iets groots dat op normale dagen ontbreekt

 

De sprinter was voller dan gewoonlijk en toen ik gisteravond om een uur of half acht vanaf station RAI de stad in fietste, hing er een vreemde spanning op straat. Het was druk – overal fietsten mensen met Ajaxshirts, ze keken met verbeten gezichten naar hun telefoon, op zoek naar een plek om naar de wedstrijd te kijken. Op trottoirs mensen met dezelfde shirts, voor de cafés in de Rijnstraat, achter de ramen in huizen – overal die shirts. Het was anders dan als het Nederlands elftal speelt, dan is iedereen in het oranje, oranje is van iedereen; dit was alleen van ons, dit had met de stad te maken, het Ajaxshirt was een stadsuniform: eigenlijk was het raar was dat niet iederéén zo’n shirt droeg. En dit was ook grimmiger, belangrijker. Er stond meer op het spel; nederlagen van Oranje kan je over het hele land verdelen, dit viel veel minder te verdunnen als het mis ging.

Thuis deed ik de balkondeur open. De studentes van een paar balkons verder zongen mee met André Hazes, vol ironische overgave. In de verte hoorde ik een vreemd gedruis en golvend gezang, het duurde even voor ik begreep dat dat de honderdduizend mensen waren die zich op het Museumplein hadden verzameld, bijna anderhalve kilometer van me vandaan.  Het klonk als iets groots en gekooids, als iets dat zich niet zomaar over de stad zou moeten verspreiden. Er kwam een dringend politie-alert binnen die waarschuwde dat we niet naar Amsterdam moesten komen, de studentes van een paar balkons verder hadden hem ook gekregen, ze lazen hem luidkeels voor, daarna zongen ze weer verder.

De spanning bleef boven de stad hangen, net als het gedruis, de hele stad was één groot stadion geworden. Ik moest denken aan de Kroningsdag, toen straaljagers verbijsterend laag over de stad vlogen, en het geluid dat daarbij hoorde. Ook dat had iets dreigends en opwindends gehad: iets groots dat op normale dagen ontbreekt.

De wedstrijd begon en de avond viel. Ik had graag overal om me heen het verwachtingsvol aanzwellende en orgastisch ontploffende gejuich gehoord bij een doelpunt van Ajax – uit de open ramen en vanaf de balkons in de straat, daarna van de straten en pleinen van de wijk, daarna, vier, vijf seconden later, de grote vloedgolf vanaf het Museumplein. Het bleef bij wat verwachtingsvolle kreten hier en daar. De studentes keken met een vertraging van drie, vier seconden, een op tv gemiste kans zorgde bij hun nog voor hoopvol geschreeuw.

Toen Manchester United voor de tweede keer scoorde zette ik het geluid van de tv uit. Buiten hoorde ik alleen een merel zingen, in een heldere, spanningsloze avond – en heel in de verte toch nog het vage gemurmureer van het Museumplein.

Geplaatst in leven | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

donkergrijs, bijna zwart

P1020549

En kijk, de restauratie van de toren van de Amsterdamse Zuiderkerk vordert, de steigers rond de top zijn al weggehaald. Eind februari las ik hier al in Het Parool dat de toren zijn oorspronkelijke kleur terug zou krijgen, dat de lichtgrijze verf die hij veertig jaar geleden kreeg opgestreken, een vergissing was – het had donkergrijs moeten zijn. Bijna zwart, zo te zien.

zuiderkerk 2De toren van de Zuiderkerk is een vast oriëntatiepunt, telkens wanneer ik vanuit de Pijp via de Amstel naar het centrum fiets of loop, zie ik hem boven de bebouwing uitsteken, niet al te imposant, bijna vriendelijk.  Ik heb hem altijd de mooiste toren van Amsterdam gevonden, juist door die lichtgrijze kleur, die bij sommige weersomstandigheden zacht lila kon worden. Als je op mistige dagen vanaf het Meester Visserplein richting Nieuwmarkt ging, kon de toren iets onwerelds krijgen: door de mist werd de lichtgrijze kleur nog lichter, zodat de toren bijna onstoffelijk werd, als een vage projectie die achter de huizen omhoog rees, een hologram, geheimzinniger en indrukwekkender dan ooit.

Dat is nu dus voorbij. We krijgen er een donkere torenspits voor terug, grauw, somber,  stoffelijker, iets dat eerder licht absorbeert dan uitstraalt. Misschien past het beter bij de tijden. Het is de authentieke kleur, jawel, maar ik vind mijn eigen herinneringen aan de vroegere kleur ook behoorlijk authentiek. Maar er zijn verschillende vormen van authenticiteit en die van mijn persoonlijke geheugen legt het af tegen de resultaten van het historisch verfonderzoek van de restaurateurs.

(kleine afbeelding: Wikipedia, bMA)
Geplaatst in leven, kunst | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

my back pages

 

Toen in 2000 mijn tweede roman, Troje, uitkwam, werd ik een paar keer geïnterviewd – niet erg vaak, maar vaak genoeg om te merken dat er iets niet goed ging bij die interviews. Ik ging veel te veel mee met de vragenstellers, en met hun oordelen over mijn werk, zodat ik eigenlijk hún vragen met hún antwoorden beantwoordde. Ik was zo’n grote pleaser dat ik zelf ergens in de tussenruimte tussen vraag en antwoord verdween.

Dat moest anders, en daarom noteerde ik na een van die onbevredigende bijeenkomsten een aantal regels en opmerkingen. Ik vond ze terug toen ik naar iets anders op zoek was in de oude mappen die sinds jaar en dag van pc naar pc en van laptop naar laptop met me mee reizen. Voor wat het waard is. Ik was zeventien jaar jonger. (‘I’m younger than that now.’)

 

I

Niemand komt tussen jou en je roman, tussen jou en je personages.

 

II

Het is niet jou taak om de interviewer op zijn gemak te stellen. Niet naar hun kant toe kruipen. Do not go to them – let them come to you.

 

III

Er wordt niet in relativerende en/of meewarige termen over je personages gesproken, niet door jou in ieder geval. Als de andere kant dat doet: niet in meegaan, niet laten gaan – er iets aan doen. Ze moeten met hun poten van je personages af blijven. Ze zouden wel willen, maar ze mogen niet.

 

IV

Je hebt die personages zelf op de wereld gezet – now stand by them! Val ze niet af. Ook eventuele onsympathieke trekjes, vreemde daden etc. worden verdedigd, het zijn namelijk geen echte daden, die moreel beoordeeld hoeven te worden, het zijn functionele bewegingen om een beeld te scheppen en het boek rond te krijgen.

 

V

Je mag ze vriendelijk afkappen of verbeteren.  ‘Dat is precies die onduidelijkheid die een goed boek nodig heeft.’ ‘Dat is geen traagheid, dat is onderhuidse spanning.’ ‘Een roman is geen illustratie bij het leven van de schrijver.’ ‘Een boek waarin wel veel gebeurt, vergeet je sneller.’ Niets wat je zegt hoeft waar te zijn.

 

VI

Ze hanteren graag een quasi-meewarig toontje. Daarmee dagen ze je uit, op een niet onvriendelijke manier. Ze proberen je een beetje te porren, om je enigszins van je à propos te brengen; ze proberen met dat toontje een soort ouwe-jongens-krentenbroodsfeertje te scheppen. Maar ze zien het zo dat zíj de ouwe jongens zijn, en jij hun krentenbrood.

 

VII

Hun toon dient ook om hun jaloezie te maskeren; die jaloezie is niet persoonlijk gericht op jou, maar er zullen er maar weinig zijn die interviewen als hun absolute ideaal zien, en stiekem niet liever ook geïnterviewd zouden willen worden. M.a.w: jij zit waar zij willen zitten. Zorg ervoor dat ze in hun eigen stoel blijven zitten. Vergis je niet in het object van hun sympathie: ze willen niet vertrouwelijk met jou worden, maar met jouw stoel.

 

VIII

Nu ook weer niet paranoïde worden. Zij doen hun werk, jij het jouwe. Misschien heeft het zijn voordelen om het als een wedstrijd te zien, maar toch. Je hoeft niet te winnen, zo lang je maar niet verliest.

 

IX

Als ze zeggen: daar komen we zo nog even op terug – garantie dat ze er nooit meer over beginnen.

 

X

Ze houden niet van wedervragen. Vergeet dus niet bij elk interview je nieuwsgierigheid te bedwingen.

 

 

Geplaatst in schrijven | Tags: , , , | 2 reacties

eggleston redt de wereld

 

william_eggleston_los_alamos_01_RezWT_W1600_H1066_H1066_Q85

Omdat ik het druk had en werken niet lukte ging ik de deur uit, naar de tentoonstelling van William Eggleston in FOAM. Ik had nooit veel werk van hem gezien, Eggleston kende ik vooral als de merkwaardige fotograaf die in de jaren zeventig rondhing in de muziekscene van Memphis, zoals die door Robert Gordon wordt beschreven in zijn boek It Came From Memphis (1995). Eggleston maakte de foto van het desolate rode plafond die terechtkwam op de hoes van de tweede lp van Big Star, Radio City.

Die Memphische jarenzeventigscene – post-blues, post-Elvis – komt in Gordons boek over als tragisch, gefrustreerd, vol talent, vol ongerichte creativiteit en agressie, met Big Star als de nooit doorgebroken band die wereldberoemd had moeten worden. Eggleston, van goede komaf, iets ouder dan de rest, maakte er in de jaren zeventig een vreemde documentaire over: Stranded in Canton, in zijn geheel te zien op YouTube. Hij maakte zelf ook muziek; hij speelt piano op een track van de derde lp van Big Star en op de cd die bij het boek van Gordon hoort, staat een deel van zijn Symphony #4, Bonnie Prince Charlie.

Maar hij was dus vooral fotograaf. In FOAM hangen foto’s uit Los Alamos, ‘met foto’s die de fotograaf tussen 1966 en 1974 maakte gedurende verschillende roadtrips door de zuidelijke staten van Amerika’. O ja, dan weet je het wel: verlaten diners, vervallen buitenwijken, auto’s, wegen naar de horizon – al die maar al te bekende melancholie, nostalgie naar de blue highways…

Maar nee, dat bleek helemaal niet het geval. Geen nostalgie en melancholie maar registratie. En dan niet afstandelijk, maar met zorg. De diners, de buitenwijken, de auto’s, ze waren er allemaal, maar ze waren in kleur. Dat scheelde al veel, omdat bij die melancholische nostalgie zwartwitbeelden horen die de wereld op afstand zetten en de softe somberheid al in hun grijstinten met zich meedragen – en je zuigt het maar al te graag op, versterkt in je wereldverzaking ga je weer op huis aan.

Kleurenfotografie werd in die tijd als nogal banaal gezien. Meer Eggleston redt er de wereld mee. Hij laat je niet naar jezelf en je eigen zo tedere gevoelens kijken, maar naar de wereld. Kleine delen daarvan, maar beeldvullend. Hij redt de wereld van de esthetiek van de (al dan niet bijtende) melancholie. Voor elke foto zou je makkelijk een kwartier kunnen gaan zitten. Er dringt zich geen betekenis op, er is geen programma, daar zijn die foto’s veel te autonoom voor. En, nogmaals, in kleur. Eggleston maakte gebruik van het dye-transferprocedé, een dure afdruktechniek die gangbaar was in de reclamefotografie. Alle kleuren zijn glanzend en verzadigd, alsof de wereld net in de verf is gezet. Niet dat die wereld daardoor mooier wordt, maar wel echter, heviger. Het is geen comfortabele feelgood-tentoonstelling – ook dat niet, het is gewoon wat het is.

Misschien is het ook wel een bezwering. In de halfuur durende documentaire die in een zijzaaltje te zien is, legt Eggleston uit dat hij geen titels of data bij zijn foto’s wil, dat leidt allemaal maar af, daar gáát het niet om. ‘I’m at war with the obvious,’ legt hij uit. De vage blik naar het al bekende, het voor de hand liggende, is blijkbaar zijn vijand. En het voor de hand liggende zit in je hoofd, niet daarbuiten, zonder zoveel woorden pleit hij ervoor voortdurend je hoofd leeg te maken. Wat fotografeert hij? Geen nostalgie, geen verdwijnend verleden dat moet worden vastgelegd: ‘The world today.’ Tegenwoordig (we zien hem aan het werk, rondgereden door zijn zoon gaat hij op zoek) maakt hij ook nog maar één opname per onderwerp, zodat hij achteraf niet tussen verschillende opnames hoeft te kiezen. Hij vertelt het rustig, gezeten achter zijn werktafel zijn handen gestoken in witlinnen handschoenen, waarmee hij door zijn opnames bladert. Zevenenzeventig jaar, met een sterk zuidelijk accent, hij klinkt als William Burroughs die een schep honing heeft genomen. Wanneer hij wil nadenken, last hij een pauze in, net zo lang tot hij op het juiste woord is gekomen.

En daarna loop je nog eens door de tentoonstelling, en het is wat het is, de foto’s hebben verder geen commentaar nodig, ze zijn zelf ook geen commentaar, hoogstens een bezwering: Eggleston bezweert de wereld, Eggleston probeert zijn hoofd leeg te houden.

Elders in het gebouw was een tentoonstelling van de winnaar van de laatste Paul Huf Award, Daisuke Yokota. ‘Drie installaties draaien om de tastbaarheid van de fotografie, waarbij het kunstwerk niet wordt bepaald door de camera, maar door experimenten met de materiële vormen van het medium.’ Je had de bijgeleverde teksten nodig om te weten waarnaar je keek. Je keek naar commentaar. ‘In deze tentoonstelling van Yokota, waarin volume en materiaal van fotografie centraal staan, verkent hij steeds weer nieuwe richtingen voor het medium en de perceptie daarvan.’ Die avond ging ik naar De Rode Hoed, naar de De Gidslezing van Ben Lerner. Ook daar werd een spiegelpaleis van kunst en commentaar op kunst opgetrokken, een in zichzelf besloten wereld waarin kunst zelf ook commentaar was op kunst, en ook het commentaar was kunst, en alles was gelaagd en spiegelde zichzelf in die lagen.

Ik was blij dat ik als antidotum eerder die dag de foto’s van Eggleston had gezien.

 

(foto afkomstig van de site van FOAM)
Geplaatst in kunst, leven, muziek | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

kleine wandeling langs nieuwe huizen

 

Het was mooi weer dus ik moest maar eens naar buiten. Ik wandelde naar het Amstelstation en via de Omval en de Spaklerweg naar het Amstelkwartier, de nieuwe wijk die op het terrein van de voormalige Zuidergasfabriek wordt ontwikkeld.  Als je even niet oplet is er weer een nieuw blok neergezet, en de nieuwste blokken waren erg onrustig – huizen als stills uit animatiefilms; alles leek beweeglijk, het hield zich alleen stil zolang je ernaar keek.

P1020535

Raampartijen die aan één kant naar buiten kunnen zwenken, die uitpuilen en inpuilen als je even niet oplet,

 

P1020537  P1020538

of die zich verbreden en versmallen – wat je ziet is een bevroren beeld, morgen is alles anders, ook bevroren, maar in nieuwe constellaties: ramen die nu smal zijn, zijn dan breed, brede ramen smal. Ik vroeg me af of al die veranderingen geluid maakten en hoe het zou zijn als je in zo’n etage woonde. Je had in ieder geval een mooi uitzicht over de brede bocht van de Amstel, waar op paaltjes aalscholvers hun vleugels droogden.

 

Geplaatst in kunst, leven | Tags: , , | Een reactie plaatsen

‘verkwikkend is veelal de arbeid’

janhanloessayprijs

Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , | Een reactie plaatsen

‘bring me home/ to this house of many days’

 

De nieuwe roman van Hanna Bervoets heet Fuzzie en daardoor moet ik aan Dick denken, mijn vroegere bovenbuurman. In 1987 kwamen we tegelijk in de Blankenstraat wonen, ik op twee hoog, hij op drie hoog. Ik had eigenlijk de derde etage willen hebben, omdat de vorige bewoner er op een of andere manier in was geslaagd een ligbad in de douchecel in te bouwen, maar ik kreeg de tweede toegewezen.

Dick was een dikke jongen (dit is puur om het effect, in het echt heette hij anders) die als beveiliger in het Rijksmuseum werkte. Toen ik een dag nadat ik de sleutel had gekregen mijn muren aan het schilderen was, werd ik door Dicks moeder uitgenodigd om boven een kopje koffie te komen drinken. Dicks ouders waren hem aan het helpen met het leggen van hoogpolig tapijt. Dicks vader vroeg wat ik deed. Ik zei dat als barkeeper werkte maar dat ik in september aan een studie filosofie zou beginnen. ‘Filosofie!’ riep Dicks vader, ‘Daar hou ik erg van. Weet je wat mijn filosofie is? Er zijn teveel buitenlanders in ons land.’

We dronken koffie uit breekbare kopjes met een vergulde rand. Er werd gebeld, en Dicks vader trok in het trappenhuis aan het touw. Beneden werd iets geroepen. ‘Wie is het?’ vroeg Dicks moeder. ‘Een neger die komt behangen,’ zei Dicks vader.

‘Wat?’

‘Dat riep die.’

‘Hij riep: een neger die komt behangen?’

‘Ja. Dick, heb jij een neger besteld?’

‘Nee,’ zei Dick. Met z’n drieën stonden  ze bij de deur te wachten. Er verscheen een blanke jongen met stekeltjeshaar in een net pak. ‘De Lange,’ stelde hij zich voor. ‘Van de verzekering.’

‘We dachten dat u een neger was die kwam behangen,’ zei Dicks vader.

‘O?’ De jongen keek hem onzeker aan.

Wat riep u nu beneden?’

‘Verzekeringen, De Lange.’

Er werd gelachen, het misverstand werd nog eens gezamenlijk herkauwd en gedeeld, De Lange kreeg ook koffie, het leek me een goed moment om naar beneden te gaan en verder te gaan met mijn muren.

Toen ik een week later verhuisde zag Dick me een doos lp’s de trap opdragen. ‘Allemaal opera zeker?’

*

Elke dag hoorde ik Dik zich hijgend en puffend door het smalle trappenhuis omhoog werken, maar een aantal jaren later ging het hem gemakkelijker af – hij was gaan trainen, met een aantal vrienden, vlak boven mijn hoofd, zo nu en dan viel er met ontstellend geweld een gewicht op de vloer, later hoorde ik de schotenwisselingen van de films waarnaar ze keken. Ik kwam het groepje wel eens tegen op de trap (dan moest ik teruglopen naar boven, het was geen trap waarop je elkaar kon passeren), geen jongens met wie je ruzie moest krijgen.

Toen een overstroming van Dicks ligbad het plafond van mijn douchecel onherstelbaar had beschadigd, kwam de afgetrainde, gespierde Dick een nieuw plafonnetje voor me maken, buiten de woningbouwvereniging om. Een paar avonden lang was hij opgewekt bezig, hij werkte het allemaal goed af, likje verf erover, klaar. Het was lastig om met hem te praten zonder te vervallen in een gretig soort minzaamheid, maar gelukkig hielden we allebei van Mister Bean en konden we scènes uitwisselen. (‘Have you got the turkey on?’). Mijn eerste boek was net uit en daar wilde hij wel een exemplaar van hebben, gewoon, om eens in te kijken, later vertelde hij dat hij om de eerste pagina had moeten lachen en dat hij de titel had doorgegeven aan iemand die graag las, want je weet maar nooit, zo iemand gaat het dan kopen en kan het aan anderen aanraden. Als ruil voor mijn boek gaf hij me een stapeltje cd’s die van het vriendje van een nichtje waren geweest. Dat vriendje had het nichtje niet al te goed behandeld, hij had wat cd’s bij haar laten liggen en die kreeg hij natuurlijk niet terug, het was indiemuziek, misschien had ik er wat aan, zelf hield Dick van andere muziek en hij wist inmiddels dat ik geen opera’s draaide.

Het verhaal over dat vriendje was wat vaag, ergens school de dreiging van al dan niet uitgevoerd geweld, alsof de jongen er niet zonder kleerscheuren vanaf was gekomen, daarom bleven die cd’s altijd een beetje besmet, maar ik draaide ze wel. Ik had ze kunnen weigeren, ik had naar het hele verhaal kunnen vragen, maar dat deed ik niet, net zoals ik ooit, jaren geleden, de filosofie van zijn vader niet had tegengesproken. Wel voelde ik een vaag medelijden met de jongen, ook omdat hij van hetzelfde soort muziek hield als ik. Er zaten twee cd’s van Grant Lee Buffalo bij het stapeltje. Ik kende alleen de naam. Melancholische liedjes die een beetje sleepten en soms wat temerig werden – ik draaide ze veel, het waren nummers die lang in je hoofd bleven hangen,  het sombere ‘Happiness’ bijvoorbeeld,  maar vooral toch ‘Fuzzy’.

Geplaatst in leven, muziek | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen