op de shortlist:

 

shortlist libris

Advertenties
Geplaatst in de goede zoon | Tags: , , | 10 reacties

op de longlist van de libris

longlist libris 2019

Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , | 2 reacties

om de kerkhoven heen

 

De eerste dag van 2019 was grijs en kil, met vlagen motregen – zoals elke eerste dag van elk jaar, wie doet dat toch steeds? ’s Middags liep ik naar het Amstelstation en langs de Weespertrekvaart naar de viaducten van de rondweg. Aan de overzijde van de vaart stonden blokkerige nieuwe huizen waar ooit slordige begroeiing en vreemde bouwsels de Hells Angels en andere rafelrandbewoners aan het zicht onttrokken. Elk pand verschilde van het buurpand, alles was nieuw en schoon, het grijze weer en de vlagen motregen pasten beter bij hoe het hier vroeger uitzag. Het zal aan het weer en de kou en het verlaten kaarsrechte pad langs de trekvaart gelegen hebben dat me eindelijk weer eens die twee sombere, plechtstatige maar prachtige regels uit ‘A Prayer for my Daughter’ van Yeats te binnen schoten:

And for an hour I have walked and prayed
Because of the great gloom that is in my mind.

Hoewel er jaren met meer gloom zijn begonnen. Maar de gloom van het verleden verdwijnt nooit helemaal, in tegenstelling tot de sneeuw van vorig jaar. (Waar is die dan gebleven? Nou, dat zeg ik, die is verdwenen. Oh, oké.)

Na de viaducten van de rondweg daalde ik de dijk af en liep Betondorp in, waar je een kanon kon afschieten – je kan natuurlijk overal een kanon afschieten, maar gistermiddag in Betondorp had je niemand geraakt, tenzij je op de huizen richtte. Hier en daar brandde licht. Ik stelde me voor dat daar oude vooroorlogse communisten en socialisten hun oude vooroorlogse communistische en socialistische kranten zaten te lezen, want elke wijk is gebouwd voor een bepaalde tijd en eigenlijk denk ik dat die tijden blijven bestaan, dat alle tijden naast elkaar bestaan, zoals ik ook altijd denk als ik een verfrommelde oude man in een regenjas uit een bruine kroeg zie komen dat die man dateert uit de hoogtijdagen van Simon Carmiggelt en dat hij maar naar huis hoeft te lopen om een Parool uit 1956 uit de bus te halen en dat hij dan naar boven kan gaan om in de woonkamer van zijn etage in die krant te lezen over het nieuws uit 1956 – en dat ik maar achter hem aan die trap op hoef te lopen om ook in 1956 terecht te komen. Alle tijden zijn er nog, je moet alleen de wegen kennen.

Ik liep Betondorp uit en kwam langs de achteruitgang van de Oosterbegraafplaats. Er stond een hek open maar ik ging niet naar binnen, want een dag eerder was ik begonnen aan een verhaal van Alice Munro dat ‘Too Much Happiness’ heette; het leek me wel een goede titel om het nieuwe jaar mee in te gaan. De eerste scène van het verhaal speelt op 1 januari 1891; twee Russen, een man en een vrouw, lopen rond op een kerkhof, de vrouw zegt plagerig tegen de man dat een van hen zal sterven in het komend jaar, want dat gebeurt wanneer twee mensen op de eerste dag van het nieuwe jaar op een kerkhof rondlopen. En hoewel ik noch Russisch noch bijgelovig ben en daar in m’n eentje rondliep besloot ik toch het risico niet te nemen, en in plaats voor de dood voor de overmaat van geluk te kiezen. Dat leek me wel een goed voornemen voor het komend jaar: om de kerkhoven heen blijven lopen.

Ik liep dus langs het hek van het kerkhof, sloeg de Middenweg in, en wandelde met een beker koffie van de Coffee Company via de Ringdijk en de Berlagebrug terug naar huis.

 

Geplaatst in Geen categorie, leven, lezen, wandelen | Tags: , , , , , , , | 9 reacties

benaderingen (20)

brussel 51 brussel 50

Het eindigt in Hoboken, New Jersey. Zes weken lang keek ik uit op het lyceum in de zijstraat van de Groenmarkt, zes weken lang moest ik daardoor denken aan de school uit de clip van ‘Mad World’ van Gary Jules, uit 2001. Dat nummer kwam uit de film Donny Darko, maar oorspronkelijk is het van Tears for Fears, en dateert het uit 1982. De clip van de versie van Gary Jules is gemaakt door Michel Gondry (de regisseur van Eternal Sunshine of the Spotless Mind). Tot zover de pubquiz-informatie. De school in de clip is

een heel andere school dan het lyceum waarop ik uitkijk, in een heel andere wijk, een heel ander continent zelfs, maar het is ook een school in een stad, de kleuren zijn hetzelfde, het jaargetijde is hetzelfde – misschien is de late herfst wel de beste tijd voor een stad, het seizoen waarbij een stad zich het beste thuisvoelt, het beste seizoen om een stad te leren kennen, al moet je dan wel een thuis hebben, en iemand die weet waar goed verlichte cafés zijn waar je kunt werken. (In dat café ging vorige week woensdagmiddag toen het inmiddels donker was geworden maar nog geen avond, opeens een keihard brandalarm af – zo hard en snijdend dat het pijn aan de oren deed en iedereen doodstil bleef zitten, met rechte rug, wijd open ogen en de vingers in de oren, terwijl een barmedewerker tevergeefs allerlei codes intoetste in een kastje bij de uitgang; het leek nog het meest op een scène uit een moderne dansvoorstelling).

Telkens wanneer ik ’s ochtends om een uur of acht de rolgordijnen van de werkkamer omhoog haalde, zag ik scholieren in groepjes naar het lyceum lopen, veruit de meeste in dikke donkere jassen en ook daarom moest ik steeds aan die clip van ‘Mad World’ denken. Ze groepten samen voor de ingang en je kon je bijna voorstellen dat ze allerlei figuren zouden gaan vormen, maar dat deden ze nooit.

De clip van Gary Jules’ versie van ‘Mad World’ is opgenomen in Hoboken, New Jersey, dat tegenover New York aan de andere kant van de Hudson ligt, de school is de A.J. Demarestschool, dergelijke informatie is binnen een minuut te vinden, de van bovenaf gefilmde uitgang van de school bevindt zich aan Garden Street. Jules’ versie van het nummer is wel erg zwaar aangezet, melancholische stroop waarin je spartelend zwemmend ten onder kan gaan en de tekst is typische jarentachtig-weltschmerz waar ik allang niet meer tegen kan, officieel althans, overdag, als de zon schijnt en we zonder dikke donkere jassen naar buiten kunnen; effectief is het ondertussen wel.

Maar waar het me vooral om gaat zijn de beelden, eerst die van de scholieren met hun figuren, en daarna van de wijk waarin de school staat, wanneer de camera omhoog gaat, en op weg naar de zanger en de pianist op het dak de wijk in beeld brengt. De zon staat laag, het is een late middag en dat past goed bij de trage, gelaten en verstikt wanhopige melancholie van het nummer – je zou nog kunnen denken dat de clip ’s ochtends vroeg is opgenomen, dat de zon opkomt, want logistiek gezien is het voor een filmploeg vast handiger op zoiets op een vroege ochtend op te nemen, maar nee, aan de hand van Google Maps en de stand van het Empire State Building dat in de laatste beelden van de clip in de verte omhoog rijst kan je vaststellen dat dit wel degelijk op een namiddag is opgenomen en dat de zon ondergaat – en waarom is dit zo belangrijk voor me dat ik dat allemaal uitzoek, waarom wil ik per se dat het inderdaad een late middag is, waarom maakt dit twee keer langs glijdende beeld van een wijk in Hoboken zo’n indruk?

Het is geen wijk voor mensen die het breed hebben, de huizen staan als gestapelde blokken dicht op en naast elkaar, maar toch is het een onmiddellijk herkenbaar generiek beeld van een stad. Ik heb de afgelopen zes weken een paar keer naar die clip gekeken en de beelden van die opeengepakte wijk riepen herinneringen op aan herfsten van veertig, vijftig jaar geleden, aan het idee van herfst, een oerherinnering van schemer en geuren en melancholie, hoewel ik op een heel ander continent en in heel andere wijken ben opgegroeid.

En zo wordt het weer allemaal van buitenaf in mijn hoofd gegoten, alsof de wereld er alleen toe dient bij mij associaties en herinneringen op te wekken en ik had mezelf nu juist proberen voor te houden dat het daar niet om zou moeten gaan en daarom was ik ook blij dat ik gisteren met Chrétien B, die een paar dagen bij me logeerde, bij toeval in Wiels belandde, het kunstcentrum op de Van Volxemlaan, waar we niet alleen een expositie van René Daniëls zagen maar ook op het dakterras stonden en uitkeken over Brussel-Vorst. Aan onze voeten lag een oude wijk met dicht opeengepakte huizen, geen wijk voor mensen die het breed hebben en hoewel er veel verschillen waren was het ook precies die wijk in Hoboken zonder dat mijn hoofd daar tussen zat – zo voelde het op dat moment tenminste, omdat het uitzicht op die wijk zo onverwacht was, omdat het bestaan van die wijk niet afhankelijk was van mijn blik. Dergelijke wijken waren overal, het bestond allemaal ook als ik er niet naar keek. Ik had mezelf al bijna uit beeld verwijderd en hoef straks alleen nog maar naar het station te lopen om te vertrekken.

 

(Dit was de laatste Benadering. Met dank aan Mariëtte Baarda (Metsike) voor de titel van deze serie (en lees haar boek), Lize Spit voor de adressen en tram 81 en de Italiaan, en Steven van Ammel, Nathalie Goethals en alle andere goede mensen van Passa Porta die mijn verblijf in Brussel mogelijk maakten; dank, het waren mooie weken.)

Geplaatst in brussel | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

benaderingen (19)

 

Nog even over Brussel als stroeve, stugge stad, een stad die zich niet meteen geeft etcetera: mensen die hier wonen dan wel werken kijken je geduldig aan wanneer je daarover begint, en vertellen je vervolgens dat dat zo blijft, met die stad, hoe lang je hier ook zit. Dus daar hoeven we ons ook niet meer druk over te maken. Dát het zo blijft is geen wonder, want waarom zou een stad iets zijn om te veroveren, door jou, als individu, zonder leger of motief? Waarom zou de stad zich aan jou geven, laat staan overgeven? Je kan vanaf de Kunstberg of het Dudenpark uitkijken over de stad, de stad kijkt niet terug, dat weet je onderhand, nu moet je alleen nog doorkrijgen dat dit een reden is voor opluchting (en in godsnaam niet voor resignatie, berusting, quasi-zwierige capitulatie). Het was nooit een gevecht. Die tekst kan je naarmate je ouder wordt onder steeds meer facetten van je leven schroeven: het was nooit een gevecht.

*

Later, van je hoge positie weer afgedaald naar de stad, formuleer je de gedachte dat je hier alleen niet over de bedelaars struikelt omdat ze met hun rug tegen de gevels zitten; winkelgevels doorgaans, dik ingepakt, onder hoog opgetrokken dekens. Mannen, vrouwen, mannen en vrouwen met kinderen. Waar je wel over struikelt zijn de bekertjes die ze voor zich op het trottoir hebben staan en waarin doorgaans wat bruin kleingeld zit, en er is ontstellend veel kleingeld in omloop, de eurocent wordt hier volgend jaar pas afgeschaft. Schop je per ongeluk zo’n bekertje om (vaak zijn ze van doorzichtig plastic, je ziet ze niet staan) dan put je je uit in excuses, raapt het verstrooide kleingeld op, stopt er wat kleingeld van jezelf bij en loopt vol gêne door, maar ook met de opkomende vraag of ‘ze’ die bekertjes niet expres in de loop van de passanten plaatsen. Na verloop van tijd ontwikkelen je voeten blijkbaar radar voor die bekertjes, of iets met echolocatie. Er wordt niet alleen gebedeld, er wordt ook geslapen, in diepe of ondiepe portieken, onder vale dekens en verschoten slaapzakken, naast oude, ingescheurde, volgepropte boodschappentrolleys. De laatste dagen zie je ook bedelaars in kerstmanpak – dat ziet er vreemd uit, alsof hier een klein groepje kerstmannen is gestrand die ieder voor zich hun reisgeld voor de terugtocht naar het hoge noorden bij elkaar proberen te verzamelen. Dat is er allemaal, dagelijks, terwijl je gedurende zes weken uiterst goed verzorgd een beetje door Brussel wandelt en om je heen kijkt. De stad kijkt niet terug; de bedelaars wel, maar die blik probeer je te vermijden.

 

 

 

Geplaatst in brussel | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

benaderingen (18)

 

brussel 49Ik heb hier geleerd alleen te eten. In restaurants bedoel ik, thuis draai ik er mijn hand niet voor om. Nooit eerder zat ik in m’n eentje op m’n gemak in restaurants, misschien hielp het dat ik me in een vreemde stad bevond. Misschien voel je je daar minder gezien. Het gaat er niet om dat je in een vreemde stad geen bekenden kan tegenkomen met de daarbij behorende angst dat ze je zielig gaan vinden (als ze deugen vragen ze gewoon of bij hen aanschuift) – in een vreemde stad kom je jezelf minder tegen, omdat je daar zelf ook een ander bent. Maar het is vooral een kwestie van gewenning. Als je bijna elke avond buiten de deur eet wordt het vanzelf normaal, op een gegeven moment zie je jezelf niet meer vanuit een camerastandpunt aan dat tafeltje zitten maar zit je daar gewoon.

En er zijn, zoals altijd, eenvoudige richtlijnen. Kies iets laagdrempeligs. Ooit zal ik in volkomen gemoedsrust restaurants binnen lopen met smetteloos wit linnen, kristallen glazen en obers als knipmessen (waarin bovendien een kurkentrekker schuilgaat) maar niet in dit leven. Kies een tijdstip waarop het niet al te druk is, tenzij je je wilt onderdompelen in de massa, maar ik gedij beter in half lege restaurants. En ja, inderdaad: neem een boek mee. Maar niet om onder het eten te lezen, onder het eten moet je eten, en een beetje om je heen kijken (bijvoorbeeld naar het ingelijste en van binnenuit verlichte diorama van een besneeuwd berglandschap bij de Thai op de Praetstraat waarin steeds weer dezelfde twee in rode jassen gehulde skiërs de helling komen afdalen, steeds weer in hetzelfde, net iets te trage tempo, en met nét iets te houterige bewegingen); het boek dient alleen om de tijd te overbruggen tussen je binnenkomst en het ontvangen van het menu, tussen het doorgeven van je keuze en het moment dat die keuze wordt opgediend, tussen  het vragen om de rekening en het moment dat die je wordt gebracht.

Romans zijn voor dit soort exercities niet geschikt, je kan beter een bundel met korte stukken meenemen, Marcus Aurelius bijvoorbeeld, of, nog beter, Hagakure, The Book of the Samurai, waarin staat te lezen dat je je leven als voorbij moet beschouwen zodra je het huis verlaat: wat er daarna ook gebeurt, je bent ‘al bij voorbaat dood’. Dan kan je verder betrekkelijk weinig meer gebeuren, ook niet als je in je eentje in een restaurant zit.

Leg onder het eten het boek altijd met de voorkant naar beneden op tafel. Als je het pontificaal met de cover naar boven neerlegt, voed je de vage, nooit helemaal aan jezelf toegegeven hoop dat iemand die langsloopt bij je tafeltje stil blijft staan, op het boek tikt en zegt: ‘Dat is een heel goed boek, dat heb ik ook gelezen’ (en dan liever iemand van het personeel dan een gast), want ook al zit je onderhand volkomen op je gemak in je eentje te eten, je diepste wens is toch te worden herkend, erkend en uitverkoren. Het zal niet gebeuren.

Behalve dan afgelopen week in de al genoemde Thai in de Praetstraat, toen de tanige, magere Thaise ober in zijn strakke zwarte T-shirt (die met zijn scherp gesneden gezicht en zijn strenge gezichtsuitdrukking in een film algauw als meedogenloze gangster zou worden gecast, en die (de ober, niet de gangster), toen ik hier eerder at bijna struikelde over een tas die een jonge vrouw die deel uitmaakte van een luidruchtig Vlaams gezelschap achteloos achter haar stoel had neergezet, en die (de ober) toen even van plan leek om met vertrokken gezicht naar dat meisje uit te halen, wat achteraf nog wel te billijken was toen datzelfde meisje een paar minuten later een borstel tevoorschijn haalde en uitgebreid haar lange haren begon te borstelen terwijl aan een tafeltje vlak achter haar een Amerikaan zat te eten, die gelukkig te zeer verdiept was in zijn telefoon om te merken wat er allemaal zijn kant op kwam waaien) toen die ober dus bij mijn tafeltje bleef staan, het boek oppakte dat ik per ongeluk  met de voorkant naar boven had neergelegd, er even een blik op wierp en toen met snauwerige dictie vroeg: ‘Samoerai?’ Ja, zei ik, samoerai. ‘In English?’ Ja, in het Engels. Hij keek er nog even naar, wierp het weer terug op tafel en beende naar de keuken. Ik weet niet wat hij daar heeft verteld, maar toen ik later naar zijn jongere collega gebaarde dat ik wilde afrekenen, stak die  breed lachend zijn duim naar me op en toen ik even later het bedrag naar boven afrondde, glimlachte hij vriendelijk en zacht, alsof we elkaar al jaren kenden, en liet hij zijn vingers met een liefdevol en verrassend intiem gebaar even op mijn bovenarm rusten. Dat was me daar nog niet eerder overkomen.

 

 

 

Geplaatst in brussel | Tags: , , , , | 2 reacties

benaderingen (17)

 

Maandagmiddag stapte ik op de trein naar Amsterdam, omdat Opium Radio me wilde interviewen over De goede zoon. Één nacht logeren in mijn eigen huis. Net die ochtend was Nederland door premier Rutte veranderd in een breekbaar vaasje dat door 17 miljoen mensen werd vastgehouden. Ik merkte daar eerlijk gezegd weinig van toen ik de grens over ging. Het vaasje bleek van reusachtige afmetingen en bekleed met een landschap dat ik herkende, hoogstens zou je kunnen denken dat wat ik eerder voor rivieren had gehouden, grote barsten waren die zich met water hadden gevuld. Die 17 miljoen mensen zag ik nergens, en dat was eigenlijk wel een opluchting.

Toen ik voor mijn voordeur stond, wist ik niet meer welke sleutel daarin moest. Mijn etage was gekrompen. Ik at wat en stapte op de fiets, op weg naar het Vondelpark, van waaruit Opium uitzendt. De uitzending kunt u hier terugluisteren, er is veel mooie muziek, niet van het Leger, maar wel van Rubbra bijvoorbeeld. Wat is het ’s nachts trouwens donker in Amsterdam! de stad is keurig onderhouden, misschien dat men daarom denkt dat ze met minder verlichting toe kan. Toen ik beter oplette zag ik dat er veel lampen van de straatverlichting kapot waren – en dat in zo’n goed geregelde en gezandstraalde stad; of was hier sprake van bezuinigingen in verband met het klimaat? Vijf weken weg is niets, natuurlijk, maar toch valt je van alles op. Niet alleen hoe donker de stad is, maar ook hoe laag. Brussel is hoger, daar is minder hemel boven de (goed verlichte) straten. En toen ik de volgende ochtend, na de logeerpartij in mijn eigen bed, door Amsterdam liep, zag ik dat er de afgelopen vijf weken weer veel nieuwe weggeef-boekenkastjes waren bij gekomen. Nog even en elke Amsterdammer uit de culturele middenklasse zet standaard zijn complete boekenkast tegen de voorgevel van zijn huis. ’s Middags stapte ik op de trein die me terug naar de metropool zou brengen, ik verliet het vaasje, in de hoop dat de 17 miljoen mensen het vooralsnog niet uit hun handen zouden laten vallen. Hoewel, wat dan nog? Toen ik op de Graanmarkt mijn sleutel in het slot stak dacht ik: ik ben weer thuis. ‘Maar kijk, ook dat is slechts schijn,’ zoals Kafka al wist. Het is allemaal al weer bijna voorbij, op kerstavond ben ik wéér thuis, dan weer in de middelgrote havenstad in het noorden van de Nederlanden met haar donkere straten waar je over boekenkasten struikelt.

Geplaatst in brussel | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen