zeven fokking euro

 

Toen ik om elf uur ’s avonds klaar was op Crossing Border liep ik door een druilerig en donker Den Haag terug naar het station. Onderweg kwam ik J. tegen, die even over was uit de stad B. in het land N. Ook hij was naar Crossing Border geweest, ook hij was onderweg naar het station, ook hij moest naar Amsterdam, we reisden samen verder. Er reden alleen sprinters naar Amsterdam Centraal, zo waren we meer dan een uur onderweg, in een traag oprukkende, bij elk station voller wordende trein, lang niet iedereen kon zitten.

We waren zelfs nog langer onderweg dan gepland, doordat er een jonge vrouw met een fiets was ingestapt, niet ver van waar wij zaten. De vrouwelijke conducteur die even tevoren onze plaatsbewijzen had gecontroleerd kwam langs en hield de jonge vrouw voor dat die fiets daar niet kon staan en dat ze naar binnen had moeten gaan bij de deur met het fietslogo. Ja maar, zei de jonge vrouw, daar was het heel vol, ze lieten me gewoon niet binnen daar! Toch kon die fiets hier niet blijven staan, zei de conducteur, hier was het ook vol. Ondertussen waren we gestopt op station Sassenheim. Ze moest met die fiets naar de fietsdeur. Ja maar dat zeg ik u toch, daar was het te druk! Toch moet uw fiets hier weg, dat kan echt niet zo, niemand kan er hier door, dat is gevaarlijk. Ja maar bij die andere deur…! Als er geen plaats is moet u niet instappen met uw fiets. Ja maar ik heb zeven euro betaald voor een fietskaartje! Die fiets moet nu naar buiten. Ja maar…

De gemoederen liepen hoog op. De trein bleef staan, omstanders begonnen de jonge vrouw terecht te wijzen, wat haar verontwaardiging alleen nog maar vergrootte. Ze werd kwader en kwader, ze had zeven euro voor een kaartje betaald alleen al voor die fiets en bij die andere deur hadden ze haar er helemaal niet door willen laten en… Zo nu en dan werd ze bijgestaan door de vriend die ze bij zich had. De conducteur bleef herhalen dat die fiets hier niet kon staan, de vrouw bleef op hoge, verontwaardigde toon herhalen dat ze niet anders kon en dat ze ervoor betaald had.

Het was laat, iedereen wilde naar huis, dit was het laatste wat we nodig hadden. Toch ontstond in de trein niet eenzelfde machteloze spanning als laatst bij dat dronken echtpaar in de bioscoop, uit de vorige blogpost. Hier vormden alle andere aanwezigen wel een groep. De ruimte was verlicht dus we konden elkaar zien; de trein was vol, dus we bevonden ons binnen elkaars bereik. We konden hoofdschuddend blikken en korte observaties uitwisselen met mensen om ons heen, om de spanning te relativeren. J. en ik doodden de tijd door op zachte toon het meningsverschil tussen de jonge vrouw en de conducteur samen te vatten en te becommentariëren. ‘Blijkbaar moet bij dergelijke conflicten elk argument zeven keer worden herhaald,’ zei ik, ‘en wist jij dat een fietskaartje zeven euro kostte?.’ ‘Zeven fokking euro,’ zei J., die beter had opgelet dan ik.

De trein bleef staan, er kwam een andere conducteur bij, alle argumenten werden nog eens herhaald, en daarna begeleidde de tweede conducteur vrouw, vriend en fiets alsnog naar de fietsdeur even verderop, waar nu blijkbaar wel plaats werd gemaakt. Daarna gingen we rijden en leek alles weer normaal.

Na een paar minuten worstelde de jonge vrouw zich langs de staande passagiers in het gangpad naar voren, op weg naar de vrouwelijke conducteur, die nog steeds bij de deuren stond waar de fiets in de weg had gestaan. Ze kwam verhaal halen, en dat deed ze ook, op hoge toon. Hoe had de conducteur tegen haar kunnen zeggen dat..  Waarom had ze niet willen inzien dat…  Ze wond zich steeds meer op, de conducteur bleef afgemeten antwoorden en wij, de passagiers verbaasden zich over deze toegift, we konden allemaal naar huis, de vrouw zelfs mét haar fiets, alles klopte nu toch?

We bereikten station Hoofddorp. De vrouw was inmiddels zo opgewonden aan het schreeuwen dat de conducteurs (de collega was er nu ook bij) haar bevalen uit te stappen. Daar werd de vrouw niet meteen rustiger van. Maar ze moest er nu echt uit anders kreeg ze een boete. De andere conducteur liep over het perron langs de trein en even later zag ik vanaf mijn zitplaats bij het raam hoe er een fiets uit de trein werd geduwd. De vrouw en haar vriend stapten uiteindelijk ook uit, briesend.

We reden weer verder, nu was alles echt normaal. De kleine verbroedering tussen de passagiers ebde langzaam en gemoedelijk weg, tegen de tijd dat we in Amsterdam uitstapten werden hier en daar wat knikjes uitgewisseld om het tijdelijke deelgenootschap nog even te bevestigen voordat iedereen weer zijn of haar weegs ging en dat was het dan. J. en ik namen de metro naar de Pijp en praatten nog even na over wat we hadden meegemaakt.

Want waarom had de jonge vrouw zich helemaal vanaf de fietsdeuren weer naar de conducteur geworsteld om alsnog verhaal te halen? Wat was nu haar probleem geweest, alles was toch goed afgelopen? Ja, maar niet voor haar; die goede afloop was blijkbaar juist het probleem. Haar argumenten waren weggewuifd, ze was op haar nummer gezet, ze was zonder respect behandeld. En het was nog niet klaar. Ze was het slachtoffer van rigide, onbeschoft en onterecht toegepaste regelzucht geweest, maar zelfs als slachtoffer was ze niet serieus genomen, want het was nog niet klaar, de onrechtvaardigheid die ze ervoer moest nog worden bekroond en voltooid. Om haar slachtofferschap te vervolmaken ontbrak er nog één ding; en dus worstelde ze zich naar voren om haar straf te komen halen.

 

 

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

moordplannen

 

Ik zat me gistermiddag dood te vervelen bij Once Upon a Time in Hollywood, de nieuwe film van Quentin Tarantino, en tegelijkertijd vloog de tijd voorbij, dus blijkbaar zat ik geboeid te kijken. Ik zat me geboeid te vervelen – dat heb ik nog niet eerder gehad bij een film, geloof ik.

Het zag er dan ook allemaal erg mooi uit, dat Los Angeles van 1969. Als deze film, zoals je overal leest, Tarantino’s liefdesverklaring aan LA is, dan heeft hij dat goed gedaan, en waarom zouden wij er dan ook nog geboeid naar moeten kijken, liefdesverklaringen zijn doorgaans uitsluitend bedoeld voor de direct betrokken partijen, ik hoop dat Los Angeles ervan genoten heeft.

Ik keek dus als buitenstaander naar die in stoffig, vergeeld zonlicht badende stad en dat mijn verveling zich niet verveelde kwam omdat ik dacht dat de breed opgezette scènes die ik zag een verhaal zouden gaan vormen. Toen het verhaal eenmaal begon, viel het tegen en was het ook snel afgelopen. Tarantino houdt zo van het eind-jaren-zestig-Hollywood dat hij een alternatieve geschiedenis biedt voor een van de meest gruwelijke gebeurtenissen uit die tijd – en mij bekroop de oneerbiedige vraag of dat eigenlijk ook niet een beetje kinderachtig is. Aan de andere kant, meer dan Sergio Leone met Once Upon a Time in the West en Once Upon a Time in America neemt Tarantino de consequentie van zijn titel en vertelt hij inderdaad een sprookje. En als je dat beseft, val je ook niet meer zo over de karikaturale trekjes van de personages en van het geweld – al maken die trekjes de film er ook weer niet beter op, sprookje of niet.

Ik zag de film in een bovenzaaltje, met een stuk of vijftien andere bezoekers. Na twee uur ging de zaaldeur open en stommelden een man en een vrouw naar binnen, allebei op leeftijd, allebei omgeven door die rinse, altijd licht verontrustende geur van geconsumeerde en weer uitgezwete alcohol; licht verontrustend omdat je, zeker in een afgesloten ruimte, weet dat die geur de voorbode is van gedoe en onrust.

Ze gingen in mijn rij zitten, vlakbij, één lege stoel tussen mij en de vrouw. ‘Is het al lang bezig?’ vroeg de vrouw. ‘Twee uur!’ zei ik zacht maar met enige nadruk, in de hoop dat zo van deze mededeling zouden schrikken dat ze meteen weer opstonden en vertrokken.

‘Twee uur!’ zei de vrouw tegen de man. Ze nestelden zich in hun stoelen en gingen er eens goed voor zitten. ‘O, dat is Leonard DiCaprio,’ zei de vrouw. Op de een of andere manier dacht ik dat ze een echtpaar waren, ik weet niet waarom, een alcoholisch echtpaar dat na een alcoholische lunch de bioscoop was binnen gelopen en ongezien de trap naar het bovenzaaltje had genomen. De vrouw verschafte haar man nadere informatie over DiCaprio. Ze fluisterde op de manier die bij mensen die niet gedronken hebben gewoon ‘hardop praten’ heet. Ik maande haar sissend tot stilte, ze verontschuldigde zich maar het hielp maar even, er was nog veel meer te vertellen over wat ze zag, en ze hield ervan haar man op de hoogte te houden. Haar toon was verzorgd en beschaafd, wat me verraste – blijkbaar ga ik ervan uit dat mensen die ’s middags dronken bioscoopzalen binnenvallen plat praten. ‘Kijk,’ zei ze toen op het scherm een groepje in het zwart gehulde jongeren verscheen, ‘dat zijn zeker de moordenaars.’

Het was natuurlijk niet te doen. Je voelde de spanning in de zaal toenemen. Ik had maar een paar mensen in beeld en dan nog in silhouet, maar ik voelde de spierspanning van alle aanwezigen, de groeiende ergernis die vooralsnog in onze lichamen opgesloten bleef, de machteloze woede – en het onvermogen die gezamenlijk te uiten. We waren allemaal verenigd in onze verontwaardiging maar een groep zouden we nooit worden, het was ieder voor zich. Elk van ons moest de afweging maken: ga ik wat doen, negeer ik ze, haal ik er iemand bij? Wat mij betreft: ik wist niet dat ik zoveel ergernis kon bergen. Adem in, adem uit, mildheid, mildheid, concentreer je op het scherm – maar mijn innerlijke boeddhist was spoorloos, die had meteen toen het echtpaar binnenkwam de slippen van zijn pij opgetild en het op een rennen gezet, nog voor de zaaldeur weer was dichtgevallen stond hij al buiten.

Na nog een paar aanmaningen uit de zaal riep een man die even verderop in de rij zat woedend en afgemeten of ze nu eindelijk eens hun kop wilden houden, en dat hielp. Maar de mogelijkheid dat het harde gefluister elk moment weer zou kunnen beginnen, zorgde ervoor dat de spanning in de zaal bleef hangen, zonder dat er iemand kon ingrijpen of er iemand kon bijhalen, want er gebeurde niets. De discrepantie tussen het geweld op het doek (want het waren inderdaad jongeren met moordplannen) en de onmacht in de zaal trof me – wij konden niets doen, wij zouden niets doen, aan geweld viel niet te denken. Toch luchtte het nare geweld op – omdat het me tegenstond, omdat het ieders aandacht absorbeerde, ook die van het dronken echtpaar, en omdat ik dacht: nu is het gauw afgelopen.

Tijdens de aftiteling begon de vrouw weer druk te praten. Het was jammer dat ik daar niets van kon zeggen, er zat nog van alles in me dat eruit moest: schaamte over mijn relatieve passiviteit, de onvervulde en nu niet meer te vervullen neiging ze de les te lezen en ze besef bij te brengen van de spanning die ze hadden veroorzaakt, het idee dat ze er niet zo licht van af mochten komen. Tijdens de laatste drie kwartier van de film waren zij de enige ontspannen kijkers geweest, en dat moest eigenlijk alsnog worden gecompenseerd. Ze hadden het leuk gehad, de film hadden ze ook prima kunnen volgen, net toen ze binnenkwamen begon het verhaal een beetje op gang te komen.

Blijkbaar was het open huis in de bioscoop, want terwijl de aftiteling nog liep, kwamen al mensen binnen voor de volgende film. Het dronken echtpaar draaide zich om naar twee jonge vrouwen die achter hen waren komen zitten en vroegen: ‘Gaan jullie ook deze film zien?’ Nee, de vrouwen gingen naar Instinct, die zou zo beginnen. O, waar ging dat over? De vrouwen vertelden er iets over. Dat leek het echtpaar wel wat, die film, en tevreden nestelden ze zich weer in hun stoelen.

 

 

Geplaatst in film | Tags: , , , , , | 2 reacties

een snoepkleurige clown die ze klaas vaak noemen

 

IMG_20191001_170840615Jaren geleden, of beter, decennia geleden, zag ik Blue Velvet, de film van David Lynch uit 1986. Ik kon me daar weinig van herinneren, het hele verhaal was ik allang vergeten, het enige wat ik nog voor me zag was de beginscène, met de traag wuivende brandweerman en het trage inzoomen op het gras waaronder wriemelende, glanzend zwarte insecten elkaar afmaken, en, uiteraard, die ene scène waarin Dennis Hopper als gangster Frank Booth het zuurstofmasker wegdoet waardoor hij god mag weten wat inhaleert, de bouwlamp oppakt die zo op een microfoon lijkt en van onderaf verlicht ‘In dreams’ van Roy Orbison playbackt.

Alleen bestaat die scène niet. Ik zou voor diverse rechtbanken durven zweren dat ik het zo gezien heb, dat ik die scène bovendien later nog diverse keren ben tegengekomen, in filmprogramma’s op tv, in clips op internet, ik zou bereid zijn om dat ene fragment te benoemen als een van de iconische scènes uit films uit de jaren tachtig en wie weet heb ik dat daadwerkelijk wel eens gedaan – maar nee. Verleden week bekeek ik de film nog eens en inderdaad, er wordt een bouwlamp opgepakt en er wordt geplaybackt, maar het is niet Dennis Hopper die dat doet, het is Dean Stockwell in zijn rol als Ben, in wiens huis annex nachtclub Hopper en de rest van de cast op een gegeven moment terechtkomen. Mensen die de twintigste eeuw nog bewust hebben meegemaakt zullen Stockwell misschien nog wel herkennen als Rear Admiral Upper Half Albert “Al” Calavicci, de reisbegeleider uit Quantum Leap. En die stond daar dan opeens ‘In Dreams’ te playbacken. ‘A candy colored clown they call the sandman…’ Ik wist niet wat ik zag.

Ik lees momenteel Room to Dream, de (auto)biografie van David Lynch (een merkwaardig boek trouwens, Lynch maakte het in samenwerking met Kristine McKenna en het heeft een opmerkelijke opbouw: eerst komt er een biografisch hoofdstuk dat door McKenna is geschreven, daarna volgt een hoofdstuk waarin Lynch zíjn zegje doet over de zojuist behandelde periode, en zo gaat het door, in eendrachtige afwisseling. De hoofdstukken van Lynch bestaan uit uitgetypte geluidsbanden en op een gegeven moment (al vrij snel eigenlijk) ga je je afvragen waarom McKenna die monologen van Lynch niet in háár hoofdstukken heeft verwerkt, dan had je gewoon een biografie over David Lynch gehad; al ben je aan de andere kant geneigd te zeggen dat zo’n vreemde (auto)biografie ook wel weer erg bij Lynch past. Wat gaandeweg ook opvalt is dat er geen onvertogen woord over wie dan ook valt in het boek, niet over Lynch, niet over acteurs en producenten waarmee hij heeft samengewerkt. Lynch lijkt al transcendentaal mediterend vrede te hebben gesloten met elke periode van zijn leven en McKenna heeft waarschijnlijk te hecht met Lynch samengewerkt om onvertogen woorden toe te kunnen laten), ik lees dus Room to Dream en daarin staat hoe die iconische scène met de bouwlamp is ontstaan. Volgens Lynch was het de bedoeling dat Hopper dat nummer zou playbacken, tijdens de repetitie doet Stockwell het hem voor en Hopper doet mee maar ‘his brain was so fried from drugs that he couldn’t remember the lyrics’. Daarom viel de keuze op Dean Stockwell, en mimet Hopper hier en daar een regeltje mee.

Dat klinkt allemaal plausibel (die bouwlamp lag daar toevallig trouwens, dat is weer een ander verhaal), maar waar het om gaat is dat het dus wel degelijk de bedoeling was dat Hopper dat nummer zou playbacken. En dat is dan de versie die ik heb gezien. Niets ‘zelf fabricerend geheugen’ en dat soort dingen. In het parallelle universum waarin ik die film zag, was Hopper tijdens de opnames toevallig minder fried up on drugs en was hij wél in staat dat nummer te playbacken. Bij een film van om het even welke andere regisseur zou ik het niet geloven, maar nu het om een film van David Lynch gaat geloof ik het meteen.

De scène staat op YouTube. Ik heb gezocht op ‘Dennis Hopper In Dreams’ en kreeg het filmfragment met Dean Stockwell te zien, wat betekent dat ik sinds ik Blue Velvet voor het eerst zag ik van het ene universum naar het andere moet zijn overgegaan; zoiets gebeurt waarschijnlijk ettelijke malen per dag, vandaag bevind ik me in het universum waarin Hopper niet in staat was het nummer tot een goed einde te brengen. Ik zou de clip hieronder even checken als ik u was, wie weet ziet u de opname met Dennis Hopper. Check dan ook even Room to Dream, daarin moet dan een ander verhaal staan over die scène dan dat wat ik hierboven heb samengevat.

 

Geplaatst in boek, film | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het is de oudere man, idioot!

 

visserVan de meeste romans en verhalen die ik schreef weet ik niet meer hoe ze zijn ontstaan, maar van Visser herinner ik me dat nog wel. (De roman is heruitgegeven en ligt nu weer in de winkel, met een mooi nieuw omslag van Nanja Toebak, die ook de covers van De goede zoon en Winter in Amerika ontwierp.)

Het begint meestal met een vaag idee over een situatie, zelden weet ik nog welk beeld als eerste kwam. Ik liep in die jaren (2006, 2007) rond met het idee ‘leraar zegt iets verkeerds in de klas’ – en wat er dan zou kunnen gebeuren. Wát er zou kunnen gebeuren wist ik nog niet. Op een avond liep ik naar het Amsterdamse café-restaurant De Jaren in de Nieuwe Doelenstraat. Toen ik daar aankwam, zag ik aan de overkant vier mensen lopen, een echtpaar van in de vijftig met een jonger stel, allemaal goed gekleed, duidelijk ouders die met hun dochter en haar vriend gingen eten, ik weet niet meer hoe ik dat meteen zag, maar het meisje hoorde onmiskenbaar bij het oudere stel. Het jonge stel liep voorop. Terwijl ik naar het groepje keek, keerde de vriend van de dochter zich om en zei iets tegen zijn aanstaande schoonvader, op een gretige, ietwat onderdanige manier. De man zei iets terug, lachend, knikkend, een beetje minzaam.

Meteen bedacht ik dat deze scène goed zou zijn voor een verhaal; vooral de verhouding tussen schoonzoon en schoonvader was interessant, het onderdanige streven naar gelijkheid van de een, de minzaamheid van de ander, de onuitgesproken machtsverhouding tussen die twee, die zich de komende avond, de komende jaren, aan beide kanten nog verder zou gaan stabiliseren, wie weet hoe dat zou aflopen.

Ik merkte dat ik de situatie vanuit de jongen beschouwde, blijkbaar identificeerde ik me automatisch met hem; maar, bedacht ik opeens, dat ik moet ik niet doen, ik moet de scène benaderen vanuit de oudere man, zelf ben ik tenslotte ook al over de veertig. En meteen daarop volgde een tweede inzicht: die oudere man, dat kan de leraar zijn die iets verkeerds zegt in de klas. Zo werd die man Jacob Visser, en ook het feit dat Jacob Visser een dochter heeft die op het punt staat te gaan trouwen is naar die scène te herleiden. (Hij is zelfs in het boek terechtgekomen, in hoofdstuk 3, de passage die begint met ‘Maar het is een lul, denkt hij…’, p. 22 in de oude editie, p. 25 in de nieuwe.)

Maar dat eerste inzicht, dat ik me niet met de jongere maar met de oudere man moest identificeren, dat was het belangrijkste, dat was een erkenning van het feit dat ik niet eeuwig jong was, dat ik de voeten van de bodem moest losmaken en me mee moest laten voeren door de stroom. Dat opende mogelijkheden, en een van die mogelijkheden was Visser. In de maanden daarna zou het me steeds meer moeite gaan kosten om te luisteren naar de muziek die in mijn verlengde jeugdjaren zo belangrijk voor me was geweest.

 

 

Geplaatst in boek, schrijven | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

vragen stellen

 

(Rede, uitgesproken bij de presentatie van de verhalenbundel Nederzettingen van Sanneke van Hassel, op 19 september 2019)

nederzettingen

Acht jaar geleden reed Sanneke van Hassel met een pan soep van Rotterdam naar Amsterdam. Samen met de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam had ze ‘Verhalen van Noord’ opgezet. Een stuk of acht schrijvers was gevraagd een verhaal over Amsterdam Noord te schrijven, met als doel een bundel en een voorleesmiddag. Zo moest Amsterdam Noord op de literaire kaart gezet worden en daaruit kan je afleiden hoe lang dit geleden moet zijn, tegenwoordig zou Amsterdam Noord het liefst van elke kaart verdwijnen om onzichtbaar te blijven voor hipsters en toeristen.

Er was in de destijds nog leegstaande Tolhuistuin een middag georganiseerd waarop de deelnemende schrijvers elkaar zouden ontmoeten. Ook zouden ze iets over Noord te horen krijgen. Sanneke kwam uit Rotterdam met een gigantische pan soep. Hoe verbind je een groep schrijvers, hoe zorg je ervoor dat ze ontdooien? Je geeft ze warme soep. Hoe lastig is het om met de auto een pan soep van Rotterdam naar Amsterdam te vervoeren? Ik rijd zelf geen auto maar kan me diverse manieren voorstellen waarop zoiets mis kan gaan.

Die vrouw in de auto met een pan soep, en met een plan waarvan ze nog niet weet hoe het gaat uitpakken zou een personage uit een verhaal van Sanneke van Hassel kunnen zijn. Maar eigenlijk beweer ik daar niet zoveel mee, want iedereen zou een personage uit een verhaal van Sanneke van Hassel kunnen zijn, want Sanneke schrijft over ons, of we dat nu goed vinden of niet. Hebben we haar daar eigenlijk ooit toestemming voor gegeven? Nee, ik geloof het niet, ik kan me niet herinneren dat ik ooit iets heb ondertekend maar misschien ben ik de enige, was ik net ziek die middag. Ik zou trouwens alles ongezien tekenen wat Sanneke op mijn bureau legt.

Sanneke schrijft over ons en onze wereld die verandert waar we bij staan, maar de personages van Sanneke staan er niet bij, die verhouden zich tot die wereld, moeten er hun plaats in vinden, of ze willen of niet, er maar een beetje bijstaan kunnen ze zich niet veroorloven, en daarom is die vrouw die per auto een pan soep vervoert van Rotterdam naar Amsterdam toch eerder een personage van Van Hassel dan bijvoorbeeld een groepje schrijvers dat ergens in Amsterdam Noord rustig wacht tot de soep wordt opgediend.

Als je het typische Van Hassel-personage wil omschrijven, kom je dus algauw uit bij: geen schrijver die rustig wacht tot iemand anders ingrijpt. Maar dat betekent niet dat de mensen die Sannekes verhalen bevolken dienstbaar zijn, nee, ze moeten zich handhaven, ze slaan zich er doorheen, zo goed en kwaad als het kan, het zijn ook geen heiligen, ze kunnen zelfs behoorlijk vilein zijn. Menselijk zijn ze altijd, daar zorgt Sanneke wel voor. Ze geeft een dakloze zwerver uitgebreide botanische kennis mee en voilà: we zien geen zwerver maar een mens over wie we ons vragen gaan stellen.

De mensen uit de verhalen van Sanneke (ik ben stilzwijgend overgegaan van ‘personages’ naar ‘mensen’ en dat zegt ook wat over haar werk) bewegen zich niet in een vacuüm, anders dan dat groepje schrijvers die nog steeds op hun soep wachten zijn ze verankerd in omgevingen, in banen of pogingen aan het werk te komen, in huizen, in omgevingen waar ze voortdurend met anderen worden geconfronteerd. En omdat ze deel uitmaken van een gemeenschap met huizen en straten en medebewoners is ‘Nederzettingen’ een uitstekende titel voor deze bundel.

Het is gebruikelijk om een verhalenbundel te vernoemen naar een van de opgenomen verhalen; het achterliggende idee is dan dat die ene verhaaltitel iets te laten zeggen over de hele verzameling en deze bundel vormt daarop geen uitzondering. Toch heb ik even de inhoudsopgave geraadpleegd om te zien of Sanneke en haar uitgever geen kansen hebben laten liggen. Meteen al het eerste verhaal heet ‘Onze straat’. Was dat ook geen goede titel geweest voor de bundel? Het klinkt niet slecht en past ook wel bij het werk van Van Hassel, niet alleen het eerste maar ook het laatste verhaal uit de bundel had zo kunnen heten en voor een verhaal is het goed maar een bundel met die titel klinkt als een kinderboek of een verhandeling over architectuursociologie. Het tweede verhaal heet ‘Eiland’ en ook dat zou geen goede titel voor de bundel zijn want een eiland is nou juist wat niemand is bij Van Hassel. Zoals gezegd, we zijn allemaal met elkaar verbonden, of we nu willen of niet. Ik zal niet alle titels af gaan –  ‘Plastic man’ klinkt als een superheld uit het Marvel Imperium, ‘Elf’ zou een verwarrende titel zijn voor een bundel die zestien verhalen bevat, ‘Omdat ik het zeg’ klinkt veel te autoritair – maar ook zonder uitputtende opsomming zult u van me moeten aannemen dat deze bundel de best mogelijke titel heeft gekregen. Niet alleen omdat het verhaal ‘Nederzettingen’ in Rotterdam speelt, maar ook wel een beetje daardoor. Rotterdam is de omgeving waar veel van Sannekes verhalen zich afspelen, in dit verhaal gaat het zelfs over de oudste resten van Rotterdam. Maar belangrijker is dat ook in dit verhaal op de achtergrond de lichte melancholie zweeft  die vaker aanwezig is in Sannekes verhalen, melancholie van een bedrieglijke lichtheid omdat ze tegelijk zwaar is omdat ze veroorzaakt wordt door onze reacties op dromen, gemiste kansen, de harde werkelijkheid, het leven dat doorgaat, en door ons kleine formaat vergeleken met de wereld om ons heen. Want we zijn eigenlijk maar heel klein.

Sanneke van Hassel is een schrijver die onderzoekt. Wie zijn we in verhouding tot anderen, in wat voor wereld leven we, wie zijn de mensen om ons heen. Dat zijn niet de slechtste vragen die een schrijver zich kan stellen, het houdt de blik naar buiten én naar binnen gericht. (De slechtste vraag die een schrijver zich kan stellen is natuurlijk: waar blijft de soep?)

In deze verhalen schrijft Sanneke  zelfverzekerder en losser dan ooit; die twee, zelfverzekerdheid en losheid, liggen uiteraard in elkaars verlengde. Ze laat meer van zichzelf zien, ook, heb ik de indruk. En zoals ze dat altijd al kon, zet ze in een paar regels iets neer dat de stemming bepaalt van alles wat nog volgt. In het  verhaal ‘It’s not how good you are’ bezoekt een vrouw die voor zichzelf begonnen is een bijeenkomst voor zzp’ers. Het is een moeizame toestand, daar.

De man voor haar droeg een sweater met HONDENTRAINNG DROEFIE. De afgebeelde hond had dezelfde hangogen als de beagle die een vriendin na haar scheiding in huis had genomen en die de meubels die haar ex had laten staan stuk voor stuk had gesloopt.

Hier zit zo veel in. De droefheid van de hele bijeenkomst, uiteraard, een scheiding, een ex, meubels die de ex liet staan en die worden stuk geknaagd door de hond die de ex verving – het is een verhaal op zich. Dat is het mooie van Nederzettingen: er staan veel meer verhalen in dan de zestien uit de inhoudsopgave. En al die verhalen raken je, en al die verhalen zijn goed.

 

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie, lezen | Tags: , , , | 4 reacties

mesdag in oostende

 

Je kunt langs de Belgische kust van kuststadje naar kuststadje fietsen, ze liggen niet ver van elkaar, en bij elk stadje fiets je omhoog naar de Zeedijk en overal ziet het daar hetzelfde uit, een brede betegelde autoloze boulevard, naar zee uitkijkende hoge flats uit de jaren zestig en zeventig, lichtgeel zandstrand, winkeltjes, families, toeristen, blauwgroene zee – overal hetzelfde en toch is elk stadje volstrekt anders en uniek, het is wonderlijk hoe dat werkt. De Belgische kust zou lelijk moeten zijn maar dat is ze niet, ook niet die jaren zestig en zeventig-architectuur, die lelijkheid is aangepraat, het duurde even voor ik dat doorhad.

Al die stadjes met hun Zeedijken en hun flats en hun strand en hun zee staan haarscherp en kleurig afgetekend tegen de helblauwe lucht, met hun geel en oker en gebroken wit en metalen balkonhekjes. Glashelder stadje na glashelder stadje. Natuurlijk is die helderheid afhankelijk van de dag waarop we op de fiets stapten, en van hoe je ernaar kijkt, van wat je wilt zien. ‘Hoe het is hangt helemaal van jou af’ – hang dat maar eens boven je bed en zie dan maar eens of je nog een oog dichtdoet.

Wanneer je terug bent in Oostende merk je dat het niet waar is, van die haarscherpe kleurigheid, Oostende onttrekt zich daaraan, het glinstert hier te veel, het zeefront lijkt IMG_20190603_195912570door die glinstering een impressionistisch geheel, de samenhang is prettig rommelig en bochtig, met de Venetiaanse gaanderijen en de renbaan, ook bij glasheldere dagen glinstert er altijd wel iets, helemaal eenduidig is het hier nooit. Het hemelvaartsweekend was het druk, met mensen en skelters en vrijgezellenparty’s, nu de toeristen weer naar huis zijn, is de Zeedijk weer van de oude echtparen. Ze lopen langzaam over de gele tegels, ze zitten op de witte bankjes bij het Kursaal, ze zitten naast je op een terras, zo nu en dan een woord wisselend, met een klein knikje naar de zee of een passerende hond. Echtparen waarvoor je geen leven hoeft te verzinnen, ze hebben al een leven en wie zijn wij om personages van ze te maken, sinds wanneer zijn schrijvers en columnisten zich zo superieur gaan voelen als het gaat om oudere echtparen aan de kust, of om de wereld? Zullen we daar een keer mee ophouden? Zoals De Man zei: Je wordt niet bijzonder door je de rest van de wereld als niet bijzonder voor te stellen.

En verder: het leven imiteert de kunst. We zitten negen hoog aan zee. Als ik naar buiten kijk is het alsof ik in een Panorama Mesdag logeer.

IMG_20190529_195841463

Geplaatst in kunst, leven | Tags: , , , | 3 reacties

hockney vs. van gogh

 

hockney

Tussen alles door gelukkig nog tijd om met collega vH naar het Van Gogh Museum te gaan, om Hockney te zien. Het was, mailde ze later, ‘vitaliserend’ en ze had gelijk. Van te voren hield ik mijn hart een beetje vast, al die felle kleuren, bijna fluorescerend, hoe dicht zouden Hockneys groot formaat boslandschappen tegen de kitsch aan schurken – helemaal niet, zo bleek. Het was lichtgevend, zeker, op veel manieren. In your face, ‘dit durf ik,’ een beetje als de late Picasso, zei vH. Ik vroeg me nog even af: ja, maar stel dat deze grote doeken geschilderd zouden zijn door een volkomen onbekende, wat zouden we er dan van vinden; maar dan zouden we waarschijnlijk zeggen: hé, zou dit ook niet wat zijn voor die ouwe Hockney?

De grote doeken waren het mooist. Boven hing kleiner werk, ook mooi, maar minder overrompelend. De expositie heet ‘Hockney – Van Gogh’ en dus hingen er op midden in de zaal neergezette panelen landschappen van Van Gogh, maar dat werkte niet goed; die Van Goghs leken grauw en klein, de kleuren vielen weg tegen het geweld van Hockney. Alleen Van Goghs tekeningen hielden zich staande.

In de catalogus  werd alles rechtgetrokken: naast elkaar afgebeelde Hockneys en Van Goghs bezaten eenzelfde helderheid, wisten elkaar hier wél in evenwicht te houden. De afgedrukte Van Goghs waren minder grauw, de afgedrukte Hockneys misten de lichtgevende helderheid van de originelen. Het doorbladeren van de catalogus (die op een lessenaar in de bovenzaal lag) maakte op deze manier eigenlijk onderdeel uit van de tentoonstelling, om je te bepalen bij de verschillen tussen wat je in de zaal had gezien en hoe het hier werd gepresenteerd. Je zag het ook bij de tot groot formaat opgeblazen prenten van Hockneys iPad-schilderijen die op de bovenzaal hingen: ze misten helderheid en diepte. Dat kunst reproduceerbaar zou zijn, is misschien altijd een misverstand geweest.

Na afloop liepen we over het Museumplein richting Wildschut. De zon scheen door de bomen, overal zagen we Hockney-effecten, als hij stadslandschappen met bomen zou schilderen zou het er zó uitzien –het is altijd een goed teken als je ook buiten het museum nog steeds door de tentoonstelling loopt die je zojuist hebt verlaten. Op het terras van Wildschut zaten zelfs twee Hockneys: oudere mannen met wit haar en zware ronde brillen, gehuld in felgekleurde truien. Dat ging natuurlijk wel wat ver en we waren bijna op ze af gelopen om te vragen of ze hiervoor werden betaald.

 

 

(afbeelding afkomstig van de site van het Van Gogh Museum)

 

 

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen