al die dooie baasjes

(Speciaal voor iedereen die nu graag boeken en verhalen leest over pandemische toestanden (en dat zijn er tot mijn verbazing vrij veel, op sociale media tuimelen de leestips over elkaar heen): het verhaal ‘Al die dooie baasjes’ uit de bundel Elektriciteit, die in 2010 verscheen. Dit is de versie die ik twee jaar geleden bewerkte voor 2.3.74,  het  Literair Tijdschrift voor Grounded Science Fiction van uitgeverij Lebowski.)

 

Vanmiddag ging ik naar Johanna, om haar te helpen met de honden. Ik maakte een kleine omweg langs het Martin Luther Kingpark, omdat ik benieuwd was hoe hoog het monument voor de griepslachtoffers ondertussen was geworden. Al voordat ik bij het park was, hoorde ik het gehamer. Zo moeten scheepswerven vroeger geklonken hebben. Het monument begon ooit als een paar bosjes bloemen en wat houten kruisjes aan de rand van het grootste massagraf, maar ondertussen is het uitgegroeid tot een naar alle kanten uitdijende toren van hout waaraan door allerlei mensen wordt gewerkt. Elke bouwer voegt zijn eigen gedenkteken toe. Er wordt veel geruzied, en ondertussen wordt het ding steeds hoger, nog even en hij steekt boven de bomen uit. Ik zag dat er nu zelfs steigers omheen staan. Overal aan het hout hangen kaartjes, foto’s en verlepte bossen bloemen. Op het zwarte zand waarmee het massagraf is bedekt begint hier en daar al gras te groeien.
‘Ze hebben geen idee wat ze aan het doen zijn,’ zei een oude man die stond toe te kijken. ‘Dat ding stort in als ze zo doorgaan.’ Hij vertelde dat hij had meegeholpen met het vullen van de graven. Er klonk iets triomfantelijks door in zijn stem. Het valt me op dat meer bejaarden zo’n zelfingenomen toontje hebben. Ze gedragen zich alsof het een persoonlijke verdienste is dat ze immuun bleken voor de griep. Impliciet beweren ze daarmee dat de jongere generaties bestaan uit watjes die zich hebben laten verrassen.

Veel mensen zijn er nog steeds heilig van overtuigd dat de epidemie moedwillig in gang is gezet om de wereldbevolking te decimeren. De vraag is natuurlijk welke wereldregering of buitenaardse invasiemacht in godsnaam een planeet wil die voornamelijk wordt bevolkt door zestigplussers, maar de samenzweringstheoretici hebben ook daar een antwoord op. Juist het feit dat bejaarden geen griep kregen, zien ze als het definitieve bewijs van hun gelijk: als je in je virale aanvalsplan alleen de generaties spaart die zichzelf niet meer kunnen voortplanten, heb je de mensheid zó opgeruimd; en je moet ze niet allemaal tegelijk uitroeien, je moet mensen overhouden om de doden te begraven.

Terwijl ik stond toe te kijken, stortte een deel van het monument in. ‘Ik zei het toch,’ zei de bejaarde man naast me. ‘Ze doen maar wat, ze hebben geen plan.’ Niemand leek zich er veel van aan te trekken. Iemand die beklemd was geraakt werd kermend weggedragen, er werden ook wat lichamen weggesleept waarin geen leven meer leek te zitten, en daarna ging het gehamer weer verder. Het was allemaal volstrekt zinloos, maar het geluid van al die hamers klonk opgewekt, alsof er aan iets werd gebouwd dat nodig was om ons verder te helpen. De bejaarde man keek me aan en vroeg: ‘Hoe heb jij het overleefd?’
Je kunt met niemand meer aan de praat raken zonder dat op een gegeven moment deze vraag langskomt. Ik stel hem zelf ook regelmatig, moet ik toegeven. Eigenlijk is het enig juiste antwoord voor mensen onder de zestig: ‘Blijkbaar verkeerde ik in redelijke conditie en verder zal ook het toeval een rol hebben gespeeld,’ maar dat is niet wat ze willen horen, ze willen specifieke informatie, die hun bij een volgende epidemie van dienst kan zijn.
‘Citroenen,’ antwoord ik meestal, ‘drie per dag.’ (Het is nog waar ook. We deden het alle vier, voor de kinderen met honing, alleen bij mij werkte het.) ‘Ah, citroenen,’ herhalen ze dan, en je ziet ze bedachtzaam knikken.
Maar deze keer gaf ik geen antwoord. De vraag hoe je het hebt overleefd werkt alleen maar als je hem na je antwoord als wedervraag kunt stellen, en bij mensen die immuun zijn werkt dat niet, omdat je het antwoord al weet. (‘Hoe ik het heb overleefd? Dat zie je toch, ik ben gewoon te oud voor die onzin. Een beetje griep, kom op, in onze tijd liepen we daar gewoon mee door.’) Met andere woorden: als bejaarden aan je vragen hoe je het hebt overleefd, doen ze dat alleen maar om hun eigen superioriteit te bewijzen. Daarom stellen ze de vraag ook altijd op zo’n minzaam toontje, de onderliggende boodschap is: wat doe je hier eigenlijk, had jij ook niet dood moeten zijn?
Bejaarden vormen momenteel ongetwijfeld de meest gehate bevolkingsgroep. Het schijnt vrijwel onmogelijk te zijn vrijwilligers te vinden die bereid zijn verzorgingscentra draaiende te houden. ‘Wij zijn de nieuwe Marokkanen,’ hoorde ik een bejaarde man op het journaal zeggen. Waarna de verslaggever hem met de microfoon in het gezicht sloeg. Speels, en niet erg hard, maar toch; vroeger zag je dat soort dingen niet op het journaal. Zo nu en dan hoor je over bejaarden die in elkaar zijn geslagen. Dat gaat natuurlijk ver, maar hun zelfgenoegzaamheid is onverdraaglijk, dus ja, een tik is zo uitgedeeld. Wat ook steekt: het aantal zelfmoorden onder de overlevers stijgt, maar onder de bejaarden juist niet. Je zou bijna denken dat die de tijd van hun leven hebben, dat het feit dat ze immuun waren opweegt tegen hun status als paria’s.

Als je naar het journaal kijkt valt het ook op dat alle virologen het hebben overleefd. Ze maken een onzekere indruk, wat niet zo gek is nu ze van alle kanten wordt verweten dat ze ons niet bang genoeg hebben gemaakt. Ooit zullen er ongetwijfeld commissies worden benoemd die moeten onderzoeken wat er allemaal is misgegaan, maar daarvoor zal toch eerst de regering uit haar zelfverkozen ballingschap moeten terugkeren. Eergisteren was het bijna zover. ’s Middags zouden ze op Schiphol landen, maar daar hadden zich zoveel woedende demonstranten verzameld dat het vliegtuig na te hebben bijgetankt weer terugvloog naar IJsland. Het was misschien ook wat naïef van ze om hun terugkeer aan te kondigen. Wat hadden ze verwacht, bloemen, een muziekkorps? Ik zie al voor me hoe de komende weken het regeringsvliegtuig elke dag weer een poging zal doen op Schiphol te landen, en telkens weer wordt teruggestuurd. Het zou een mooie running gag worden, iets om elke avond het journaal mee te openen.

Ik verliet het park. Met het gehamer van de monumententimmeraars nog in mijn hoofd liep ik naar de Uiterwaardenstraat, waar Johanna’s huisdierenopvang is gevestigd. Ze krijgt steeds meer filialen, die net als haar eigen praktijk zijn gevestigd in voormalige kinderdagverblijven. Daarvan zijn er nu toch niet meer zoveel nodig. Elk filiaal biedt onderdak aan honden die rondzwerven of in verlaten appartementen worden aangetroffen. Mensen die door de gebeurtenissen alleenstaand zijn geworden en om een huisdier verlegen zitten, kunnen er gratis eentje komen uitzoeken. Verleden week vroeg ik Johanna of ze niet bang was dat er misbruik van haar werk wordt gemaakt, omdat ze mensen die van hun hond af  willen, een eenvoudige oplossing biedt: ze hoeven het beest alleen maar op straat te zetten, de medewerkers van Johanna doen de rest. ‘En wat dan nog,’ zei ze, ‘moet het allemaal perfect zijn, dan?’ Ze heeft gelijk, je moet toch ergens beginnen. Soms vind ik het jammer dat ze zich over de loslopende huisdieren heeft ontfermd, en droom ik van grommende meutes honden die door de straten zwerven van een stad waarin niemand meer naar buiten durft.
Wanneer ik bij haar aan het werk ben, zie ik geregeld mannen en vrouwen naar binnen staren. Dat moeten ouders zijn van kinderen die hier vroeger elke werkdag naartoe werden gebracht. Zombies, noemt Johanna ze. Maar dat zijn ze niet, ze vertonen wel degelijk emoties. Sommigen turen verbijsterd naar binnen, alsof wij door zwarte magie hun kinderen hebben veranderd in honden. Anderen kijken smekend, alsof ze ons willen bezweren de betovering weer ongedaan te maken. Mijn kinderen zaten ergens anders, in die straat kom ik niet meer. Ik heb ook een ander huis betrokken, er staat genoeg leeg. Soms vraag ik me af waarom ik de stad niet heb verlaten. Blijkbaar wil ik toch een beetje in de buurt blijven. Voor het geval dat. Maar er is geen geval dat, dus logisch is het allemaal niet.

Zodra ik bij Johanna naar binnen stapte, wist ik weer waarom ik hier kwam: hier was leven, hier hing de rijke, opgewekte geur van de wil tot eten en voortplanting, hier werd niet gerouwd of nagedacht. Het kabaal was hels, en na al die stilte op straat, die nog werd benadrukt door het hamergeklop in de verte, was dat een zegen. Er waren meer honden dan ooit, sommige zaten in oude kinderboxen, andere liepen vrij rond, in de binnentuin stonden grote gazen hokken met nog meer honden. De muren waren bedekt met kleurige schilderingen van vlinders en kabouters.
Johanna begroette me met een kort knikje, ze was net bezig met een bejaarde klant die een hond wilde uitzoeken. Bejaarden willen graag een grote hond, hoe vervaarlijker hoe beter, zo voelen ze zich veiliger op straat.  Ik weet niet waarom Johanna dit werk doet, of ze gedreven wordt door dierenliefde of dat ze geld krijgt van wat voor bestuur er momenteel dan ook voor probeert te zorgen dat de straten veiliger worden. Ik hoef dat ook niet te weten. Het belangrijkste is dat ik iets te doen heb. Anders sta ik straks ook ergens naast een massagraf met mijn eigen hamertje aan een monument te timmeren, en dat moment wil ik zo lang mogelijk uitstellen. Ik weet ook niet bij welk graf ik zou moeten zijn. Er is wel van alles bijgehouden, maar iedereen klaagt over de chaos van die lijsten en algemeen wordt vermoed dat ze volstrekt willekeurig zijn samengesteld.

Johanna stuurde me mee met Ramon, die met een bestelbusje zwerfhonden zou gaan ophalen in de buurt van het Amstelstation. Ramon kende ik nog niet, hij bleek een grote man met een zwarte baard. ‘Heb je niets stevigers voor me?’ vroeg hij terwijl hij me opnam. ‘Het is rustig genoeg op straat de laatste tijd,’ zei Johanna, ‘er wordt nauwelijks meer geplunderd.’
Terwijl we naar het busje liepen, vroeg Ramon of ik dit al eens eerder had gedaan. ‘Nee,’ zei ik, ‘ik werk meestal binnen.’ ‘Het stelt weinig voor,’ zei Ramon. ‘Ze springen zelf naar binnen.’ Hij keek me grijnzend aan. ‘Het is kinderwerk.’

Ze sprongen inderdaad zelf naar binnen. Nadat Ramon het busje had geparkeerd, zette hij de laaddeuren open. Er zaten tien kooien in de laadruimte, en in elke kooi legde Ramon wat slachtafval. De honden liepen op het busje af, sprongen naar binnen en renden een kooi in. Je hoefde alleen maar het deurtje achter ze te sluiten. Het was zo eenvoudig dat het me teleurstelde. Ik had liever gehad dat het moeizamer zou gaan, dat er netten aan te pas zouden komen, dat het gepaard zou gaan met gegrom en geblaf, dat het hard en gevaarlijk werk zou zijn waar je littekens aan overhield. Dat was eigenlijk ook het probleem met de griep: dat je er geen littekens aan overhield. Niemand kan aan je zien of je het hebt overleefd of dat je het helemaal niet hebt gehad.
‘Valt mee hè?’ riep Ramon. Ik knikte. Ik zag mezelf vechten met een hond die me doodbeet. Ik hoopte dat ik daar vannacht van zou dromen. Je kan beter dromen van honden dan van mensen. Ik vroeg Ramon waar hij het slachtafval vandaan haalde waarmee hij de honden lokte.
‘Wat denk je,’ zei hij. ‘Ze eten elkaar op. We vangen honden met honden.’

Tot de griep uitbrak, had Ramon een restaurant gehad. ‘Tot er niemand meer buiten de deur ging eten,’ zei hij. Hij had nog een tijdje maaltijden aan huis bezorgd, maar elke bezorger die hij aannam, was ziek geworden. Toen was het gauw bekeken. Hij had gehoord dat mensen die Griep heetten hun leven niet zeker waren geweest tijdens de epidemie. ‘Er is er eentje achter een scooter door de Rivierenbuurt gesleept,’ zei hij. ‘Een paar anderen zijn in hun huizen levend verbrand.’ Die verhalen had ik ook gehoord.

Met een busje vol onrustige honden reden we terug. Er was weinig verkeer. Eigenlijk is de stad te groot voor ons geworden. Je schrikt als je ziet in hoe weinig huizen ’s avonds licht brandt. We passeerden troepen kinderen die gewapend met stenen ruiten ingooiden van leegstaande panden. ‘Dat hadden wij vroeger ook wel gewild hè?’ riep Ramon me toe. Hij had het raampje omlaag gedraaid en stak routineus zijn middelvinger op tegen elke bejaarde die we tegenkwamen. Op de autoradio werd gediscussieerd over de naweeën en de consequenties van de epidemie. Hoeveel slachtoffers er zijn gevallen, is nog onduidelijk. Het is raar, maar telkens als de getallen naar beneden worden bijgesteld denk ik: ze zouden dus nog kunnen leven. Het is een volstrekt onlogische gedachte, ik vraag me af of anderen die ook hebben.
Toen we langs het Martin Luther Kingpark reden, zag ik dat het monument inmiddels boven de bomen was uitgekomen. Er werd nog steeds druk aan gewerkt, zelfs in de auto konden we het getimmer horen.
‘Dat ding begint steeds meer op een grote brandstapel te lijken,’ zei Ramon.
‘Ja, maar voor wie,’ zei ik. Op de radio las een nieuwslezer het bericht voor dat de regering zojuist op Schiphol was geland. Ramon zei: ‘Daar heb je je antwoord.’
Ik lachte. Ook al konden ze er misschien niets aan doen, ik zou ze zelf aan het hout vastbinden als het moest.
Ramon deed de radio uit. ‘Wat denk je,’ vroeg hij, ‘wordt er nu meer of minder geneukt dan vroeger? Niet in absolute aantallen, maar naar verhouding.’
Ik haalde mijn schouders op. Door mij minder, maar voor het gemiddelde zou dat niet veel uitmaken.
‘Ik denk: meer,’ zei Ramon. ‘Maar dan zonder uitgebreid voorspel.’ Hij keek me spottend aan. ‘Is er toch nog iets goeds uit voortgekomen, hè?’ riep hij. ‘Of hou jij van uitgebreid voorspel?’ Hij begon hard en schamper te lachen. In de laadruimte achter ons begonnen de honden te janken. Ramon gaf een klap op de wand die de cabine van de laadruimte scheidde. ‘Jullie baasjes zijn dood!’ riep hij. De honden bleven janken.

 

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie, verhalen | Tags: , , , , , | 2 reacties

HVWBZEHEZIEMII

 

IMG_20191202_185320728Hieronder de veertien columns die ik afgelopen zomer voor de Volkskrant schreef. Zie het als een bescheiden (of juist onbescheiden) kerst- dan wel nieuwjaarsgeschenk, voor trouwe en ontrouwe lezers (en Trouw-lezers, natuurlijk). Als ik van de zomer al had zien aankomen dat ik dit zou gaan doen, had ik er voor gezorgd dat alle eerste letters van de columns iets zouden spellen als  ‘Fijne Feestdagen’, maar helaas, nu staat er iets wat zich minder makkelijk laat duiden. Eerder vanmiddag zat ik al deze stukjes te knippen en te plakken in het koffiezaakje dat ik beschrijf in nr. 3, ‘Pompelmoespleintje’, en ik hoorde net van de koffiezetter van dienst dat ze over een maand gaan sluiten. Niets is voor altijd, en soms is dat goed, maar niet altijd. Heb een goed 2020.

PS: wat Pompelmoes betreft, ik weet inmiddels in welke bundel dat verhaal over het pleintje stond, verrassend veel lezers hebben de betreffende pagina’s voor me gefotografeerd of gescand, mijn onderbuurman schonk me zelfs de hele bundel, allen nogmaals heel erg bedankt.

 

 

1.Ooievaar

‘Hé Dickie!’ riep iemand vlak achter me in lijn 4. Niemand in de halflege tram keek om, niemand heette Dickie. Bovendien hoorde je dat de man het in zijn telefoon riep. Hoe dat werkt weet ik niet precies, maar je hoort zoiets meteen, de joviale kreet verdween in een trechter naar een andere wereld waarvan op dat moment alleen de man achter me de sleutel in handen had.

‘Ik ben in Amsterdam!’ riep de man. ‘Jij? Waar dan? Ik kom net van de Amstelkade, even gebiljart hè. Ik ga nu naar De Ooievaar!’ Ik stelde me voor hoe hij erbij zat: wijdbeens, een beetje onderuit gezakt. Als ik opzij keek, en een beetje naar achteren, kon ik net een in zwart leer gehulde arm zien.

‘En jij, heb je tijd om…’ De man maakte zijn zin niet af. Hij luisterde en zei op regelmatige afstanden ‘O ja…, o ja,’ alsof hij stuk voor stuk de redenen afvinkte die Dickie aanvoerde om niet naar De Ooievaar te hoeven.

Als ik op dat moment zijn gesprekspartner had kunnen bereiken, had ik tegen hem gezegd: ‘Eén reden is genoeg Dickie. Wrijf het niet in. Het kan natuurlijk zijn dat je schoonmoeder in het ziekenhuis ligt omdat ze over de grasmaaier is gestruikeld, dat je de achterband van de fiets van je dochter moet plakken omdat ze naar ballet moet en de auto bij de garage is, dat de hond een gezwel heeft waar vanmiddag nog iemand naar moet kijken omdat het van binnenuit begint te bewegen, maar kies er ééntje uit en laat de rest zitten. Zelf zou ik voor de achterband gaan.’

De man achter me hing op nadat hij er een opgewekt ‘Nou ja, dan zie ik je nog wel hè?’ had uitgeperst. De tram reed de Utrechtsestraat in en kwam langs café Onder de Ooievaar, maar de man bleef zitten.

Bij het Centraal Station stapten we samen uit. Hij liep voor me uit met de O-benen die je ook wel ziet bij jonge makelaars die te lang op hun scootertje hebben gezeten, maar hij was ouder dan ik had gedacht, en magerder, met kort geknipt grijs haar. Ik bedacht dat er op de Zeedijk ook een café was dat De Ooievaar heette, maar de man sloeg niet af naar het centrum, hij liep het station in, waar hij in de menigte verdween.

Misschien was hij nooit op weg geweest naar een kroeg maar was hij op zoek naar de ooievaar die hem ooit deze wereld had in gevlogen. Hé pik, breng me maar weer terug als je me nog kan tillen, het is niks hier, Dickie heeft ook nooit meer tijd voor me.

 

 

2.Ondergronds

Vanwege een juryuitspraak die gunstig voor me uitviel, mocht ik de afgelopen maanden veel lezingen in boekhandels geven. Als ik iets aan deze lezingen heb overgehouden is het wel een grote bewondering voor de mensen die al die boekhandels draaiende weten te houden. Als je de hoeveelheid boeken ziet die in zo’n winkel ligt – aan wie slijten ze die allemaal, hoe raken ze die kwijt, wie léést dat allemaal?

Het antwoord op die laatste vraag is: niemand. Al die klanten, al die bezoekers van lezingen – allemaal schijn, het zijn steeds dezelfde figuranten die kriskras door het land worden gereden. Omdat ik in die boekhandels ook in kantoortjes en opslagruimtes kwam (‘Hangt u hier uw jas maar even op’) werd me al snel duidelijk dat het in deze branche al lang niet meer om boeken draait.

Ik mag er verder niet te veel over zeggen omdat ik meteen bij mijn eerste boekhandelbezoek iets moest ondertekenen (‘De eerste regel van de boekhandel is dat je niet praat over de boekhandel’), maar achter de schermen lag heel andere koopwaar. Flessen gevuld met vloeistoffen in vreemde kleuren, pakketten die zware coffeeshopgeuren verspreidden, mitrailleurs, handgranaten, pistolen in alle soorten en maten. ‘Ja, wat wil je dan dat we doen?!’ schreeuwde een boekhandelaar die het niet was ontgaan dat ik een verbaasde blik wierp op de twee schappelijk geprijsde luchtdoelraketten op zijn binnenplaats, ‘de laatste lezer is al in 2009 overleden!’ (Die laatste lezer bleek een weduwe uit Veenendaal te zijn, ik heb haar foto in diverse boekhandels zien hangen, ze keek gelaten in de lens.) Ergens in de provincie deed een boekhandelaar nog gauw een luik dicht, maar ik had al gezien wat zich eronder bevond: een grote ruimte waarin kinderen die al lang geen daglicht meer hadden gezien achter grote, ingewikkelde machines zaten waarvan het doel me niet meteen duidelijk was maar die een oorverdovend geraas produceerden.

Soms moest ik meerdere boekhandels per dag bezoeken, en dan werd ik van de ene naar de andere locatie vervoerd via een ondergronds gangenstelsel dat alle Nederlandse boekhandels met elkaar bleek te verbinden. (Ook dat was nieuw voor me.) Het transport werd verzorgd door golfkarretjes die een verbazingwekkende snelheid wisten te bereiken. Gedurende grote delen van die tochten was ik geblinddoekt maar hier en daar slaagde ik er toch in een glimp op te vangen van helverlichte laboratoria waarin mensen in witte overalls en gasmaskers metertjes aflazen en opslagtanks volgoten, en ook kwam ik langs uitgestrekte plantages waarin hoog oprijzende planten door middel van fel brandende lampen tot groeien werden aangezet. Ik kon niet zo snel zien wat voor planten het waren maar het leken me geen zonnebloemen.

 

 

3.Pompelmoespleintje

Warme dag, koffiezaakje teruggevonden.

Toen ik een half jaar geleden in Brussel bivakkeerde, dronk ik er een paar keer koffie: een klein hipsterzaakje met vriendelijk-nerveuze bediening, in een van die smalle kasseienstraten die van de bovenstad naar beneden voeren, niet ver van het Justitiepaleis dat als een reusachtige versteende mee-eter boven de stad uittorent. Het zat op een hoek, met een terras waar het toen veel te koud was.

Bij latere bezoeken aan Brussel kon ik zowel het zaakje als het kruispunt niet terugvinden. En het bleef spoorloos, ook wanneer ik thuis in Amsterdam aan de hand van Google Streetview als een manische sprinkhaan door Brussel sprong; alsof het nooit bestaan had, alsof het een tijdelijke verschijning was geweest. Kortom, hier was sprake van een Pompelmoespleintje.

We waren thuis lid van een streng gereformeerde kerk en veel dingen waren van de duivel maar gelukkig mocht ik naar de Openbare Bibliotheek. Ik hield van de boeken van Hans Andreus over Meester Pompelmoes. In een van die boeken stond een verhaal waarin de oude Pompelmoes op een wandeling door de stad een steegje in loopt dat hij nooit eerder heeft gezien. Aan het eind bevindt zich een zonnig pleintje met een caféterras en een vriendelijke ober die aardige dingen zegt en lekkere koffie zet en een vogel die mooi fluit in een boom, ik geloof zelfs dat er een tekening van die vogel bij stond, alles was kalm en goed.

Later wil Pompelmoes terug naar dat pleintje, om die dromerige, serene stemming nog eens te ondergaan, maar op de plek waar het steegje de vorige keer begon, staan de huizen tegen elkaar aan, alsof er nooit een doorgang is geweest.

Als acht-, negenjarige kon ik de stemming die het verhaal bij me opriep nog niet benoemen, pas later zou ik het herkennen als de milde melancholie waarvoor ik in de loop der jaren een al te goede antenne zou ontwikkelen.

Ik heb het verhaal nooit terug kunnen vinden, niet als kind en niet als volwassene, niet in de bibliotheek en ook elders niet, en nog steeds niet. Op vrijmarkten en in weggeefkastjes kom ik wel eens een Pompelmoesboek tegen maar nooit het boek met dit verhaal, alsof het nooit echt heeft bestaan, alsof het zelf een voorbeeld is van een Pompelmoespleintje.

Vandaag trok ik er in Brussel op uit om het koffiezaakje terug te vinden. Het lag hoger dan ik had gedacht maar ik vond het, het was er nog, het was er al die tijd geweest. Nu drink ik er koffie, op het terras is het te warm, binnen is het koeler, ik kijk uit over het kruispunt, meisjes met Lize Spit-knotten lopen voorbij in de zon.

 

 

4. Beeldjes

Brussel telt veel stripwinkels en in al die etalages van die winkels staan, zitten of rennen stripfiguren. Soms zie je ook nog ergens een album liggen, maar je ziet toch vooral beeldjes, in allerlei formaten, van klein tot levensgroot. Wat meteen een interessante filosofische vraag oproept: hoe groot is levensgroot voor stripfiguren eigenlijk? Op welke schaal spelen hun avonturen zich af?

Kuifje is het populairst in de etalages, maar hij is niet alleen, hij wordt omringd door de vrienden en vervoersmiddelen die hem tijdens zijn vele avonturen hebben bijgestaan. Hoewel, vele avonturen? Het zijn er 23, als we de Alpha-kunst even niet meerekenen; zijn dat er veel? Niet voor iemand die nooit ouder wordt, ben je geneigd te zeggen. Wat meteen een andere interessante filosofische vraag oproept: als een stripfiguur nooit een dag ouder wordt, betekent dat dan niet dat al zijn avonturen zich tegelijkertijd moeten hebben afgespeeld? Daar ga ik een volgende keer eens diep over nadenken, nu sta ik nog steeds voor die etalages met de beeldjes van Kuifje en zijn kompanen.

Hoe langer je daarnaar kijkt, hoe sterker het idee wordt dat hier heel erg iets niet klopt. Eerst roepen ze door hun gestroomlijnde tastbaarheid en hun kleuren een gevoel van hebberigheid op, maar algauw verdwijnt die hebzucht om plaats te maken voor twijfel en afkeer. Het ligt niet aan de kleuren, het ligt zelfs niet aan de driedimensionaliteit waaraan die vertrouwde figuren opeens onderworpen zijn, het gaat om het wezenlijke dat ontbreekt: de lijn.

Een stripfiguur bestaat uit lijn. De lijn is niet de begrenzing, daar waar het figuurtje ophoudt; de lijn is de figuur. Je kan de ruimte tussen de lijntjes inkleuren maar noodzakelijk is dat niet. Zonder kleuren overleven stripfiguren, zonder lijn niet. Dat is het vreemde van die beeldjes in de etalages: ze zijn gestript van hun essentie. Het is een obsceen gezicht, alsof ze daar naakt staan.

Het zou mogelijk moeten zijn om zo’n beeldje voortdurend door zwarte lijnen begrensd te zien, vanuit welke hoek je er ook naar kijkt.

En zodra de holografische technieken zijn uitgevonden die hiervoor ongetwijfeld nodig zijn, wil ik ze ook op mezelf toegepast zien, want hoe vaker ik die beeldjes in de etalages zie, hoe meer ik besef dat ik er óók zo naakt bij loop.

Ik wil ook duidelijk omlijnd zijn. Hoe zekerder zou ik me niet voelen als ik een stripfiguur was, als mijn ongerichte belevenissen zich zouden kunnen transformeren tot duidelijk omkaderde avonturen die je genummerd in de boekenkast kon zetten; wanneer mijn ene schepper doodging kwam er een volgende die me net zo liefdevol omlijnde, vele mensen zouden zich met mij bezighouden en ik zou nooit ouder worden.

 

 

5. Kafka op de Foor

‘Zullen we gaan wandelen op de Foor?’ vraagt ze op een avond. Ze woont vlakbij de Kleine Ring die het centrum van Brussel omsluit en elk jaar wordt op de brede middenberm van die rondweg de Zuidfoor gehouden. Ruim een maand lang loopt van de Hallepoort tot de Anderlechtsepoort een tijdelijke kermisstraat van een paar kilometer lengte.

We zijn niet de enigen, heel Brussel is er, in al haar geledingen. We werken ons door de massa, alle zintuigen worden aangevallen. Lichten knipperen, muziek dreunt, standhouders tateren in microfoons om publiek te trekken. Ook boven ons gebeurt van alles: in gigantische apparaten worden vastgesnoerde kermisgangers met grote snelheid heen en weer gezwiept, op en neer geslingerd en gecentrifugeerd. Het gegil draagt stratenver.

Ook de Foor zelf reikt verder dan de middenberm van de Kleine Ring. Sommige attracties zijn zo groot dat je vanuit het centrum kunt zien. Als je bij de Beurs de Anspachlaan af kijkt, zie je in de verte een onwerkelijk lange stalen zwiep-arm waarin kluitjes mensen zitten, hun slappe beentjes buitenboord. Op een avond zijn we te gast bij een barbecue in een achtertuin. Opeens komt boven de huizen een zwaaiarm omhoog, gevuld met mensen die razendsnel voorbij schieten, achtervolgd door hun eigen geschreeuw.

Of je al dat geweld nu van veraf ziet of van zo dichtbij dat je het scherpe gezoef van de slinger- en zwaaiarmen kan horen en de neiging krijgt te bukken als er weer eentje over je heen schiet – het is niet moeilijk om je voor te stellen dat al die gillende mensen zich niet vrijwillig hebben aangemeld, maar dat dit een perverse manier is waarop recht wordt gedaan. Deze attracties zijn machines die straffen voltrekken. De veroordeelden overhandigen geen geld aan de mannen bij de kassa, maar briefjes waarop hun vonnis staat. En nadat het briefje is ingenomen worden ze verder geleid en ingesnoerd waarna de machine start en het voorgeschreven aantal minuten moet worden overleefd.

De felle kleuren van de apparaten, de hectisch knipperende lampjes en de harde muziek voorzien de strafvoltrekking van een achteloos sarcasme. Dit is de manier waarop de machthebbers de spot drijven met hun onderdanen. Het is de kermisversie van Kafka’s ‘In de strafkolonie’, het verhaal waarin een gruwelijke machine vonnissen tatoeëert op de rug van veroordeelden, tot de dood erop volgt.

Al deze associaties komen natuurlijk alleen maar bij me op omdat ik me voor geen goud in een van deze attracties zou laten insnoeren. Zij is lichtelijk teleurgesteld. ‘Het reuzenrad dan?’ Ik schud mijn hoofd, ik heb toch niets misdaan? Maar helemaal schuldloos is niemand, ik voel hete naaldjes in mijn rug en ben benieuwd naar de tekst.

 

 

6. Steigers

Eén ei geen ei, één keer is geen keer – als je een stad wilt kennen moet je er regelmatig naartoe. Je moet haar zien veranderen. Je kent pas iets als het niet meer hetzelfde is. Voor mensen geldt dat ook. Over zelfkennis heb ik het nu niet, je moet naar buiten kijken. De zin van het leven bestaat eruit je omgeving te zien veranderen.

Bij elk bezoek in Brussel blijkt het voetgangersgebied-in-aanbouw rond de Beurs weer wat verder opgeschoven over de Anspachlaan. Ik heb daar nog auto’s zien rijden. Opeens is het alsof ik het over heel vroeger heb en hier al ontzettend lang kom, nog even en ik kan een T-shirt laten bedrukken met de tekst opa vertelt.

In het begin weet je niet wat een verandering is en wat er al eeuwenlang is. Nou ja, de Grote Markt, die zal er al wel een tijdje liggen, Egmond en Hoorne zijn er nog onthoofd, maar sinds wanneer zijn al die gebouwen zo schóón, zo gezandstraald? Om dat te weten is één bezoek niet genoeg.

Het voornemen om veranderingen bewust te registreren is ook een poging om je, al is het maar tegenover jezelf, te onderscheiden van de toeristen. Soms steekt nostalgie de kop op. Zo vind ik het ergens ook jammer, die oprukkende voetgangerszones, omdat het niet past bij het beeld van Brussel als stroeve brutalistische stad dat zich in m’n hoofd heeft gevestigd. Aan de andere kant vind ik het prettig om te zien dat in Vlaanderen stadspleinen nog als parkeerplaatsen worden gebruikt, iets dat in Nederland al veel zeldzamer is geworden. België als comfortabele, nostalgische blik op het verleden. Uitkijken dus: voor je het weet let je op verschillen in plaats van veranderingen. Een niet al te subtiel verschil: stilstand in plaats van beweging.

Ook veranderingen kunnen tot stilstand komen. Het beste voorbeeld is de eeuwigdurende restauratie van het negentiende-eeuwse Brusselse Paleis van Justitie. Het megalomane gebouw staat al sinds mensenheugenis in de steigers. Nog nooit heb ik iemand over die steigers zien lopen. Vanuit de verte (en je ziet het gebouw vanuit elke verte) wekken al die steigers, die als dunne horizontale lijnen voor het gebouw langs lopen de indruk dat je naar een verstoord beeld van een oude tv kijkt. Alsof het Justitiepaleis een uitzending uit het verleden is, iets dat wanhopig tot onze wereld probeert door te dringen.

Het verhaal gaat dat sommige steigers inmiddels zelf steigers nodig hebben om het verval tegen te houden. Ooit zullen die steigers óók weer steigers nodig hebben, uiteindelijk zal het Paleis veranderen in een ondoordringbaar woud van steigers. Alleen stokoude Brusselaars zullen nog weten wat er zich midden in dat woud bevindt.

 

 

7. Fliepje

Hoeveel je ook van elkaar houdt, op een gegeven moment sta je toch tegenover elkaar bij een opengescheurd kartonnen pak waarin allerlei onderdelen zitten die samen een boekenkast, een bureau, een tweepersoonsbed of een kastwand met schuifdeuren moeten worden. Als je alle cabaretnummers die de afgelopen decennia aan dergelijke vormen van montage zijn gewijd achter elkaar legt, krijg je een reeks voor de hand liggende grappen van je voordeur tot aan de dichtstbijzijnde meubelboulevard.

Al die grappen gaan over frustratie en woede. Gelukkig is er een manier om te voorkomen dat bij het in elkaar zetten van meubilair vriendschappen of relaties op het spel worden gezet: het gezamenlijk ondertekenen van een Ik Kan Ergenisloos Assembleren-verklaring (kortweg: ikea-verklaring). Iedereen kan zijn eigen tekst opstellen maar om te voorkomen dat dáár dan weer ruzie van komt volgt hier een concept dat in mijn omgeving zijn bruikbaarheid al diverse malen heeft bewezen:

Hierbij verklaren ondergetekenden dat alles wat tijdens het in elkaar zetten van [hier het onderhavige project invullen] voorvalt op communicatief gebied geen uitdrukking is van échte emotie of ergernis, maar slechts een vluchtig, consequentieloos, niet op de persoon gericht bijverschijnsel van het feit dat het aangeschafte meubilair in losse onderdelen wordt geleverd. Dit houdt in dat na het al dan niet succesvol afronden van het project alles wat is uitgewisseld als nooit gezegd zal worden beschouwd. Beide partijen verklaren dat uitingen als ‘Dat moet andersom, anders zitten de gaten van buiten, dat zie je toch óók wel idioot, of ben je opeens blind geworden?’ of ‘Waar heb je dat fliepje waarmee de schroeven moeten worden aangedraaid nú weer neergelegd, lulhannes?’ meteen vergeten zullen worden en niet zullen worden beschouwd als expressies van daadwerkelijke vijandige gevoelens. Hetzelfde geldt voor uitspraken als ‘Ja natuurlijk moet je dat blijven vasthouden, anders kan ik er toch niet bij, klootzak’ en ‘Ja ik weet ook wel dat dat ding geen fliepje heet maar je weet wat ik bedoel, als je bijdehand gaat doen mag je het ook in je eentje in elkaar zetten, zakkenwasser’ en ‘Dat komt omdat je de tekening op z’n kop houdt imbeciel, daarom staan de lettertjes ondersteboven zie je wel?’ en ‘Nee! Nee! Nee! Zonder dat fliepje gaat het niet, kijk dan op de tekening hondelul, ben ik hier dan de enige die niet opeens zwakzinnig is geworden?’ en ‘Ik haat je, ik haat je, weet je wat je met dat fliepje kan doen, wacht, ik doe het zelf wel even, doe je broek naar beneden’ en ‘Ga weg met dat ding, laat m’n kleding met rust gek, hé, goed te zien dat je dat fliepje hebt teruggevonden, als je ’m aangeeft draai ik even deze laatste plank vast.’

8. Stekels

Er stapte een dronken jongen in tram 81. Geen man, een jongen nog, tenger, met kortgeknipt blond haar. T-shirt, spijkerbroek, in zijn hand een blik Jupiler. Het was elf uur ’s ochtends.

Hij begon meteen te praten. Hij liep naar een van de lange banken die met de rugleuning naar het raam staan en onderbrak zijn monoloog om twee bejaarde dames te vertellen dat ze hun tassen weg moesten halen. Nadat ze dat gedaan hadden, ging hij naast een van die dames zitten, languit, alsof hij thuis voor de tv zat, alleen de afstandsbediening ontbrak nog.

Hij bleef praten, met grote armgebaren. Ik kon niet alles verstaan, hij sprak Frans, en bovendien klonterden zijn woorden samen, de alcohol had ze kleverig gemaakt.

Nog voor hij was gaan zitten waren al mijn stekels overeind gaan staan. Ik zat roerloos op mijn stoeltje en keek strak voor me uit, de menselijke versie van een Star Trek-ruimteschip met alle schilden omhoog.

De jongen bleef tegen de twee dames praten, erg hard, de halve tram kon hem horen. De dames keken hem glimlachend aan, bij hen geen schilden of stekels, hun alarm stond lager afgestemd dan het mijne, en draaide op een andere brandstof dan angst. De dronken jongen stelde vragen, de dames antwoordden, hij zei tegen de oudste van het stel dat ze erg mooi was, ze nam het compliment vriendelijk in ontvangst. Daarna begon de jongen te peuteren aan een boodschappentrolley die vlak voor hem in het gangpad stond. De eigenaar van de tas zei zacht dat er geen eten in de tas zat, dus misschien had de jongen gezegd dat hij honger had.

Iedereen om me heen was op zijn of haar hoede zonder te oordelen en zonder zich af te keren. De passagiers die zich verder weg bevonden lachten openlijker en hartelozer, alsof ze zich met de jongen vermaakten.

Net als ik stapte de jongen uit bij Flagey, nog steeds luidkeels pratend. Ik liep café Belga binnen en ging bij het raam zitten, met uitzicht op het kleine park in het midden van het plein. Een half uur later zag ik hem daar opduiken, nog steeds schrikbarend jong. Hij leunde tegen een lantaarnpaal en piste naar een afvalbak die een halve meter verder stond, met een krachtige straal. Een paar meter verder stond een groepje jonge toeristen, ze aten broodjes uit papieren zakken. Ze zagen hem niet. Toen hij klaar was wandelde hij weg, terwijl hij zijn broek nog dichtknoopte. Hij liep moeizaam en wankelend, als iemand die op een plat vlak bergopwaarts gaat. Een tram schoof voor het park langs en toen die tram voorbij was, was ook de dronken jongen verdwenen.

 

 

9. Uitkijken

Ze komen altijd breed lachend op me af, gewapend met die ene vraag die me stil moet laten staan, aan het denken moet zetten, die in ieder geval moet voorkomen dat ik zomaar de supermarkt in loop. Maakt u zich ook bezorgd over het klimaat? Vind u het ook niet vervelend om elke dag weer te moeten verzinnen wat u gaat eten? Weet u hoeveel mensen elke nacht op straat slapen in deze stad? Meestal loop ik door terwijl ik bezwerend maar niet onvriendelijk ‘Nee, nee’ mompel, als een ouder die een kind corrigeert in een ruimte waar niet te hard mag worden gepraat.

Eén keer was ik zo verrast door zo’n eerste, passanten tot stoppen dwingende vraag dat ik inderdaad stilhield. Dat was toen een jonge vrouw me vroeg: ‘Houd u van wereldgeschiedenis?’

Het bleek dat ze een krantenabonnement in de aanbieding had waarbij de kersverse abonnee als beloning een dvd-box met hoogtepunten uit de wereldgeschiedenis mee naar huis mocht nemen, maar haar vraag oversteeg haar poging mij iets aan te smeren. Kan je van wereldgeschiedenis houden? Van de hele wereldgeschiedenis? Is wereldgeschiedenis een hobby, kan je het verzamelen? En wat doe je als je alles hebt? Zijn er ruilbeurzen?

Veel verstand van wereldgeschiedenis heb ik dus niet, maar wat ik wel weet is dat ze twee kanten moet hebben. Zowel ter linker- als ter rechterzijde zetten opiniemakers en -brekers hun tegenstanders voortdurend minachtend weg als onwetenden die zich aan de verkeerde kant van de geschiedenis bevinden. Daaruit volgt dat zij zich aan de goede kant van diezelfde geschiedenis ophouden – en dat is uiteraard the place to be.

Mij lijkt het een prima locatie, die verkeerde kant. Ik zou er graag mijn tentje opslaan, het is er vast heerlijk rustig, vogels zingen, de tijd lijkt er stil te staan, misschien gaat hij wel achteruit.

Maar die verkeerde kant is natuurlijk geen vaststaand gebied, iedereen benoemt een andere kant als de verkeerde, zodat we uiteindelijk nog niets weten. ‘Pardon, aan welke kant van de geschiedenis bevinden we ons momenteel, toch wel de verkéérde?’ ‘Nou, dat denk ik niet hoor, wij kregen net te horen dat dit de goede kant was, nietwaar Fred?’ ‘Ja Mieke, maar nu begin ik zelf toch te twijfelen, als meneer hier zegt dat dit de verkeerde kant is…’ ‘Het is hier ook zo donker, als we de geschiedenis zouden kunnen zien, dan…’ ‘Wacht, we gaan het vragen. Mevrouw, welke kant van de geschiedenis is dit, de verkeerde of de goede?’ ‘Nou gek dat u die vraag stelt meneer, wij dachten de hele tijd dat we hier goed stonden, maar nou staat dáár iemand te verkondigen dat…’ ‘Wacht, kijk uit! Daar, de geschiedenis! bukken!!!’

 

 

10. Nachtwacht

Ik ging naar  het Rijksmuseum om De Nachtwacht te zien. Ik had gelezen dat het schilderij werd gerestaureerd, gewoon in de zaal waar hij altijd hangt, van het publiek afgeschermd door een grote glazen doos.

Nog voor ik de deur uit was, stelde ik me voor hoe dat zou zijn, en daar ging het meteen al mis. Ik zag in witte jassen gehulde restauratoren voor me, gewapend met vergrootglazen, verfdoosjes, wattenstaafjes en wat restaurateurs zoal bij zich hebben wanneer ze naar hun werk gaan. Ik vroeg me af hoe het moest zijn om dag in dag uit in een glazen doos te werken onder het toeziend oog van een steeds wisselend publiek. Werd je daar nerveus van? Ging het ten koste van je vaste hand? Je kon nooit eens uitgebreid geeuwen, even lekker in je neus peuteren kon je ook wel vergeten.

Maar misschien was het ook wel een prettige afleiding, al die toeschouwers. Zouden de restauratoren elkaar op de hoogte houden van vreemde exemplaren? ‘Kijk nou, die man daar links, is dat een kapsel of brandschade?’ En op een dag zou een van de restauratoren opkijken en aan de andere kant van de glaswand de vrouw van zijn leven zien staan. Terwijl ze zijn blik vasthield schreef ze cijfers op het glas, hij wist dat het haar telefoonnummer moest zijn maar kon het niet lezen omdat hij aan zijn kant van het glas spiegelschrift verwachtte, maar zij had dat ingecalculeerd en schreef zélf in spiegelschrift – en omdat men zijn verwarring zag, begonnen alle bezoekers de cijfers luidkeels te herhalen, één voor één, in alle talen van de wereld, en de restaurator toetste ze in op zijn telefoon en kreeg haar inderdaad aan de lijn en ze spraken nog lang en gelukkig.

Maar dit waren gedachten vooraf, toen ik de straat nog op moest. Alles bleek anders toen ik daadwerkelijk voor De Nachtwacht stond. Nergens was een restaurator te bekennen. De glazen doos was leeg, op een gigantisch, in hoogte verstelbaar apparaat na dat vlak voor het schilderij op rails stond. Met een heen en weer schuivend venster scande het een klein deel van het doek, streepje voor streepje, met een onmenselijke, werkelijk gékmakende traagheid en precisie.

Het was een ontnuchterend gezicht. In de glazen doos speelde zich geen romantische komedie af, ik was beland in een sciencefictionfilm. Ik zag voor me hoe het apparaat zichzelf op een stille nacht via een wormgat hiernaartoe had getransporteerd en meteen aan de slag was gegaan. Met elke beweging van het scannende oog ontstond op een verre planeet een identieke versie van De Nachtwacht, streepje voor streepje, met een traagheid en precisie waarmee ze daar geen enkele moeite hadden.

 

 

11. Onthechting

Er was weer eens een festival aan een rand van Amsterdam. De bastonen schoven vanuit de verte over de stad, als het onheilspellende geklop van een kwaadwillige geest die voor een dichte poort stond. Elk moment verwachtte ik een NL-alert waarin alle Amsterdammers werden gewaarschuwd vooral niet open te doen.

Als het om ergernis gaat is het gehoor hofleverancier. Is het mogelijk om je meer te ergeren aan iets wat je voelt of ziet dan aan iets wat je hóórt?

Maar misschien hoorde niet iedereen wat ik hoorde. Vorig jaar maakte ik met Metsike een wandeling langs het Westerdok om te zien wat daar de afgelopen jaren allemaal was gebouwd. Toen we honger kregen vroeg Metsike aan een passant waar hier iets te eten viel, en zo belandden we op het terras van een überhip restaurant aan het IJ. We aten aan het water, alles was goed, maar aan de overkant was een of ander festival bezig; het geluid werd door de wind naar ons tafeltje gebracht. Aan de jongen die ons bediende vroegen we of dat de hele tijd zo doorging. Hij zei verbaasd: ‘Ik hoor helemaal niets.’

Hij ondergaat het al de hele middag, dachten wij, hij is er zo aan gewend dat hij het niet meer registreert.

Maar wat, bedacht ik later, als hij het daadwerkelijk niet hoorde? Voor hem was een festival iets normaals, en viel het geluid weg tussen de andere omgevingsgeluiden. Wij hoorden het boven alles uit. Ergernis is waarschijnlijk de beste geluidsversterker die we ooit hebben uitgevonden.

Alles is context. Er zijn weinig dingen beter dan je met een boek op de bank te nestelen wanneer buiten de regen tegen de ruiten ritselt. Maar wanneer een huisgenoot de kamer binnenkomt om je te vertellen dat het helemaal niet regent, maar dat het geluid veroorzaakt wordt doordat de bovenburen voortdurend grote scheppen fijn zand tegen je ramen aan gooien, houd je het geen seconde meer uit met je roman, ook al is het geluid niet veranderd.

Zou het stadium haalbaar zijn waarin het niet meer uitmaakt wat de bron van het geluid is? Het lijkt iets nastrevenswaardigs, maar hoe onthecht moet je zijn om dat niveau te halen? Sereen glimlachend kijk je op uit Oorlog en vrede, tevreden zeg je tegen jezelf ‘Ah, lekker, de bovenburen zijn weer aan het strooien’, om vervolgens volkomen ontspannen verder te lezen. Later kloppen ze zelfs nog aan, de bovenburen, met het verzoek om een bijdrage in de kosten. Sorry dat we u storen, maar al dat zand, begrijpt u wel… Zonder enige aarzeling trek je je portemonnee, het enige waarmee je zit is de vraag hoeveel fooi je kan geven zonder dat het overdreven overkomt.

 

 

12. Gillen

Met mijn oudste zus ga ik langs bij mijn oudste tante. Over een paar dagen wordt ze 93, tante Annie. Ze dementeert en woont al een aantal jaren in een zorgcentrum. Mijn zus bezoekt haar regelmatig. Ik ging anderhalf jaar geleden voor het laatst mee, toen we Annie gingen vertellen dat haar lievelingszus, onze moeder, was overleden. ‘O, dat vind ik jammer,’ zei ze.

We moeten ons bij een intercom melden en de deur van de afdeling heeft een toegangscode. In de gemeenschappelijke huiskamer zit tante Annie in haar rolstoel te suffen aan de grote tafel. Er zitten nog een paar generatiegenoten van haar, en een dikke, veel jongere man. Zijn verhaal zal niet gelukkig zijn maar ik zal het nooit weten; we nemen onze tante mee, de huiskamer uit, naar haar kamer.

Ze is verder heen dan anderhalf jaar geleden, ze is blij dat we langskomen maar heeft geen idee wie we zijn. Ze praat op dezelfde joviale toon als vroeger, toen we met het hele gezin bij haar langsgingen: opgewekt, dominant, met een tikkeltje kokette zelfspot. Ze kon uren met mijn moeder aan de telefoon hangen. Mijn moeder luisterde vooral. ‘Ja… Ja… Ja zeg!’ Mijn vader keek dan langs zijn krant en wierp hoofdschuddend een blik op zijn horloge. ‘Annie heeft van dat mooie dikke haar,’ zei mijn moeder altijd. ‘O ja,’ riep mijn vader dan vol ergernis, ‘ze heeft van dat mooie dikke háár!’

‘Ik heb het leuk gehad hoor,’ zegt tante Annie toegeeflijk tegen ons. En op dezelfde toon: ‘Ik maak net zo lief het raam open en spring naar buiten.’

Dit is tante Annie, maar tegelijkertijd is ze het niet meer. Wanneer is iemand op z’n best, op z’n volledigst? Is er een moment geweest waarop je had kunnen zeggen: dit is tante Annie in haar ideale verschijningsvorm, die is de complete, verwezenlijkte tante Annie, dit is tante Annie zoals ze eeuwig zou kunnen voortleven mocht er een hiernamaals zijn?

Als dat moment er is geweest, is het nu wel voorbij. Maar het is er nooit geweest, zonder al te vaste vorm stromen we van een begin naar een einde. Soms, zoals bij tante Annie, lijkt een eindpunt gemist, en moeten er nog een paar jaar worden ingevuld zonder dat iemand weet waarom.

‘Kan ze haar raam zelf opendoen?’ vraag ik voor de zekerheid aan mijn zus als we vertrekken. Nee, dat kan ze niet, antwoordt mijn zus. Ze vertelt dat tante Annie ’s nachts vaak ligt te gillen. Onlangs had een late passant de politie gebeld, omdat hij dacht dat er binnen iets aan de hand was.

Er was natuurlijk ook iets aan de hand: onze tante lag te gillen.

 

 

13. Klein tikje

In de trein naar Brussel zat een familie. Vanaf mijn zitplaats kon ik ze niet allemaal zien, maar ze hadden een baby bij zich die veel huilde en zo kreeg ik na verloop van tijd toch een beeld van het hele groepje, omdat de baby voortdurend doorgegeven moest worden en er regelmatig iemand van het gezelschap opstond om een tas uit het bagagerek te pakken waarin iets zat wat de baby misschien kon afleiden of kalmeren. Zonder dat ze er hun best voor hoefden te doen, wonnen ze de eerste prijs in de categorie Meest Aanwezige Passagiers, een onderscheiding die je eigenlijk al zodra ze instappen aan een gezelschap met een baby kunt uitreiken.

Ze waren met z’n vijven. Een jong echtpaar en een ouder echtpaar, en die baby; op basis van uiterlijke kenmerken concludeerde ik dat het oudere echtpaar de ouders van de jonge moeder moesten zijn. Ze praatten hard, alsof ze verder van elkaar zaten dan het geval was. Ze hadden het over hotels, tickets, het uitblijven van de railcatering, de baard van de conducteur en de manieren waarop het de baby naar de zin kon worden gemaakt. Over die manieren bestond vooralsnog geen consensus. Ook over wat de conducteur met zijn gezichtsbeharing moest doen liepen de meningen uiteen.

‘Weet je,’ zei de vader van het kind. ‘Zo’n dagje reizen is inspannender dan een dagje werken.’ Meteen daarop ging zijn telefoon. ‘Ja!’ riep hij. ‘Rik? Hoe is het bij Winterhuisjes? Ben je al bezig met … Shit man. Dan moet je meteen plaatje zes aandraaien. En dan gewoon een klopje met de kopse hamer. Jawel, die zit onderin je kist. Kijk maar. Precies, dat is nou een kopse hamer. Klein tikje. En dan ben je al bijna klaar. Ja, dat kan je doen maar het is niet echt nodig. Straks gaat alles weer dicht, dat ziet niemand. En anders… Ja, dat kan, draai maar even dicht. Nu meteen hè, anders sta je straks tot aan je knieën in … Probeer dan rechtsom. Heel goed, dicht is dicht. Prima. Geen probleem. Als er nog wat is dan bel je maar.’

‘Zei je dat nu echt?’ vroeg zijn vrouw toen hij zijn telefoon had weggestoken.

‘Zei ik wat nu echt?’

‘Als er wat is dan bel je maar.’

‘Ja,’ zei de man. ‘Dat zei ik nu echt.’ Hij sloot zijn ogen, rekte zich uit en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. Je kon aan hem zien dat er wat hem betrof de komende dagen niet genoeg mis kon gaan bij Winterhuisjes.

Naast hem begon de baby te huilen. Zonder opzij te kijken legde de man een hand op het hoofdje van het kind en het huilen stopte meteen.

 

 

14. Zoontje van drie

‘Is vader thuis?’ vroeg ik  aan de man die opendeed.

‘Ik ben de man die u moet hebben,’ zei hij. Voor een honderdjarige zag hij er nog patent uit. Hij was een kop groter dan ik en keek me vorsend aan. ‘Ik weet waarvoor u komt,’ zei hij, ‘ze heeft me gebeld dat u onderweg was.’

De boekhandelaarster die me over hem had verteld was zijn kleindochter. ‘Ze had beter haar mond kunnen houden,’ zei de man, ‘maar komt u verder.’

Hij ging me voor naar een karig ingerichte woonkamer. Nadat ik hem had beloofd dat ik zijn woonplaats niet zou vermelden, stak hij van wal. ‘Goed. U heeft het al gehoord. Ik ben het oorspronkelijke zoontje van drie. De eerste hè. De allereerste. Mijn vader…’ Hij keek om zich heen, alsof zijn tekst ergens op de muur geschreven stond. ‘Mijn vader bezocht zevenennegentig jaar geleden de opening van een tentoonstelling van moderne kunst. Hij was notaris, zat in het museumbestuur, precies weet ik het niet meer. Toen hij de geëxposeerde werken zag, moet hij geroepen hebben: “Dat kan mijn zoontje van drie ook!” Nou ja, er was pers bij, een dag later werd ik geïnterviewd door een landelijke krant. Van de journalist moest ik tekeningen maken, die werden tentoongesteld in datzelfde museum, het werd een hele toestand, die tekeningen gingen het hele land door, u kunt dat allemaal hier nalezen.’

Hij wierp een dikke, met elastiek bijeengehouden map op tafel. Stof dwarrelde op en bleef even hangen. ‘Speciaal voor u van zolder gehaald.’ Hij klonk alsof hij er spijt van had. Ik maakte de map open en bladerde door vergeelde krantenberichten.

‘Er was ook nog iemand in Engeland die zei dat híj het zoontje van drie was,’ zei de man, ‘maar die is dood.’ Hij klonk tevreden, alsof hij hem zelf had vermoord. Zo onverschillig liet het hem dan toch ook niet.

‘Eigenlijk was ik toen vier,’ zei hij. ‘Mijn moeder was kwaad op mijn vader toen ze het artikel in de krant zag staan. Weet je niet eens hoe oud je eigen zoon is, Lodewijk? Nou ja.’ Hij haalde zijn schouders op, alsof de zaak hem opeens weer verveelde.

‘Wat bent u later gaan doen?’ vroeg ik. ‘Bent u doorgegaan met tekenen?’

‘Eerst kwam de oorlog. Daarna ben ik boekhouder geworden. Toch ben ik altijd dingen blijven maken. Wilt u ze zien?’

Hij ging me voor naar een grote loods achter zijn huis, die me eerder niet was opgevallen. Je zou er vliegtuigen in kunnen bouwen. Hij schoof een gigantische deur open, daarna verdween hij in het donker. Toen het licht aan ging stapte ik naar binnen.

Ik wist niet wat ik zag.

 

 

 

Geplaatst in brussel, kunst, leven, schrijven | Tags: , , , | 2 reacties

protesting against myself, of: ben je nu (eindelijk) tevreden?

 

1

Wat was kunst ook weer? Ik was een middag in Gent, ik moest mezelf drie uur in m’n eentje vermaken voordat er weer andere dingen zouden gebeuren, het regende en ik dacht: ik ga naar het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst, kortweg S.M.A.K.

‘Hier is het droog,’ zei de vrouw die mij m’n kaartje verkocht, en dat is inderdaad een voordeel van musea: het is er droog. Ik stopte mijn tas in een locker en hing mijn natte jas aan een kapstok waaraan al meer jassen hingen. Kon ik het aan om rustig en geconcentreerd urenlang door het museum te dwalen terwijl ik wist dat in de garderobe werkelijk iedereen er met mijn jas vandoor kon gaan? Dat is een ander voordeel van musea: je kan er gratis je neurosen laten testen.

In de eerste zalen die ik binnenliep was een tentoonstelling gaande van de Roemeense kunstenaar Ciprian  Mureşan. Ik zag een videoscherm. In beeld stond een verrijdbare vuilcontainer waaruit een handpop stak met een bord in zijn hand. Zo nu en dan zag je de bovenkant van de schedel van poppenspeler (ongetwijfeld Mureşan zelf) die zich in de bak verborgen hield. De container stond in een rustige straat. De pop sprak repetitieve teksten uit die in het Engels werden ondertiteld. ‘I’m protesting against myself,’ zei de pop steeds, en dan volgde een regel waarin hij de reden van het noemde, een mengeling van morele en neutrale uitspraken. Omdat ik gewend ben geraakt aan de vuilcontainer. Omdat mijn haargrens opschuift. Enzovoort. Sluit je aan bij mijn protest. Van alles werken die ik die middag in het S.M.A.K. zou zien raakte dit (I’m protesting against myself, 2011) me het meest. Door het statische, licht hypnotiserende karakter, door de melancholie van de wat treurige stem en de stille straat, door het relativerende maar tegelijk tragische, zelfbeschuldigende karakter. Door de dubbelzinnige oproep Join my protest against myself.

IMG_20191214_143724002 IMG_20191214_143729300

Misschien had ik drie uur voor dat scherm moeten blijven zitten, maar ik liep verder, ik las het tekstbord waarop informatie over Mureşan was te vinden. Hij ‘hercontextualiseert voortdurend historische anekdotes, iconische kunstwerken, religieuze cultuurvormen en ontwricht op deze manier de welomschreven verhalen uit de (kunst)geschiedenis. Mureşans deconstructieve werkwijze typeert zowel zijn video’s en sculpturen, als zijn tekeningen en installaties.’ Dat was even slikken, en niet alleen door het jargon. Want het was waar. Zo was er een korte video waarin een scène uit het iconische kunstwerk Un chien Andalou van Luis Buñuel werd nagespeeld door geanimeerde karakters uit Shrek, en een zaal verder werden religieuze cultuurvormen gehercontextualiseerd door middel van een groot kamerscherm op rails. Door het taaie curatorproza zag ik ook opeens de zelfbeschuldiging uit I’m protesting against myself in communistisch perspectief. Maar dat wilde ik allemaal niet weten, ik wilde al die associaties niet,  ik wilde vrije kunst die vrij is in te vullen, ik wilde melancholische kunst waarop ik kon associëren zonder conclusies te bereiken, als de betekenis werd verwoord en aangereikt gold het niet meer. Maar misschien zijn dat allemaal kinderachtige en narcistische verlangens, want wilde ik uiteindelijk dan niet dat het werk over mij ging?

Een ironische conclusie ook, want verder door het museum dwalend bleek eens te meer dat veel kunst juist over de maker gaat, en over de kunst. Geen bordjes lezen in musea, dat kan helpen. Aan de andere kant, als ik curator was wist ik het wel, dan hing ik overal bordjes op met de tekst: Ja hoor, dit werk gaat óók al over jou. Ben je nu (eindelijk) tevreden?

 

2

Uiteindelijk won de wereld het van de kunst. Er was een Broodthaerskabinet, gewijd aan het werk van (inderdaad) Marcel Broodthaers, en die twee boven elkaar gelegen zaaltjes hadden ramen die uitkeken op een verbijsterend grote, geheel lege hal met een gietijzeren overkapping – een groot negentiende-eeuws station waar de sporen uit waren verwijderd en vervangen door tegels. De hal maakte geen deel uit van het museum, er was geen enkele deur of doorgang, het was een raadselachtige verschijning, ontzagwekkend, melancholisch stemmend ook, ik dacht: dit  is het grootste kunstwerk dat Kiefer nooit gemaakt heeft; maar die associatie kon ontstaan zonder dat de werkelijkheid het aflegde tegen de kunst. Verderop in het museum zag ik toen ik naar buiten keek een zonovergoten uitzicht over een tuin en een oude imposante gevel. Ook dat ingekaderde uitzicht maakte meer indruk dan de kunst binnen, en niet alleen (maar ook) omdat het buiten op glorieuze wijze droog bleek te zijn geworden. Er was geen ruimte voor vragen – zowel die mysterieuze stationshal als dat optimistisch stemmende uitzicht ging niet over mij, ik verlangde er niets van, erkenning bijvoorbeeld. Het feit dat ik het zag bewees dat het bestond, en ik ook, en dat besef vulde de hele ruimte.

 

3

Mijn jas hing er nog. Ook dat was nooit over mij gegaan. Als die was verdwenen was niet mijn jas gestolen, maar een jas.

IMG_20191214_143705217

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

december in oostende (2)

 

De laagstaande zon maakt van Oostende een andere stad. Op haar dagelijkse route weet ze zich nauwelijks boven de bebouwing uit te hijsen, ze schijnt door gebouwen heen, ze schijnt in gebouwen, in het cafégedeelte van de Grote Post bijvoorbeeld, en in Du Parc, waar we in de late middag langs liepen en binnen een oud koppel zagen zitten waarvan IMG-20191202-WA0017de gezichten koperig-goud werden uitgelicht; meteen kregen ze iets waardigs, een verbannen vorstenpaar, net zoals de oude man die zich eerder die middag in de Grote Post met gesloten ogen in het lage zonlicht koesterde een Italiaanse prelaat of stadsbestuurder uit de renaissance werd. (En nu maar onthouden dat al die mensen, ‘wij’ zou ik bijna zeggen, die waardigheid ook bezitten bij bewolkt weer.) Ook het strand ziet er anders uit met die lage zon. Toen ze even een wandeling ging maken appte L. me een foto en ik vroeg me meteen af naar welke planeet ze was afgereisd.

Niet alleen de mensen en het strand, ook de stad wordt uitgelicht; aan het eind van de middag hangt aan het westelijke uiteinde van de Koningsstraat een wolk van stofgoud, waaruit de rails van de Kusttram zich als gouden tentakels uitstrekken naar het pleintje voor Du Parc. De zee haalt de zon deze maand niet meer, net voor ze die bereikt zakt ze moe achter Middelkerke naar beneden. Elke avond is er weer een andere kunstenaar verantwoordelijk voor haar daadwerkelijke ondergang, soms een impressionist die het houdt bij pastelkleuren, dan weer een expressionist die meer risico’s durft te nemen en niet terugschrikt voor een ziekelijk roodpaars. Ook zit er altijd wel wat groen bij.

*

Het is een onverhuld fantastische ochtend, we gaan een strandwandeling maken naar het zuiden, we zien wel hoe ver we komen. Het is eb, het strand is onwerkelijk breed en leeg, bijna iedereen is ergens anders, wat vreemd is, want hier is het het mooist. Ons komt het niet slecht uit. We wandelen, we zijn Oostende voorbij, er zijn duinen, er is een villa, er is luchtafweergeschut, het strand blijft leeg, om de paar honderd meter klimmen we over een strandhoofd dat als een stenen slang de zee in steekt en die aanmerkelijk hoger waren voordat het strand hier opgespoten werd. Op bijna elk strandhoofd steken hengels schuin omhoog, die bewaakt worden door vissers. Links van ons, boven het land, reist de lage zon met ons mee, net altijd even voor ons, we halen haar niet in.

Ter hoogte van Raversijde waadt een man in een felgeel oliepak heen en weer tussen twee strandhoofden, moeizaam trekt hij een onzichtbare last door het water, dat tot aan zijn ellebogen komt. Als hij bij een van de strandhoofden aankomt, wisselt hij wat woorden met een visser, daarna keert hij om en gaat weer op weg naar de andere kant. Daar staat, in de schaduw van het strandhoofd, een oude man met een wankel karretje waarop plastic bakken staan. Het ziet eruit als een scène van Beckett, je krijgt vermoeide benen alleen al als je naar de eenzame wader kijkt, maar er is niets surrealistisch aan de hand, ze vissen op garnalen, zo blijkt als L. de oude man met het karretje aanspreekt. Hij heeft een pluizig wit sikje, op zijn ene neusvleugel zit een uitgehard snotje en op het zwarte sweatshirt dat om zijn dikke buik spant staat I’m a limited edition. Hij laat een bakje zien, de bodem is bedekt net bruine garnalen, de vangst tot dusverre. Zolang het eb is, gaan ze door, voor zichzelf, niet voor de handel. Het is uitkijken voor de pietermannen die tussen de garnalen zitten, die kunnen gemeen steken. Zelf gaat hij het water niet meer in, dat laat hij over aan de jongeren, hij is tenslotte al zesenzeventig. Samen met de oude man en een aantal in afwachting ronddribbelende meeuwen wachten we tot zijn medevisser het water uit komt. Langzaam werkt die zich in onze richting, hij draagt een zonnebril en een zwarte bandana met witte schedels. Het trechtervormige net dat hij langs de bodem heeft gesleept wordt aan het smalle uiteinde opengeknoopt en de vangst in een bak gestort. Routineus beginnen de mannen te sorteren. De beweeglijke pietermannen – kleine, doorzichtige visjes – worden bij de staart gepakt en naar de meeuwen gesmeten, die ze in één keer doorslikken. Er zitten ook kleine krabbetjes tussen de garnalen, die worden ook weggeworpen, zodra ze landen beginnen ze zich in het natte zand in te graven, binnen een paar seconden zijn ze verdwenen. De meeuwen moeten ze niet.

We nemen afscheid en terwijl we verder lopen moet ik denken aan Blue Highways, het boek dat William Least Heat Moon schreef over de reis die hij eind jaren zeventig langs de omtrek van de Verenigde Staten maakte, in een kleine camper, om zijn verbroken relatie te verwerken. Onderweg kwam hij voortdurend mensen tegen die met iets bezig waren en daarover vertelden, zoals deze garnalenvissers, en al die mensen waren sympathiek. Misschien is dat wanneer we op ons best zijn: wanneer we vertellen over iets wat we graag doen, en waarvoor een ander belangstelling toont.

Het strand is nog steeds uitgestrekt en leeg. Hier en daar zitten bij de waterlijn groepen meeuwen, die blijkbaar niet doorhebben dat een strandhoofd terug regelmatig gratis pietermannen worden uitgedeeld.

We naderen Middelkerke, het zeefront rijst schuin voor ons op, een brokkelige rij flats,IMG_20191204_133521564_HDR die er volgens L. uitziet als een reusachtige gestrande goederentrein, – en opeens zijn we personages uit een dystopische roman van J.G. Ballard die door de woestijn een uitgestorven stad naderen. Als we de Zeedijk oplopen, blijft het uitgestorven, alles is dicht en leeg, de Dijk zelf ligt in de schaduw en is spekglad, misschien hebben ze hier gestrooid in verwachting van nachtvorst en is het middel erger dan de kwaal. Achter het zeefront is er enig leven maar het houdt niet over. Er valt op het eerste gezicht weinig voor Middelkerke te zeggen. Ik weiger me nog steeds aan te sluiten bij het koor dat zo wellustig de lelijkheid van de Belgische kust bezingt maar dit stadje is een punt voor het koor. Op zoek naar iets dat open is en koffie schenkt komen we met behulp van internet terecht in Barista; vooraf doet de naam vermoeden dat dit de verzamelplek is van de Middelkerkse hipsters maar het blijkt het restaurant van het plaatselijke zwembad te zijn. Terwijl we lunchen kijken we door een grote glaswand uit op het binnenbad waarin een paar zwemmers bezig zijn. Als ik me omdraai kijk ik via een ander raam in de muil van een grote waterglijbaan die na een paar minuten een miezerig waterstraaltje begint uit te spugen maar waaruit zolang wij er zitten niemand tevoorschijn schiet. Als ik in Middelkerke woonde zou ik hier vaker komen.

We hebben tweeënhalfuur gewandeld; in twintig minuten brengt de Kusttram ons terug naar Oostende.

*

De volgde ochtend is het mistig. De zee heeft geen horizon en de Zeedijk lijkt op te houden achter de gestroomlijnde bulk van de Kursaal. Maar als je verder loopt onthult het zeefront zich stukje bij beetje, aarzelend, alsof de stad is vergeten hoe ze er ook weer uitziet en het meter voor meter uit haar geheugen moet opdiepen, eerst de vage contouren, dan de details, als laatste de kleuren; maar alles vaag en net niet helemaal echt.

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie, leven | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

december in oostende (1)

 

We komen in de namiddag aan en wanneer we van negenhoog naar beneden kijken, geeft de ondergaande zon de wandelaars op de Dijk en op het strand schaduwen van dertig, veertig meter, schaduwen die eerder thuis zullen komen dan de mensen zelf, en vast de verwarming en de lampen aan kunnen doen.

Het strand en de zee liggen er ondertussen haarscherp bij, het strand opgeruwd en koperkleurig, de zee grijs en blauw, maar onverwacht fel. Heel in de verte zien we nog net de witte staakjes van het windmolenpark.

Wanneer het donker is gaan we naar de stad in. De grootste attractie qua kerstverlichting is de lichttunnel die in de lengte over de Adolf Buylstraat is gespannen en waarvan de kleur verschiet van geel naar groen naar rood naar paars naar wat al niet. We eten bij Du Parc, witlof met ham, tussen oudere Westvlaamse echtparen, het is er onverwacht IMG_20191201_194020716warm en huislijk, zelfs het lamplicht is warm. Op het donkere perkje van het Marie Joséplein waarop we uitkijken staat een grote, uit lampjes opgebouwde kerstbal, het is eigenlijk een poort, je kan er doorheen lopen; wel is het vreemd dat ik lang niet alle passanten die erin verdwijnen aan de andere kant weer zie opduiken, alsof er zich in de bal een afslag bevindt naar een andere dimensie.  Als we weer buiten zijn, lopen we er ook doorheen, en we komen aan de andere kant ongeschonden naar buiten, tenzij u dit niet leest maar naar een wit scherm staart; dan is er toch iets misgegaan.

IMG_20191201_193848752Een straat verder is de lichttunnel ondertussen aan het echte werk begonnen: in razendsnelle opeenvolging toveren de duizenden lampjes kleurige, veelvormige patronen op het gebogen oppervlak terwijl er kersthits worden afgespeeld. All I Want For Christmas, War is Over, en vele anderen – we hopen maar dat de omwonenden inspraak in de afspeellijst hebben gehad, want als we het goed begrepen hebben wordt deze voorstelling vijf keer per avond gegeven.

We lopen naar de Kerstmarkt in het Leopoldpark. De contouren van de draaimolens en de kramen en de huisjes zijn met lichtjes aangegeven, ook sommige bomen zijn met lichtjes omwonden, er is een schaatsbaan waarop wordt geschaatst. Het is een heuvelachtig park en daarom is het een mooi klein kerstdorp om doorheen te dwalen. Als het zou sneeuwen zou de avond perfect zijn. Soms zou je willen dat het hiernamaals een kerstfilm was. De achterste draaimolen staat helverlicht hoog op een heuvel aan de rand van de kerstmarkt, erachter ondoordringbaar duister – opeens is de gezelligheid ver weg, alsof uit het duister handen zullen komen die de kinderen van de paardjes en uit de wagentjes zullen grissen, alsof deze uithoek van de kerstmarkt is ontworpen door Stephen King.

Thuisgekomen kijken we uit over de donkere zee. Het is de vierde keer dat we hier zijn, en telkens lijken er weer nieuwe lichten bijgekomen in het donker. Sommige dingen zijn nog hetzelfde, zoals de mysterieuze scheepsfile aan de horizon. De windmolens in de verte blijken inmiddels voorzien van rode lichten, die allemaal min of meer tegelijk aan en uit gaan, allemaal min of meer op dezelfde hoogte. De windmolens zelf zijn onzichtbaar. Je kan er lang naar kijken zonder het helemaal te begrijpen. Ja, het zijn windmolens met rode lampjes maar het is ook iets heel anders, een boodschap die niet te ontcijferen is en misschien toch aan jou gericht.

 

 

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

zeven fokking euro

 

Toen ik om elf uur ’s avonds klaar was op Crossing Border liep ik door een druilerig en donker Den Haag terug naar het station. Onderweg kwam ik J. tegen, die even over was uit de stad B. in het land N. Ook hij was naar Crossing Border geweest, ook hij was onderweg naar het station, ook hij moest naar Amsterdam, we reisden samen verder. Er reden alleen sprinters naar Amsterdam Centraal, zo waren we meer dan een uur onderweg, in een traag oprukkende, bij elk station voller wordende trein, lang niet iedereen kon zitten.

We waren zelfs nog langer onderweg dan gepland, doordat er een jonge vrouw met een fiets was ingestapt, niet ver van waar wij zaten. De vrouwelijke conducteur die even tevoren onze plaatsbewijzen had gecontroleerd kwam langs en hield de jonge vrouw voor dat die fiets daar niet kon staan en dat ze naar binnen had moeten gaan bij de deur met het fietslogo. Ja maar, zei de jonge vrouw, daar was het heel vol, ze lieten me gewoon niet binnen daar! Toch kon die fiets hier niet blijven staan, zei de conducteur, hier was het ook vol. Ondertussen waren we gestopt op station Sassenheim. Ze moest met die fiets naar de fietsdeur. Ja maar dat zeg ik u toch, daar was het te druk! Toch moet uw fiets hier weg, dat kan echt niet zo, niemand kan er hier door, dat is gevaarlijk. Ja maar bij die andere deur…! Als er geen plaats is moet u niet instappen met uw fiets. Ja maar ik heb zeven euro betaald voor een fietskaartje! Die fiets moet nu naar buiten. Ja maar…

De gemoederen liepen hoog op. De trein bleef staan, omstanders begonnen de jonge vrouw terecht te wijzen, wat haar verontwaardiging alleen nog maar vergrootte. Ze werd kwader en kwader, ze had zeven euro voor een kaartje betaald alleen al voor die fiets en bij die andere deur hadden ze haar er helemaal niet door willen laten en… Zo nu en dan werd ze bijgestaan door de vriend die ze bij zich had. De conducteur bleef herhalen dat die fiets hier niet kon staan, de vrouw bleef op hoge, verontwaardigde toon herhalen dat ze niet anders kon en dat ze ervoor betaald had.

Het was laat, iedereen wilde naar huis, dit was het laatste wat we nodig hadden. Toch ontstond in de trein niet eenzelfde machteloze spanning als laatst bij dat dronken echtpaar in de bioscoop, uit de vorige blogpost. Hier vormden alle andere aanwezigen wel een groep. De ruimte was verlicht dus we konden elkaar zien; de trein was vol, dus we bevonden ons binnen elkaars bereik. We konden hoofdschuddend blikken en korte observaties uitwisselen met mensen om ons heen, om de spanning te relativeren. J. en ik doodden de tijd door op zachte toon het meningsverschil tussen de jonge vrouw en de conducteur samen te vatten en te becommentariëren. ‘Blijkbaar moet bij dergelijke conflicten elk argument zeven keer worden herhaald,’ zei ik, ‘en wist jij dat een fietskaartje zeven euro kostte?.’ ‘Zeven fokking euro,’ zei J., die beter had opgelet dan ik.

De trein bleef staan, er kwam een andere conducteur bij, alle argumenten werden nog eens herhaald, en daarna begeleidde de tweede conducteur vrouw, vriend en fiets alsnog naar de fietsdeur even verderop, waar nu blijkbaar wel plaats werd gemaakt. Daarna gingen we rijden en leek alles weer normaal.

Na een paar minuten worstelde de jonge vrouw zich langs de staande passagiers in het gangpad naar voren, op weg naar de vrouwelijke conducteur, die nog steeds bij de deuren stond waar de fiets in de weg had gestaan. Ze kwam verhaal halen, en dat deed ze ook, op hoge toon. Hoe had de conducteur tegen haar kunnen zeggen dat..  Waarom had ze niet willen inzien dat…  Ze wond zich steeds meer op, de conducteur bleef afgemeten antwoorden en wij, de passagiers verbaasden zich over deze toegift, we konden allemaal naar huis, de vrouw zelfs mét haar fiets, alles klopte nu toch?

We bereikten station Hoofddorp. De vrouw was inmiddels zo opgewonden aan het schreeuwen dat de conducteurs (de collega was er nu ook bij) haar bevalen uit te stappen. Daar werd de vrouw niet meteen rustiger van. Maar ze moest er nu echt uit anders kreeg ze een boete. De andere conducteur liep over het perron langs de trein en even later zag ik vanaf mijn zitplaats bij het raam hoe er een fiets uit de trein werd geduwd. De vrouw en haar vriend stapten uiteindelijk ook uit, briesend.

We reden weer verder, nu was alles echt normaal. De kleine verbroedering tussen de passagiers ebde langzaam en gemoedelijk weg, tegen de tijd dat we in Amsterdam uitstapten werden hier en daar wat knikjes uitgewisseld om het tijdelijke deelgenootschap nog even te bevestigen voordat iedereen weer zijn of haar weegs ging en dat was het dan. J. en ik namen de metro naar de Pijp en praatten nog even na over wat we hadden meegemaakt.

Want waarom had de jonge vrouw zich helemaal vanaf de fietsdeuren weer naar de conducteur geworsteld om alsnog verhaal te halen? Wat was nu haar probleem geweest, alles was toch goed afgelopen? Ja, maar niet voor haar; die goede afloop was blijkbaar juist het probleem. Haar argumenten waren weggewuifd, ze was op haar nummer gezet, ze was zonder respect behandeld. En het was nog niet klaar. Ze was het slachtoffer van rigide, onbeschoft en onterecht toegepaste regelzucht geweest, maar zelfs als slachtoffer was ze niet serieus genomen, want het was nog niet klaar, de onrechtvaardigheid die ze ervoer moest nog worden bekroond en voltooid. Om haar slachtofferschap te vervolmaken ontbrak er nog één ding; en dus worstelde ze zich naar voren om haar straf te komen halen.

 

 

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

moordplannen

 

Ik zat me gistermiddag dood te vervelen bij Once Upon a Time in Hollywood, de nieuwe film van Quentin Tarantino, en tegelijkertijd vloog de tijd voorbij, dus blijkbaar zat ik geboeid te kijken. Ik zat me geboeid te vervelen – dat heb ik nog niet eerder gehad bij een film, geloof ik.

Het zag er dan ook allemaal erg mooi uit, dat Los Angeles van 1969. Als deze film, zoals je overal leest, Tarantino’s liefdesverklaring aan LA is, dan heeft hij dat goed gedaan, en waarom zouden wij er dan ook nog geboeid naar moeten kijken, liefdesverklaringen zijn doorgaans uitsluitend bedoeld voor de direct betrokken partijen, ik hoop dat Los Angeles ervan genoten heeft.

Ik keek dus als buitenstaander naar die in stoffig, vergeeld zonlicht badende stad en dat mijn verveling zich niet verveelde kwam omdat ik dacht dat de breed opgezette scènes die ik zag een verhaal zouden gaan vormen. Toen het verhaal eenmaal begon, viel het tegen en was het ook snel afgelopen. Tarantino houdt zo van het eind-jaren-zestig-Hollywood dat hij een alternatieve geschiedenis biedt voor een van de meest gruwelijke gebeurtenissen uit die tijd – en mij bekroop de oneerbiedige vraag of dat eigenlijk ook niet een beetje kinderachtig is. Aan de andere kant, meer dan Sergio Leone met Once Upon a Time in the West en Once Upon a Time in America neemt Tarantino de consequentie van zijn titel en vertelt hij inderdaad een sprookje. En als je dat beseft, val je ook niet meer zo over de karikaturale trekjes van de personages en van het geweld – al maken die trekjes de film er ook weer niet beter op, sprookje of niet.

Ik zag de film in een bovenzaaltje, met een stuk of vijftien andere bezoekers. Na twee uur ging de zaaldeur open en stommelden een man en een vrouw naar binnen, allebei op leeftijd, allebei omgeven door die rinse, altijd licht verontrustende geur van geconsumeerde en weer uitgezwete alcohol; licht verontrustend omdat je, zeker in een afgesloten ruimte, weet dat die geur de voorbode is van gedoe en onrust.

Ze gingen in mijn rij zitten, vlakbij, één lege stoel tussen mij en de vrouw. ‘Is het al lang bezig?’ vroeg de vrouw. ‘Twee uur!’ zei ik zacht maar met enige nadruk, in de hoop dat zo van deze mededeling zouden schrikken dat ze meteen weer opstonden en vertrokken.

‘Twee uur!’ zei de vrouw tegen de man. Ze nestelden zich in hun stoelen en gingen er eens goed voor zitten. ‘O, dat is Leonard DiCaprio,’ zei de vrouw. Op de een of andere manier dacht ik dat ze een echtpaar waren, ik weet niet waarom, een alcoholisch echtpaar dat na een alcoholische lunch de bioscoop was binnen gelopen en ongezien de trap naar het bovenzaaltje had genomen. De vrouw verschafte haar man nadere informatie over DiCaprio. Ze fluisterde op de manier die bij mensen die niet gedronken hebben gewoon ‘hardop praten’ heet. Ik maande haar sissend tot stilte, ze verontschuldigde zich maar het hielp maar even, er was nog veel meer te vertellen over wat ze zag, en ze hield ervan haar man op de hoogte te houden. Haar toon was verzorgd en beschaafd, wat me verraste – blijkbaar ga ik ervan uit dat mensen die ’s middags dronken bioscoopzalen binnenvallen plat praten. ‘Kijk,’ zei ze toen op het scherm een groepje in het zwart gehulde jongeren verscheen, ‘dat zijn zeker de moordenaars.’

Het was natuurlijk niet te doen. Je voelde de spanning in de zaal toenemen. Ik had maar een paar mensen in beeld en dan nog in silhouet, maar ik voelde de spierspanning van alle aanwezigen, de groeiende ergernis die vooralsnog in onze lichamen opgesloten bleef, de machteloze woede – en het onvermogen die gezamenlijk te uiten. We waren allemaal verenigd in onze verontwaardiging maar een groep zouden we nooit worden, het was ieder voor zich. Elk van ons moest de afweging maken: ga ik wat doen, negeer ik ze, haal ik er iemand bij? Wat mij betreft: ik wist niet dat ik zoveel ergernis kon bergen. Adem in, adem uit, mildheid, mildheid, concentreer je op het scherm – maar mijn innerlijke boeddhist was spoorloos, die had meteen toen het echtpaar binnenkwam de slippen van zijn pij opgetild en het op een rennen gezet, nog voor de zaaldeur weer was dichtgevallen stond hij al buiten.

Na nog een paar aanmaningen uit de zaal riep een man die even verderop in de rij zat woedend en afgemeten of ze nu eindelijk eens hun kop wilden houden, en dat hielp. Maar de mogelijkheid dat het harde gefluister elk moment weer zou kunnen beginnen, zorgde ervoor dat de spanning in de zaal bleef hangen, zonder dat er iemand kon ingrijpen of er iemand kon bijhalen, want er gebeurde niets. De discrepantie tussen het geweld op het doek (want het waren inderdaad jongeren met moordplannen) en de onmacht in de zaal trof me – wij konden niets doen, wij zouden niets doen, aan geweld viel niet te denken. Toch luchtte het nare geweld op – omdat het me tegenstond, omdat het ieders aandacht absorbeerde, ook die van het dronken echtpaar, en omdat ik dacht: nu is het gauw afgelopen.

Tijdens de aftiteling begon de vrouw weer druk te praten. Het was jammer dat ik daar niets van kon zeggen, er zat nog van alles in me dat eruit moest: schaamte over mijn relatieve passiviteit, de onvervulde en nu niet meer te vervullen neiging ze de les te lezen en ze besef bij te brengen van de spanning die ze hadden veroorzaakt, het idee dat ze er niet zo licht van af mochten komen. Tijdens de laatste drie kwartier van de film waren zij de enige ontspannen kijkers geweest, en dat moest eigenlijk alsnog worden gecompenseerd. Ze hadden het leuk gehad, de film hadden ze ook prima kunnen volgen, net toen ze binnenkwamen begon het verhaal een beetje op gang te komen.

Blijkbaar was het open huis in de bioscoop, want terwijl de aftiteling nog liep, kwamen al mensen binnen voor de volgende film. Het dronken echtpaar draaide zich om naar twee jonge vrouwen die achter hen waren komen zitten en vroegen: ‘Gaan jullie ook deze film zien?’ Nee, de vrouwen gingen naar Instinct, die zou zo beginnen. O, waar ging dat over? De vrouwen vertelden er iets over. Dat leek het echtpaar wel wat, die film, en tevreden nestelden ze zich weer in hun stoelen.

 

 

Geplaatst in film | Tags: , , , , , | 2 reacties