liefde en hamburgers

 

presentatie2

Bij de presentatie van De goede zoon, gisteren in het tuinhuis van de uitgeverij, kreeg ik een opwindrobot en een beurtbalkje dat écht niet uit een Albert Heijn was gestolen, zo werd me verzekerd door de geefster, die we voor de zekerheid toch maar niet met haar volledige naam zullen aanduiden; laten we haar Edith V. noemen.

Edith Vroon was er ook. Ze hield een mooie toespraak en las de eerste pagina van De goede zoon voor. Daarna vroeg ik de aanwezigen wat ze nog wilden horen, want ik was van plan geweest dezelfde pagina voor te lezen. ‘Pagina 62 tot 64!’ riepen medewerkers van de uitgeverij (en niet de minsten) enthousiast in koor, wat ik nogal opvallend vond gezien de aard van de passage.

Iedereen die erbij was: dank voor je komst! Ik was jullie helemaal vergeten te vertellen dat de schedel op mijn shirt een verwijzing was naar de met diamanten bezette schedel van Damien Hirst, het kunstwerk For the love of God dat in de roman een rol speelt. Tegen het einde van de presentatie werd in kleine kring nog eens benadrukt dat binnen twaalf maanden bij iemand een tatoeage van die schedel zal worden aangebracht. Vanwege de aard van de weddenschap en door verwaterd boeddhisme ingegeven compassie met de andere partij zie ik me genoodzaakt te hopen dat ik diegene ben. Over het formaat (of de plek) is gelukkig niets afgesproken.

Na afloop zaten we met z’n vieren in een hamburgerrestaurant. Onze serveerster zat op de middelbare school die Metsike ooit had bezocht, er viel een naam van een docent die over de generatiekloof heen bij beide partijen nog steeds eenzelfde enthousiaste afkeer opriep. (‘Nee maar echt!’) We hielden haar zo lang aan de praat dat we bang waren dat ze ontslagen zou worden. Bij het afrekenen werd ons verzekerd dat dat niet zou gebeuren.

Advertenties
Geplaatst in de goede zoon, Geen categorie | Tags: , , , , , , | 2 reacties

uitnodiging

Voor iedereen bij wie dit soort uitnodigingen in de spambox terechtkomt, voor iedereen van wie ik geen e-mailadres heb:

uitnodiging

Geplaatst in de goede zoon, schrijven | Tags: , | 2 reacties

life on mars

nagele 4

Met F. en H., in hun auto, naar Nagele gereden. Het was er mooi weer voor: blauwe lucht, wolken van strakke slagroom. Ik kom eigenlijk alleen met de trein door de polder, en ook dan zie je ze staan, maar pas als je er met de auto doorheen rijdt zie je pas goed dat heel Flevoland is vergeven van de windmolens. Ze draaien lusteloos met hun wieken, je kan je niet voorstellen dat door die slome bewegingen energie wordt opgewekt, je krijgt de neiging een raampje open te draaien en te roepen: Doe es wat beter je best, lamzakken! (Hier de dictie van een gymnastiekleraar uit de jaren zeventig bij denken.)

Als je de Noordoostpolder binnenrijdt merk je meteen het leeftijdsverschil met Flevoland, alles wat ouder, de bomen wat hoger. We naderen Nagele via de Domineesweg, parkeren bij de Spar en lopen rond. We hebben ons een beetje ingelezen, herkennen het grote middenterrein met de drie kerken en de drie scholen (katholiek, hervormd, gereformeerd). Om dat grote veld liggen kleine wijken met strokenbouw, elk weer om een (kleiner) veld heen. Het enige dorp in de Noordoostpolder dat (in de jaren vijftig) is ontworpen door architecten van het Nieuw Bouwen, en niet de minsten; Cornelis van Eesteren, Aldo van Eyck, Jaap Bakema, Gerrit Rietveld en de tuinarchitecte Mien Ruys werkten mee aan de plannen voor het dorp. Als je er rondloopt wordt je enigszins onderworpen aan de wet van de remmende voorsprong: erg bijzonder was het op het eerste gezicht niet, de strokenbouw met platte daken deed ons denken aan saaie nieuwbouwwijken uit onze jeugd, in mijn geval Ede-Veldhuizen.

Met als verschil de ruime opzet, met die velden, en vooral dat parkachtige middenveld met de kerken en de scholen, het bezat meer eenheid dan die nieuwbouwwijken van groeikernen uit de jaren zestig en zeventig, een heel dorp dat in één keer is ontworpen en neergezet,  omvat door de stevige, hoge bomenwal die het dorp vanaf het begin moest beschermen tegen de nietsontziende, over de lege lage polder scherende wind.

De kerken zijn klein maar toch, op een bescheiden manier, monumentaal. Blijkbaar waren de katholieken het minst kerkvast, want in hun voormalige kerk was het museum gevestigd, de andere kerken deden nog dienst. In de hal van het museum stond een Rietveldstoel, volgens het briefje dat erop lag in de jaren tachtig gemaakt door bewoners nagele 5van een van de door Rietveld ontworpen huizen. Van buiten zag je het er niet meteen aan af, maar die voormalige kerk was van binnen behoorlijk groot voor zo’n klein dorp, een van de wanden bestond uit in beton gevatte kleine vlakken glas. In het museum werd Een nieuw dorp op nieuw land vertoond, een film uit 1960 van Louis van Gasteren over nagele 2het ontwerp en de bouw van Nagele, alles in zwart-wit. Bij de beelden van overleggende en elkaar maquettes overhandigende architecten viel op dat de voice-over geen enkele naam noemde, ook verscheen er geen enkele naam in beeld als ondertitel; blijkbaar ging het om het collectief. Ook de term ‘het Nieuwe Bouwen’ viel nergens. Na beelden van bijeenkomsten van architecten volgden heroïsche beelden van aanleg en bouw (heien in het midden van oneindige velden, steigers, betonmolens, metselaars, stralend nieuwe blokken, nog steeds in het midden van niets). In de tweede helft van de film werd, nog steeds in zwart-wit, een landarbeider gevolgd die met zijn gezin van het oude land verhuisde naar zijn nagele 1nieuwe woning in Nagele. Een al wat oudere man met ingevallen wangen en sjofele kleren verliet zijn arbeiderswoninkje in een niet nader genoemde straat in een niet nader genoemde stad en beklom de laadbak van een vrachtwagen waar een deel van zijn gezin al in had plaatsgenomen, naast hun met een dekzeil overtrokken huisraad. De echtgenote zat naast de chauffeur in de cabine. Uitgezwaaid door de buren reden ze de straat uit. Bij de grens van het nieuwe land werd eerst een uitkijktoren beklommen voor er verder werd gereden. Alle geluiden waren duidelijk nagesynchroniseerd, en er kwam niemand aan het woord, behalve de voice-over.

Ze reden verder en kwamen in Nagele aan. De bescheiden huizenblokken waren blinkend nieuw. Alles was recht en hoekig en ruim en helder. En net als toen ik vorig jaar in het Amsterdamse stadsarchief een tentoonstelling over de bouw van de naoorlogse stadsuitbreiding bezocht (zie hier) viel me ook nu op dat het nieuwe decor eigenlijk té nieuw was: het verschil met de oude vrachtauto, met de kleding van de mannen en de vrouwen, met die mannen en vrouwen zelf, met de straat waaruit ze hierheen waren gehaald, met de eikenhouten meubels die uit de vrachtwagen werden geladen – al die verschillen waren te groot, alsof er een tijdreis was gemaakt, alsof ze op een andere planeet waren terechtgekomen; ik moest denken aan de kolonisten die in de verhalen van Ray Bradbury naar Mars vertrekken. In het begin van de film had de kleding en het trage, minzame gedrag van de architecten al hopeloos ouderwets aan gedaan vergeleken met de glashelderheid van wat ze aan het ontwerpen waren – alsof ze willoze marionetten waren van een toekomst die via hen zichzelf ontwierp.

En daar liepen ze dan, de nieuwe kolonisten, daar liep de man met ingevallen wangen in zijn sjofele pak door zijn kleine nieuwe rijtjeshuis, vol licht en rechte hoeken. Daar liep zijn vrouw, daar kwamen de buren het nieuwe gezin begroeten, op hun nieuwe planeet, waarvan de horizontale leegte werd benadrukt door de platte daken van de lage woonblokken. Alles moest plat zijn, dat hadden de architecten in hun wijsheid besloten. De meeste bewoners zullen graag een zolder hebben gehad, maar nee, geen punt- of zadeldaken, zelfs de kerken hadden platte daken en de torens moesten het zonder spits stellen; alles werkte mee om een idee van horizontale uitgestrektheid te benadrukken. Het middenterrein waar het huis van de zojuist gearriveerde ruimtereizigers op uitkeek en waar nog geen enkele volwassen boom stond was van een reusachtige en ruimtevrees verwekkende leegte. Alleen de groepjes kinderen die door die oneindige ruimte rondrenden leken zich nergens iets van aan te trekken. Ook op de zwart-wit foto’s van Eva Besnyö die elders in het museum hingen zag je die eerste generatie Nagelse kinderen onbekommerd spelen op de pleinen van hun nieuwe lage horizontale scholen met op de nagele 6achtergrond die huiveringwekkende leegte van het middenterrein; alleen de bomenrij in de verte hield het allemaal nog een beetje bij elkaar.

Toen we het museum verlieten waren we weer in het huidige Nagele, in kleur, met hoge, volwassen bomen, alles beheersbaarder en kleiner, vriendelijker en rustiger. We liepen nog even langs de Spar naar het kleine winkelstraatje, een mini-lijnbaan. Daar was geen winkel meer te bekennen, de als etalage ontworpen uitbouwtjes waren leeg; ook de toekomst is niet voor de eeuwigheid – hier had de toekomst die zichzelf had ontworpen zichzelf ingehaald.

 

 

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

ik dacht dat we iets hadden opgebouwd, zei het blok

IMG_20180824_115935258 IMG_20180824_115948610

Naar het Stedelijk Museum voor de tentoonstelling van Studio Drift, en natuurlijk vooral om het zwevende betonblok te zien. Dat werk was niet te missen: je liep de trap op en daar hing het, in de Erezaal. Kalm zweefde het boven een afgezet gedeelte van de zaal, groot en rechthoekig. Mijn eerste, onwillekeurige reactie: waar zijn de draadjes? Maar er waren geen draadjes, het was inderdaad zo dat het blok zweefde. Mijn tweede reactie: het is beschilderd piepschuim, hoewel het ruw betonnen oppervlak er geloofwaardig uitzag.

Er waren veel bezoekers, het blok werd gefotografeerd en gefilmd met telefoons, het was dan ook een vreemd en vervreemdend gezicht, iets dat niet kon en dat toch gebeurde, waar wij bij stonden. Ik bevond me in een van de eerste scènes van een Hollywoodfilm over een buitenaardse invasie. Er is een vreemd object gevonden, het is ondergebracht in een loods in de woestijn, en nu wordt het ding in die loods door groepen wetenschappers van verschillende disciplines geobserveerd. Wij, de bezoekers, speelden die wetenschappers, maar we moesten ons niet te veel van onze rol voorstellen, wij waren de disposable extra’s, het was een kwestie van tijd voordat de zijkanten van het zwevende blok opzij zouden klappen en wij allemaal door een felgroene death ray tot as werden teruggebracht – waarna het eigenlijke verhaal van de film zou beginnen.

Het idee dat ik me in een filmscène bevond werd nog versterkt door de harde drone-achtige muziek die in de zaal klonk, eerder klank dan muziek. Ik zag nu ook dat het blok bewoog, het zweefde rond boven het afgezette deel van de zaal; misschien was dat er net te veel aan, want aan de manier waarop het blok bewoog, zag je op de een of andere manier dat het niet zwaar en massief was. Daarvoor waren de kleine, trage zwenkingen die het maakte te luchtig, te licht. De zwarte stippen aan de zijkanten die ik aanvankelijk voor schroeven had gehouden bleken kleine luchtgaten.

Wat er ook te veel aan was: de informatie op het wandbordje. Informatie bij hedendaagse kunst, dat blijft altijd tricky, omdat het zo sturend is. … Dit blok is echter losgebroken uit het collectief, en conformeert zich niet aan de geldende structuur.  Opeens is het blok niet meer iets opzichzelfstaands, een autonoom wonder, maar krijgt het een IMG_20180824_122851889verhaal (een narratief, moet je dan natuurlijk zeggen, uit het gebruik van een woord als  ‘echter’ wordt al duidelijk dat het hier om belangrijke zaken gaat.) Door deze informatie wordt het blok bijna een individu, je zou dan ook willen dat het verder ging met zijn verhaal, en langzaam de zaal verliet, over de grote trap naar beneden zweefde en door de ruiten heen brak, de straat op, om daar mensen en auto’s te gaan verpletteren, of wie weet om op zoek te gaan naar het collectief, om zich daar weer mee te verenigen.

Ik vind het altijd wel prettig om gewoon te mogen kijken, zonder nadere sturing. Natuurlijk, ik verzin er ook verhalen bij, zie boven, maar dat is in reactie op wat ik zie, om er iets van te maken, van dat wonder. Als producenten en conservatoren het wonder al van te voren gaan inkaderen, heb ik als kijker niets meer te doen.

Het blok zweefde natuurlijk niet de trap af, maar er gebeurde wel iets anders: het zweefde langzaam naar beneden, naar de vloer, het ging landen, vlak naast de afscheiding. Dat had ik niet verwacht, ik vroeg me af of het ’t geluid zou maken van een landend betonblok, of het dan toch om iets zwaars zou gaan. Maar nee, het landde geruisloos, of zweefde het nog een millimeter boven de vloer?

Het bleek in ieder geval niet de bedoeling. Een suppoost liep met zwaaiende armen rond en riep dat we de zaal moesten verlaten, we’re closing for ten minutes, we’re closing for ten minutes! Verschillende gasten staken een hand uit naar het blok, nu het eindelijk onder bereik was. Don’t touch! Don’t touch! riep de suppoost, maar ook ik liep erop af om even te voelen. Ik voelde beschilderd linnen dat een beetje meegaf. Doek, waarschijnlijk gespannen op een houtskelet, het ding woog misschien maar een paar kilo. Op hout gespannen doek: ik had gewoon de hele tijd naar een schilderij gekeken

Toen ook ik de zaal verliet had ik spijt dat ik het blok had aangeraakt. Natuurlijk was het nooit een zwevend betonblok geweest. Maar waarom moest ik dat dan ook nog eens proefondervindelijk voor me zelf bewijzen? Ik voelde me lullig, als een man die zijn hand op De Nachtwacht heeft gelegd en verontwaardigd uitroept: maar het zijn helemaal geen mensen, het is beschilderd doek!

Ik had naar die suppoost moeten luisteren, maar zoiets weet je pas achteraf. Het had met respect te maken, niet voor die suppoost of het duo van Studio Drift maar respect voor het object zelf, dat zo zijn best had gedaan om de illusie in stand te houden. En dat samen met mij, daar ging het nu juist om. Ik dacht dat we iets hadden opgebouwd, jij en ik, zei het blok; maar in plaats daarvan moest je per se even voelen.

 Zo was het: alsof er tijdens een goochelvoorstelling iets mis ging zodat je zag hoe het werkte; en je voelde opwinding maar achteraf werd je er een beetje treurig van – want je wist de hele tijd al dat het weesmeisje niet door midden wordt gezaagd; maar desondanks je zag het voor je ogen gebeuren en daar ging het nu juist om.

 

 

 

 

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

oude dagboekaantekening

28 maart 2000

Verleden week dinsdag kwam Troje van de drukker, en kreeg ik op de Van Miereveldstraat een eerste exemplaar overhandigd door Jasper. Die nacht droomde ik dat ik op de middelbare school zat. Er was een repetitie die ik niet had geleerd. Het was niet de eerste repetitie die ik niet geleerd had, ik voerde al tijden niets uit, en dat begon in de gaten te lopen; ongerust­heid. Waarop een lerares mij onder haar hoede nam, en mee naar haar kamer. Waarna een leraar kwam die haar met zich meenam, van mij afpakte. Waarna ik naar huis ging. Op een stoffige zandweg werd ik opgewacht door drie jongens die mij in elkaar wilden slaan.

 

 

Geplaatst in boek, schrijven | Tags: , , | 2 reacties

scipio’s zuster (slot)

 

Bij wijze van feuilleton: het laatste verhaal over Scipio, in vier delen. Vandaag het laatste deel. (Dit hele verhaal is trouwens geschreven toen ik eerder deze zomer op Amstelglorie in het Wolkershuisje zat.)  

 

Ik was toevallig bij Scipio op bezoek toen hij dat telefoontje kreeg, we zaten met z’n allen in de gemeenschappelijke woonkamer van  de studentenflat naar voetbal te kijken, de telefoon hing in de gang, toen hij had opgehangen kwam Scipio de woonkamer binnen en vertelde wat hij zojuist telefonisch had afgesproken. Nu moeten we alleen nog een kat vinden die sprekend op die kat van de foto lijkt, zei hij, hoe moeilijk kan dat zijn?

Nog behoorlijk moeilijk, zo bleek. Ten eerste had niemand meer een poster, dus werd er iemand naar buiten gestuurd om een exemplaar van de dichtstbijzijnde lantarenpaal te halen. Daarna werd er druk rondgebeld naar mensen van wie we wisten dat ze katten hadden. We stonden op een kluitje om de telefoon. En heeft jou kat dan ook een zwarte vlek tussen zijn oren? Ken je dan misschien iemand die… Het werd later en later, op een gegeven moment waren we mensen uit bed aan het bellen. Maar we hadden geluk, iemand kende iemand die bij het asiel op de Polderweg werkte, misschien moesten we die eens bellen. Dat deden we, hij was thuis en sliep niet, tenminste niet meer toen hij de telefoon opnam. Vreemd genoeg was hij meteen enthousiast. Hij wist meteen waar het om ging, hij had de poster zien hangen en had hem zo leuk gevonden dat hij hem had meegenomen naar zijn werk, het ding hing nu op het prikbord in de personeelsruimte. Ze hadden daar vast wel ergens een kat die op het dier van de foto leek. Uitlenen deden ze natuurlijk niet bij het asiel, maar er viel wel iets te regelen.

En er werd iets geregeld. De volgende ochtend kwam Scipio thuis met een grote kattentas waarin een kat zat die een redelijke gelijkenis vertoonde met het dier van de foto. Ik was weer van de partij, ik wilde er niets van missen. De kat blies en gromde, en toen we op Scipio’s kamer de tas openmaakten, schoot hij in een rechte lijn onder het bed, maar niet nadat hij Scipio een fikse haal over zijn hand had gegeven. We probeerden hem te lokken met speeltjes en lekkere hapjes, die Scipio speciaal voor de gelegenheid had aangeschaft, maar het dier liet zich niet vermurwen. Zodra een hand te ver onder het bed stak, schoot hij naar voren om uit te halen. Laat hem maar even, zei Scipio, hij moet vast nog wennen. Hij stak zijn hoofd onder het bed en riep: ik heb een gloednieuwe kattenbak voor je gekocht, hij staat daar in de hoek! Het was mooi geweest als de kat nu had geantwoord: dat zie ik ook wel lul, en toch ga ik je hele kamer onderpissen, maar dat gebeurde niet. We sloten de kamerdeur en liepen naar de keuken, waar we met een paar andere bewoners koffie gingen drinken, of bier, dat weet ik niet meer. Zo nu en dan ging Scipio even kijken ‘of de kat al gewend was’, telkens kwam hij met nieuwe beschadigingen terug. We begonnen ons ongerust af te vragen hoe dat vanavond zou moeten, als Nansie langs kwam om de kat te aaien. Iemand kende een meisje dat op een andere eenheid woonde en dat erg goed was met katten. Ze werd erbij gehaald en na vijf minuten stak ze haar hoofd om de keukendeur met de mededeling dat ze een tetanusinjectie ging halen. Dat zou jij ook moeten doen, zei ze tegen Scipio, die er bij liep als een zelfmutilator die net enthousiast een pak nieuwe scheermesjes heeft opengemaakt. Dat is van later zorg, zei Scipio, ik denk dat ik die man van het asiel nog eens ga bellen, of hij geen verdovend of kalmerend middel heeft.

De man van het asiel had van alles, maar was natuurlijk geen dierenarts, en het was bovendien niet de bedoeling dat gezonde katten medicatie toegediend kregen om ze handelbaar te maken. Alles draaide om het winnen van vertrouwen en dat kon een proces van weken zijn; maar aangezien deze kat vanavond al moest optreden, viel er wel iets te regelen. Aan het eind van de middag kwam hij wel even langs, beloofde hij.

En inderdaad, aan het eind van de middag kwam hij langs. Hij had een koffertje bij zich en grote handschoenen. Laat me maar even met hem alleen, zei hij, mij kent hij wel. Op het asiel noemen we hem trouwens Horror, dat had ik er vanmorgen misschien even bij moeten zeggen.

Hij verdween in Scipio’s kamer en na een kwartier riep hij met gedempte stem over de gang dat we konden komen, als een begrafenisondernemer die klaar is met het lijk. We dromden de kamer binnen, de kat die blijkbaar Horror heette lag op de vloer te spinnen en tikte zacht tegen een speelgoedmuis. Scipio liep naar voren en begon hem voorzichtig te aaien. Horror begon harder te spinnen en draaide zich loom op zijn rug. Nu moet je zijn buik aaien, zei de man van het asiel. Wat heb je hem gegeven? vroeg Scipio, terwijl hij met zijn vingers in Horrors borsthaar kroelde. Als ik dat zeg moet ik jullie allemaal doden, zei de man, en erger nog, dan raak ik mijn baan kwijt. Ik denk dat het de komende zes, zeven uur wel goed zit met hem. Veel succes! Toen hij de kamer verliet zagen we dat hij een grote scheur in de achterkant van zijn overhemd had.

We gingen eten (steeds ging er iemand kijken of de kat nog goed was) en daarna wachtten we op Nansie. Precies op het afgesproken uur werd er gebeld. Er kwamen twee geblondeerde vrouwen de trap op, zo te zien moeder en dochter. Beiden zagen er moe uit. De dochter droeg een klein mager meisje dat een grote roze pleister op haar voorhoofd had. Dit is Nansie. Zeg eens goedenavond Nansie? Goedenavond, zei Nansie zacht. Ze droeg een geel jurkje. Haar huid was bleek doorzichtig, je zag overal blauwe aderen. Nadat ze was neergezet deed ze een paar voorzichtige passen, alsof ze van een andere planeet kwam en haar lichaam nog niet precies wist hoe het hier zat met de zwaartekracht en de draagkracht van de bodem. Ze keek met grote ogen naar ons omhoog en vroeg: waar is de kat?

Ik zal je naar hem toebrengen, zei Scipio. Hij had gelukkig een overhemd met lange mouwen aangetrokken. Hij pakte haar handje en liep langzaam met Nansie naar zijn kamer. Wij volgden, moeder en grootmoeder sloten de rij. Ach gut dat kind, zei grootmoeder met doorrookte stem. We hielden onze adem in toen Scipio zijn kamerdeur opende, niet voorzichtig, maar met een achteloos gebaar, alsof hij er alle vertrouwen in had. Ik zag voor me hoe de kat naar buiten sprong om zijn klauwen in het hoofd van het meisje te zetten, maar dat gebeurde niet. Horror lag rustig op Scipio’s bed. Kijk, dat is hem, zei Scipio, dat is de kat van de poster. Hij heet Felix. Zullen we hem gaan aaien?

Nansie keek naar de kat en knikte. Ze liepen naar het bed, Nansie stak haar hand uit en aaide de kat, met houterige bewegingen. De kat rekte zich uit en begon te spinnen. Hij spint, hoor je wel? zei Scipio. Dat betekent dat hij je aardig vindt.

Ach gut dat kind, zei de grootmoeder weer, en even dacht ik dat ze Scipio bedoelde. Nansie aaide nog een paar keer en keerde zich toen om naar haar moeder. Leuk? vroeg die. Is het een lieve kat? Nansie knikte. Mooi, zei haar moeder. Nansie liep naar haar toe, greep haar hand en gevolgd door de grootmoeder verlieten ze de kamer. We volgden ze door de gang, Scipio haastte zich naar voren en liet ze uit.

Dat was het? riep ik nadat de voordeur achter ze was dicht gevallen, al die moeite voor vijf minuten? Hiervoor heb je je armen laten openhalen en al die spullen gekocht?

Het gaat niet om hoe lang zoiets duurt, zei Scipio, het gaat erom dat het is gelukt, dat zie je toch, het heeft gewerkt, iedereen gelukkig. Met die kattenbak en die andere spullen kunnen we vast wel iemand anders blij maken. En zo verspreiden wij geluk waar wij maar gaan. Hij wis toen nog niet dat de kat op zijn bed had gepist en dat hij zijn dekbed zou moeten weggooien.

Later die avond haalde de man van het asiel de kat weer op en dat was het verhaal van het meisje dat de kat wilde komen aaien. Ik weet niet of Scipio daarna nog contact met Nansie en haar familie had, hij had nog wel vage plannen om nog iets voor dat meisje te doen, een inzamelingsactie of zoiets, Een vakantie voor Nansie,  Geef Nans een kans, weet ik het, maar daar is natuurlijk nooit meer iets van gekomen.’

Aan de andere kant van de deur bleef het stil. Ik ging verzitten, er schoot een pijnscheut door mijn rug. ik was stijf en moe. ‘Wat een verhaal hè,’ zei ik, ‘ik vraag me af waarom ik het nooit opgeschreven heb.’

Het bleef stil. Ik legde mijn oor tegen de deur, ik hoorde niets, geen geritsel, geen ademhaling, geen aanwezigheid, alsof er aan de andere kant alleen maar leegte was. Ze was niet in slaap gevallen, ze was vertrokken. Had ik dit hele verhaal aan mezelf verteld? Ik kwam moeizaam overeind en rammelde aan de deur, krachteloos en tevergeefs, meer voor de vorm dan dat ik hoopte dat er iets zou gebeuren. Ik liep naar het raam en schoof de gordijnen open. Donkere tuinen, ergens brandde licht in een keuken. Ik ging niet schreeuwen. Ik keerde me om en liep naar de lichtschakelaar naast de deur. Kort kort kort, lang lang lang, kort kort kort. Ik herhaalde het een paar keer en dacht toen: en wat als er iemand komt? Ik deed de gordijnen dicht, piste in de wasbak en probeerde de radio; ik hoorde alleen maar ruis. Ik deed de radio weer uit en ging op het bed liggen om eens rustig over de situatie na te denken.  Door de sprei en het dekbed heen voelde ik hoe dun het matras was. Er zat een flauwe uitholling in waar ik precies in paste.

Toen ik wakker werd was het licht. Zweterig en verkreukeld zwaaide ik mijn benen van het bed. Ik zocht mijn schoenen, ik zag ze nergens, mijn blik zocht de hele kamer af, ik vond ze pas toen ik onder het bed keek: daar stonden ze, keurig naast elkaar. Nadat ik ze had aangetrokken schoof ik de gordijnen open. Een zonnige dag. In een achtertuin hing iemand de was op. Ik keek op mijn horloge. Tien uur. Ik liep naar de deur. Die klemde, maar na een paar keer proberen ging hij open. Verbaasd bleef ik staan. Ik deed de deur dicht en probeerde hem nog eens. Hij klemde behoorlijk, maar hij ging weer open. Ik probeerde het nog eens en nog eens, maar wel vanaf de andere kant, op de overloop. Ik herinnerde me haar zachte gelach. Had de deur ooit op slot gezeten?

Ik liep de trap af. Mijn jas hing nog aan de kapstok. De voorkamer was leeg. Ik liep door naar de achterkamer, op de eettafel stond een glas sinaasappelsap met een schoteltje erop. Zo vliegen de vitaminen niet weg, dacht ik. Het was iets wat mijn moeder vroeger zei. Naast het glas lag een briefje. Trek de voordeur maar gewoon achter je dicht, dat is genoeg, we zijn hier niet in Amsterdam. Ik liet het glas staan, liep naar de gang en haalde mijn jas van de kapstok. Mijn telefoon zat nog in een van de zakken. Ik stapte naar buiten, trok de voordeur achter me dicht en liep het tuinpad af. Ze moest vannacht mijn schoenen hebben uitgetrokken, ik was in slaap gevallen met mijn schoenen aan.

Onderweg naar het station kreeg ik steeds meer de indruk dat ik Scipio zelf had gezien, dat hij van geslacht was veranderd en zich hier als lerares Engels had gevestigd. Hoe langer ik erover nadacht, hoe logischer het leek, de enige aannemelijke verklaring voor de vreemde avond die ik achter de rug had. Het zou in ieder geval verklaren waarom zijn oude naam zo weinig sporen op internet had nagelaten. Ik had dat briefje mee moeten nemen, had ik thuis nog een oud handschrift van Scipio waarmee ik die boodschap had kunnen vergelijken? Nee natuurlijk, waarom zou ik dat al die jaren bewaard hebben, als ik ooit al zoiets had bezeten. Ik kon opzoeken waar ze les gaf, binnen het uur kon ik haar lokaal binnenvallen, daar stond ze dan, achterin de klas, en in de banken zaten die leerlingen met hun donzen huidjes, kijk jongens en meisjes, daar hebben we de auteur

Aan het eind van de straat doemde het station op, de gevel ving de frisse zon van de ochtend. Ik dacht: het is wel goed zo, doe ermee wat je wilt Scipio, schrijf er maar een mooi verhaal over, ja doe dat maar.

 

 

Geplaatst in scipio, verhalen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

scipio’s zuster (3)

Bij wijze van feuilleton: het laatste verhaal over Scipio, in vier delen. Vandaag deel 3. (Dit hele verhaal is trouwens geschreven toen ik eerder deze zomer op Amstelglorie in het Wolkershuisje zat.)  

 

Er klonk een zacht, snuivend gelach. Kort maar onmiskenbaar. ik was te verbaasd om kwaad te worden. ‘Is dit een grap? Hoe lang moet ik hier dan zitten? Tot ik boete heb gedaan? En boete voor wat? Wil je excuses? Had ik die verhalen over Scipio niet moeten schrijven? Had ik andere verhalen over hem moeten schrijven?’

‘Heb je andere verhalen dan?’

Haar stem bleef intiem klinken, alsof het geluid van haar woorden zich warmde aan het hout van de deur tussen ons in. Het was bijna alsof haar stem in mijn hoofd klonk.

‘Ja, ik heb wel andere verhalen over hem.’

‘Vertel er eens een.’

‘Doe je dan de deur open?’

Weer dat onverwachte snuivende lachje. ‘Vertel maar eerst.’

‘Goed,’ zei ik, ‘wat je wilt.’

Ik stelde me voor hoe ze daar zat, dicht bij de grond, haar oor tegen de deur. Als ik opeens heel hard schreeuwde zou ze zich rot schrikken. Maar daar schoot ik niets mee op. ‘Ik stond ooit met Scipio te liften,’ zei ik, ‘ergens in Brabant.’

‘Dat verhaal ken ik al,’ zei ze, ‘dat jullie toen door die agenten werden meegenomen naar Eindhoven en dat die ene agent iets van Cees Nootenboom had gelezen, dat heb ik verleden jaar in Tirade gelezen.’

‘Dat is een ander verhaal,’ zei ik, ‘dat is niet het verhaal wat ik wilde vertellen. We hebben vaker gelift. Maar als je het beter weet.’

‘Nee ga door.’

‘Op een middag stond ik met Scipio ergens tussen Zundert en Etten-Leur te liften toen er vlak voor onze ogen een auto over de kop sloeg.’

‘O, je hebt gelijk, dat is inderdaad een ander verhaal.’

‘Die auto bleef midden op de weg liggen, zwaar in de kreukels. In de anderhalf uur dat we daar hadden gestaan was het de eerste auto die langs was gekomen. Ik wou dat ik iets te drinken had, dat praat makkelijker.’

Om de behoefte aan vloeistof te benadrukken kuchte ik een paar keer. Zodra ze een hand met een glas water door de deuropening zou steken, zou ik de deur verder openduwen. Blijkbaar zag ze die scène ook voor zich, want ze zei: ‘Drink maar uit de wasbak.’

Ik keek om me heen, in de hoek van de kamer bevond zich inderdaad een wasbak, met een spiegel erboven. Hoe kon ik die tot nu toe hebben gemist? Er hing zelfs een handdoekje naast. Ik stond op, nu was ik wel verplicht om water te gaan drinken, ook al had ik helemaal geen dorst. Ik dronk een paar slokken en liet me weer bij de deur zakken. ‘Waar was ik gebleven?’

‘Over de kop,’ zei ze. ‘De enige auto die daar in anderhalf uur was langs gekomen.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Goed. Ik rende meteen naar de telefooncel die daar in de berm stond. Scipio en ik hadden ons daar al over verbaasd, een telefooncel midden op het platteland, maar nu kwam die goed van pas. Ik rukte de deur open, graaide de hoorn van de haak en toetste het alarmnummer in. Het meisje dat antwoordde had een accent dat ik niet zo gauw kon thuisbrengen, ze zei van alles, maar ik riep: ik sta hier tussen Etten-Leur en Zundert en er is hier een auto… Maar het meisje onderbrak me, en vroeg: Wat vond u van de manier waarop ik de telefoon aannam? Wat? riep ik. Ik sta hier tussen Etten-Leur en Zundert en… Kwam ik een beetje naturel over of klonk ik geforceerd? vroeg ze. Ik hing op en stapte de telefooncel uit. Scipio stond bij de verongelukte auto en deed z’n best om door de gebarsten voorruit naar binnen te kijken. Alle ramen van de auto waren geblindeerd, dus je zag niks. Ik zie hem nog staan, op z’n tenen, gereed om weg te springen, alsof hij verwachtte dat de auto elk moment kon ontploffen. Komen ze? riep hij naar me. Ze kunnen maar beter snel zijn denk ik. Nee, zei ik, ze zijn hier een beetje gek of zo. Nu keek Scipio wel om. Bel dan nog eens lul! riep hij. Dus ik ging weer die telefooncel in en toetste voor de tweede keer het alarmummer in. Nu nam een oudere vrouw op. Ik sta tussen Etten-Leur en Zundert en er is zojuis een auto… Was u dat? vroeg de vrouw, was u dat die net ook al belde en zomaar ophing? Mijn collegaatje zit naast me te huilen. Bent u nu trots op uzelf? Ik verbrak de verbinding en liep de cel uit. Ze zijn hier echt gek, zei ik. Scipio vroeg: willen ze niet komen? Ze zoeken het maar uit, zei ik. We keken naar de auto. Een Duitser, zei Scipio. Tja, zei ik, zullen we maar gaan lopen dan? Ik pakte onze tassen uit de berm. Ja, zei Scipio, terwijl hij nog eens naar de auto keek, laten we maar gaan, van hem krijgen we toch geen lift meer. Dat was natuurlijk een mooie opmerking, een goede uitsmijter voor als we dit verhaal later in kroegen hadden verteld, maar ik geloof niet dat we het er ooit nog met iemand over hebben gehad.’

Het bleef even stil aan de andere kant van de deur. Toen zei Scipio’s zuster: ‘Dat is nooit gebeurd, dat verhaal heb je verzonnen.’

Ze had gelijk. Ik had het jaren geleden geschreven, toen ik van plan was een serie fictieve verhalen over Scipio te schrijven die steeds onrealistischer moesten worden. Maar die verhalen werkten niet goed, en er was nooit wat van die serie geworden.

‘Nou en,’ zei ik. ‘Of telt dat niet?’

‘Nee,’ zei ze, ‘een verzonnen verhaal telt niet. Ik wil iets horen wat echt gebeurd is.’

‘Dat kan ook.’ Ik stond op, dronk een paar slokken water bij de wasbak en ging weer zitten. ‘Toen ik met hem bij dat bedrijf werkte dat noten verpakte, waarover ik dat verhaal heb geschreven, hoe heette dat ook weer…’

‘ ‘Hoe ik Scipio leerde kennen’.’

‘Ja, precies. Er werkte daar een heftruckchauffeur, die op zijn heftruck reusachtige bakken vol noten van het magazijn naar de productiehal bracht. Een Surinaamse man, Jeffrey. Rustig aan maar jongens, zei hij altijd, rustig aan maar. Relaxte Jeffrey. Het magazijn was van de productiehal afgesloten door middel van grote plastic flappen, ik zal nooit het geluid vergeten waarmee die flappen opzij gingen als Jeffrey er met zijn heftruck doorheen kwam, een traag, flappend geluid, anders kan ik het niet omschrijven. Een paar meter na die flappen zat er een gat in de vloer, waar Jeffrey altijd quasi-achteloos langs stuurde, met een geruststellend knikje naar Scipio en mij, want als we hem door de flappen hoorden komen, bleven we vaak even staan kijken hoe hij om dat gat heen reed, het was een mooi gezicht hoe hij dat deed, routineus, vlak langs de rand, het ging altijd maar nét goed. Het kon natuurlijk niet, zo’n gat, en Jeffrey drong er dan ook voortdurend bij de baas op aan dat het zou worden gemaakt, maar dat gebeurde nooit. Hij was uitzendkracht, net als wij, maar hij ging niet studeren en hoopte op een vaste betrekking. Maar die kreeg hij niet, toen zijn termijn erop zat moest hij weg. Ze moeten me niet, zei hij tegen ons. Misschien had het er ook wel mee te maken dat hij steeds over dat gat begon. Hoe dan ook, op een gegeven moment is het zijn laatste dag, flap flap flap, we zien hem uit het magazijn komen, met zo’n grote bak pinda’s op de vork van zijn heftruck en bam!, hij rijdt met één wiel recht dat gat in. De heftruck kantelt naar voren en weer naar achteren, maar ondertussen is die bak van de vorken gegleden, kantelt en komt met een daverende klap op de vloer terecht. Er schuift een gigantische, manshoge berg pinda’s over de vloer, iedereen staat er stil naar te kijken, Jeffrey zit met een ironische grijns in zijn heftruck. En dan wordt de stilte onderbroken door een woest indianengehuil. Scipio schiet naar voren en werpt zich in zijn witte bedrijfsoverall midden in de berg pinda’s. Hij verdwijnt er bijna helemaal in, hij maakt zwembewegingen, hij gooit pinda’s in de lucht en vangt ze op in zijn mond, hij heeft de tijd van zijn leven. Maar algauw komt de productiechef er aan, in het verhaal noemde ik hem Pannekoek maar in het echt had hij een normale naam, Jansen, De Vries, Tilanus, weet ik veel, daar komt de chef en die begint Scipio stijf te schelden, of hij gek geworden is, die pinda’s hadden bijna allemaal nog gebruikt kunnen worden maar nu kunnen ze weg, een gigantische strop alleen om dat jij daar zonodig middenin moest springen enzovoort, de man loopt rood aan en is helemaal niet goed in schelden omdat hij geen enkele autoriteit bezit en op het eind beent hij kwaad weg onder het uitroepen van: ruim maar op! ruim maar op! en Scipio ligt op zijn rug in de pindaberg, maakt een paar rugslagbewegingen en zegt tegen mij: moet je ook proberen, heerlijk. Maar ik doe het niet.’

Al tijdens het vertellen begreep ik waarom ik deze anekdote niet in het verhaal over dat pindabedrijf had opgenomen. Het ging meer over Jeffrey dan over Scipio, het paste niet echt in het grote geheel, het was een anekdote.

Aan de andere kant van de deur bleef het stil.

‘Dat was het,’ zei ik. ‘Nog een?’

Geen idee waarom ik dat zei, het kwam eruit voor ik het kon tegenhouden. Alsof ik gehypnotiseerd was. Wanneer had ze dat gedaan, wat had er in de wijn gezeten?

Er klonk een zacht ‘Ja’.

‘Doe je dan de deur weer open?’

‘Eerst het verhaal.’

‘Dat zei je net ook.’ Ik had eigenlijk geen idee of dat zo was. Ik was terechtgekomen in een of andere duizend-en-een-nacht situatie. Ik had geen duizend verhalen. Zeker niet nu ik niets mocht verzinnen.

‘Het meisje dat de kat wilde komen aaien,’ zei ik.

‘Is dat de titel?’

‘Of een samenvatting,’ zei ik, ‘wat je wilt. Dit was toen Scipio een tijdje op een studentenflat op Kattenburg woonde, in onderhuur, erg lang heeft hij daar niet gewoond, een half jaar of zo.’

‘Die flat ken ik, daar ben ik toen nog een keertje geweest, bij het Scheepvaartmuseum was dat toch?’

‘Ja, daar vlakbij. In die tijd zag je overal van die kleine posters hangen met vermiste katten, dat kwam toen net een beetje op, die posters, daar stond dan zo’n onscherpe foto op van de weggelopen kat, met een telefoonnummer en teksten als: we missen Poekie erg, ze kan niet zonder haar medicijnen, enzovoort. En de onderkant van die posters was dan op regelmatige afstand ingeknipt zodat er strookjes ontstonden die je los kon scheuren, en op elk strookje stond dan een telefoonnummer, ken je dat?’

‘Ja,’ zei ze, ‘ik woon ook in deze wereld.’

‘Goed, goed.’ Ik moest haar niet tegen de haren in strijken. ‘Dat had ik dus niet allemaal uit hoeven leggen. Hoe dan ook, Scipio zei op een avond dat we tegenwicht aan die posters moesten bieden. Telkens als je zo’n ding ziet hangen, ontving je een negatieve boodschap, zei hij. Kat weg, kan niet zonder medicatie of speciaal dieet, familie verdrietig, kinderen radeloos, een en al ellende op de vierkante centimeter. En dus maakte hij zijn eigen poster. Hij knipte een foto van een of andere aandoenlijke kat uit een tijdschrift, erboven zette hij in grote letters nog steeds bij ons, en onder die foto stond iets als: en dat is maar goed ook, zo kunnen we hem elke avond de medicijnen geven die hij nodig heeft, en het dieetvoer, en hoeft hij ’s nachts niet door vreemde tuinen te dwalen. En om het zo echt mogelijk te maken had hij aan de onderkant ook zo’n reeks afscheurstrookjes gemaakt met een telefoonnummer erop. Een paar avonden lang plakten we die posters overal in de buurt op, tot in Amsterdam Oost en de Transvaalbuurt aan toe, op de fiets met emmers plaksel en een bundel posters, op de een of andere manier vonden we dat prachtig. Het telefoonnummer dat hij op die strookjes had gezet, was het nummer van de eenheid waar hij woonde, zo bleek, want op een avond was er telefoon voor hem. Een kind, een meisje, Nansie. Ze zal wel Nancy geheten hebben, maar ze sprak haar naam uit als Nansie. Of ze de kat mocht komen aaien. Of ze wat? Ze vond die foto van de kat zo leuk, ze wilde hem komen aaien. Op dat moment werd de telefoon overgenomen door een volwassene, die zich voorstelde als Nansies moeder. Nansie was heel erg ziek, ze kwam bijna niet buiten maar laatst had ze bij haar in de buurt die poster gezien en ze had die kat zo mooi gevonden. Ze wilde hem aaien en omdat zij als Nansies moeder in dit stadium van het leventje van haar dochter (dat waren de woorden die ze gebruikte) zoveel mogelijk wensen van Nansie wilde vervullen, vroeg ze of het schikte om eens met haar dochter langs te komen om de kat te komen aaien. Natuurlijk, zei Scipio, en ze maakten een afspraak voor de volgende avond.

 

(morgen het slot)

Geplaatst in scipio, verhalen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen