in. Nu nam een oudere vrouw op. Ik sta tussen Etten-Leur en Zundert en er is zojuis een auto… Was u dat? vroeg de vrouw, was u dat die net ook al belde en zomaar ophing? Mijn collegaatje zit naast me te huilen. Bent u nu trots op uzelf? Ik verbrak de verbinding en liep de cel uit. Ze zijn hier echt gek, zei ik. Scipio vroeg: willen ze niet komen? Ze zoeken het maar uit, zei ik. We keken naar de auto. Een Duitser, zei Scipio. Tja, zei ik, zullen we maar gaan lopen dan? Ik pakte onze tassen uit de berm. Ja, zei Scipio, terwijl hij nog eens naar de auto keek, laten we maar gaan, van hem krijgen we toch geen lift meer. Dat was natuurlijk een mooie opmerking, een goede uitsmijter voor als we dit verhaal later in kroegen hadden verteld, maar ik geloof niet dat we het er ooit nog met iemand over hebben gehad.’

Het bleef even stil aan de andere kant van de deur. Toen zei Scipio’s zuster: ‘Dat is nooit gebeurd, dat verhaal heb je verzonnen.’

Ze had gelijk. Ik had het jaren geleden geschreven, toen ik van plan was een serie fictieve verhalen over Scipio te schrijven die steeds onrealistischer moesten worden. Maar die verhalen werkten niet goed, en er was nooit wat van die serie geworden.

‘Nou en,’ zei ik. ‘Of telt dat niet?’

‘Nee,’ zei ze, ‘een verzonnen verhaal telt niet. Ik wil iets horen wat echt gebeurd is.’

‘Dat kan ook.’ Ik stond op, dronk een paar slokken water bij de wasbak en ging weer zitten. ‘Toen ik met hem bij dat bedrijf werkte dat noten verpakte, waarover ik dat verhaal heb geschreven, hoe heette dat ook weer…’

‘ ‘Hoe ik Scipio leerde kennen’.’

‘Ja, precies. Er werkte daar een heftruckchauffeur, die op zijn heftruck reusachtige bakken vol noten van het magazijn naar de productiehal bracht. Een Surinaamse man, Jeffrey. Rustig aan maar jongens, zei hij altijd, rustig aan maar. Relaxte Jeffrey. Het magazijn was van de productiehal afgesloten door middel van grote plastic flappen, ik zal nooit het geluid vergeten waarmee die flappen opzij gingen als Jeffrey er met zijn heftruck doorheen kwam, een traag, flappend geluid, anders kan ik het niet omschrijven. Een paar meter na die flappen zat er een gat in de vloer, waar Jeffrey altijd quasi-achteloos langs stuurde, met een geruststellend knikje naar Scipio en mij, want als we hem door de flappen hoorden komen, bleven we vaak even staan kijken hoe hij om dat gat heen reed, het was een mooi gezicht hoe hij dat deed, routineus, vlak langs de rand, het ging altijd maar nét goed. Het kon natuurlijk niet, zo’n gat, en Jeffrey drong er dan ook voortdurend bij de baas op aan dat het zou worden gemaakt, maar dat gebeurde nooit. Hij was uitzendkracht, net als wij, maar hij ging niet studeren en hoopte op een vaste betrekking. Maar die kreeg hij niet, toen zijn termijn erop zat moest hij weg. Ze moeten me niet, zei hij tegen ons. Misschien had het er ook wel mee te maken dat hij steeds over dat gat begon. Hoe dan ook, op een gegeven moment is het zijn laatste dag, flap flap flap, we zien hem uit het magazijn komen, met zo’n grote bak pinda’s op de vork van zijn heftruck en bam!, hij rijdt met één wiel recht dat gat in. De heftruck kantelt naar voren en weer naar achteren, maar ondertussen is die bak van de vorken gegleden, kantelt en komt met een daverende klap op de vloer terecht. Er schuift een gigantische, manshoge berg pinda’s over de vloer, iedereen staat er stil naar te kijken, Jeffrey zit met een ironische grijns in zijn heftruck. En dan wordt de stilte onderbroken door een woest indianengehuil. Scipio schiet naar voren en werpt zich in zijn witte bedrijfsoverall midden in de berg pinda’s. Hij verdwijnt er bijna helemaal in, hij maakt zwembewegingen, hij gooit pinda’s in de lucht en vangt ze op in zijn mond, hij heeft de tijd van zijn leven. Maar algauw komt de productiechef er aan, in het verhaal noemde ik hem Pannekoek maar in het echt had hij een normale naam, Jansen, De Vries, Tilanus, weet ik veel, daar komt de chef en die begint Scipio stijf te schelden, of hij gek geworden is, die pinda’s hadden bijna allemaal nog gebruikt kunnen worden maar nu kunnen ze weg, een gigantische strop alleen om dat jij daar zonodig middenin moest springen enzovoort, de man loopt rood aan en is helemaal niet goed in schelden omdat hij geen enkele autoriteit bezit en op het eind beent hij kwaad weg onder het uitroepen van: ruim maar op! ruim maar op! en Scipio ligt op zijn rug in de pindaberg, maakt een paar rugslagbewegingen en zegt tegen mij: moet je ook proberen, heerlijk. Maar ik doe het niet.’

Al tijdens het vertellen begreep ik waarom ik deze anekdote niet in het verhaal over dat pindabedrijf had opgenomen. Het ging meer over Jeffrey dan over Scipio, het paste niet echt in het grote geheel, het was een anekdote.

Aan de andere kant van de deur bleef het stil.

‘Dat was het,’ zei ik. ‘Nog een?’

Geen idee waarom ik dat zei, het kwam eruit voor ik het kon tegenhouden. Alsof ik gehypnotiseerd was. Wanneer had ze dat gedaan, wat had er in de wijn gezeten?

Er klonk een zacht ‘Ja’.

‘Doe je dan de deur weer open?’

‘Eerst het verhaal.’

‘Dat zei je net ook.’ Ik had eigenlijk geen idee of dat zo was. Ik was terechtgekomen in een of andere duizend-en-een-nacht situatie. Ik had geen duizend verhalen. Zeker niet nu ik niets mocht verzinnen.

‘Het meisje dat de kat wilde komen aaien,’ zei ik.

‘Is dat de titel?’

‘Of een samenvatting,’ zei ik, ‘wat je wilt. Dit was toen Scipio een tijdje op een studentenflat op Kattenburg woonde, in onderhuur, erg lang heeft hij daar niet gewoond, een half jaar of zo.’

‘Die flat ken ik, daar ben ik toen nog een keertje geweest, bij het Scheepvaartmuseum was dat toch?’

‘Ja, daar vlakbij. In die tijd zag je overal van die kleine posters hangen met vermiste katten, dat kwam toen net een beetje op, die posters, daar stond dan zo’n onscherpe foto op van de weggelopen kat, met een telefoonnummer en teksten als: we missen Poekie erg, ze kan niet zonder haar medicijnen, enzovoort. En de onderkant van die posters was dan op regelmatige afstand ingeknipt zodat er strookjes ontstonden die je los kon scheuren, en op elk strookje stond dan een telefoonnummer, ken je dat?’

‘Ja,’ zei ze, ‘ik woon ook in deze wereld.’

‘Goed, goed.’ Ik moest haar niet tegen de haren in strijken. ‘Dat had ik dus niet allemaal uit hoeven leggen. Hoe dan ook, Scipio zei op een avond dat we tegenwicht aan die posters moesten bieden. Telkens als je zo’n ding ziet hangen, ontving je een negatieve boodschap, zei hij. Kat weg, kan niet zonder medicatie of speciaal dieet, familie verdrietig, kinderen radeloos, een en al ellende op de vierkante centimeter. En dus maakte hij zijn eigen poster. Hij knipte een foto van een of andere aandoenlijke kat uit een tijdschrift, erboven zette hij in grote letters nog steeds bij ons, en onder die foto stond iets als: en dat is maar goed ook, zo kunnen we hem elke avond de medicijnen geven die hij nodig heeft, en het dieetvoer, en hoeft hij ’s nachts niet door vreemde tuinen te dwalen. En om het zo echt mogelijk te maken had hij aan de onderkant ook zo’n reeks afscheurstrookjes gemaakt met een telefoonnummer erop. Een paar avonden lang plakten we die posters overal in de buurt op, tot in Amsterdam Oost en de Transvaalbuurt aan toe, op de fiets met emmers plaksel en een bundel posters, op de een of andere manier vonden we dat prachtig. Het telefoonnummer dat hij op die strookjes had gezet, was het nummer van de eenheid waar hij woonde, zo bleek, want op een avond was er telefoon voor hem. Een kind, een meisje, Nansie. Ze zal wel Nancy geheten hebben, maar ze sprak haar naam uit als Nansie. Of ze de kat mocht komen aaien. Of ze wat? Ze vond die foto van de kat zo leuk, ze wilde hem komen aaien. Op dat moment werd de telefoon overgenomen door een volwassene, die zich voorstelde als Nansies moeder. Nansie was heel erg ziek, ze kwam bijna niet buiten maar laatst had ze bij haar in de buurt die poster gezien en ze had die kat zo mooi gevonden. Ze wilde hem aaien en omdat zij als Nansies moeder in dit stadium van het leventje van haar dochter (dat waren de woorden die ze gebruikte) zoveel mogelijk wensen van Nansie wilde vervullen, vroeg ze of het schikte om eens met haar dochter langs te komen om de kat te komen aaien. Natuurlijk, zei Scipio, en ze maakten een afspraak voor de volgende avond.

 

(morgen het slot)

Geplaatst in scipio, verhalen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

scipio’s zuster (2)

 

Bij wijze van feuilleton: het laatste verhaal over Scipio, in vier delen. Vandaag deel 2.  

 

Scipio’s zuster haalde een nieuwe fles wijn en toen ze terugkwam, onder het lopen nog bezig met de kurkentrekker, zei ze: ‘Voor jou was hij echt dood hè? Je hebt hem tenminste nooit meer opgezocht.’

Ik wist dat dit zou komen, en misschien had ik daarom wel weg gewild. Ze had gelijk, ik had nooit meer contact met Scipio gezocht. Vroeger had ik Scipio nog wel eens gegoogeld, in de tijd dat het nog vrij normaal was om niets of bijna niets over iemand te vinden; ook later vond ik weinig, en de resultaten die ik vond verwezen allemaal naar het verleden, naar zijn (onze) studententijd, al vond ik ooi iets vaags over een accountantskantoor; anderen noemden hem naar aanleiding van de Scipio-verhalen die ik had geschreven, en ik heb me wel eens afgevraagd of hij misschien op een gegeven moment zijn naam veranderd had om niet steeds met die verhalen te worden geconfronteerd. Maar dat was onzin, zo’n grote vlucht hadden die verhalen nooit genomen en zijn achternaam (Kamphuis) had ik nooit vermeld.

Hoe dan ook, ik kon er niet omheen dat Scipio van de aardbodem leek te zijn verdwenen. Misschien was hij nooit uitgegroeid tot een evenwichtige volwassene met een carrière, er kan veel misgaan in een leven en een beetje manisch was hij natuurlijk altijd al, wie weet hoe slecht het met hem ging. Hoe had zijn zuster dat daarnet geformuleerd? Ik had hem nooit opgezocht. Gebruikte je dat woord niet vooral als het ging om mensen die in een of andere instelling verbleven? Of misschien was hij al snel na zijn studententijd overleden, en had hij daarom geen sporen nagelaten. Dat zou ironisch zijn, ik laat hem doodgaan in een verhaal en niet lang daarna gaat hij zelf dood. Hij had wel degelijk een klap van die man met de poedel gekregen, zou zoiets jaren later alsnog voor zijn dood gezorgd kunnen hebben? En zijn zuster gaf mij daarvan de schuld, op een of andere verwrongen manier. Wat was ze eigenlijk met me van plan, spoorde ze wel helemaal, kijk eens hoe ze die wijn weg klokt… Ik besloot haar te vragen hoe het met Scipio ging.

Om haar aandacht te trekken schraapte ik mijn keel, want ze keek een beetje vaag over haar glas voor zich uit. Er trok een kleine schok door haar lijf en ze keek me geschrokken aan, met wijd open ogen, alsof ze nu pas ontdekte wie er bij haar in de kamer zat. Ze kokhalsde, sloeg een hand voor haar mond en rende de kamer uit. Op de gang werd een deur opengetrokken en ik hoorde vreemde, onbestemde geluiden, die bij nader inzien helemaal niet vreemd en onbestemd waren: ze stond te kotsen.

Oké, dacht ik terwijl ik om me heen keek, niets aan de hand, gewoon even wachten tot ze terugkomt en dan beleefd maar gedecideerd een einde aan het bezoek maken.

Vooralsnog bleef ze overgeven. Ik hoorde piepende ademhaling, brakende geluiden, kletterende kots, gevolgd door diepe zuchten en daarna stilte, waarna de cyclus opnieuw begon, behalve dat er steeds minder kots kletterde.

Ik stond op en liep naar de gang. Ze had de deur van het toilet opengelaten en stond over de pot gebogen, met haar handen stevig op de bril gedrukt, alsof ze wilde voorkomen dat de wc-pot plotseling zou opstijgen. Er hing een ziekmakende geur om haar heen. Ik deed een paar aarzelende stappen in haar richting en legde een hand op haar rug, iets te laag eigenlijk, vlak boven haar billen.

‘Gaat het?’

Ze haalde een hand van de bril en gebaarde woest naar achteren. ‘Weg, weg, terug!’

Ik haalde mijn hand van haar onderrug. ‘Ik ga weer naar de kamer,’ zei ik. ‘Als er iets is…’  Dan was ik in de buurt. Alsof ik iets kon doen. Bemoedigende klopjes op haar rug geven, maar dan iets hoger.

Terug in de kamer ging ik voor de boekenkast staan. Ik trok een bundel verzamelde columns van Emil Broodhuys van een plank, sloeg het open en las een eerste zin. In de wachtkamer van station Ede-Wageningen zat ik naast een man die zeker wist dat ik hem drie jaar geleden een ondeugdelijke geiser had verkocht. Niet slecht, midden- tot laat-twintigste-eeuws. Ik keek op de achterflap. ‘Deze columns verschenen tussen 2010 en 2015 in de regionale dagbladen.’ Te laat, Broodhuys. Ik zette het boek terug en ging op de bank zitten, in afwachting op de terugkomst van Scipio’s zuster.

Na een paar minuten stilte trok ze door. Gedempt geroffel op de trap. Ze ging zich ongetwijfeld even opfrissen in de badkamer.

‘Het was niet de wijn hoor,’ zei ze toen ze de kamer weer binnenkwam. ‘Het heeft met andere dingen te maken.’ Ze maakte een cirkelend gebaar naar haar darmen, alsof daar van alles doorgeroerd werd. Was ze ziek, was ze terminaal, wilde ze me daarom zien, wilde ze voor ze stierf iets afsluiten?

Buiten was het donker geworden. Scipio’s zuster deed de gordijnen dicht. Ik rook iets zurigs toen ze zich over me heen boog om het gordijn achter de bank langs te trekken. Toen ze daarmee klaar was bleef ze voor me staan, met haar handen tegen haar rok. ‘Wil je zijn kamer zien?’

Vanaf mijn plek op de bank keek ik haar aan.

Zijn kamer.

Ze had hem hier.

Hij woonde hier.

‘Ja, eh, nou, natuurlijk,’ hoorde ik mezelf zeggen, en ik liep achter haar aan de kamer uit, de met dik tapijt belegde trap op. Mensen werden niet meer in instellingen verpleegd, ze woonden zelfstandig, of  werden door familie verzorgd. Ik probeerde me voor te stellen wat ik zou aantreffen. Scipio, vijfendertig jaar later. Vroeg oud, gerimpeld. Zijn zwarte krullen grijs, of wit. Nagels van een halve meter. Nee, dat was onzin. Omkeren, trap afrennen, jas van de kapstok rukken, voordeur open, weg, maar het was al te laat, we hadden de overloop bereikt, ze trok een deur open, het zweet brak me uit, dag Scipio, tijd niet gezien jongen hoe is het met je – de kamer was leeg. Dat wil zeggen, er was niemand. Er stond een boekenkastje, een lage klerenkast, een bed en een bureau, er hingen posters aan de muur. Het was een oude tienerkamer, nu begreep ik wat ze had bedoeld met haar vraag of ik zijn kamer wilde zien. ‘Dit was jullie ouderlijk huis,’ zei ik.

Ze knikte. ‘Kijk maar even,’ zei ze zacht terwijl ze het licht aandeed. ‘Loop maar even rond.’

Ik stapte naar binnen. Er hing een geeloranje gloed, die te danken was aan de kleur van de stoffen kap van de hanglamp. Scipio’s zuster liep langs me heen en trok de gordijnen dicht, daarna ging ze weer naar de overloop, met haastige stappen, alsof ze de kamer zo snel mogelijk aan mij wilde laten. En grote poster van een oud schip tegen een ondergaande zon. Een kleinere poster van The Cure, toen ze nog verbijsterend jong waren. In het boekenkastje de drie blauwe delen van Lannoo’s Jeugdencyclopedie, die ik vroeger ook had gehad. Ik pakte het eerste deel en sloeg het open. Onder redactie van Chriet Titulaer. Ik bladerde en herkende tekeningen en foto’s. Ik sloeg het dicht en zette het terug. Op de lage klerenkast stond een 3-in-1 combinatie, een zwart, plat bakbeest dat een pick-up, een cassetterecorder en een radio bevatte. Ik had een vriend op de middelbare school die zo’n ding had, lelijker geluidsapparatuur was nooit gemaakt. Ik rook eraan en dacht de kenmerkende plasticgeur te ruiken die bij dat soort apparaten hoorde. Ik drukte op de schakelaar, het ding begon zacht te zoemen. Als ik nu de radio aanzette, zou ik de Soulshow van Ferry Maat horen. Was het  donderdagavond? Verdomd, het was donderdagavond. Onbewust had ik het juiste programma gekozen. Maandag avro, dindsdag vara, woensdag kro en vpro, donderdag tros. Ik zette het apparaat uit en ging op het bed zitten. Er lag een groene sprei overheen met grillige lijnen en franje aan het eind. Dit was niet de kamer van Scipio, dit was de kamer van ons allemaal, van alle jongens die eind jaren zeventig de havo of het vwo hadden bezocht. Als je maar genoeg afstand hebt afgelegd, verlies je vanzelf aan individualiteit. Onze uniciteit is een spoor dat we met ons meeslepen maar dat niet teruggaat tot onze geboorte; het wordt achter ons uitgewist doordat afstand de verschillen tussen de individuen kleiner en onbelangrijker maakt. Geen wereldbestormend inzicht, maar op dat moment bezorgde me het een gevoel van vrede en berusting. Ik keek op, de deur was dicht, ik was alleen. Ik stond op en liep naar de deur. Ik kreeg hem niet open.

Dat kon niet. Ik rammelde, trok, en duwde. De deur bleef dicht.

‘Hallo?’

Ik wist haar naam niet eens. Ze had mijn naam genoemd toen ze me binnen had gelaten, maar we hadden geen handen geschud, ze had zich niet voorgesteld. Haar mail – die had ze met haar naam ondertekend. Carla? Anja? Zoiets was het, maar dat kon niet, dat klonk te gewoon. Ouders die hun zoon Scipio noemen, geven hun dochter geen namen als Anja of Carla. Welke dan wel. Drusilla? Octavia? Scipia? Ik kon mijn mail checken op mijn telefoon. Dan kon ik haar meteen mailen of ze deur open wilde doen. Ik zou de politie kunnen bellen. Er was niets aan de hand, behalve dat mijn telefoon in mijn jas zat, en die hing beneden aan de kapstok.

‘Hallo?’

Ik rammelde nog eens aan de deur. Dit was onzin. Had ze me opgesloten? En met welk doel dan, wat werd er nu van me verwacht, dat ik tot inkeer kwam? Dat ik spijt betuigde over de verhalen die ik over Scipio had geschreven? Dat ik hier verhongerde? En was nu mijn voornaamste probleem dat ik niet wist hoe ze heette? Ik kon Scipio’s oude lakens aan elkaar knopen en door het raam ontsnappen. Dat hoefde niet eens. Ik  kon het raam openen en de hele buurt bij elkaar schreeuwen. Als ze me hier wilde houden, had ze geen schijn van kans, dat moest ze ook zelf beseffen. Wie weet zou de deur al openschieten als ik er met een flinke aanloop mijn schouder tegenaan zette. Ik keek naar de afstand die ik kon afleggen, maar het was geen grote kamer en van een flinke aanloop kon geen sprake zijn.

‘Hallo?’

Hallo Anja, Carla, Scipia. Misschien was ze weer aan het overgeven. Misschien had ze het huis verlaten na het op diverse plaatsen in brand te hebben gestoken. Ik zag haar de donkere straat uitlopen, met grote passen, zonder om te kijken. Misschien zou dat het beste zijn. Niet die brand, maar dat ze was vertrokken. Een grote vermoeidheid overviel me. Van mijn schouders tot mijn voeten voelde ik mijn spieren zwaarder en slapper worden. Ik liet me naar beneden zakken tot ik met mijn rug tegen de deur zat.

Zo nu en dan riep ik nog wat. Met elke ‘hallo?’ leek de kamer een beetje kleiner te worden. Straks zat ik als volwassen man in het kamertje van een lilliputter. Het kamertje van Scipiootje. Ik had hier geen zin in. Ik had geen zin om hier te zijn, ik had geen zin om de buurt bij elkaar te schreeuwen. Ik perste er nog maar eens een krachteloos ‘hallo’ uit.

‘Ja?’

Mijn hart sloeg over van schrik. Haar stem klonk dof, maar erg dichtbij; wel van de andere kant van de deur, maar ter hoogte van mijn oren, wat alleen maar kon betekenen dat ze aan de andere kant van de deur was gaan zitten. Hoe lang al?

‘Ik kan er niet uit,’ zei ik. ‘Wat betekent dat, waarom heb je me opgesloten?’

 

 

Geplaatst in scipio, verhalen | Tags: , , , , | 2 reacties

scipio’s zuster (1)

Bij wijze van feuilleton: het laatste verhaal over Scipio, in vier delen. (Eerdere verhalen over Scipio staan in de verhalenbundels Elektriciteit en Hier wonen ook mensen). 

 

Pas toen ik in de intercity naar T. zat, dacht ik: ik ben niet uitgenodigd, ze heeft me ontboden. Ze had het verpakt als vraag (‘misschien zou u daarom eens langs kunnen komen?’) maar het was een sommatie. Als je iemand wilt spreken die je niet of nauwelijks kent, vraag je niet of diegene naar jouw huis wil komen, dan spreek je ergens af in een koffiezaak of restaurant, in je eigen woonplaats of in die van de ander. (‘Ik moet volgende week maandag in Amsterdam zijn, misschien schikt het u om…’, ‘Nu hoor ik dat u binnenkort een lezing in T. geeft, misschien is het mogelijk dat wij elkaar vooraf…’)

Ze had me bij haar thuis ontboden en ik was op weg gegaan. Wat lag hieraan ten grondslag, schuldgevoel?

Over afhalen had ze niets gezegd, op het perron bleef ik even staan, zoekend om me heen kijkend, maar er kwam niemand op me af, dus nam ik een taxi naar het opgegeven adres. Ik had het kunnen lopen, erg ver van het station was het niet, maar ik dacht indruk te kunnen maken door met een taxi te arriveren. Onzin natuurlijk, maar toch. Er was weinig verkeer in de straten van T. (ach laat ik gewoon de naam van die stad noemen, het was Tilburg, waarom zou ik dat verzwijgen, het is tenslotte niet zo dat ik haar adres en telefoonnummer geef), iedereen was al thuis. Waarom spreek je ’s avonds af met iemand die helemaal uit Amsterdam moet komen? Dan wil je ook geen uitgebreide ontmoeting. Of wilde ze de indruk wekken dat ze een erg druk leven leidde en overdag nooit tijd had? Ze was lerares Nederlands, had ik op internet gezien, blijkbaar besteedde ze niet elke avond aan nakijkwerk. Misschien had ze bewust een korte ontmoeting gepland omdat ze me alleen maar iets wilde zeggen, de waarheid, of iets dat in haar ogen de waarheid was, en zou ze de deur in mijn gezicht dichtslaan zodra ze me die had toegevoegd. Misschien bestond het enige gesprek dat ik die avond zou voeren uit de paar woorden die ik met de taxichauffeur had gewisseld.

Ik rekende af, de taxi reed de straat uit, ik liep het tuinpad op en belde aan. Een vrijstaand huis, groot, prettig, jaren dertig; niet de imitatie-jaren dertig die de laatste decennia zo populair is geworden, maar het echte werk. Donkere stenen met het patina van de tijd, hoog opgeschoten heesters in de tuin. Een huis dat beschermt, een goed huis om in op te groeien. Ze deed open en noemde mijn naam, kalm en duidelijk, als een lerares die een leerling binnenlaat die zich na de les bij haar moet melden. Ik had haar één keer eerder gezien, vijfendertig jaar geleden, ik herkende haar niet, ik zag ook niets terug van Scipio, behalve het donkere haar, maar bij haar was het steil en liepen er grijze draden door. Ze keek streng, ze zei dat ik verder moest komen. Ik wilde iets zeggen als ‘Daar ben ik dan,’ maar zag er vanaf, het was er niet de avond voor.

Een hoge, betegelde gang met een paraplustandaard en een kapstok. Ze wachtte geduldig tot ik mijn jas had opgehangen, zonder zelf iets te ondernemen; ik mocht zelf het hangertje van de kapstok tillen. Via een deur met gekleurd glas kwamen we in een ruime voorkamer waarvan één wand werd ingenomen door boekenkasten tot aan het plafond. Scipio’s zuster  ging me voor naar het bankstel, zij ging op een stoel zitten, ik op de bank, die met zijn rug naar het raam stond. Op de lage salontafel lag een exemplaar van de Volkskrant, daarnaast mijn twee verhalenbundels. Goed gelezen exemplaren zo te zien, hier en daar staken gele plakkertjes tussen de pagina’s, ongetwijfeld om de plek te markeren waar een verhaal over Scipio begon. Ze sloeg met haar handen zacht op haar knieën. ‘Wil je een glaasje wijn?’

De vraag verraste me, ik had een afstandelijker benadering verwacht. In de mail had ze me tenslotte met ‘u’ aangesproken. Dikke rok van beige stof, dunne grijze kousen, een dunne zwarte trui. Foto-onderschrift: de ongetrouwde lerares. Nergens in de kamer sporen van kinderen of van een partner – al vroeg ik me af hoe sporen van een partner eruit zouden moeten zien. Een asbak met een pijp? Pantoffels? Gestommel op de bovenverdieping?

Ze herhaalde haar vraag, met iets van ongeduld in haar stem.

‘Heb je geen koffie?’ vroeg ik. ‘Of doe anders maar een biertje.’

Ze stond zwijgend op, met samengeknepen lippen, alsof ik een verkeerd antwoord had gegeven. Ik vroeg me af of ik nu de lerares zag, of ze in haar lokaal met dezelfde teleurgestelde blik voor zich uit keek als een leerling weer eens een antwoord gaf dat van geen enkel inzicht getuigde. Ze verdween naar de gang. Ik nam de boekenkast op, vanaf mijn plek op de bank kon ik net de titels onderscheiden. De boeken stonden in het gelid, op alfabetische volgorde. Bij de E zag ik tussen Enquist en Esterhuis een kleine opening waar ongetwijfeld de twee verhalenbundels hadden gestaan die nu voor me op tafel lagen. Verder stonden er geen boeken van mij. Het ging haar niet om mij, het ging haar om Scipio. Ik vroeg me af waarom ik was gekomen, en wat ik straks te horen zou krijgen. Ze had me ook op school kunnen uitnodigen, ik zag me voor haar examenklas staan, in haar lokaal, zelf stond ze ergens achterin met haar armen over elkaar geslagen, de gordijnen waren dicht, aan de andere kant van het lokaal zaten kleine ramen die uitkeken op de gang. De leerlingen waren al bijna volwassen maar tegelijkertijd nog erg jong, pril is het woord, prille jongens en meisjes met een tere huid die nog niet helemaal was uitgehard. Ze hadden de verhalen over Scipio gelezen, ik las fragmenten voor, ze stelden intelligente vragen, Scipio’s zuster bleef achterin de klas staan, het werd later en later, we zaten in een verlicht lokaal in een verder donkere school, de stemming sloeg langzaam om, bijna onmerkbaar en toen was het of ik in de verte deuren dreunend hoorde dicht slaan, de deur van het lokaal klikte zich vast, zonder hem te proberen wist ik dat hij op slot zat, er veranderde iets in de verlichting van het lokaal, lastig om vast te stellen wat er precies anders was behalve dat de dreiging toenam – en de lerares kwam naar voren en riep: ‘Waarom heb je hem vermoord?’

De zus van Scipio kwam de kamer binnen met een ontkurkte fles wijn en twee glazen. Ze zette ze op de salontafel en ging weer in de stoel zitten. ‘Waarom heb je hem dood laten gaan?’ vroeg ze.

‘Dood, dood….’  zei ik. ‘Scipio bedoel je?’

Ze schonk twee glazen vol en zette er een voor mij neer. Het andere zette ze aan haar mond. Met één teug dronk ze het half leeg. ‘Wie anders,’ zei ze nadat ze het glas had laten zakken. ‘En meteen al in het eerste verhaal.’

‘Scipio,’ zei ik, ‘is natuurlijk niet Scipio, maar een amalgaam van mensen, jongens die ik in die tijd kende.’

‘Je hebt hem anders wel gewoon Scipio genoemd.’ Ze dronk haar glas leeg en schonk meteen bij.

‘Ik vond het een goede naam,’ zei ik. ‘Ongewoon, opvallend. Kijk,’ ik ging voorover zitten en ondersteunde mijn woorden met handgebaren. ‘Scipio is het type van de mythische vriend, zoals je die als adolescent kunt hebben, of wilt hebben, een bekend literair eh, thema, trope, hoe heet het, verschijnsel. Iemand die groter is dan jij, niet qua formaat bedoel ik, maar qua durf, qua… qua alles. Ik was meteen al van plan meerdere verhalen over hem te schrijven, daarom heb ik ook eerst het verhaal geschreven waarin hij doodgeslagen werd, dat zou dan een soort van… iets als een melancholisch waas over die andere verhalen leggen, omdat de lezer wist dat Scipio niet oud zou worden.’

‘Maar hij is niet doodgeslagen.’

‘Nee, hij is niet doodgeslagen.’ Ik nam een voorzichtige slok wijn en zette mijn glas weer neer. ‘Maar hij kreeg wel een tik, toen, van die man met die poedel. Voor het dramatische effect heb ik daar toen van gemaakt dat hij erin bleef.’ Ik maakte een gebaar naar de boekenkast. ‘Je weet toch hoe dat werkt, als iemand dat moet weten ben jij het, je houdt je met literatuur bezig, je bent…’

‘Scipio’s zuster.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Jij bent Scipio’s zuster.’ Het kostte me moeite haar te tutoyeren. Niet uit ontzag, maar omdat ik liever wat meer afstand bewaarde. Ze nam weer een slok wijn. Zelf kwam ze ook nog in een van de verhalen voor, het verhaal over die zomer waarin Scipio en ik in dat bedrijf werkten waar pinda’s en andere noten werden verpakt. We zaten weed te roken op de kantooretage waar Scipio kraakwacht was en toen kwam zij opeens binnen, om te kijken hoe het ging en mij keek ze kwaad aan, alsof ik haar broertje op het verkeerde pad bracht. Maar het was Scipio’s weed. Ze was een vage gestalte toen, ik herkende haar niet in de vrouw bij wie ik nu in de woonkamer zit. Ik was benieuwd of ze nog over dat verhaal zou beginnen. Ik kon het natuurlijk ook meteen zelf doen. ‘Dat verhaal waarin je zelf voorkwam, zit je daar misschien mee?’ Ik klonk als een hulpverlener. Gooi het er maar uit. Hier een kussen, laat je gaan, sla er maar even flink tegenaan.

‘Ik ben er wel eens geweest,’ zei ze, ‘in dat voormalige kantoor, maar ik heb er nooit iemand anders aangetroffen, en jou zeker niet.’

‘Toch heb ik je daar gezien,’ zei ik, ‘ik heb dat echt niet verzonnen. Dan zou ik jou verzonnen moeten hebben.’

Ze nam een grote slok wijn, alsof ze schrok van die suggestie. Meteen nadat ze haar glas had neergezet, schonk ze zich weer bij, en mij ook, hoewel ik maar één kleine slok had genomen. Ik boog me voorover en slurpte de kop van het glas, pas toen kon ik het oppakken zonder te morsen. De Scipio uit het verhaal over de pindaverpakkingsindustrie was van alle Scipio’s het minst gebaseerd op de Scipio die ik had gekend, er zat veel in van een andere jongen die in die tijd voor hetzelfde uitzendbureau werkte, maar dat vertelde ik haar niet. Eigenlijk had ik al jaren genoeg van Scipio en ook dat ging ik haar niet vertellen. De eerste twee verhalen die ik over hem waren erg geschikt om voor te lezen, kort genoeg en met goede uitsmijters, en daarom stonden ze nog steeds op mijn programma, maar de mening van sommige lezers dat dit de beste verhalen waren die ik ooit had geschreven deelde ik niet, en de met steeds terugkerende vraag of ik ooit nog een roman over Scipio ging schrijven deed ik altijd af met de opmerking dat alle verhalen samen al ‘een soort van roman’ vormden en dat een daadwerkelijke roman alleen maar een anticlimax kon zijn.

‘Was je niet gewoon verliefd op Scipio,’ zei Scipio’s zus. Het was een bewering, geen vraag.

Ik had nog steeds mijn glas vast en slaagde er slechts met enige moeite in om  het neer te zetten zonder dat er iets uitliep. ‘Zoals ik zei, Scipio is een amalgaam van verschillende personen die ik in die tijd…’

Ik legde haar uit wat ik haar eerder had uitgelegd, uitgebreider en in andere woorden. Zij voerde aan dat ik hem dan geen Scipio had moeten noemen. We draaiden in een kringetje rond en ik vroeg me af of het onderhand geen tijd werd de bijeenkomst te beëindigen, maar terwijl Scipio’s zuster aan het woord was, bespeurde ik voor het eerst deze avond iets van Scipio in haar, het was haar stem, daar herkende ik iets in, niet qua hoogte of qua timbre, het was niet dezelfde stem, maar toch – misschien lag het aan de woorden, of aan het ritme, de stembuigingen, iets in die stem deed me sterk aan Scipio denken en ik bedacht dat dit kon betekenen dat ze vroeger erg close waren, misschien was ze een oudere zus geweest die zich als surrogaatmoeder van haar broertje had opgeworpen, of door omstandigheden daartoe zelfs gedwongen was; en dat Scipio onbewust haar manier van praten had overgenomen. Misschien zag ik hier de bron van Scipio.

Meteen voelde ik me milder gestemd, zowel ten opzichte van Scipio als van zijn zuster en ik besloot nog even te blijven.

 

(morgen deel 2)

Geplaatst in scipio, verhalen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

een metropolisch gevoel

 

Hoewel ik noch in Zuid, noch in Noord iets te zoeken had, daalde ik vandaag af naar de Noord/Zuidlijn, omdat ik me in mijn zoektocht naar rode pennen om de drukproeven van De goede zoon te corrigeren toch al in de buurt van station De Pijp bevond en wel eens wilde zien hoe het was.

Eerste indruk: roltrappen! En nog meer roltrappen! In feite is de Noord/Zuidlijn een stelsel van roltrappen waarmee vanuit de krochten van de aarde kan worden opgestegen noordzuid4naar diverse locaties in Amsterdam, en omdat ze niet helemaal op elkaar aansluiten, rijden er tussen die roltrappen metrorijtuigen heen en weer.

Het is nieuw, schoon, hoog en groot. Wanneer je de eerste roltrap afdaalt, kan je je overal bevinden, in de lobby van een museum in Spanje, op een vliegveld in Singapore, in een station in China. Amsterdam is het nog niet in ieder geval. Onder de grond wordt Amsterdam van noord naar zuid verbonden door iets wat zelf nog niet Amsterdam is – dat zal nog even duren, daarvoor moet het nog even wennen tot het vanzelf spreekt.

Op station De Pijp zijn de perrons gestapeld, ongetwijfeld een bouwkundige prestatie van formaat maar het maakt de perrons hoog en smal. Boven je hoofd wordt het geheel verstevigd met indrukwekkende stalen balken; een beetje stoom, een beetje verval en deze perrons zijn de perfecte locatie voor een cyberpunkachtige film. Op de borden boven het perron wordt aangegeven dat er elke 6 minuten een trein vertrekt, en een vriendelijke stem vertelt dezelfde boodschap, in het Nederlands en het Engels. Maar noordzuid 1hoelang het nog precies duurt voordat de volgende komt, wordt dan weer nergens vermeld, wat raar is, omdat zelfs bij de meeste tramhaltes tegenwoordig wordt aangegeven hoelang je nog moet wachten. Het ontbreken van die informatie geeft je nog niet eens goed begonnen reis iets tijdloos’, wat ook wel rustgevend werkt. Al hangen er dan wel weer overal klokken waarop je de voortgang van de tijd van seconde tot seconde kunt bijhouden.

Het was er heerlijk koel, mijn overhemd wapperde zachtjes in de koude tocht die over het perron trok, een wereld van verschil met de hitte die bovengronds heerste. (De hitte! Waar je ooit gewoon warme dagen had die je uitzat tot het weer koeler werd, wordt nu de temperatuur gevat in definities en kleurcodes, en worden we opgeroepen postbodes nat te houden.)

Ik stapte in de trein die naar het noorden ging. Veel passagiers waren er vooralsnog niet, en de meerderheid bestond uit toeristen. Dat versterkte het onAmsterdamse museum/vliegveldgevoel alleen maar. We zaten op banken in de lengte, tegenover elkaar. Ook hier was alles nog nieuw, tot de stemmen aan toe die de stations omriepen.

Ik stapte uit bij station Rokin, steeg via een lange roltrap op naar straatniveau, liep Scheltema binnen, kocht een boek, liep terug naar het station, daalde af en wachtte op de volgende trein naar het zuiden. Station Rokin is breed en ruim, met één groot noordzuid 3middenperron voor beide richtingen, en met kunstwerken op de muren; ik keek lang (nou ja, minder dan zes minuten dus) naar een krokodil die naar een melodica kroop. Ik begreep dat hier een oude stadslegende was verbeeld die ik ter plekke verzon: de krokodil kruipt traag, zo traag dat de beweging voor het blote oog niet waarneembaar is, in de richting van het instrument; zodra hij het heeft bereikt en erin slaagt er een toon uit te persen, zullen de stadsmuren vallen. Elke keer dat ik met deze lijn reis, zal hij weer één of twee micrometer opgeschoven zijn.

De trein kwam, ik ging terug naar De Pijp, een korte reis van een paar minuten. Door de warmte liep ik terug naar huis. Waar was ik nu zojuist geweest? Ik had een route afgelegd die tot een paar dagen geleden niet mogelijk was. In mijn brein ging de innerlijke kaart van Amsterdam op de schop, er waren snelle nieuwe mogelijkheden om ergens te komen waarbij het oude stratenplan het nakijken had, ik kreeg er wel een metropolisch gevoel van.

Geplaatst in leven | Tags: , , , , | 1 reactie

de lauwzachte omslagdoeken van het goede en humane

 

(Deze recensie van de nieuwe verhalenbundel van A.M. Homes stond een paar weken geleden in NRC Handelsblad; ik neem hem hier over omdat hij over méér ging dan die bundel alleen.)

 

Wat verwachten we van onze schrijvers? Nou, duiding bijvoorbeeld. We verlangen dat ze de tijdgeest voor ons uitdrukken, dat ze voelbaar maken in wat voor tijd we leven – alsof die tijd een grootschalig, eeuwigdurend sporttoernooi zijn waarbij schrijvers steeds weer commentaar moeten leveren, elkaar overlappend, bevestigend, tegensprekend. (Goede tijden? Sléchte tijden!)

Sommige auteurs zijn betere commentatoren dan anderen. Als A.M. Homes met een nieuwe verhalenbundel komt, hoop je vurig dat onze veranderende wereld daar op een of andere manier in is terug te vinden, net als dat het geval was met haar vorige boeken. Homes (Washington D.C., 1961) heeft zich een reputatie verworven als de venijnig-satirische chroniqueur van het moderne Amerikaanse leven, vooral dat van de witte middenklasse in de suburbs, als eigenzinnige erfgenaam van John Updike en vooral John Cheever. In romans als Het brandbare huwelijk, Dit boek redt je leven en Vergeef ons beschreef ze een wereld waar zaken als gezin en werk steeds minder vanzelf spreken en waarin losse individuen op zoek zijn naar nieuwe familie- en vriendschapsbanden – nee, ze zijn er niet eens naar op zoek, ze worden ermee geconfronteerd. Oude verbanden zijn opgelost, nieuwe ontstaan noodgedwongen zodra je de deur uitgaat, zodra iemand zich om jou bekommert, of jij je om iemand bekommert, om wat voor reden dan ook. Al die nieuwe verbanden lijken nieuw en gewichtsloos, niet beladen met geschiedenis, en dat geeft het werk van Homes iets manisch-optimistisch dat bevrijdend kan werken, mede door het ontstellend hoge tempo waarin ze ons dit alles vertelt.

Maar wat kan Homes nu nog, nu de gebeurtenissen in de wereld zich ook steeds sneller lijken te voltrekken? Is het huidige Amerika terug te vinden in de verhalen in haar nieuwe bundel Dagen van inkeer? Komen we er het Amerika van Trump tegen – of misschien Trump zelf? Niet meteen; in de eerste twee verhalen bevinden we ons wat betreft thema’s en personages op bekend terrein. Twee broers van middelbare leeftijd die het slecht met elkaar kunnen vinden, rollen vechtend over de vloer. Een vrouw die zichzelf mutileert en een moeizame relatie met haar moeder onderhoudt bezoekt haar psychiater. Ja hoor, deze wereld herkennen we. Welkom in Homesland.

Met die verwelkoming is meteen de status van de schrijver als commentator gerelativeerd. We mogen van literatuur duiding van onze wereld verwachten, maar wat we lezen speelt zich nooit helemaal in die wereld af; al lezend we bevinden ons in een ander universum, in het hoofd van de schrijver – Homesland, in dit geval. Maar omdat  Homesland nauwe banden onderhoudt met onze wereld, is het niet vreemd om erin op zoek te gaan naar sporen van Trump – al was het alleen al omdat al eerder Amerikaanse presidenten in Homes’ werk figureerden. Haar vorige verhalenbundel, Wat je moet weten, bevat een prachtig en op een vreemde manier zeer ontroerend verhaal waarin een hoogbejaarde Nancy Reagan haar uiterste best doet om een huishouden draaiende te houden waarin haar dementerende echtgenoot, de voormalige president, als stoorzender fungeert. (Zo nu en dan wordt de ex-president verkleed als clown op een druk kruispunt neergezet zodat hij zijn behoefte om handen te schudden met het volk kan botvieren.) En in Homes’ laatste roman, Vergeef ons, krijgt de hoofdpersoon, die aan een boek over voormalig president Nixon werkt, opdracht een aantal korte verhalen te beoordelen die Nixon aan het begin van zijn politieke carrière heeft geschreven. Kortom, als Homes zich met presidenten inlaat, benadert ze die van onverwachte kanten, ver van het domein van de satire. Ze vermenselijkt ze, maar op unheimische manier; als mens blijkt de president nog vreemder dan als het beeld dat we van hem meedragen als publiek persoon. Dit is dan ook wat literatuur doet, wat we ook van haar mogen verwachten: ze geeft geen beeld van de werkelijkheid, ze laat ons beeld van de werkelijkheid kantelen. Dat is haar kracht: niet de werkelijkheid, maar de verbeelding; niet de satire, maar de verbazing. Als er al waarheid in aanwezig is, laat die zich nooit direct kennen omdat ze is gevangen in verbeelding.

Of Homes ooit met Trump kan uithalen wat ze met Nixon en Reagan deed, is de vraag. Trump zou nu al een personage van haar kunnen zijn: impulsief, onberekenbaar, verontrustend lichtzinnig, niet consequent in zijn handelen en denken, onberekenbaar. Zijn schaduw, zijn land, vinden we wel terug in de nieuwe bundel: in een van de beste verhalen, ‘Altijd prijs’ gaat een Amerikaans modelgezin (man, vrouw, zoontje, dochtertje) boodschappen doen in een Amerikaanse megastore. Ze maken er een wedstrijd van, er gebeurt van alles, de vader zegt iets over het Amerika van zijn jeugd, omstanders zijn gegrepen door zijn woorden, ze nemen ze op, verspreiden ze, tegen de tijd dat de vader de boodschappen in de auto laadt is er al een online beweging gevormd die in hem de ideale presidentskandidaat ziet. In dit verhaal komt van alles samen, de snelheid van Homes’ vertelwijze, de snelheid van de wereld, de toestand van de wereld. Maar dat het een goed verhaal is, komt niet daardoor. Het verhaal is goed, méér dan een parabel, méér dan een satire, omdat Homes ons dat gezin laat zien. We bevinden ons niet alleen in een situatie, maar in een situatie die door mensen wordt beleefd. Homes stelt ons in staat ons met dat gezin te vereenzelvigen.

Ook dat is wat literatuur kan doen: ze stelt ons in staat ons te identificeren met mensen in een situatie die niet de onze is. En is dat niet precies wat we, naast duiding van de grote wereld, verwachten van onze schrijvers? Je wordt er empathischer van – hoe vaak wordt dat niet als verdediging van het lezen van literatuur aangevoerd? In werkelijkheid is dit argument geen verdediging, maar een aanval. Als je de empathie bevorderende werking van literatuur propageert, sta je eigenlijk met een grote tang de literatuur van tanden en klauwen te ontdoen. Literatuur wordt iets dat goed voor je is, iets humaans, iets beschaafds, iets waar je een beter mens van wordt. Als we de literatuur willen redden zullen we haar moeten bevrijden uit de lauwzachte omslagdoeken van het goede en humane.

In Dagen van inkeer komt deze kwestie ook aan de orde. In het titelverhaal komt een schrijfster aan het woord die het schrijven van fictie verdedigt. Ze moet wel, ze is uitgenodigd op een genocidecongres en mag uitleggen waarom ze een roman over de holocaust heeft geschreven. Homes laat haar personage het gebruikelijke zeggen: fictie heeft als doel ‘te verhelderen en te verklaren’, het ‘prikkelt tot inleving en medeleven.’ Maar uitgerekend Homes heeft al laten zien hoe het echt werkt, in haar schokkende roman Het einde van Alice (1996), waarin het verhaal wordt verteld door een veroordeelde kinderverkrachter en –moordenaar. Je laat je verleiden door zijn taal, je zit in zijn hoofd – kom daar maar eens ongeschonden uit als lezer. ’t Is een briljante roman, maar je voelt je, juist door je empathie, besmet en smerig; of er iemand een beter mens van dit boek is geworden waag ik te betwijfelen.

Het verhaal over het genocidecongres is erg goed. Aan de ene kant het congres met academisch jargon en goody bags (‘een linnen tasje, afgeladen met genocidespullen’), aan de andere kant de opbloeiende moeizame relatie tussen de schrijfster van de holocaustroman en een journalist. Hier doet Homes hetzelfde als in het verhaal over het winkelende gezin: ze maakt het al dan niet satirische wereldbeeld ondergeschikt aan de mensen die zich in die wereld bewegen. Homes maakt niet alleen van presidenten mensen, ze maakt mensen van iedereen. Leren we iets? We maken iets mee, in een wereld die op de onze lijkt, bevolkt door mensen die op ons lijken. En het is gewoon goed opgeschreven, laten we dat ook niet vergeten. Lezen is ook een esthetische ervaring.

Dus wat verwachten we van onze schrijvers? Is het niet gewoon zo dat we nu eenmaal graag lezen en van onze schrijvers verwachten dat ze ons gedrag rechtvaardigen door ons zogenaamd iets bij te brengen en betere mensen van ons te maken? Wat we eigenlijk van ze verlangen: meer van hetzelfde. Ook dat levert Homes in deze bundel, maar met een adder onder het gras. In het vierde verhaal, ‘Hallo allemaal’, zijn alle leden van een gezin, villabewoners in de heuvels van Los Angeles, geobsedeerd door schoonheid en plastische chirurgie. ‘Binnenkort kunnen ze neuscorrecties al in de baarmoeder doen,’ zegt  de moeder, die bijna blind is omdat ze haar oogkleur heeft laten veranderen. Tevreden lees je het verhaal uit, dit is wat je verwacht van Homes. Maar dan belandt je, zeven verhalen verder, bij het laatste verhaal, ‘Ontsnapt’, over een gezin in een villa in de heuvels van LA. Je herkent namen, bladert voor de zekerheid terug, ja hoor – het zijn dezelfde mensen, maar de toon is anders. Een volwassen dochter wordt door haar zus naar huis geroepen, onafhankelijk van elkaar zijn hun ouders op de intensive care beland. Een van dochters eet ondertussen zo weinig dat ze vrijwel tweedimensionaal is. Door dit treurig-berustende verhaal krijgt het eerste verhaal over dit gezin er een dimensie bij, hier is satire ernst geworden en blijven we eenzaam achter; uit deze laatste pagina’s stijgt de zoet-rotte geur van ontbinding op, de lijkengeur waarvoor we instinctief terugdeinzen, omdat het uiteindelijk onze eigen geur zal zijn. Dit hebben we niet verwacht, hier hebben we de schrijver niet om gevraagd, hier bewijst de schrijver ons de grootste dienst.

 

A.M. Homes, Dagen van inkeer, vertaald door Gerda Baardman en Monique ter Berg, De Bezige Bij

 

 

Geplaatst in lezen, schrijven | Tags: , , , , , , | 3 reacties

rectificatie: knippen, plakken & juist citeren

 

Liet ik gisteren nog met milde verontwaardiging zien hoe op de site van uitgeverij Athenaeum werd omgesprongen met een door mij geschreven recensie, vandaag is van die verontwaardiging weinig over, en van die mildheid des te meer, want ondertussen liet  publiciteitsmedewerker Rolinka Boot van uitgeverij Athenaeum weten hoe ze aan het citaat kwam. Ze had gewoon uit de krant geciteerd.

Ter verduidelijking stuurde ze een pdf mee van hoe mijn recensie in de krant was gekomen. Door de redactie was de recensie voorzien van een intro en een begeleidende samenvatting, en dááruit was het betreffende citaat gehaald – uitgerekend uit de twee stukjes tekst die niet van mij afkomstig waren, en die ik niet voor me had toen ik het citaat vergeleek met wat ik had geschreven. Zie hier de pdf van de recensie.

Dan zou je nog kunnen verlangen dat een ingevoerde lezer zou moeten kunnen aanvoelen dat die twee stukjes niet door de recensent maar door de redactie zijn geschreven, maar dat is spijkers bij eb. Er is hoe dan ook uit de krant geciteerd – en zonder dat iemand er iets bij heeft verzonnen, waar ik gisteren nog van uitging.

Het blijkt uiteindelijk dus belangrijker om kritisch te kijken naar de inhoud van die redactionele toevoegingen bij recensies, want om van een klerk die van dichtbij heeft gezien hoe kansen zijn gemist een klerk te maken die kansen heeft gemist, dat is zo kort door de bocht dat je in de berm der verkeerde parafrasen terechtkomt. (De berm der Verkeerde Parafrasen? Waar is dat nou weer? Dat is niet ver van het Minzame Zoutbad der Milde Verontwaardiging.)

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in lezen | Tags: , , , | 1 reactie