amore mio

DSCF2773 IMG_20170613_094559490  Foto op 06-08-17 om 10.40 #2

De Italiaan was op de juiste tijd op de juiste plek. Hij had met zijn vriend zijn kat laten inenten en stond af te rekenen aan de balie toen Sawa haar magere kopje uit de reismand stak en klaaglijk miauwde, de onpersoonlijke, vreemd harde miauw die ze had na de epileptische aanval van een dag eerder; daarna was ze zo hard achteruit gegaan dat Metsike en ik op zaterdagochtend in allerijl een dierenartspraktijk hadden moeten zoeken die open was en waar ze haar konden laten inslapen.

Gelukkig vonden we er een. E. reed ons ernaar toe. Met z’n drieën zaten we op een rijtje in de wachtkamer, Metsike met de reismand op schoot. Toen Sawa zo hard miauwde, keerde de Italiaan zich meteen naar ons om. Jong nog, jonger dan wij. Hij zag het kopje van Sawa, riep ‘Amore mio!’ en stak zijn hand naar haar uit. Maar Sawa zag niet zoveel meer. De hele ochtend was ze overal tegenaan gebotst, we hadden met haar op bed gezeten en haar tussen onze armen beschermd tegen haar eigen gedwaal. De Italiaan zakte door zijn knieën en wilde haar aaien, maar hij trok geschrokken zijn arm terug toen hij Metsikes betraande gezicht zag, en hij schrok nog meer toen hij hoorde waarvoor we kwamen, en dat Sawa al zeventien was, want ze leek nog zo jong – zelfs broodmager, na een jaar nierfalen, zag ze er nog niet oud uit, en had ze nog steeds dat mooie kopje van een lynx, behalve dan dat ze geen pluimpjes op haar oren had. De Italiaan bleef voor haar zitten en praatte tegen haar, met zachte, lieve woordjes, en hij praatte tegen ons, en hij kwam overeind en wenste ons sterkte, meelevend, op de goede manier sentimenteel, flamboyant tot aan zijn kleurige kleding en goed gestyleerde hipsterkapsel-met-baard aan toe.

En als dit een filmscène was geweest, kon je het alleen maar eens zijn met de beslissing van de regisseur om juist hier, op dit moment, in deze kleine wachtkamer, een kort optreden in te lassen van een flamboyante Italiaan. Niet als comic relief – er viel niets te lachen en er móést ook niet worden gelachen, zelfs niet als afleiding, om de scène minder zwaarte te geven – maar om het verdriet uit te drukken, te personificeren en te kanaliseren. Het verdriet van anderen; zíjn verdriet zou het niet worden, hij stond op het punt om met zijn vriend en hun gezonde kat weer naar huis te gaan. In de film zou hij de intermediair zijn tussen de kijkers en de ongewilde hoofdrolspelers die op een rijtje op de stoelen langs de muur zaten, en zo zou hij de doorgever van het verdriet zijn; maar hij gaf het verdriet ook aan de hoofdrolspelers terug, openbaar gemaakt, ge-uit, verklankt en daardoor misschien iets beter verteerbaar; verwezenlijkt verdriet deelde hij uit en hij wist het zelf niet eens.

Het gaat om een bijrol van een paar minuten, maar dit is een belangrijk moment, zou de regisseur zeggen, laten we er een Italiaan van maken, en hij mag het best een beetje aanzetten, het mag best een beetje over the top, laten we niet te voorzichtig zijn, het hoeft in deze scène allemaal niet zo ingehouden, júíst niet – en hij zou zo ontzettend gelijk hebben dat hij nog jaren later brieven kreeg van kijkers die hem juist voor deze kleine scène prezen en bedankten.

 

Advertenties
Geplaatst in leven | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

hiernamaals

 

Ik kwam langs grote blokken, reusachtige kubussen. Ik liep er tussendoor. Het was alles wat ik gegeten had, geordend op product. Een gigantisch blok aardappelen, een nog groter blok rijst. Een kubus bananen, een kleine kubus spruitjes. Een zacht drillend donkergeel blok dat ik pas herkende toen ik eraan rook: de appelmoes uit mijn jeugd. Daarna kwam ik langs al het vlees dat ik gegeten had, bloksgewijs per soort, en al het vlees dat ik gedood had – muggen, vliegen. Alles wat ik gedragen had, kleren, schoenen; blok na blok rees omhoog, somber, zwijgend, achter de blokken hing het gele licht van een eeuwige middag. Terwijl ik tussen de blokken door liep, probeerde ik ze te zien als prestaties, maar dat hielp niet. Er was geen enkele manier waarop ik hier trots op kon zijn. Ik liep snel door naar de lege ruimte achter de blokken, in de hoop dat die bestond.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

de mogelijkheid van een prinses

 

(een oud stukje in de herhaling, omdat het vandaag de sterfdag van Lou Reed is)

p1000285 coney islandPas de laatste jaren ben ik echt naar Lou Reed gaan luisteren. The Velvet Underground was in de jaren tachtig, toen ik ze leerde kennen, eigenlijk meteen al een cliché, omdat ze de inspiratiebron waren van vrijwel alle alternatieve bandjes die toen opkwamen. Lou Reed zag ik ooit op Pinkpop spelen, toen hij inviel voor The Smiths, die niet konden komen omdat ze opeens niet meer bestonden; ik was voor The Smiths gekomen. John Cale heb ik in die tijd twee, drie keer in Paradiso gezien, en die vond ik veel beter dan Lou Reed. Ik gaf de voorkeur aan de galmende, gierende wanhoop van Music For A New Society boven de ijzige, zwarte sluipmoord van Berlin.

Maar dat was toen; nu overtuigt de eenvoud van Lou Reed veel meer dan de barok van John Cale. Vertaald naar absolute leeftijd is John Cale de verwarde, bozige puber van zeventien die het voornamelijk over zichzelf heeft, en Lou Reed het pesterige, sardonische jongetje van dertien dat voor het eerst ontdekt in wat voor krankzinnige wereld zijn ouders hem hebben gedumpt.

En dat jongetje wint. Die eenvoud van tekst en melodie geeft de beste liedjes van Reed een mythische uitstraling, zoals kinder- of volksliedjes dat kunnen hebben. Ze zijn persoonlijk, maar tegelijk universeel, product of echo van een collectief bewustzijn. Een voorbeeld van die eenvoud, uit ‘Coney Island Baby’, een van zijn mooiste nummers. Het begint met een autobiografisch aandoende herinnering (‘playing football for the coach’), daarna spreekt de schrijver de luisteraar (of zichzelf) toe:

When you’re all alone and lonely […] /And you begin to think ‘bout/ all the things  that you’ve done/ And you begin to hate/ just ‘bout everything…

Tot nu toe wordt alles zacht, bijna fluisterend uitgesproken, maar dan stijgt het volume:

But remember the princess who lived on the hill/ Who loved you even though she knéw you was wrong/ And right now she just might come shining through/ and the Glory of love, glory of love/ glory of love, just might come through

Die prinses komt uit het niets, nergens  in de voorgaande regels is er naar haar bestaan verwezen, en juist daarom begrijpen we meteen de lading van deze strofe. Het gaat vooral om de eerste twee regels: de prinses op de heuvel die van ons hield ook al kende ze al onze fouten. We zitten opeens in een sprookje, een mythe. We herinneren ons haar natuurlijk helemaal niet, want ze bestaat niet, we hebben meteen door dat het om een onhaalbaar ideaal gaat, en juist dat maakt deze regels zo goed. Het biedt hoop – de onvoorwaardelijke liefde bestaat, hij noemt haar in zijn lied, dan móet ze toch wel bestaan? – en tegelijkertijd weten we dat ook deze prinses er niet is, en dat iedereen die haar rol in ons leven had moeten spelen (ouders, vrienden, die footballcoach) te kort is geschoten.

Natuurlijk, meteen daarna wordt de Glory of Love bezongen, maar die is net zo mythisch als die prinses op de heuvel, dus dat zal ook wel niets worden, en verderop in het lied wordt bovendien het dubieuze karakter van je vrienden en de stad bezongen, zaken die de kans op de Glory of Love ook niet echt vergroten – maar toch is dit geen pessimistisch lied, omdat dan toch maar de mogelijkheid van die prinses op de heuvel wordt bezongen, en aan die mogelijkheid kunnen we ons vasthouden; en als we dat doen, houden we ons vast aan niets minder dan de kracht van de verbeelding. Ze bestaat niet, die prinses met haar onvoorwaardelijke liefde, maar we kunnen in ieder geval verzinnen dat ze er is. We bezingen ons gemis door net te doen of ze er wel is – en voor even biedt die illusie troost. En misschien gaat daar op het eerste gezicht minder troost uit dan van de Glory of Love, maar in tegenstelling tot die veronderstelde glorie is de kracht van de verbeelding echt.

Vergeleken bij Lou Reeds mythologie is John Cale een autobiograaf. Hij bezingt geen prinses, hij is er zelf een: de prinses op de erwt die zich luidkeels beklaagt dat ze zo slecht geslapen heeft. Mythologie wint het van autobiografie – in dit geval tenminste, en dat vind ik een prettige conclusie, waaruit je van alles zou kunnen afleiden over de functie en het wezen van kunst, al zou ik niet meteen durven beweren dat bij elk treffen tussen deze twee de autobiografie het onderspit moet delven en uiteindelijk is het natuurlijk ook geen gevecht – net zoals de schalen van een weegschaal niet met elkaar in gevecht zijn, ongeacht hun onderlinge positie.

Geplaatst in muziek | Tags: , , , , | 4 reacties

ik kan nu niet praten (ik sta in het paleis)

praag 1 uitzicht vanaf burcht

1

Je mag niet klagen over de drukte in Praag als je daar zelf drie dagen lang een lichaam aan toevoegt – maar leeg is het er niet. Trage rijen bewegen zich door de smalle straten van de oude stad, over de Karelsbrug, omhoog naar de Burcht, en weer terug, alsof een filmmaatschappij bezig is met een opname waarvoor duizenden figuranten in vrijetijdskleding zijn opgeroepen, uit alle delen van de wereld. En ze hoeven weinig te doen, alleen maar een beetje rondkijken en zo nu en dan een trdelník kopen, een verondersteld traditioneel broodgerecht waarvan de stalletjes een zelfde weezoete geur verspreiden als de Nutella-winkels in Amsterdam. Qua drukte is Praag Amsterdam-over-een-paar-jaar. Maar kijk, ook dat is slechts schijnbaar. In de oude stad slaan we vanuit de beklemmende drukt een zijstraatje in naar een café dat ooit gefrequenteerd werd door Kafka en Max Brod en anderen uit diezelfde literaire kring, en meteen is het uitgestorven, net als het café overigens, waarvan de oude grijze barkeeper met zichtbare reserve reageert als ik een alcoholvrij biertje bestel.

 

2

Ik ben hier niet alleen, ik logeer bij Chrétien Breukers, die hier al vijf maanden woont en werkt, en de stad goed kent, ook van vorige bezoeken; hij komt hier sinds de vroege jaren negentig, en heeft de stad leger meegemaakt, en minder opgeknapt. In die tijd kon je op zaterdagmiddag nog in normaal wandeltempo de Karelsbrug oversteken. Dat is natuurlijk om jaloers van te worden. Wanneer we als onderdeel van de massa rondlopen over de Burcht, dat indrukwekkende cluster kerken en kastelen dat vanaf zijn hooggelegen plek aan de overkant van de Moldau uitkijkt over de oude stad, lijkt elk contact en logisch verband tussen ons en de omgeving te ontbreken, alsof we tijdreizigers zijn, of ruimtereizigers die een planeet aandoen waarvan de oorspronkelijke bewoners al lang geleden zijn vertrokken. Onze aanwezigheid in dit decor heeft iets wezenloos, iets dat er niet toe doet – en het decor dreigt door die zelfde wezenloosheid getroffen te worden, alsof we het door onze massale aanwezigheid besmetten, alsof het door ons het idee krijgt opgedrongen dat het alleen nog voor ons bestaat. Eigenlijk zou massatoerisme alleen goed werken wanneer wij, de toeristen, over het vermogen zouden beschikken ons onzichtbaar te maken, en onstoffelijk, zodat we elkaar niet zouden zien en de oorspronkelijke bewoners door ons heen konden lopen.

Het zijn de details het contact herstellen. Zoals een gewelf in het zestiende-eeuwse praag 5 gewelf paleis burchtKoninklijk Paleis, onderdeel van de Burcht, dat me opeens aan Jugendstil doet denken, of een man in pak die te midden van langsdrommende toeristen in een hoekje van de reusachtige, schemerige Ridderzaal van datzelfde paleis in zijn telefoon zegt: ‘I can’t talk right now, I’m standing in the palace.’ Gedempt, ernstig, als een late echo van alle hofintriges en conflicten die hier moeten hebben plaatsgevonden; een paar zalen verder komen we langs het raam van de defenestratie die in 1618 de Dertigjarige Oorlog inleidde.

 

3

Het is een uitkomst om door iemand op sleeptouw te worden genomen die de stad goed kent, en ook de rustige straten weet. Maar het is toch het mooist wanneer je iets tegenkomt waarnaar je niet op zoek was. (Zoek hier zelf de toepasselijke dichtregels bij.) Wanneer we van het Karelsplein richting Moldau lopen, wijs ik op een behoorlijk afgebladderde gevel van een of ander paleis en zeg bijna opgelucht dat niet alles hier gladgetrokken is. Maar Chrétien herkent iets van een ooit geziene foto bij een ooit gelezen reportage – het is geen paleis, het is de zijgevel van de kerk waar in 1942 de Tsjechische soldaten zich schuilhielden die de aanslag op Heydrich hadden gepleegd. Nadat ze waren verraden, werd de kerk door achthonderd ss’ers belegerd en pleegden de soldaten uiteindelijk zelfmoord. (Zoals allemaal te lezen staat in HhhH van Laurent Binet; ik vond het boek tegenvallen toen ik het een paar jaar geleden las, maar het verhaal is fascinerend en gruwelijk.)

De crypte blijkt geopend. In een klein voorzaaltje is een expositie met veel foto’s en een paar voorwerpen, daarachter ligt de crypte zelf, achter een vreemde, uit een plaat roestig ijzer bestaande kanteldeur waarvan de werking niet meteen duidelijk is. Wanneer iemand heeft gezegd waar we moeten duwen, komen we in een kleine, lage ruimte. Met een aantal andere bezoekers nemen we zwijgend dan wel fluisterend alles in ons op, en wanneer we weer weg willen, krijgen we die kanteldeur niet meer open. We besluiten onopvallend en rustig te blijven wachten tot andere bezoekers naar buiten gaan, maar niemand maakt aanstalten. Wanneer Chrétien de deur nog eens probeert, laat die zich opeens heel eenvoudig opzij kantelen. Misschien stonden al die andere aanwezigen ook wel te wachten tot iemand anders de deur open kreeg; een paar schieten in ieder geval opgelucht samen met ons naar buiten. Het is een vreemde toestand, we vragen ons af of de ontwerper van de deur de bezoekers van de crypte toch even een klein moment van passende onrust heeft willen bezorgen.

We lopen door naar de Moldau, omdat Chrétien me het Dansende Huis wil laten zien. Ik zie het en we lopen verder. Het is een glorieuze herfstnamiddag met laat, geel zonlicht, aan de overkant van de rivier ligt de Burcht boven bomen die beginnen te verkleuren. Het is een prachtig gezicht, ook omdat we daar een dag eerder zijn geweest, zodat ik dit uitzicht kan plaatsen. Pas wanneer je het onbekende een beetje hebt veroverd, krijgt het de kans zich voor je ontvouwen.

(Ik wist toen nog niet dat de herfst nog veel meer, en nog veel mooier licht voor me in petto had, dat wist ik pas twee dagen later, in een trein van Praag naar Berlijn die Robert Schumann heette. Vooral het deel tussen Praag en Dresden was adembenemend, omdat de zon was doorgebroken en omdat we langs de Elbe reden, maar dan ook vlák langs, met links oprijzend kale zwarte, met netten overspannen rotswanden en rechts de rivier, en met achter die rivier beeldvullende oude bergen, begroeid met bomen in herfstkleuren, en achter die bergen vagere bergen, en op de smalle strook tussen rivier en bergen oude landhuizen en hier en daar een dorp; alle huizen in oude pastelkleuren, en alles in een glinsterend zacht ochtendlicht, licht dat zelf ook weer licht geeft, licht dat werd uitgegoten en niet ophield; bij bochten in de rivier valleien waar het licht ín werd gegoten, zodat de weilanden zacht oplichtten tegen de donkerder bomen op de oprijzende hellingen daarachter – het was een landschap waar de camera van mijn telefoon zich met een gelaten glimlach van afkeerde, ‘je kan dit wel willen vastleggen, maar dat gaat natuurlijk niet lukken jongen, geef het op, geef het op’ – en hij schakelde zichzelf  resoluut uit, als iemand die alleen wil worden gelaten met zijn machteloosheid. Het was een magnifiek uitzicht en het ging maar door, die hele twee uur van Praag naar Dresden, door wat het hart van Europa is. Voor mijn generatie heeft dit deel van het continent altijd opgesloten gezeten in de term ‘Oostblok’, waardoor we onwillekeurig de indruk kregen dat het ver naar het oosten lag, al bijna in Rusland, maar ook toen was het ’t midden, net als daarvoor; wij wonen ergens aan de rand.)

 

4

Na het Dansende Huis en het uitzicht op de Burcht lopen we in het gouden namiddaglicht door naar de Oude Stad, ik word meegenomen naar De Gouden Tijger, een van de cafés waar Bohumil Hrabal vaak kwam en waar Chrétien hem begin jaren negentig nog heeft zien zitten; er hangt een reliëf van zijn hoofd, en een foto waarop hij met Clinton en Havel aan een tafeltje zit. Het is een café met een eenvoudig concept: je schuift aan een van de lange tafels aan en zodra je zit wordt er een groot glas Pilsner Urquell voor je neergezet, en als dat op is, wordt er meteen een nieuwe voor je neergezet. Ze hebben maar één soort bier, alleen als je iets wilt eten hoef je iemand aan te spreken, voor de rest gaat alles vanzelf, ze houden je score bij op een papiertje. Ik onderwerp me aan het proces, hier om alcoholvrij bier vragen lijkt me geen goed idee, en even zijn we heel gelukkig. Het is een wonder dat wij niet zingen.

 

5

Toen het er nog hing ben ik nooit achter het IJzeren Gordijn geweest en soms vind ik dat jammer, alsof het communistische Praag op de een of andere manier echter zou zijn dan de toeristenstad van nu. Zo heb ik haar vroeger leren kennen uit kranten en uit geschiedenisboekjes, het is het Praag waarmee ik begon. Maar in de geschiedenis van de stad is het communisme een korte episode en de stad heeft niets te maken met de manier waarop ik haar heb leren kennen. Het communistische Praag is er niet meer, de bijna lege straten uit de fotoboeken over Kafka zijn er niet meer, dat hele sepiakleurige Praag is er niet meer, nooit geweest ook, het is een robuuste stad, in kleur. Niet heel erg toegankelijk, al doen die drommen toeristen anders vermoeden. De gevels zijn imponerend, niet uitnodigend, het is geen stad die je zelf haar sleutels overhandigt en door haar knieën zakt om je het sleutelgat te wijzen. Zoek het zelf maar een beetje uit.

Wanneer je logeert bij iemand die de stad kent heb je het voordeel dat je niet alles zelf hoeft uit te zoeken en ook in andere delen dan het centrum komt en zo krijg ik ook Žižkov te zien, een negentiende-eeuwse arbeiderswijk die over een paar jaar waarschijnlijk ook geheel gegentrificeerd zal zijn, maar waar vooralsnog nog niet alle hoogoprijzende gevels van nieuwe verflagen zijn voorzien. Er lopen Tsjechen over straat, er zitten Tsjechen in de tram, muren bladderen, er zijn ramen dichtgetimmerd, gaten tussen de huizen zijn niet opgevuld.  Er is nog verval, en dat verwarren we al gauw met authenticiteit. Maar authentiek zou deze wijk pas zijn als ze als vervallen arbeiderswijk was gebouwd. Authenticiteit en nostalgie moet je uit elkaar zien te houden. Verlangen naar verval is verlangen naar het verval van anderen. Zo gaan we op een pijnloze manier de confrontatie aan met ons eigen dreigende verval: we projecteren het op objecten buiten ons. We kijken naar ons eigen verval, geprojecteerd, weggestuurd en van veilige afstand bekeken. We kijken dus naar onszelf, en het beste is natuurlijk om zodra je de deur uit bent niet meer naar jezelf te kijken, maar naar iets anders. Zo lang je naar jezelf kijkt, zijn steden onzichtbaar.

 

6

Midden in Žižkov staat de televisietoren van meer dan tweehonderd meter hoog die je overal in Praag kan zien staan, gebouwd in de jaren tachtig. Een veel bekritiseerd bouwsel, en je kan je ook wel voorstellen waarom, het is een onsubtiel voorbeeld van laat space-age brutalisme, maar ik hou van die stijl – ook als die voorliefde niet vrij van praag 10a tv torenpraag 10b tv torennostalgie, want het patina van de tijd is over dat brutalisme uit de jaren zestig tot tachtig heen gegaan, het nieuwe is eraf, en dus ook de dreiging. Dat geldt ook voor deze toren, die erbij staat als een gedomesticeerde, beetje domme dinosaurus – en toch zou hij nog ergens wat tanden over kunnen hebben, als je eronder staat ben je er niet helemaal gerust op, ergens zoemt toch unheimische dreiging rond. Gewoonlijk kruipen er wat babybeelden van David Černý over de toren omhoog, maar die zijn weg, wegens onderhoud, lees ik later. Dat vind ik niet erg, Černý is een populaire beeldhouwer in Praag maar ik vind zijn werk meestal wat al te onsubtiel, al bleek het grote uit draaiende segmenten bestaande Kafkahoofd dat ergens in het centrum staat in het echt toch sierlijker te zijn dan ik dacht.

 

7

In 1983 bracht Querido het Verzameld werk van Kafka uit in één band, een band van geel linnen met zwarte, licht verzonken letters. Een robuust boek van bijna duizend bladzijden dat ik vanzelfsprekend kocht, alsof deze editie alleen voor mij was bestemd. IMG_20171026_100559158Ik was twintig, god mag weten op welke leeftijd ik anders aan Kafka was begonnen. Natuurlijk is Kafka gevaarlijk als je jong bent, omdat je die vervreemding zo graag omarmt – op die leeftijd denken we voortdurend dat we als een monsterachtig ongedierte ontwaken, dat we hongerkunstenaars zijn die nooit iets hebben gevonden wat smaakt, en de labyrintische, onlogische bureaucratie van processen en kastelen zien we als eigenschappen van een wereld waar we nog niet bij horen en die ons wordt aangedaan, opgelegd. Maar wacht, kom op, ook als je twintig bent is er niets mis met literatuur waarin je je herkent. En Kafka’s werk is sterk genoeg om herlezen te worden, ook in de prozaïsche latere jaren waarin je elke ochtend als mens wakker wordt en daarna gaat ontbijten. Ik ben niet zo van de literaire pelgrimages (ik ben sowieso niet van pelgrimages, ik ben niet eens van het reizen, het is geen wonder dat ik nu pas voor het eerst in Praag ben) en ik ben in Praag niet op zoek naar Kafka. Maar als we na de televisietoren met de tram naar de Joodse begraafplaats aan de rand van Žižkov gaan en praag 12 bij graf kafkaik aan zijn graf sta, ben ik toch geraakt. Omdat ik ver van huis ben, en omdat ik zijn werk al zesendertig jaar ken, en omdat hij als ‘dr. Franz Kafka’ staat vermeld, niet alleen op de eenvoudige, iets uitlopende grafzuil maar ook op de bordjes die naar dat graf leiden. Zijn later overleden ouders staan ook op die zuil, en op een apart bordje staan de namen van zijn drie zussen die in concentratiekampen zijn omgekomen. Wat voor steden geldt, geldt ook voor schrijvers: voor je het weet zijn ze onzichtbaar omdat je naar jezelf kijkt. Maar ik kijk hier niet naar mijn eigen graf. Hier ligt dr. Franz Kafka die onderdeel is van een familie, wat wij van hem vinden is eigenlijk elders.

Geplaatst in leven, lezen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

de kleuren van de apocalyps

 

Er hing de hele dag vreemd licht boven de stad. De orkaan Ophelia had zand uit de Sahara en as van de bosbranden in Portugal naar het noorden meegenomen en daarom hing de zon als een zacht rode of oranje bol aan een grijsblauwe hemel. In de namiddag ging ik de deur uit om het van dichtbij te zien. Langs de Amstel verliet ik de stad. De hemel hing laag, met soms een zweem lila, de verkleurde zon hing in de lucht als een ondergaande zon die de weg kwijt was geraakt. Er hing een post-apocalyptische sfeer, maar dat kwam ook omdat ik net in The Collected Stories van Philip K. Dick, deus iraeDick ‘Planet for Transients’ had gelezen, waarin na een allesverwoestende atoomoorlog een van de laatste mensen over de aarde ronddwaalt, te midden van mutaties als Runners, Flaprabbits en Toads. Later zou Dick dit verhaal samen met Roger Zelazny uitwerken tot de roman Deus Irae en ik stelde me voor dat ver boven me een roestige satelliet ronddraaide waarin een verbannen dj krakende lp’s met symfonieën van Beethoven draaide.

Ik fietste de Kalfjeslaan in, de zon hing nu links van me en was een perfecte bol, ik moest denken aan zonsverduisteringen en zonnevlekken die ik vroeger bekeek door donkere negatieven van foto’s die mijn vader had genomen met zijn Agfa Clack. Het was alsof ik ook nu door zo’n negatief keek: er was te weinig licht. Ik probeerde een foto te nemen IMG_20171017_153354628_HDRvan de zon, maar mijn smartphone gaf de dof rode zon weer als een lichtgele bol, alsof de camera nog ingesteld stond op de normale wereld en de kleuren van de apocalyps zich buiten zijn begripsvermogen bevonden. Als ik in deze wereld wilde overleven, had ik een post-apocalyptische telefoon nodig, zoveel was duidelijk.

Zo nu en dan schoof een flard sluierbewolking voor de zon die exact dezelfde kleur flow my tearshad als de lucht, zodat het leek alsof er landkaartachtige happen uit de zon werden genomen die er niet in slaagden permanente schade aan te richten. Ik zag het nu ook als een vreemd voorteken dat ik de afgelopen dagen op klassieke zenders als Radio 4, Klara en BBC Radio 3 verscheidene malen al dan niet instrumentale versies van ‘Flow My Tears’ van Dowland had gehoord.

Ik fietste door naar het Amsterdamse Bos en wilde koffiedrinken in de Geitenboerderij, maar de Geitenboerderij was dicht. Er was dus inderdaad van alles aan de hand – maar toen bedacht ik dat de Geitenboerderij altijd dicht is op dinsdag. Aan de andere kant, waarom had ik al de tijd dat ik hier rondfietste geen enkel vliegtuig horen en zien overkomen? Dat was toch wel erg vreemd. Om me gerust te stellen kwam meteen een vliegtuig laag overvliegen, voortploegend door het zand en de as.

Bij het Olympisch Stadion fietste ik de stad weer binnen. Ook daar was de oude wereld afgelopen, en was men opgewekt aan een nieuwe begonnen: op het Olympiaplein, ooit een uitgestrekte leegte met een Febo, waren inmiddels twee grote woonblokken neergezet, waartussen zich een plein bevond dat in niets deed denken aan het oude plein. Op straatniveau waren de gebouwen uitgebreid voorzien van horecagelegenheden waar het op z’n zachtst gezegd niet stormliep. Als bewoner van Berlages Plan Zuid kreeg ik van de week een mailing dat het hele Plan was uitgeroepen tot beschermd stadsgezicht en dat we zelfs in de binnentuinen niets meer mochten optrekken zonder toestemming van de autoriteiten. Degenen die deze blokken hadden neergezet waren deze ontwikkeling duidelijk nog net voor geweest. Ik kocht koffie bij een kiosk en keek uit op een van de nieuwe gebouwen, IMG_20171017_163950397_HDReen groot ding met een reusachtige luifel, niet zozeer een gebouw als wel een idee van een gebouw, waarbij het niet ging om verhoudingen maar om wat mogelijk was. Ik zat ervoor en keek ernaar. Over vijftig jaar, als het er minder nieuw uitziet, is iedereen er vast aan gehecht geraakt, als de zon dan tenminste nog schijnt. Omdat ik er over vijftig jaar waarschijnlijk niet meer bij ben, probeerde ik nu al van het gebouw te houden, maar daarvoor was het nog te vroeg.

Ik stapte op de fiets en fietste terug naar huis. De oranje zon hing nog steeds een beetje onthand in de paarsige lucht, hij moest nog iets lager zakken voor zijn kleur weer bij zijn locatie zou passen. Dan zou alles weer normaal zijn, al zouden die blokken op het Olympiaplein er nog steeds staan.

Geplaatst in amsterdam, leven | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

ze komen vanzelf als je het speelt

Gustave_Caillebotte_-_Jour_de_pluie_à_Paris

Zaterdag met Metsike naar Utrecht, naar het tweejaarlijkse congres van Onze Taal, het blad waarvoor ze al een aantal jaren interviews maakt. Net voor half zeven waren we terug in Amsterdam. Metsike ging door naar huis om de oude katjes eten te geven, ik bleef op Amsterdam Centraal om bij de Starbucks op perron 2 een grote cappuccino te drinken. Terwijl ik op mijn koffie wachtte, keek ik door natte ramen naar het stationsplein: de hemel net zo grijs als het plein, regen, alles nat, mensen met paraplu’s: Caillebotte in zijn Amsterdamse periode. Toen de koffie klaar was ging ik aan een tafeltje zitten op het balkon dat uitkijkt op de stationshal. Die hal maakt altijd een iets te lage indruk, alsof hij eigenlijk hoger is bedoeld, hoger zou moeten zijn, alsof de vloer een meter of wat te hoog zit. Natgeregende mensen kwamen verspreid binnen en verspreidden zich naar sporen en winkels, de meeste in donkere jassen. Niet zo klein dat je ze, als vanuit het reuzenrad in The Third Man, onbewogen zou kunnen zien omvallen en sterven, ik zat niet erg ver boven ze, als ik mijn best deed kon ik de gezichtsuitdrukking zien van de mensen die onder het balkon doorliepen. In de tegenoverliggende hoek van de hal speelde iemand op de piano, ik hoorde door al het gedruis heen alleen een repetitief basthema, somber en zwaar, met een lichte dreiging, het bleef doorgaan, niet vervelend, het paste goed bij de stemming – alsof er buiten iets zou kunnen gebeuren of al gebeurd was, terwijl ik hier in volkomen gemoedsrust zat, een reiziger in eigen stad, zonder banden, zonder verantwoordelijkheden, er bijna niet zijnd maar zonder consequenties, reiziger naar nergens, twee, drie kilometer van huis. Het was bijna een besloten scène, alle mensen die beneden in en uit liepen, en doorliepen, van links naar rechts, van rechts naar links, ze zouden honderdvijftig figuranten kunnen zijn die steeds weer binnenkwamen of naar buiten liepen, en waarin ik pas individuen zou gaan herkennen als ik hier acht uur bleef zitten, en nog een paar uur later zou ik ontdekken dat ik de honderdeenenvijftigste was; maar ondertussen bleef de pianist zijn basthema herhalen en herhalen, een meisje naast hem speelde op de toetsen rechts van hem, maar die hoorde ik niet, ik hoorde wel wat de jongen speelde, het was de bas van het refrein van ‘Someone Like You’ van Adele, want dat werd nu meegezongen door een paar meisjes bij de piano – het was alsof de pianist het thema zó lang had gespeeld dat die meisjes als vanzelf bij hem waren terechtgekomen – if you play it, they will come. En zo ging het nog even door terwijl reizigers in en uit liepen, hij dat thema spelend, de meisjes het refrein zingend, intens maar bijna terloops – en zo was het, niet alleen bij de piano maar in de hele hal en daarboven op het balkon terwijl het buiten donker was geworden: intens maar bijna terloops; geen slechte stemming, het zou je hele leven mogen duren denk je dan, maar dat gaat niet, daarom denk je het ook.

 

 

(afbeelding: Caillebotte, Rue de Paris, temps de pluie)
Geplaatst in leven | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

op weg naar omsk

 

We hebben de lach nodig, zonder lach gaat het niet – ook al is het de lach van de man die door wolven achtervolgd zojuist zijn hele familie een voor een uit de slee heeft gegooid en merkt dat ook hij Omsk niet gaat halen; hij voelt zich schuldig vanwege zijn zelfzucht, en omdat het offer van zijn familieleden niet eens heeft geholpen, en hij stoot een schrille lach uit wanneer hij beseft dat hij onbedoeld het lijden van zijn familie heeft bekort en dat hij in feite dus zichzelf heeft opgeofferd – lachend als een gek ziet hij zich omsingeld door wolven, de paarden steigeren. Hij weet nog niet dat zijn in de sneeuw geworpen familieleden door de wolven zijn genegeerd en een voor een opkrabbelen, de sneeuw van hun jas slaan, op elkaar wachten en daarna weer op weg gaan. Want ze hebben nu de kans Omsk te voet te bereiken – de wolven zijn nog wel even bezig, niet met hun vader en echtgenoot, maar met de paarden, want daar ging de wolven de hele tijd om. En terwijl de wolven zich tegoed doen aan de paarden stapt de man uit de slee en ziet vanuit de verte zijn familie aan komen lopen. Ze keuren hem geen blik waardig en lopen met een grote boog om het feestmaal der wolven heen, de kleinste kinderen huilen een beetje om de paarden; en de man kijkt zijn familie na en lacht weer, schaapachtig deze keer.

omsk 3a

 

Geplaatst in verhalen | Tags: , , , , | 2 reacties