een nieuw begin

 

De etage van Ferdinand was uitgebrand en hij woonde nu tijdelijk in een heel ander deel van de stad, aan de andere kant van de ringweg, waar de woonblokken ver van elkaar stonden, met veel groen ertussen. Zoveel daglicht was hij niet gewend, in de smalle straat waar hij had gewoond verdween de schemering nooit helemaal, met uitzondering van die paar dagen per jaar dat de zon in de late middag aan het eind van de straat stond en al het groezelige vuil met één veeg van zijn gouden licht leek weg te vagen. Dat ga ik wel missen, dacht hij.

Verder was hij erg tevreden. In de wisselwoning waarin de woningbouwvereniging hem had ondergebracht, stonden weinig meubels, en geen daarvan was van hem. Vrienden en bekenden waren komen aandragen met allerhande huisraad, waarvan hij het meeste had opgeslagen in de kelderbox die bij zijn nieuwe etage hoorde. Op zijn werk had zijn chef een inzameling georganiseerd die een paar duizend euro had opgeleverd. Ferdinand wist niet of dat veel of weinig was, er was nooit eerder zo’n inzameling geweest, maar hij had een dankbaar toespraakje gehouden waarvoor zijn collega’s hadden geklapt, glimlachend, en met half dichtgeknepen ogen.

Elke avond liep hij na het eten een rondje door zijn nieuwe buurt. Hij had er vaak van gedroomd om alle spullen die hij in de loop der jaren had verzameld op te ruimen, en hij voelde zich opgelucht dat dat nu eindelijk was gebeurd, zonder dat hij er iets voor had hoeven doen.

Waar hij niet tegen kon, waren de mensen die hem voorhielden dat zo’n brand een blessing in disguise zou kunnen zijn, dat hem hierdoor de kans werd geboden opnieuw te beginnen, de kans te bepalen wat écht belangrijk was in het leven, waar het nu wérkelijk om ging. Telkens wanneer hij dit hoorde, beving hem een doffe woede. ‘Zal ik jouw etage dan een keer in brand komen steken?!’ schreeuwde hij dan. ‘Geef dan even van te voren door wanneer je niet thuis bent, anders heb je er niets aan.’

Hij kocht een plattegrond van de stad die hij aan de muur hing en waarop hij de adressen markeerde van de mensen die hem hadden aangesproken op zijn mogelijkheden voor een nieuw bestaan. Het werden er steeds meer. Hij begon een route te ontwerpen die hem in staat zou stellen in één nacht al die adressen af te werken. Het was nog een heel gepuzzel om tot de snelste route te komen, ook omdat er zo nu en dan een nieuw adres op de kaart moest worden gemarkeerd. Sommigen mensen woonden hoog, dat was een probleem, dan kon je vanaf de straat niets naar binnen gooien. Een ander probleem was dat hij natuurlijk meteen de hoofdverdachte zou zijn. Zelfs als hij ervan afzag alle adressen in één nacht af te gaan, maar ervoor koos het over een paar weken of desnoods maanden uit te smeren, zouden ze op een gegeven moment bij hem uitkomen. Een oplossing was om er ook adressen erbij te betrekken waar hij niemand kende, maar de onrechtvaardigheid daarvan stuitte hem tegen de borst.

Wanneer hij ’s avonds na zijn avondwandeling terugkeerde in zijn lege etage keek hij tot diep in de nacht naar politieseries in de hoop dat er een geval zou worden behandeld dat op het zijne leek, en waarvan hij iets zou kunnen leren op het gebied van uitvoer en alibi’s. Meestal werden er diverse politieseries tegelijk uitgezonden, en hij switchte van zender naar zender om maar niets te missen.

 

 

Geplaatst in verhalen | Tags: , | Een reactie plaatsen

what would herman finkers say?

 

En dan nu de moraal. Al jarenlang zwerven er vier uitspraken rond in m’n hoofd, afkomstig in de jaren negentig, toen ik nog weinig te doen had en volop tijd om aanwijzingen te verzamelen. Het zijn vier uitspraken die op een of andere manier belangrijk voor me zijn geweest, en gebleven. Vergeten ben ik ze in ieder geval niet. Voor wat het waard is: geen van die uitspraken is van de Dalai Lama, al komt hij straks nog wel even langs.

  1. Een paar regels uit een interview met Herman Finkers, Vrij Nederland, 1996: ‘Finkers wil mensen niet veranderen. “Ik ken ze niet eens. Misschien zijn ze wel veel beter dan ikzelf.”’
  1. Een uitspraak die Ischa Meijer ooit deed in een interview: dat hij op een gegeven moment had besloten dat hij niet meer chantabel was – waarmee hij bedoelde dat hij zich niet anders wilde voordoen dan hij was.
  1. Een uitspraak van sinoloog Kristofer Schipper, in De Avonden, eind jaren negentig. Schippers had toen net De innerlijke geschriften van Zhuang Zi in het Nederlands vertaald, dat zal de reden voor het interview zijn geweest. Hij had het over Chinese studenten die na het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede China waren ontvlucht en bij hem in Parijs waren gaan studeren. Ze hielden zich daar bezig met verzet tegen het Chinese bewind, maar het mooie vond Schippers nu juist dat ze op een gegeven moment ook weer iets anders gingen doen, zich met andere zaken gingen bezighouden.
  1. Een uitspraak van Gerry Jungen, die in de jaren negentig enkele jaren een middaguurtje mocht vullen op Radio 3. Hij had een jolige, opgewekte maar niet onprettige toon. (Ik luisterde toen onder het schrijven naar Radio 3. Dat zou ik nu niet meer kunnen, en niet alleen omdat Radio 3 nu anders heet.) Ik herinner me nog een paar nummers waarover hij enthousiast was: ‘Animal Army’ van Babylon Zoo, ‘Jesus Freak’ van DC Talks. (Beide nummers moest ik googelen aan de hand van tekstflarden die ik me nog herinnerde. Het zit allemaal in je hoofd en wacht rustig tot het wordt wakker gekust. Radiofragmenten! ik herinner me ook nog hoe Cees van Zijtveld op een maandagmiddag in het midden van de jaren zeventig ‘Standing on the Inside’ van Full House aankondigde, waarom gaat zo’n herinnering niet weg? Wanneer we met onze lege koffertjes in het hiernamaals aankomen, zullen we ontdekken dat het juist om deze herinneringen gaat, alles wat je geweest bent en gedaan hebt zal er niet toe blijken te doen. Maar dat is voor later.) Op een gegeven moment moest Jungen vertrekken bij Radio 3. Tijdens zijn laatste uitzending deed hij daar niet moeilijk over, en hij klonk alsof hij het meende. Hij was niet kwaad of verontwaardigd dat hij weg moest, welnee, ben je gek, wat zou hij nou zeuren, het was toch mooi dat hij een paar jaar deel had mogen uitmaken van de wereld die Radio 3 was?

Met uitzondering van de uitspraak van Finkers (“Ik ken ze niet eens. Misschien zijn ze wel veel beter dan ikzelf”) die ik destijds overschreef uit Vrij Nederland, kan hier natuurlijk heel goed sprake zijn van vervormde herinneringen – maar dat geeft niet, dat doet niets af aan het belang dat deze uitspraken voor me hebben. Natuurlijk, niemand is voortdurend helemaal eerlijk tegen zijn omgeving, we zullen altijd tot op zekere hoogte chantabel blijven, en Gerry Jungen kan zich knarsetandend van rancune groot hebben gehouden; maar dan nog, en ik denk het niet. Bij opkomende rancune denk ik soms even aan hem, en zijn blijmoedige afscheid.

Met die uitspraak van Kristofer Schipper over zijn studenten heb ik het meeste moeite gehad Overal zaten nog restjes christendom die eruit moesten zweren. Kan je de goede zaak zomaar in de steek laten voor andere, trivialere zaken? Sterker nog, is dat raadzaam? (Niet vastbijten, kaken ontspannen, langzaam laten  gaan. Onmisbaar ben je sowieso niet.)

Die uitspraak van Finkers is het belangrijkste voor me geweest, ook vanwege de verbluffende eenvoud. Ik denk er nog wel eens aan als ik iemand wijze lessen hoor uitdelen over hoe we zouden moeten leven, en ik probeer er ook aan te denken als me zelf aan zoiets schuldig maak. Ik dacht er niet zo lang geleden nog aan toen ik De kunst van het geluk van de Dalai Lama las. Coauteur Howard Cutler vraagt de Dalai Lama op een gegeven moment of het toch niet zo kan zijn dat er egocentrische, alleen op bezit gerichte mensen bestaan die tóch gelukkig zijn. Dat kan volgens de Dalai Lama niet, als je goed kijkt zal je toch altijd zien dat er bij zo iemand sprake is van onvrede en angst. De Dalai Lama hoef je dus niets meer te vertellen, hij kent ze allemaal. WWHFS? (What Would Herman Finkers Say?) Misschien iets als: ‘Als je er een tegenkomt, neem hem mee, ik ben benieuwd hoe hij in elkaar zit.’

Geplaatst in Geen categorie, leven | Tags: , , , , , | 1 reactie

wakker in een vreemde wereld

 

ShellgebouwAmsterdam P1020263 P1020264

Dinsdagavond naar een avond van De Gids in EYE. Ik loop door de IJ-passage van het Centraal Station naar het IJ, loop door naar de pont en als ik naar de overkant kijk – het is nog volop licht, en zonnig – zie ik de A’DAM Toren, zoals de Shelltoren tegenwoordig na de renovatie heet. Hij lijkt slanker, door de langwerpige ramen, en toegankelijker, door de nieuwe opbouw. Ik hield wel van de strengheid van de oude toren, maar met strengheid is het gedaan – ik zie de schommel op de omloop helemaal bovenin, op honderd meter hoogte, twee schommels, er zitten mensjes in, ze schommelen rustig heen en weer, over de rand, steeds weer over de rand, en weer terug, en weer heen, heen en terug, kalm en soepel.

Ik heb erover in Het Parool gelezen, ik wist ervan, toch is het een verbijsterend gezicht. Het is of alles anders is, of ik net uit het station kom en nu mijn eerste blik werp op een vreemde stad. Ik ben uitgestapt in een film, een sciencefiction roman. Dit is wat we hier doen – we schommelen bovenop hoge torens.

De toren  is gereduceerd tot de basis van een schommel, het onderstuk dat er niet meer toe doet, die mensjes op die schommel daar helemaal bovenin beheersen het hele beeld, en tegelijkertijd is het allemaal zo terloops, want alles is groter dan die schommels en de mensjes: het IJ, het station achter me, de heen en weer varende ponten, het verkeer, de krioelende massa, de hemel, de laagstaande dalende zon. Maar bovenop die toren aan de overkant wordt achteloos geschommeld en  dat verandert alles.

Ik ken deze nieuwe wereld nog niet, ik ben nog maar net aangekomen, het is een hedonistische wereld. Kom op, het is maar een attractie bovenop een toren, hoe kan zoiets alles veranderen? En toch lijkt alles anders.

De pont komt, ik laat me meenemen naar de overkant, naar de toren, bovenop wordt nog steeds geschommeld. Ik kan mijn ogen er niet vanaf houden. Bovenin is het ongetwijfeld anders, hectischer, met wind, en gespen, en riemen, en gegil en geschreeuw. Maar hier beneden zie je alleen de geluidloze soepelheid.  Niets is meer zeker voor de millenials, studie, werk, huisvesting – maar ze hebben schommels op torens, ze wonen in een reusachtige speeltuin.

Grote politiewagens zwenken naar de toren, zie ik als we afmeren. Ik weet niet wat ze daar gaan doen. Ik loop naar EYE, de politiewagens staan stil bij de toren. Als ik anderhalf uur later EYE uit loop, staan ze er nog steeds. Het schemert, aan de overkant snoeren van lichtjes in donkere gebouwen – de stad is al donker, de lucht is nog licht. Het water weerkaatst die lichtere lucht. Bovenop de toren wordt nog steeds geschommeld.

Als ik thuis kom en m’n laptop aanzet zie ik waarom die politiewagens naar de Toren reden: terwijl er werd geschommeld was er aan een andere kant van de omloop iemand naar beneden gesprongen.

 

(de foto van de oude Shelltoren komt van Wikipedia)
Geplaatst in leven | Tags: , , , , , , | 1 reactie

j.o.s. days

P1020261

In De Gids 216/4, die deze week uitkomt, staat mijn verhaal ‘J.O.S. Days’, dat (gezien de titel: uiteraard) speelt in de Watergraafsmeer, of in ieder geval op deze planeet, of misschien ook dat niet – en binnenkort hopelijk in uw hoofd.

Er staat nog meer moois in, verhalen van Sanneke van Hassel en Jente Posthuma, poëzie van Sasja Janssen en meer, veel meer. Mooi nummer, mooi blad.

De titel van mijn verhaal is (alweer: uiteraard) ontleent aan dit nummer van de Nits, afkomstig van de cd/lp In the Dutch Mountains, uit 1987. Een van de achtergrondzangeressen bij dit nummer is trouwens mijn zus Saskia van Essen.

 

Geplaatst in muziek, schrijven, verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

in het hoofd van WFH

W.F._Hermans_-_Bronzen_portret_OBA_Amsterdam_-_Sylvia_Quiël

Zaterdagavond at ik met Metsike een salade in de La Place bovenin de OBA, de hoofdvestiging van de Amsterdamse bibliotheek aan het Oosterdok. Het was rustiger dan ooit, de toeristen waren vertrokken en de studenten waren nog niet terug. Toen we via de roltrappen onderweg waren naar beneden kwamen we langs de bronzen kop van W.F. Hermans. Die is 1981 vervaardigd door Sylvia Quiël en staat al sinds jaar en dag op de tweede etage van de OBA, naast de roltrappen. We blijven er altijd even bij stilstaan, soms fluistert Metsike iets in zijn oor.

Gisteren ontdekte ik dat de kop hol is. Ik stak mijn linkerhand door de nek naar binnen en ging langzaam omhoog.  Het strottenhoofd, de mondholte, alles was leeg, ik zat achter zijn ogen, ik bewoog mijn hand in de lege ruimte waar zijn hersens moesten zitten.

Het was een verschrikkelijk gevoel – alsof ik in overtreding was, niet alleen tegen voorschriften en fatsoensregels, maar ook tegen natuurwetten. Mijn hand was waar hij niet kon zijn, en trof leegte aan waar geen leegte kon zijn. Ik trok hem voorzichtig terug en daarna kreeg ik de neiging hem tot aan mijn onderaan stevig te wassen, als reiniging en boetedoening.

Metsike probeerde het ook even, en trok haar hand weer snel terug omdat het zo bizar voelde.

Achter ons hoorden we iets en toen we ons omdraaiden, zagen we op een roltrap een lange zwarte man naar beneden glijden. Hij droeg een DwayneWaynebril uit de jaren tachtig met opgeklapte zwarte glaasjes en lachte uitbundig terwijl hij naar ons keek. Tegen de tijd dat hij beneden was en overstapte op de volgende roltrap, had hij iets dat erg dicht in de buurt kwam van de slappe lach en zo zagen we hem verdwijnen, zijn lachende hoofd het laatst.

 

(foto: Wikipedia)
Geplaatst in boek, lezen | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

de schrijver als zachte machine

UnderwoodKeyboard

Gisteren begon ik als gastschrijver aan de Letterenfaculteit van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Voor masterstudenten en docenten sprak ik de openingsrede uit. Voor degenen die ’t nog eens terug willen lezen, klik hieronder:

de schrijver als zachte machine

Geplaatst in schrijven | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

tapir, zoon van olifant

webcam tapir P1020242

Metsike, die niet alleen een personage is uit Kind van de verzorgingsstaat maar ook een schrijfster die binnenkort debuteert (zie hier), wees me een paar weken geleden op de webcams van Diergaarde Blijdorp. Op de site van de Diergaarde is een pagina waar zowel de olifanten en de tapirs staan (en wel hier). Sinds Metsikes tip kijk ik met enige onrust naar de olifanten en ben ik verslaafd aan de tapir.

De tapir ligt wat in het stro. De tapir eet wat. De tapir loopt wat rond in het buitenverblijf. Maar de tapir ligt vooral heel veel in het stro. Wat ze ook doet, en haar leven is vrij eentonig, ze valt volledig samen met zichzelf. Vooral als ze ligt; dan ligt ze alsof ze altijd zal blijven liggen. De tapir wil nergens anders heen. De tapir heeft geen plannen. Ze is zelfs niet van plan te blijven liggen. Ze ligt, als een blok, bewegingloos, zonder toekomst; ze heeft de toekomst uitgezet. Ik kan twintig jaar mediteren maar dat stadium zal ik nooit bereiken.

Helemaal bewegingloos is ze niet; ze heeft haar bewegingen uitbesteed aan haar oren, die als sierlijke jarenvijftigvaasjes (zwart met een wit randje) op haar hoofd staan en met schokjes heen en weer draaien, klaar om alles op te vangen wat verstoring van rust zou kunnen betekenen; elke verstoring kan de toekomst inschakelen. Maar vooralsnog blijft de tapir liggen, die oren kunnen het alleen af, de toekomst begint alleen bij ernstige verstoringen.

Toen ik dankzij Metsike de webcams ontdekte, was de tapir hoogzwanger, geen wonder dat ze zo vaak lag te rusten. Maar nu ze bevallen is, blijft ze eenzelfde soort rust uitstralen – de rust die hoort bij solitaire dieren. ‘In gevangenschap kunnen ze zonder problemen met meerdere dieren bij elkaar gehouden worden,’ valt op Wikipedia te lezen, ‘maar van sociaal gedrag is geen sprake.’ En de jonge tapir ligt er al net zo autonoom bij – en ook hij heeft oren die de wacht houden.

Tapir worden! Niets aan je hoofd hebben behalve twee verrassend sierlijke oren die de toekomst op afstand houden. Maar deze tapir is niet echt; ze wordt gemonitord, verzorgd, gevoed – als ik deze tapir wil worden, en in tijden van drukte wil ik niets liever, betekent dat alleen maar dat ik terugverlang naar mijn tijd als kind van de verzorgingsstaat. Tapir van de verzorgingsstaat!

De olifanten, dat is heel iets anders. Geen solitaire exemplaren, maar een groep, met interactie. Groots en vervaarlijk lopen ze rond, met trage, zwaaiende bewegingen; maar ze blijven iets nerveus houden, alsof er altijd iets op punt van gebeuren staat, iets wat ze zelf niet helemaal kunnen controleren en beheersen. Ik moet altijd aan mijn vader denken als ik naar ze kijk.

Mijn vader was ooit groots en vervaarlijk, zoals vaders kunnen zijn wanneer je erg klein bent. Hij bewoog zich langzaam. Dat ik hem zie als olifant, zal ook liggen aan zijn over de buik gespannen grijze trui. (Als ik aan hem denk, draagt hij een grijze trui.) Nerveus was mijn vader zelden, tenminste, hij probeerde het te verbergen, misschien is hij altijd nerveus geweest. Want er stond wel altijd iets op het punt van gebeuren, hij had een vrouw en vier kinderen, en een baan. Als je het gezin om hem heen wegdenkt, hou je misschien wel een perfecte tapir over, maar hij had een gezin, en was een olifant.

Ik heb geen gezin. En nu herinner ik me opeens dat ik eerder over mijn vader als olifant schreef, jaren geleden, in Het jaar waarin mijn vader stierf, in het hoofdstuk ‘September’. Het fragment volgt hier, het begint met een citaat van Heine.

‘Eten kon ik niet, en drinken nog veel minder. De hete druppels vielen in het glas en in dat glas zag ik het dierbare vaderland, de blauwe, heilige Ganges, de eeuwigstralende Himalaya, de reusachtige bananenwouden, in welker brede lanen de schrandere olifanten en de wijze pelgrims rustig wandelen.’ Heinrich Heine, Het boek Le Grand.
Ik herlas deze passage gisteravond in bed en bij de ‘schrandere olifanten’ moest ik aan mijn vader denken. Ik zag een brede, door bomen omzoomde en met septemberlicht overgoten laan voor me, en de olifanten rechtop lopend, verbazingwekkend sierlijk – maar nee, zo is het niet, dacht ik, het zijn grote beesten die rücksichtslos tekeer kunnen gaan, het zijn dieren die zich redeloos kunnen gedragen, we moeten ze niet beter maken dan ze zijn.
Vandaar dat ik aan mijn vader moest denken. Ook van hem heb ik mijn hele leven iemand anders gemaakt dan hij is. Een beter iemand, iemand die meer consideratie en interesse voor zijn omgeving kon opbrengen, iemand die een groter hart bezat dan hij daadwerkelijk heeft. ‘Rücksichtslos tekeergaan’ zou ik niet meteen met hem in verband willen brengen, dan nog eerder ‘redeloos gedrag’, zij het niet op een exuberante manier – hoe dan ook, hij heeft meer op vier poten en minder op twee benen rondgelopen dan ik mezelf wilde, kon toegeven.
Het zegt al genoeg dat ik mijn vader met de schrandere olifanten associeerde, en niet met de wijze pelgrims. Dát er een associatie met mijn vader bij me opkwam was ook niet toevallig; ’s avonds had ik Kafka’s Brief aan zijn vader herlezen.

Geplaatst in kind van de verzorgingsstaat, leven, lezen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties