alle verhalen tot nu toe

IMG_20170914_083700180

Ik wil u niet overvoeren (ja, dat wil ik natuurlijk wél), maar deze is ook nog uitgekomen: een heruitgave in één band van de twee verhalenbundels, Elektriciteit en Hier wonen ook mensen, met als bonus het niet eerder verschenen verhaal ‘Het orakel van de buitenwijk’, dat ik verleden jaar schreef als tegenprestatie voor mijn studenten aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, die zelf ook allemaal een kort verhaal schreven.

Ik ben erg blij met deze bundeling. ‘Van Essen heeft verhalen geschreven die ik tot de beste vind horen van de Nederlandse literatuur,’ schreef Marja Pruis gisteren in De Groene Amsterdammer. (Ze schreef nog veel meer, zie deze recensie, maar dat ging over Winter in Amerika. Daar zal ik binnenkort misschien nog wat over zeggen, al was het alleen maar omdat ze me daar in haar stuk zelf toe uitnodigde: ‘Ja Rob van Essen, bedenker van dit alles, goedemorgen en zeg het maar.’ Er zijn enthousiastere formuleringen denkbaar, maar elke uitnodiging is er een.)

Terug naar deze bundeling: ik ben er vooral blij mee omdat het een tweede kans geeft aan verhalen uit Elektriciteit als ‘Lopend water’, ‘Toen we in Londen naast Freud woonden’ en ‘Hoe ik mijn leraar Nederlands vermoordde’. Waarom heb ik die bundel  destijds eigenlijk niet naar dat laatste verhaal vernoemd?

Waar ik ook blij mee ben is dat ik het verhaal ‘Zondagochtend, zondagavond’ (ook uit Elektriciteit) in deze bundeling alsnog zijn rechtmatige titel kon schenken, ‘Dr. Lisettes gepatenteerde spermamethode’, want zo had dat verhaal natuurlijk altijd al moeten heten. Ooit hoorde ik van een koppel dat de in dat verhaal beschreven methode om te beslissen hoe de zondag moet worden doorgebracht zelf wilde uitproberen, maar ik heb geen idee of het daar ooit nog van gekomen is. Er is niet veel voor nodig: stevig karton, een schaar, een viltstift, een geduldige hand bij de ene partij en enige potentie bij de andere. Als u het eens wilt uitproberen, ga uw gang. Ik hoor het graag. Foto’s hoeven niet.

 

Advertenties
Geplaatst in hier wonen ook mensen, recensie, winter in amerika | Tags: , , , , , | 2 reacties

winter in amerika – recensieoverzicht

P1060051ab-foto-roxanne-van-der-stigchel-1024x683 presentatie P1060057ab-foto-roxanne-van-der-stigchel-903x1024 presentatie

Op 30 augustus werd Winter in Amerika ten doop gehouden, in de onvolprezen Linnaeusboekhandel in Amsterdam, met medewerking van Arjen Fortuin (die van de tekst is overgestapt naar het beeld en nu elke avond voor de NRC televisie moet kijken, dus waarschijnlijk is Winter in Amerika het laatste boek dat hij ooit las). Het was een mooie middag, iedereen die erbij was en iedereen die betrokken was bij de totstandkoming van het boek: bedankt! Vanuit de grond van mijn hart.

Inmiddels verscheen er een recensie van Guus Bauer in Tzum (zie hier), en schreef Rob Schouten een recensie in Trouwrecensie trouw 2 sept 2017

Dirk-Jan Arensman schreef een stuk in de VPROGidsWinter in Amerika, VPRO-Gids en Maarten Moll interviewde me voor Het Paroolinterview parool 5 sept 2017

Edith Vroon schreef een recensie in oost-online, zie hier, en Onno Blom besprak Winter in Amerika in de Nieuwsshow, wat hier terug te luisteren is. En afgelopen zondag was ik te gast bij VPRO-Boeken, wat hier is terug te zien.

 

(foto’s: Roxanne van der Stigchel, overgenomen van de site van de Linnaeusboekhandel)
Geplaatst in winter in amerika | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

smeltende hoofden, zwarte torens (maar niet overal)

 

IMG_20170811_163028556_HDR  IMG_20170811_163119550_HDR IMG_20170811_172934858

 

Ik ging naar het Rokin om de fontein te zien. Die is nieuw, staat tegenover Scheltema en is gemaakt door Mark Manders. Hij (de fontein, niet Mark Manders) bestaat uit twee hoofden, de een kijkt richting Munt, de ander richting Dam. Ze zijn niet compleet, de bovenkant is geërodeerd, verbrokkeld, gesmolten. Langs de hoofden loopt water naar beneden alsof er nog steeds iets smelt, je verwacht dat er nog meer van de bovenkant af zal zijn als je hier weer eens langs komt. De hoofden kijken er kalm bij, gelaten, over je heen kijken ze naar de toekomst, lees de krant, kijk om je heen, we gaan er allemaal langzaam aan. En even verderop wordt er steeds weer een stukje van de gerestaureerde en in oude staat herstelde toren van de Zuiderkerk onthuld, de toren die ooit lichtgrijs was en op sommige dagen een bijna etherische, onstoffelijke indruk kon maken – glimmend zwart geteerd steekt hij omhoog, ook dat is somber, het is alsof de nieuwe fontein en de vernieuwde toren een verbond met de tijdgeest zijn aangegaan.

Etherisch, onstoffelijk lichtgrijs – het is er nog wel, je moet ervoor naar Rotterdam, naar het Timmerhuis dat Rem Koolhaas’ OMA een paar jaar geleden optrok achter het stadhuis en het politiebureau. Ingeklemd tussen die gebouwen en de andere bebouwing daar rijst het bloksgewijs omhoog. Het is bijna alsof de architect bewust heeft gestreefd naar gezichtsbedrog: de gevel is zo lichtgrijs, dat wanneer je het gebouw ziet, het verder weg lijkt te liggen dan het ligt. Het is een lichtgrijs dat je verbindt met verte, met nevelige verschieten, met kleurafname door afstand. Op foto’s laat het effect zich niet goed vastleggen, tenminste niet op de foto’s die ik er laatst nam, al kan je daar op wel zien dat het effect wordt versterkt doordat de lucht en de wolken door de hele gevel worden gereflecteerd, en niet alleen door de ramen. Het is een vreemde, wonderlijke ervaring. En het went niet, telkens wanneer je ’t gebouw achter het poortje op het Raamplein ziet oprijzen, onderga je weer die kleine schok: dit zou verder weg moeten liggen dan het ligt, het is dichtbij en veraf tegelijk. En het voordeel van dit gebouw is dat nooit een restaurateur of architectuurhistoricus zal ontdekken dat het oorspronkelijk gitzwart was, en de autoriteiten ervan zal weten te overtuigen dat het in zijn oude kleurstelling dient te worden hersteld.

IMG_20170530_172030556_HDR

 

 

 

 

 

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

een stevige handdruk

Oligodendrocyte

Het duurde even voor ik begreep waar ik was. Niets was zoals ik het kende, en ik was ook niet langer alleen. Er waren anderen, een paar stonden aan mijn bed. Niet mijn bed, een heel ander bed. ‘U bent er weer,’ zei een man met grijs haar. Was ik weggeweest?

Ik lag in een ziekenhuiskamer, opeens wist ik het weer, de man met het grijze haar was de chirurg die me zou helpen. Of geholpen had. ‘U bent zojuist bijgekomen,’ zei hij.

‘Is het goed gegaan?’ vroeg ik.

‘Geen complicaties,’ zei de man, en hij knikte me geruststellend toe. ‘Zegt u eens,  wat vind u van de kleurstelling van deze kamer?’

Ik keek rond, maar ik kon mijn hoofd nauwelijks optillen, dus veel zag ik niet. Het plafond was wit, de bovenranden van de muren hadden een kleur die langzaam verschoof, van pasteltint naar pasteltint, iets met lichteffecten.

‘Wat vind u ervan? Overdreven? Kalmerend? Moeten ze dat overal doen of is het een verspilling van geld dat beter in andere dingen gestoken had kunnen worden?’

Ik begreep niet waarom hij zoveel belang aan de kleuren hechtte. ‘Het is wat het is,’ zei ik.

‘Heel goed,’ zei de chirurg, en hij knikte even naar de mensen die zich aan het voeteneind van het bed hadden verzameld. ‘Operatie geslaagd.’

Na een dag mocht ik al naar huis. Voor ik werd ontslagen, moest ik nog even langs de chirurg. Hij zat op zijn kamertje naar een hersenscan te kijken. ‘Goed,’ zei hij, nadat hij mij de hand had geschud. ‘U bent weer op de been. Heel mooi. Om het even samen te vatten: we hebben op uw eigen verzoek uw vermogen tot meningsvorming geëlimineerd. Dat is allemaal goed gelukt, geen enkele bijkomende schade, u bent nog helder en volgens de verpleging loopt tijdens de maaltijden het eten niet uit uw mondhoeken naar beneden. Dat laatste is een grapje, dergelijke bijwerkingen hebben we al lang geleden weten op te lossen. Dan moet u alleen dit formulier nog even ondertekenen waarin u vastlegt dat u voor de rest van uw leven afziet van uw stemrecht’ – hij haalde het formulier uit een map waarop iemand ‘a small price to pay’ had geschreven – ‘en dan mag u wat ons betreft naar huis. U weet dat u een jaar lang het recht hebt op een hersteloperatie? Ik knoop met alle plezier de draadjes weer aan elkaar, dus als het verlangen naar meningen opeens bij u opkomt, kunt u altijd bellen. Maar kijk dan eerst even naar wat er op dat moment aan uitwisselingen op twitter en Facebook plaatsvindt.’

Hij kwam overeind, liep met me mee naar de deur en nam afscheid met een stevige handdruk. ‘Het ga u goed,’ zei hij, alsof hij ervan overtuigd was dat we elkaar nooit terug zouden zien.

 

 

Geplaatst in verhalen | Tags: , , , , | 2 reacties

geen blijvende stad

Algemeen_uitbreidingsplan_amsterdam1935

comeniusstraat bos en lommer luchtfoto slotermeer colenbranderhof, osdorp

Naar het stadsarchief in gebouw De Bazel voor de tentoonstelling Een Betere Stad, over de Amsterdamse stadsuitbreiding die het gevolg was van het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935. Vier kleine zalen, waarin steeds een moment uit de ontwikkeling van het plan centraal staat, van de eerste bijeenkomsten in de jaren dertig tot de renovaties van de eenentwintigste eeuw. Veel kaarten, films en foto’s – en hoorspelen. Zo hoorde je in een van de eerste zalen een nagespeeld interview met Cornelis van Eesteren, de grote man achter het Plan dat er uiteindelijk voor zorgde dat de stad zich zou verdubbelen. Erg gelukkig pakte die keuze voor hoorspelen niet uit. In de laatste zaal was een nagespeeld overleg te horen tussen bestuur, woningbouwvereniging en bewoners over de sloop dan wel renovatie van Jeruzalem, het wederopbouwwijkje in de Watergraafsmeer, in een eeuwigdurende loop van een minuut of tien, je hoorde het al van verre, het stond zo hard dat het eigenlijk ondoenlijk was om de in die zaal tentoongestelde zaken en teksten te bekijken dan wel te lezen. Ik neem aan dat dat niet de bedoeling van de makers was maar misschien was het toevallig Hardhorenden-middag toen ik er was.

Hoogtepunt was de diashow een zaal eerder (met het woordelijk verstaanbare Jeruzalemoverleg op de achtergrond) waarin een eindeloze rij zwart-witfoto’s werd getoond over de totstandkoming van de wijken Buitenveldert, Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse veld en Osdorp. Het begon steeds weer met uitgestrekte polders met smalle wegen en hier en daar een boerderij, daarna kwamen de bouwketen, het zand, de hei-installaties, de steigers en de bouwvakkers, en daar waren de huizenblokken, de gloednieuwe straten, de gloednieuwe strokenbouw, nieuwe wijk na nieuwe wijk na nieuwe wijk, luchtfoto’s die niet van maquettes zijn te onderscheiden – het zijn onthutsende foto’s, de vanzelfsprekendheid waarmee die wijken nu deel van Amsterdam uitmaken wordt met terugwerkende kracht vernietigd, eerst was er niets, eerst was er polder.

En dan die nieuwe wijken zelf, net uit het ei, met brede straten waar zo en dan iemand doorheen fietst, nog voor de Tijd de kans heeft gekregen er met een brede kwast zijn patina overheen te sausen, gloednieuw, en modern. Want dat valt ook op: alles is ouderwets op die foto’s, behalve de bebouwing zelf. De hoogwaardigheidsbekleders die voor elke wijk weer een eerste paal slaan, de bouwvakkers op houten steigers, de apparatuur die ze gebruiken, de kleding van de bewoners, de auto’s en de bussen en de trams die door de straten rijden wanneer de wijken eenmaal klaar zijn – alles maakt een ouderwetse, vooroorlogse indruk. Die wijken waren hun tijd letterlijk vooruit, dat kan je gewoon op die foto’s zien, het zijn nieuwe wijken die vragen om nieuwe vormen, pas op foto’s uit de jaren zestig begint het een beetje recht te trekken, dan gaan mode en auto’s bij de bebouwing passen, al blijven de autobussen te oud, als relicten uit een ver verleden dat eigenlijk door deze nieuwe wijken uitgewist zou moeten zijn.

En ik besef nu ook weer eens dat het polderlandschap rond Amsterdam waar ik graag doorheen fiets (weilanden, sloten, lage horizon, veel hemel, vooral veel hemel, en altijd autosnelwegen op de achtergrond) vroeger groter was, er was meer van, er zijn grote delen bezet door de groeiende stad – en ook het landschap waar ik doorheen fiets zal opgeslokt worden, ook de bewoners van die toekomstige wijken zullen door de polder fietsen zonder zich ervan bewust te zijn dat ze zelf op voormalige weilanden wonen.

Alles verandert, soms heb je fotoseries nodig die je dat weer eens inprenten. Als je maar lang genoeg ergens woont, zie je de veranderingen zelf ook. Ik woon nu zesendertig jaar in Amsterdam en heb de stad voortdurend zien veranderen – nee, dat klopt niet helemaal; je ziet de verandering niet, je beweegt je in een veranderend geheel, pas als je even stilhoud of ergens een tijd niet bent geweest, zie je wat er de afgelopen jaren is veranderd. Je beweegt je in verandering, je bent onderdeel van een transformerend geheel, dat zelfs geen geheel is, en zelf ben je niet anders. Het is een fascinerend gezicht. Het houdt  niet op, ook als jij dat wel doet. Soms denk ik dat de zin van het leven eruit bestaat je omgeving te zien veranderen.

 

op de foto’s onder de kaart van het Algemeen Uitbreidingsplan van links naar rechts: Comeniusstraat, Slotermeer, Colenbranderhof (foto’s afkomstig van de beeldbank van het Amsterdamse Stadsarchief, waar honderden foto’s van de nieuwe wijken te vinden zijn)
Geplaatst in kunst, leven | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

zo bewaken ze ons (kunst en katten)

110 090 050

Viktor F. nam me mee naar een Holland Festivalvoorstelling, ‘Promised Ends’ van Derrick Ryan Claude Mitchell en diens groep Saint Genet, in de Zuiveringshal van het Westergasfabriekterrein. Een mix van performance, dance, opera en toneel. Vooraf bezochten we een inleiding waarin we werden bijgepraat over de geschiedenis van de performancekunst (Joseph Beuys met de coyote, Marina Abramović en Ulay, Chris Burden die zich in zijn arm liet schieten.) Bij de voorstelling zelf stond uiteindelijk weinig op het spel. We zaten op tribunes en keken naar het speelveld, waar men in de weer was met bloed, honing en lichamen. Een variatie op King Lear maar dat stuk ken ik alleen in ultrakorte samenvatting. Herhaling, herhaling – zo probeerden ze ons murw te beuken, maar de vonk sloeg slechts zo nu en dan over. We bleven veilig. Ze slaan elkaar, maar je weet dat er niemand dood zal gaan daar beneden, ze wikkelen elkaar in folie maar je weet dat niemand gaat stikken, ook zullen er geen emmers bloed over de toeschouwers worden omgekeerd omdat de organisatie de stomerijrekening niet zal kunnen betalen.

Voor het stuk begon mochten we, op aanwijzing van in Holland Festival-uniformen gestoken medewerkers, om het speelveld heenlopen, waar al van alles gebeurde met zand en honing. Langs de rand lagen dode konijnen, en ik dacht: nu zijn de katten ook dood, want ik paste sinds die middag op de katten van Metsike, die een paar dagen weg was, en telkens wanneer ik op haar katten pas, ben ik de eerste uren uiterst nerveus omdat ik deuren en ramen en gaskranen open heb laten staan terwijl ik vergeten ben de waterbakjes bij te vullen. Dat was het meest indrukwekkende van de tweeënhalf uur durende voorstelling: dat ondertussen elders in Amsterdam Metsikes katten waren veranderd in Schrödingers katten waarmee van alles aan de hand kon zijn, of niet.

Toen ik tegen middernacht hun domein betrad leefden ze natuurlijk nog, een goede geest had stilzwijgend ramen, deuren en gaskranen gesloten en het water bijgevuld. Ik ken de drie katten al jaren, ze zijn ondertussen aardig op leeftijd, 17, 17 en 16, twee zussen en een zoon/neef, drie totaal verschillende persoonlijkheden en elk op hun eigen, niet-sentimentele manier ontroerend, stuk voor stuk een uitgebreide beschrijving verdienend – Pippi, die iets kangoeroe- of eekhoornachtigs heeft omdat ze twee kromme vergroeide voorpootjes heeft (radiale hypoplasie heet dat, in het Engels worden dergelijke katjes squitten genoemd, van squirrel en kitten) en die zodra ik binnenkom al mijn bewegingen volgt om te kijken waar ik ga zitten, en nog belangrijker, hoe ik ga zitten – om meteen op schoot te springen als de positie van mijn benen klopt met haar verlangens; Joey, de mooie, aarzelende chocoladesiamees, die voor elke handeling altijd lang moet nadenken en helemaal niet van gedoe en drukte houdt; Sawa die vroeger altijd erg op zichzelf was maar door Metsike bij de groep is getrokken, en die nu ze een nierziekte heeft meer dan ooit gezelschap en warmte zoekt en soms al een beetje ver weg lijkt – ’s nachts lag ze opgerold naast me, tegen mijn flank aan, vanwege haar ziekte een beetje schonkig en mager, ze schoot weg toen ik in een droom uithaalde naar mijn broer die niet wilde vertellen waar hij mijn laptop had verstopt maar kwam later gelukkig weer terug. (Elke keer als je de rust van een kat verstoort zet ergens iemand een streepje achter je naam.)

Waarom zijn katten zo goed om naar te kijken? Het zijn sierlijke miniaturen, in perfecte verhouding tot het origineel, roofdieren op eentiende van hun ware grootte. Daarom lijken ze zich ook altijd net in een andere wereld te bewegen dan wij, want wij zijn geen miniaturen – hoe veel sierlijker zouden wij niet zijn als we tien keer zo klein waren, maar nee, wij banjeren op ware grootte door de wereld.

Toen ik in de vroege ochtendschemering wakker werd, zat Joey naast me op het kussen, rechtop, voorpoten naast elkaar, staart langs zijn lichaam, starend in de verte, als een oud Egyptisch beeld. Zo bewaken ze ons. Niet voor ons, in dienst voor ons, maar in opdracht van iets groters, dat we nooit helemaal zullen begrijpen, zoals de katten zelf ook weten. Ze vinden dat niet erg, ze kennen onze beperkingen, voor hun zijn die beperkingen een eeuwenoud gegeven waar ze neutraal tegenover staan.

 

Geplaatst in kunst, leven | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

fiets kopen? (of: het Grote Witte Fietsenplan)

IMG_20170604_172123611 Mountfujijapan

Nadat ik met Metsike naar de film was geweest (Ascent van Fiona Tan; over de berg Fuji, een film zonder ook maar één bewegend beeld; een fascinerende afwisseling van foto’s (alsof de berg met zijn bekende, perfecte bergvorm in elk denkbaar landschap aan de horizon staat) maar als film toch, mede door het verhaal dat de voice-overs vertellen, niet helemaal geslaagd) liep ik een eind met haar op, met mijn fiets aan de hand. Toen we de donkere, verlaten Weesperstraat overstaken, kwam er een zwarte man ontspannen op ons af fietsen. Hij vroeg vriendelijk of wij nog een fiets nodig hadden. Nee, zeiden wij uiteindelijk – het duurde even voor we doorhadden dat hij ons een fiets te koop aanbood, het was voor ons allebei lang geleden dat ons op straat een dergelijk aanbod was gedaan, en bovendien zagen de fietsverkopers er vroeger anders uit,  magerder, nerveuzer, slechter gekleed en altijd met een ondertoon van haast en agressie. Deze man was op zijn gemak en goed gekleed, als een vertegenwoordiger van een  nieuwe gemeentelijke dienst die voorzag in vervoer voor mensen die duidelijk een fiets te kort kwamen, een nieuwe versie van het witte fietsenplan: niet alleen werden gratis fietsen beschikbaar gesteld, ze werden nu ook nog eens naar de mensen toegebracht. Een mooi initiatief, maar we hadden op dat moment geen behoefte aan een fiets. De man knikte begrijpend, maakte een ruime bocht en verdween in de richting van waaruit hij gekomen was, in het kalme tempo van iemand die per uur wordt betaald en niet afhankelijk is van stukloon.

(Zou het geen goed idee zijn, bedacht ik later, om in Amsterdam op een nacht alle sloten van alle geparkeerde fietsen te verwijderen? De volgende ochtend begint dan Het Grote Witte Fietsenplan. Met de gigantische aantallen fietsen die tegenwoordig op straten, stoepen en pleinen in en buiten de rekken staan grijp je nooit naast een fiets, en kan je ’m na gebruik met een gerust hart weer ergens anders neerzetten, er zijn overal meer dan genoeg fietsen te vinden. Het enige wat je mee moet nemen zijn je eigen lampjes.)

 

(foto Fuji: Wikipedia)

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , | 2 reacties