de typende aap

Ik had ’m graag zijn zin gegeven, ik had hem graag serieus genomen, want ik had Herman Brusselmans hoog zitten, ooit.

Zoals (voorzichtig uitgedrukt) wel vaker het geval is, heeft hij een nieuw boek. Het heet Geschiedenis van de moderne literatuur, en in dat historische overzichtswerk behandelt hij op uitputtende wijze de recente ontwikkelingen in de Nederlandstalige literatuur. Nou ja, hij schrijft op wat hij van al die schrijvers van tegenwoordig vindt, vooral als ze jonger zijn dan hij, met behulp van melige, verzonnen anekdotes en inzoomend op lichamelijke gebreken die hij tijdens het hanteren van zijn misvormende zoomlens zelf heeft verz – – ach laat ook maar.

Echt, ik zou graag iets zinnigs over de nieuwe Brusselmans willen zeggen, dat ben ik de schrijver van kleine klassiekers als De man die werk vond en Heden ben ik nuchter wel verschuldigd; hoe vaak hebben die boeken me vroeger in de Czaar Peterbuurt niet door grauwe katerige dagen heen geholpen?

Zelf wil Brusselmans eigenlijk ook best graag dat iemand er iets over zegt. Vorige week vroeg de interviewer van dagblad Trouw hem of hij nooit medelijden heeft met de schrijvers die hij in dit boek behandelt.

‘Nee,’ zegt Brusselmans, ‘want ik zeik alleen mensen af die zich kunnen verdedigen. Schrijvers hebben hun eigen podium om mij terug te pakken. Dan krijg je polemiek, dat vind ik leuk. Dat is ook al zo’n genre dat volledig dood is: elkaar de huid volschelden op een stilistische, letterkundige manier.’

Ja, daar heeft hij een punt. En met dit boek weet Brusselmans het volledig dode genre vooralsnog geen nieuw leven in te blazen, hoeveel stilistische en letterkundige manieren hij er ook op loslaat. Met zijn gepunte laarsjes staat hij zo zachtjes en langdradig op de weke delen van de overledene in te schoppen dat het lijk uit verveling nogmaals de geest geeft.

In het interview gaat hij nog even door over polemiek. ‘Gerrit Komrij en Jeroen Brouwers konden het goed. Maar de meeste schrijvers zijn vriendjes van elkaar, hun neef zit in een literair comité of ze kennen iemand in de jury van een literaire prijs. Ze kijken daarom enorm uit met wat ze schrijven.’

Maar dat dit boek geen polemieken zal veroorzaken heeft minder met angstvalligheid te maken dan met het totaal ontbreken van redenen om de pen op te nemen. Meer dan zeshonderd dicht bedrukte bladzijden en nergens houvast. Ik kan Brusselmans zijn zin niet geven, ik kan niets voor hem doen, er valt niets over dit boek te zeggen, het is Brusselmans versie van Finnegans Wake, geen begin, geen einde, het gaat maar door, we zitten in het hoofd van de schrijver en nergens een gat om naar buiten te kijken. Zo nu en dan komen we een naam tegen die we herkennen maar dan heeft die toch vooral betrekking op een persoon die alleen in Brusselmans verbeelding bestaat.

Met Brusselmans is het als met Reve: iedereen met verstand van zaken vindt vooral zijn vroege werk goed, alleen een klein groepje die hards met verlatingsangst blijft tegen beter weten in volhouden dat ook het latere werk best de moeite waard is. Het is dan ook ontroerend om te zien dat hier en daar op sociale media schrijvers trots de fragmenten uit Brusselmans boek delen waarin ze zelf voorkomen. Vooralsnog eigenlijk alleen mannelijke schrijvers, en iets zegt me dat dat zo zal blijven. Voor hen is Brusselmans dan toch nog de grote broer door wie ze willen worden genoemd en gezien. Waarbij ze voor het gemak vergeten dat Brusselmans helemaal niet doet aan noemen en zien. Hij is een van oogkleppen voorzien paard dat doordraaft en doordraaft, in de hoop ooit ergens een stal aan te treffen.

Laat ik eerlijkheidshalve wel even vermelden dat ik zelf ook in dit overzichtswerk voorkom, en, laat ik er dit dan meteen ook maar bij zeggen, want fair is fair: blijkbaar ben ik de uitzondering op de regel, want alles wat Brusselmans schrijft over mijn relatie, mijn verloofde, mijn kapsel en mijn penis is spot on, alsof hij er zelf bij is geweest, aan de keukentafel, en in de slaapkamer. (Kom nog eens langs, Herman, en laat deze keer je kunstgebit niet op het nachtkastje liggen.)

En laat ik hier ook maar meteen aan toevoegen dat ik het boek diagonaal heb gelezen. Het is menselijkerwijs gesproken dan ook niet mogelijk deze woordenmassa op een andere dan diagonale wijze tot je te nemen. Het zou aardig zijn geweest als Brusselmans uitgeverij de tekst diagonaal op de pagina’s had geplaatst; dat zou tenminste nog van enig inzicht getuigen, en van enig gevoel voor humor.

Lang geleden, een jaar na de dood van Wim Kan, vertelde André van Duin in zijn oudejaarsshow wat moppen over politici. Blijkbaar vond hij dat de door Kan achtergelaten plek gevuld moest worden, wie weet was het een hommage. Maar het was gênant en tenenkrommend. Wat Van Duin deed had niets te maken met de manier waarop Wim Kan jarenlang het gedrag en de kleinheid van politici behandelde. Van Duin diste gewoon een reeks oude moppen op waarin hij willekeurige politici liet figureren, zonder dat hun persoonlijke gedragingen of opvattingen een rol speelden.

Brusselmans doet in deze Geschiedenis van de moderne literatuur iets vergelijkbaars. Hij weigert, om wat voor reden dan ook, inhoudelijk te worden. Verwissel alle namen en je hebt hetzelfde boek. Niets doet er eigenlijk toe.

Daarom valt er niets te polemiseren. Het is onschuldig vermaak. Als het niet zo onschuldig was, zou het hier en daar een beetje ranzig zijn, maar nee, de onschuld overheerst. En juist die onschuld nekt het hele project. Dat Brusselmans nergens scherp is, en venijnig, en to the point, verzwakt alles. Hij meent het nauwelijks, alles waarover je zou kunnen vallen is uiteindelijk niet solide genoeg om er daadwerkelijk over te struikelen. Het is een onschuldig spel, en dat is het al jaren bij Brusselmans. Hij zit achter zijn bureau en hij typt, als de spreekwoordelijke aap die als hij maar genoeg millennia door typt ooit het verzameld werk van Shakespeare zal produceren.

Nog maar even wachten dus. Maar waarop? Shakespeare hebben we al. Misschien moeten we hem nu al belonen, dan kan hij er mee ophouden. Misschien moeten we vanaf nu elke dag om acht uur in het raam gaan staan en voor Brusselmans gaan applaudisseren, tot hij stopt met typen.

Geplaatst in recensie, schrijven | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

de straat waar de tour de france langskwam

We waren te gast in een huis aan een straat waar de Tour de France langs zou komen. Eerder hadden we op een rotonde in het stadje een reusachtige gele fiets zien staan, en in de straten gendarmes in donkerblauw, en in bochten rode en witte blokken.

We hingen uit de ramen van de eerste etage. Schuin tegenover ons stond iemand van de paraplufabriek uitgeklapte gele paraplu’s in het hek langs de weg te hangen, voorzichtig, een voor een. Op het trottoir stonden of zaten hier en daar wat mensen, veel waren het er niet. In de kamer achter ons stond de tv aan, zodat we konden zien hoe ver de renners al waren. Eerst kwam de reclamekaravaan, bestaande uit tot reusachtig kinderspeelgoed opgeblazen auto’s, van waaruit mannen en vrouwen kleine voorwerpen wierpen naar het spaarzame publiek op het trottoir – petjes, balpennen, verpakte koekjes. Een gezette man met een bolletjestrui begroette elke wagen die in de verte verscheen met gewuif en verzamelde gebukt rennend de hem toegeworpen schatten.

Het zag er vreemd uit. Niet als een reclamekaravaan in elk geval, eerder als een sadistisch project van een groep rijken die zich wilden vermaken met het gewone volk; of als een mobiel theaterstuk dat deze mentaliteit nu juist aan de kaak wilde stellen. In plaats van een reportage over een etappe zou ik wel eens een rechtstreeks verslag van de reclamekaravaan willen zien, van start tot finish, een hele etappe lang.

En wat dachten die achteloos aalmoezen uitstrooiende mensen die op die auto’s zaten en stonden, wat voor mensbeeld vormde zich in hun hoofden tijdens zo’n dag van gegrabbel op de straten beneden hen? Waarschijnlijk dachten ze aan het schamele uurloon dat ze hiermee verdienden.

De reclamekaravaan had een beslissende voorsprong op de rest, en daar kon je ook van alles in zien qua symboliek, tijd zat, de straat was weer leeg. De toeschouwers op het trottoir bleven staan of zitten, achter mij in de kamer werd door mensen die de regio beter kenden naar aanleiding van de tv-beelden gediscussieerd waar de renners zich precies bevonden – maar daar kwamen ze al om de hoek, eerst een kopgroepje van vier waarvan drie Belgen, een minuutje later de groep met de Nederlander in de gele trui. Daarna motoren en auto’s met fietsen op het dak. Zes minuten later volgde het peloton.

Het geluid van dat peloton, van al die dunne bandjes over het asfalt, dat was wel wat. Hoe dat te omschrijven? Het had iets zuigends, maar nee, dat was het niet. ‘Als water,’ zei M., en dat was het, nat, stromend in plaats van zuigend. Water vanuit een kraan met zo’n kop met een zeefje, zodat er geen draaiing in zit, zoeffff en daar waren ze weer weg.

Daarna nog meer motoren, en nog meer auto’s met fietsen op het dak, alsof er van werd uitgegaan dat elke renner minstens drie keer van fiets zou willen wisselen. En nog meer politie en auto’s; uiteindelijk een busje met een lichtkrant die het einde van de wedstrijd aankondigde.

De straat bleef leeg. Daarna begon het gewandel. Mensen liepen terug naar waar ze vandaan kwamen, met tassen, met baby’s, met de ingeklapte tuinstoeltjes van waaruit ze de langskomende etappe hadden bekeken. Even was de straat voetgangersgebied geworden. Toen de wandelaars verdwenen waren, was de straat weer leeg. Daar kwam een camper om de hoek. Was die dan de voorbode van het normale verkeer dat zijn rechten hernam? Nee, op de zijkant stond het logo van de Tour. Even later een ander busje, zou dat dan… Nee, ook een logo. Daarna lag de straat er weer roerloos bij.

Dit was het moment, het nu – een vreemde, lege tussenvorm van de straat waarin de Tour de France langskwam en de straat waarin dat ooit had plaatsgevonden.

Geplaatst in leven | Tags: | Een reactie plaatsen

lege kooitjes

We waren naar de tentoonstelling van Roger Raveel in Bozar. Mooi opgebouwd, niet te groot (heerlijk!), uiteraard niet te druk. Van Raveel wist ik weinig. Dit jaar zou hij honderd geworden zijn. ‘Raveel wordt beschouwd als een van de belangrijkste Belgische schilders van de tweede helft van de 20e eeuw,’ staat te lezen op de site van Bozar, ‘maar hij onderscheidde zich radicaal van zijn generatiegenoten door een geheel eigen en bijzondere beeldtaal, balancerend tussen figuratie en abstractie en met zijn eigen omgeving als belangrijkste inspiratiebron.’

En dat zagen we dan ook, die eigen omgeving. Zijn vrouw, hun interieur, hun achtertuin – als ik het zo opschrijf klinkt het minzaam, maar zo is het niet bedoeld. De schilder zocht de antwoorden op de vragen die hij had in de omgeving die hij het beste kende en het vaakst zag.

Wat zag je als je de zalen doorliep? Iemand die op zoek is naar, inderdaad, zijn eigen beeldtaal. Waarbij de schilderijen stadia in die zoektocht waren. Je kijkt naar een schilder die zich bewust ontwikkelt, laat beïnvloeden en zich verder ontwikkelt. Dat leverde een resultaat op dat op mij nogal cerebraal overkwam. Je ziet wat Raveel probeert, voor welke problemen hij oplossingen zoekt, maar het raakte me nauwelijks. Ook weer eens goed om daarbij bepaald te worden: ik wil blijkbaar toch vooral geraakt worden door beeldende kunst; bij deze tentoonstelling raakten de worstelingen en de vragen van de kunstenaar die resulteerden in de werken me meer dan die werken zelf.

Gelukkig waren er uitzonderingen, zoals de kleine schilderijen met het tafeltje, zie de foto’s hieronder. En Raveels tekeningen zijn vrijwel per definitie ontroerender dan zijn schilderijen, zie bijvoorbeeld De dubbende man (mooie titel ook, hij maakte er meerdere). Zodra een tekening een schilderij werd, was het weg: zie de tekening van het beertje en het schilderij van hetzelfde beertje. (even aanklikken voor volledig beeld). Raveels expressivistische periode leverde ook mooie dingen op. Een paar reusachtige werken in de laatste zalen waren ook goed, omdat Raveel daar zich toch een beetje leek te hebben uitgeleefd, daar zag je iets van plezier.

Op een gegeven moment ging Raveel, onder invloed van de popart, objecten aan zijn schilderijen toevoegen. Dat leverde werken op als een schilderij van een kapstok waaraan een echte houten kapstokhaak is bevestigd; of een uitzicht waarvoor een echt houten venster is aangebracht. Heel erg overtuigend kwamen die werken niet over. Zo’n aanpak is ondanks alle veronderstelde vragen die het op zou roepen over kunst en werkelijkheid et cetera toch een beetje een gimmick; iets dat je ’s avonds verzint en de volgende ochtend weer verwerpt als te veel voor de hand liggend. Aan sommige schilderijen waren vogelkooitjes bevestigd, waarin kanaries dan wel duiven zouden moeten bivakkeren. Op de tentoonstelling waren de kooitjes leeg. Naar verluid zaten er in het begin wel vogels in maar hebben ze het niet overleefd, ondanks alle goede zorgen.

In die periode maakte Raveel ook schilderijen van karretjes waaraan een echt fietswiel was bevestigd. Dat had nog wel wat, vanwege de mooie cirkel van die wielen, de associaties met het fietswiel van Duchamp en niet in de laatste plaats vanwege het lichtelijk geestverruimende feit dat er dus schilderijen van Raveel zijn die een lekke band zouden kunnen krijgen.

Geplaatst in brussel, Geen categorie, kunst | Tags: , , | Een reactie plaatsen

de kellner in de rai

Het plein voor de RAI  was zonovergoten en leeg. Geen enkele demonstrant die zich zorgen maakte over wat ik op het punt stond mezelf te laten aandoen. Bij Ingang G stond een korte rij die vlot werd verwerkt. Een bewaker moest controleren of ik alles bij me had, ik had alles bij me en mocht naar binnen. In de voorhal was met zwarte linten een parcours afgezet waar ik doorheen wandelde tot een vrijwilliger me een balie toewees, waar mijn gezondheidsverklaring werd bekeken en van een oranje stickertje voorzien. Daarna mocht ik door naar de immense, schemerige hal waar de rest van de procedure zou plaatsvinden. Alles was hoog en grijs, zacht en groezelig viel het avondlicht naar binnen. Afgezette paden voerden naar loketten die leken op douanehokjes. Er liepen mannen en vrouwen in donkerblauwe overalls die alles regelden, op hun rug stond in rode letters GOD AMSTERDAM.

Team God! Ik was in goede handen, door hen wilde ik me wel laten vertellen waar ik heen moest en wat ik daar, eenmaal aangekomen, moest doen. Opeens begreep ik waar ik me bevond: dit was het Laatste Oordeel, met al die routes die van barrière naar barrière voerden, tot aan de loketten, waarachter zich de bestemming zo niet bevrijding moest bevinden. In een film zou je ’t meteen geloven, dus waarom niet in het echt? Ik had net De kellner en de levenden van Vestdijk gelezen, dat zal ook geholpen hebben. Toen ik beter keek bleek er op de rug van de blauwe overalls GGD AMSTERDAM te staan.

Ze waren streng, mijn gezondheidsverklaring werd op drie verschillende momenten gecontroleerd. Maar ook weer niet al te streng: bij het laatste loket stond ik achter een vrouw met een ongeldig paspoort – zelfs vanuit mijn positie anderhalve meter achter haar zag ik de uitgestanste gaten; het duurde even maar ook zij mocht naar binnen. En daarna ik. Een hokje, een prik, een pleistertje en daarna een groene loper naar de wachtruimte waar we vijftien minuten moesten blijven zitten.

Er stonden vrijwilligers bij de ingang van de zaal maar er was geen prikklok of een ander apparaat dat inkomsttijden registreerde. Overal zaten mensen op stoelen, de meesten raadpleegden hun telefoon. Ik werd een van hen. Er klonk zachte muziek. Al weken ergerde ik me aan mensen die meteen na hun vaccinatie foto’s van hun pleisters of grappen over5G op sociale media plaatsten. Ik maakte een foto van mijn pleister, stuurde hem aan een paar mensen door, vergezeld van een grapje over 5G; blijkbaar was dat onvermijdelijk.

Aan de muur hing een grote klok, een ouderwetse, met wijzers. Ik moest nog tien minuten. Ik dacht na over de dingen des levens, en wat er in mijn wereld speelde. Er moest van alles gebeuren, dat was duidelijk. Een schrijver had zich druk gemaakt over de voortschrijdende ontlezing en riep op om er iets aan te doen. Schrijvers die zich druk maken over ontlezing doen me altijd denken aan schoenmakers die wijzen op de gevaren van het lopen op blote voeten. Ze mogen niet altijd ongelijk hebben, maar het blijven schoenmakers. Er was nog meer gebeurd, er was geprotesteerd tegen de pulp die door scholieren werd gelezen en bekroond, gestimuleerd door hun leerkrachten. Ook hier had iemand vast niet altijd ongelijk maar al dagen had ik me afgevraagd waar dit me toch aan deed denken. Hier, in de wachtruimte, schoot het me te binnen: aan de protesten tegen het lezen van stripverhalen in de jaren vijftig. Toen mijn broer en ik in de jaren zeventig strips begonnen te lezen en te tekenen wist mijn moeder te melden dat ook onze vader in zijn hoedanigheid als onderwijzer destijds nog een lezing tegen het gevaar van het stripverhaal had gegeven.

Ik had nog vijf minuten. Mijn gedachten verdampten. Er kwamen mensen binnen, er stonden mensen op maar desondanks werd de ruimte overheerst door stilstand. Dit was dus het hiernamaals waartoe ik via het Laatste Oordeel toegang had gekregen: een grote anonieme ruimte waar een landerige verveling heerste. Het leek wel passend en ik voelde de verleiding langer te blijven zitten, om te zien of dit stadium inderdaad geen einde zou kennen.

Maar tegelijkertijd hield ik de klok in de gaten, mijn tijd zat er bijna op. Op elk moment had ik kunnen opstaan om naar buiten te lopen, maar ik had het niet gedaan. Waarom niet – om de hele procedure mee te maken, om het toch vooral goed te doen, om niemand reden te geven mij te straffen? Misschien was het altijd hier om gegaan, draaide het hele experiment (die pandemie, de vaccinatiecampagne, alles wat we de afgelopen anderhalf jaar hadden meegemaakt) om de vraag of, en zo ja welke, mensen bereid waren vijftien minuten in een zaal te blijven zitten als ze was aangeraden dat te doen, zonder dat er sprake was van dwang of corrigerend toezicht, en wat dat over die mensen zou zeggen.

Toen mijn tijd erop zat, stond ik op en liep ik naar buiten. Nog steeds weet ik niet of ik nu geslaagd ben of gezakt. Wel voelde ik de uren daarna een opluchting die zo groot was dat ze me verbaasde.

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , , | 1 reactie

de herkomst van joachim stiller

1

Ooit zei ik dat ik meer Vlaamse literatuur wilde lezen.

En kijk, toen ik eerder dit jaar met L. in Turnhout te gast was bij Johny Geerinckx in zijn programma Overlezen, schonk panellid Karl van den Broeck me, bij wijze van huiswerk, De canon van de Nederlandstalige literatuur – een door uitgeverij Vrijdag en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren uitgebracht boek waarin veel aandacht wordt besteed aan schrijvers uit Vlaanderen.

Een Vlaamse schrijver die in die canon ontbrak was Hubert Lampo en dat was jammer, vertelde Van den Broeck erbij, omdat een aantal verhalen uit Een man met goede schoenen hem had doen denken aan Lampo, een van de grondleggers van het magisch realisme in het Nederlandse taalgebied (zoals Lampo’s ondertitel luidt).

Dus beloofde ik Karl iets van Lampo te gaan lezen; dat was er tot nu toe niet van gekomen. Een paar weken later kreeg ik van L. ( in dit geval niet ize maar ennert) een exemplaar van De komst van Joachim Stiller. Toen moest ik wel, en daar ging ik.

Het boek kwam uit in 1961. Mijn exemplaar stamt uit 1989, de vijfendertigste druk. Ik kende de titel, op de middelbare school lazen veel scholieren de roman voor hun lijst. Ik niet, ik heb zowel die school als die lijst niet afgemaakt. Toch kende ik het boek. Je hebt titels die zo bekend zijn dat ze al decennia lang deel uit maken van je culturele bagage, of je ze nu gelezen hebt of niet. De titel is eigenlijk het hele boek geworden, de tekst zelf is veranderd in een nawoord bij die titel, de achtergrondinformatie die de titel eenmaal nodig had om al die tijd aan de hand van een paar steekwoorden in het collectieve geheugen rond te kunnen blijven zoemen.

(Steekwoorden bij deze titel: magisch-realisme / vlaams / stiller is jezus / stiller komt niet / kortgekipte haren / nee dat is dat boek van daisne / verrek je hebt gelijk)

Ik begon te lezen. Dat viel niet mee. De taal was stroef, en een beetje gedragen. ‘Ofschoon verbonden aan een vooruitstrevende krant, vraag ik me soms af, of ik van nature geen conservatief zou zijn,’ luidt de eerste zin van de roman, een opening die niet meteen een snelle rit belooft. Schrijver en journalist Freek Groenevelt woont en werkt in Antwerpen en krijgt een geheimzinnige brief die decennia geleden is gepost maar toch betrekking heeft op Groenevelts heden. Dat van die brief is natuurlijk spannend maar de manier waarop Groenevelt in de eerste hoofdstukken verslag doet van zijn leven, hm, tja, daar zit toch een zekere zelfgenoegzaamheid in, en dat maakt het boek er niet sympathieker op, ook omdat je begint te vermoeden dat Lampo hier een nauwelijks verhuld portret van zichzelf schildert. Wishful writing als resultaat van wishful thinking. Hij (Groenevelt) drinkt graag in fijne Antwerpse kroegjes waar men hem kent, kibbelt vrolijk met zijn hoofdredacteur, is bevriend met een antiquaar,  komt door die geheimzinnige brief ook nog eens in contact met een mooie jonge intrigerende onderbuurvrouw… Wel heeft hij zorgen: als schrijver van tegen de veertig (Lampo was van 1920) voelt hij zich bedreigd door leden van de jongere schrijversgeneratie, die middels hun armetierige blaadje met hem afrekenen. Maar kijk, de mooie jonge vrouw die zich in de kringen van die valse jonge honden bevindt, kiest uiteindelijk (nou ja, eigenlijk al heel gauw) voor Groenevelt en blijkt zijn soulmate, de liefde van zijn leven.

Kortom: een geïdealiseerd zelfportret waarin de auteur, die langzamerhand een schrijver van middelbare leeftijd wordt, middels zijn alter ego zijn opvolgers ontmant door er met hun trofee vandoor te gaan.

Of eerder toch dit: een angstig zelfportret waarin de sombere auteur een manier zoekt om om te gaan met het feit dat hij ouder wordt en opgevolgd gaat worden door een volgende generatie. Het is uit angst en niet uit zelfgenoegzaamheid dat hij die generatie belachelijk maakt en de leden ervan castreert. Trouwens, niet alleen de nieuwe literatuur is een vijand, via zijn roman geeft de auteur ook af op de beeldende kunst die na zijn vormende jaren is opgekomen: er is ook nog een verhaallijntje over een nieuwe schildersensatie die een mummelende debiel blijkt en zijn scabreuze krabbelwerk letterlijk op de binnenwanden van urinoirs schildert. Het is satire van dik hout – dunner hout kon de angst blijkbaar niet bezweren.

Zelfgenoegzaamheid in semi-autobiografische romans is onverteerbaar, en maakt zo’n roman algauw onleesbaar. Wanneer die zelfgenoegzaamheid dient als bezwering van angst gebeurt er iets anders, dan komt er spanning op de tekst te staan. Maar daar heb je wel wat voor nodig: kennis van buiten de roman.

2

In 1990 schreef Hubert Lampo in Dietse Warande en Belfort een stuk (hier terug te vinden) waarin hij terugblikte op het ontstaan van zijn roman over Joachim Stiller, en de donkere gevoelens waaraan hij in die tijd leed. ‘Net als ikzelf toen ik het boek concipieerde, heeft Groenevelt behoefte aan hulp,’ schrijft hij over zijn alter ego.

Groenevelts trauma heeft betrekking op een V-2 die eind 1944 op de Teniersplaats in Antwerpen insloeg en een tram raakte. Joachim Stiller is dat trauma, dat tot entiteit geworden zijn best doet om Groenevelt te bereiken om hem gerust te stellen, om ervoor te zorgen dat hij verder kan met zijn leven, dat de tijd weer voor hem begint te lopen. Uiteindelijk lukt Stiller dat door zich op te offeren, niet aan het kruis maar op het plaveisel.

Lampo maakte die bominslag mee in 1944, vanuit de verte. Via zijn alter ego Groenevelt probeerde hij zichzelf te genezen van zijn oorlogstrauma’s die vooral ‘op het vlak van de geest’ bestonden. De Koude Oorlog die na de bevrijding volgde zorgde voor grote somberheid, schrijft hij in het genoemde stuk. Hij begint aan een roman over Joachim Stiller en merkt gaandeweg wat hij aan het doen is: hij schept een vorm om zich te bevrijden.

Dat ook de generatie die na hem komt hem zoveel onrust baarde dat die verslagen moest worden is eigenlijk een extra complicatie van de roman. Vooral daarin zit de zelfgenoegzaamheid, die blijft woekeren omdat de auteur zich er niet helemaal van bewust lijkt te zijn. Dat geeft de tekst iets naïefs, alsof de auteur hier meer van zichzelf laat zien dan eigenlijk de bedoeling was. Terwijl Joachim Stiller het oorlogstrauma beëindigt, grijpt Lampo’s alter ego de kans zijn viriliteit te bewijzen door de draak van zijn opvolgers, zijn zonen, te verslaan en de prinses te verwerven. Wat is nu het grote, het eigenlijke trauma? De komst van volgende generaties, zo had het boek ook kunnen heten.

3

De komst van Joachim Stiller is zo’n roman die beter of in ieder geval sympathieker wordt naarmate je je meer verdiept in de herkomst, de biografie van de schrijver, diens eigen commentaar op zijn werk. Dat is een zwakte van het boek, ben je dan meteen geneigd te roepen, gevoed door de opvatting dat de tekst voor zich moet spreken, dat de maker er niet meer toe doet als de tekst eenmaal bestaat; maar in plaats van zwakte kan je ook zeggen: eigenschap. (Misschien moeten we dat vaker doen: zodra iemand zwakte! roept meteen eroverheen gaan met: nee, eigenschap!)

Je kan op papier draken doden, maar fictie kan niet alles bewerkstellingen. Wensdromen verslaan geen generaties. Voor Groenevelt ging de tijd weer door toen Joachim Stiller zijn offer bracht, maar de ironie daarvan is natuurlijk dat als gevolg daarvan de schrijver alleen maar steeds ouder zal worden, met steeds meer nieuwe generaties onder hem. De roman lijkt zich niet van die ironie bewust. In Lampo’s artikel uit 1990 klinkt nog steeds de toon van iemand die zich verdedigt, die zich ondanks zijn opgesomde successen nog steeds miskend voelt.

Toen De komst van Joachim Stiller in1961uitkwam was Wolkers net begonnen, Hugo Claus al lang en breed bezig, De avonden al twaalf jaar oud. Je kan je voorstellen dat dit boek toen meteen al niet meer bij de tijd was, in ieder geval niet als het ging om de tijdzone waarin de literaire voorhoede opereerde. Het voordeel van een late lezing is dat dat er allemaal niet meer zo toe doet. Romans zijn doorgaans niet onsterfelijk, maar ze kunnen in de loop der decennia wel enige tijdloosheid verwerven, al was het alleen maar omdat de tijdgeest die ooit als een onzichtbaar fluïdum om het boek heen wolkte inmiddels is vervlogen, opgegaan in een groter geheel.

Geen idee wat ik van het boek gevonden had als ik het eind jaren zeventig wel voor mijn lijst had gelezen. Wie weet hoe goed ik het had gevonden, dit lijkt een boek dat in staat is vooral adolescenten en twintigers te betoveren.

4

In 1976 werd van De komst van Joachim Stiller een tv-serie gemaakt, geregisseerd door Harry Kümel, met Hugo Metsers in de hoofdrol, en bijrollen voor Cox Habbema en Willeke van Ammelrooy. Die serie is in zijn geheel op YouTube te zien, en wel hier, 2 uur 33 minuten en 53 seconden lang. Met name geschikt voor nieuwsgierigen met een goed uithoudingsvermogen en een stoïcijnse bereidwilligheid alles in zijn tijd te zien. Heel erg goed is het allemaal niet. In zijn rol van Groenevelt leidt Hugo Metsers aan een ernstig geval van voice-over, bovendien praat hij in sommige scènes ook nog in zichzelf, om het de kijker maar zo makkelijk mogelijk te maken. Mooie beelden van Antwerpen midden jaren zeventig, dat wel. Met de daarbij behorende mode (zelfs in de flashbacks die in de oorlogsjaren spelen hebben de jongetjes halflang jarenzeventig haar), auto’s (opeens een Snoek in beeld, altijd mooi), en gebouwen (Het Steen nog zonder eenentwintigste-eeuwse aanbouw!)

Het boek wordt vrij nauwkeurig gevolgd. Maar toch. Wanneer Hugo Metsers in zijn rol als Groenevelt voor het eerst zijn onderbuurvrouw Maria van de Casteele (Willeke van Ammelrooy) bezoekt, dartelt die haar appartement rond in een luchtige peignoir, waaronder ze een zwarte bh draagt die de tepels blootlaat.

Ook in de roman loopt Maria op dat moment rond in een peignoir, maar de roman-Groenevelt observeert tevreden dat deze toestand niets clichématigs heeft, ondanks de verwachtingen die erotische literatuur en ‘de kitschfilm’ in onze hersens hebben geprent. ‘Haar peignoir viel niet toevallig open, terwijl ze zich onder een of ander voorwendsel vooroverboog of de benen kruiste. En ook zat zij mij niet uitdagend van onder de neergeslagen wimpers aan te kijken.’

In de tv-serie valt de peignoir op dat moment nu juist wél open, om over uitdagende blikken nog maar te zwijgen. Je zou er een meta-commentaar van de scenarioschrijvers op het boek in kunnen zien: dit wat wij maken is nu juist zo’n kitschfilm waar de auteur zich in zijn roman bij deze zelfde scène tegen afzet – maar dat zal wel niet; hier wordt gewoon voldaan aan de eis die Nederlandstalige tv-series uit de jaren zeventig en tachtig zichzelf stelden omdat ze wisten uit welk hout de kijkers gesneden waren: er moeten blote borsten in.

En dat is een beetje tragisch, het is jammer dat de scenarioschrijvers niet iets beter voor het boek hebben gezorgd. Door alle kledingstukken gesloten te houden hadden ze hier met de verwachtingen van de contemporaine kijkers kunnen spelen op de manier die de auteur al in zijn tekst had aangegeven, maar nee. Weer stijgt je sympathie voor Lampo, omdat ze dat niet konden opbrengen.

Geplaatst in boek, lezen | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

een koetsje in je hart

Toen ik de vorige blogpost schreef, over De grachtengordel van Meijsing en De ontdekking van de hemel van Mulisch, was ik Kraken aan het lezen, een behoorlijk krankzinnige fantasyroman van China Mieville, en toen ik dat boek een dag later uit las, merkte ik tot mijn verbazing dat die roman op een bepaalde manier met De ontdekking van de hemel te vergelijken was – bij Mieville ging het niet om een God die uit onvrede over de wegen die de mensen waren ingeslagen zijn Tien Geboden terug wilde, maar (spoiler, spoiler) over een krankzinnige geleerde die met terugwerkende kracht Darwins evolutietheorie uit de wetenschapsgeschiedenis wilde verwijderen. Het zijn verder totaal verschillende romans, maar toch, je zou ze in de boekenkast bijna naast elkaar zetten om telkens wanneer je blik er op valt iets te kunnen mompelen als ‘nou nou, bien étonnés de se trouver ensemble’.

*

Maar eigenlijk wilde ik het over heel andere schrijvers hebben, of over een verschijnsel, iets dat je als lezer kan overkomen: dat je volledig bereid bent een schrijver goed te vinden en dat het dan toch niets wordt. Je bent niet zozeer bereid als wel voorbereid. Je was de naam van de schrijver al herhaaldelijk tegengekomen, jarenlang, telkens in veelbelovende contexten, het was een raadsel dat je hem nog niet gelezen had, het leek een interessante schrijver, misschien wel een geestverwant, een schrijver naar je hart; en je had dat hart al wagenwijd opengesteld, er reed zelfs al een koetsje naar binnen – maar dat koetsje was leeg; als je wilde dat de schrijver daarin zou zitten, moest je toch eerst daadwerkelijk diens werk lezen.

En als je dat dan uiteindelijk had gedaan, kwam er uit dat koetsje een bleek aardmannetje gestapt dat een beetje vreemd rook en raar uit zijn ogen keek.

Het overkwam me onlangs met Pessoa en Cioran.

Verleden jaar kocht ik eindelijk Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa. Altijd al willen hebben, veel over gehoord, mensen wier smaak ik serieus nam prezen het: het moest iets voor mij zijn, dat kon niet anders. Mooie privé-domein uitgave dan ook nog, via boekwinkeltjes.nl tweedehands gekocht bij een antiquaar in Amsterdam. Toen ik van de zomer daar was heb ik het boek zelf opgehaald bij de verkoper, in een hoekje van Bos en Lommer waar ik nooit eerder was geweest, met straten vol wederopbouwblokken waar het optimisme waarmee ze ooit waren opgetrokken nog vanaf spatte omdat de zon zo mooi scheen, aardige man ook nog, die verkoper, ik fietste door naar de Sloterplas om het boek daar op een bankje open te slaan, zonlicht schitterde op het water, het boek lag goed in de hand, ik appte een foto van het boek naar L. in Brussel om dit kleine maar belangrijke geluk met haar te delen, ik bladerde door het fotokatern, het was een prachtige middag vol verwachting én innerlijke rust – maar ja, er stond ook tekst in het boek en daar ging het een beetje mis.

Wat kan ik ervan zeggen? Het klikte niet. Aantekeningen vol, ja, vol met wat, sombere zelfbeschouwing. Ik probeerde het te lezen als de roman die het in feite is, maar dat veranderde weinig. Ik wist dat ik iets las wat een lezer diep zou kunnen  raken, iets dat diezelfde lezer iets over zijn of haar eigen leven kon bijbrengen over berusting, lijdzame fierheid, tragische aanvaarding van het eigen lot, van ieders lot – maar ik was niet die lezer. Of niet meer. Er moest een manier zijn om deze tekst te lezen zonder dat het woord ‘zelfbeklag’ bij je opkwam, waar zich dan op een gegeven moment ook nog het bijvoeglijk naamwoord ‘koket’ voor wurmde, maar ik kende die manier niet. 

Wacht, ik pak het boek er even bij en sla het op een willekeurige plek open.

Het vereist enige geestelijke moed van een mens om onverschrokken te erkennen dat hij niet méér is dan een menselijk vod, een overlevende miskraam, gek op de rand van opname […]

Nee, dat gaat niet, ik word geestelijk moedeloos van zo’n opmerking. ‘Ach, wie zal mij redden van te bestaan?’ vind ik ook nog ergens, al bladerend.

Waar is mijn antenne voor het tragische gebleven, ik had dit veel eerder moeten lezen, op mijn vijfentwintigste, overdag met de gordijnen dicht, gezellig Joy Division erbij opgezet, dát was de goede tijd geweest voor dit soort zelfkwellende berusting, toen was ik daar oud genoeg voor, als lezer ben je als vijfentwintigjarige op je oudst…

*

Toch zie ik het ook als een gebrek van mezelf dat ik deze teksten niet weet te waarderen. Ik heb het boek bovendien bij lange niet helemaal gelezen, dus wat kan ik er nu eigenlijk over zeggen? Dat ik er zelf rusteloos van word, rusteloos genoeg om dit boek weg te leggen en een ander open te slaan; maar toch met enige spijt en een niet helemaal zuiver geweten.

Met Cioran ging dat makkelijker. Ik kocht, ook tweedehands, maar deze keer in Arnhem, Geboren zijn is ongemak, een van de in het Nederlands vertaalde boeken van de Roemeense filosoof-aforist, in een mooie synopsis-editie uit 1984. Ook deze schrijver zweefde al jaren in de wolk Veelbelovende Auteurs Aan Wie Je Door Eigen Laksheid Nog Niet Was Toegekomen, wat kon er mis gaan – nou, alles eigenlijk. Om er poëzie van te maken: ik schoot in de lach/ van zoveel zelfbeklag.

Ciorans aforismen waren kernachtiger dan die van Pessoa, maar niet beter. Een boek als een monotone dreun, bijna elk aforisme was een variatie op de titel, zodat je de man al na een paar onzalige pagina’s zou willen toeroepen: ‘Get over it!’ Natuurlijk heeft hij gelijk, geboren zijn is ongemak, zeker wanneer de luieruitslag toeslaat en de eerste tandjes doorkomen, maar kan je niet éven opkijken, naar buiten kijken? Van Cioran is bekend (maar deze anekdote verzin ik ter plekke) dat hij alleen maar naar buiten keek als het donker was, zodat hij in het raam de weerspiegeling van zijn eigen gezicht zag, en niets anders.

Dat het tussen Cioran en mij niet boterde kwam misschien ook uit het wat al te hagiografische nawoord dat de editie bevatte die ik had gekocht, geschreven door Fred Backus. Ergens citeert hij uit een brief van Cioran:

Ik heb in een dorp, niet ver van Nanter, enkele dagen als metselaar gewerkt. Alleen het handwerk kan me bevrijden van mijn onthopen. Voor de rest ben ik als Hadewijch: Mi gruwelt dat ic leve.

Was dan gewoon blijven door metselen, ben je dan geneigd te zeggen. Dat ‘enkele dagen’ klinkt toch een beetje aanstellerig, als een intellectueel die een middag lang helpt met de oogst om zich even verbonden te voelen met de landarbeider, en om die heerlijke spierpijn de volgende ochtend. Ik weet verder weinig of niets van Cioran, dus misschien doe ik hem met deze opmerkingen groot onrecht. Wie weet is hij toen van een steiger gevallen of waren na enkele dagen alle stenen op.

*

Maar iets weet ik toch wel over Cioran, want in De Groene Amsterdammer van 24 maart las ik een artikel van Marijn Kruk dat ‘De privileges van een aristocraat’ heet. Kruk schrijft over Le consentement, het boek waarin Vanessa Springora afrekent met de Franse schrijver Gabriel Matzneff, die jarenlang relaties had met pubermeisjes, onder wie Springora, en daarover schreef, en daar mee weg kwam. In haar boek beschrijft Springora hoe ze als zestienjarige haar toevlucht zoekt bij Cioran, een vriend en mentor van Matzneff. Ze is wanhopig omdat Matzneff haar weer eens heeft bedrogen.

Nu staat ze ineens in de huiskamer van de beroemde misantroop. Ze legt uit dat ze het niet meer aankan, de leugens, de mysterieuze absenties, de meisjes die aan de deur komen kloppen. ‘Vanessa’, zo onderbreekt hij haar, ‘Matzneff is een kunstenaar, un très grand écrivain, en op een dag zal de wereld zich daar rekenschap van geven […] Hij bewijst je een enorme eer door jou uit te kiezen. Jouw rol is het om hem te begeleiden op de weg van de schepping, en je te voegen naar zijn grillen.’

Zie je wel, denk ik als ik dit lees, ’t is een grote lul, die Cioran, een bombastische zak, heb ik even gelijk dat ik die teksten van hem nooit serieus genomen heb. Ja ja, literatuur gaat vóór het leven, vooral het leven van anderen dan; het eigen leven wordt koket beklaagd, het leven van anderen niet serieus genomen.

Maar die vreugde deugt natuurlijk niet, al was het alleen maar omdat ze gepaard gaat met gevoelens van superioriteit ten opzichte van iedereen die Ciorans teksten al die jaren wel vol bedachtzame eerbied en trage knikken van herkenning tot zich heeft genomen.


Want stel dat het hier om een schrijver was gegaan wiens werk ik wel bewonderde, dan had ik uiteraard de oude waarheid van stal gehaald dat je auteur en werk van elkaar moet kunnen scheiden, dat je gedrag en oeuvre los van elkaar moet kunnen zien, dat waarde van een werk niet tenietgedaan wordt door gedrag van de maker dat misschien wel jaren voor of na de productie van het werk in kwestie plaatsvond. Et cetera. En de naam die dan meteen bij iedereen opkomt is Céline, en laat ik nu net als lid van leesclub De Kapsalon diens Reis naar het einde van de nacht aan het herlezen zijn.

Ook dat boek valt bij tweede lezing niet mee. Ik las het lang geleden voor het eerst, misschien wel overdag met de gordijnen dicht, of iets later – van die lezing kan ik me eigenlijk alleen nog maar herinneren dat ik er om een of andere reden vanuit was gegaan dat de hele roman zich tijdens de Eerste Wereldoorlog afspeelde; en dus was ik nogal verbijsterd toen de loopgraven al na een bladzij of zeventig werden verlaten en de rest van het verhaal zich honderden pagina’s lang afspeelde in het interbellum.

En ja, ook bij Céline volop nihilisme over de menselijke conditie. In dit geval verwoord op een stoere toon die ooit vernieuwend zal zijn geweest maar die nu algauw een beetje gaat vervelen.

*

Céline, Cioran en Pessoa: bien étonnés de se trouver ensemble, ongetwijfeld, maar toch lijkt het even een logisch verbond. Céline heeft zijn aforismen tenminste nog op enige afstand van elkaar gezet en de tussenruimte opgevuld met verhaal, dat heeft als voordeel dat er bij hem sprake is van een wereld, en andere personages dan alleen de verteller. En er is ook ontroering, maar die verdrinkt helaas voortdurend in een lauwzout bad van sentimentaliteit. Bij Cioran en Pessoa is die sentimentaliteit ook aanwezig, maar bij hen zit het tussen de regels. Hoe hard en stoer ze op het eerste gezicht ook klinkt, zelfbeklag is zacht beklag. En dan zijn de waterlanders nooit ver weg. Kom hier, mama heeft een zakdoek.

Misschien zijn deze drie, hier min of meer toevallig samengeworpen auteurs vooral geschikt voor oudere lezers die dat übersentimentele boek uit hun jeugd nooit helemaal te boven zijn gekomen en terug willen vinden in alles wat ze lezen: Kees de jongen.

Over bien étonnés gesproken. Ik zie leesclubs voor me vol mannen op leeftijd die zichzelf jongens zijn blijven noemen, met half lang haar en truien onder hun colbertjes, tranen wegslikkend terwijl ze hun Pessoa, Cioran, Céline en Theo Thijssen lezen; en zich in stilte verheugend over die tranen, en hun ontgoocheling koesterend.

Ik zal me voor dit karikaturale beeld van leesclub Mama’s Zakdoek straffen door Het boek der rusteloosheid van a tot z te lezen en wie weet verwijder ik Pessoa dan alsnog uit deze toch vrij wankele en associatieve vergelijking. Hoewel, ik kan in plaats daarvan ook een volgend boek van China Mieville lezen, ik heb er nog eentje staan.

*

Nu ik dit nog eens overlees: eigenlijk is dit hele stuk een pleidooi voor humor.

Geplaatst in lezen | Tags: , , , , , , , , | 7 reacties

meijsing en mulisch, of: de (her)ontdekking van de grachtengordel

De grachtengordel van Geerten Meijsing las ik voor het eerst in 1993, een jaar nadat deze ‘sleutelroman over het Amsterdamse literaire wereldje’ was uitgekomen. Een paar weken geleden kocht ik de nieuwe editie die vorig jaar uitkwam en las ik de roman voor de tweede keer.  

In 1993 was ik dertig. Drie jaar later zou ik als schrijver debuteren – ik las een roman over een wereld waar ik onderdeel van wilde zijn.

Als je bij een wereld wilt horen maakt het niet uit hoe die wereld beschreven wordt; dat hij beschreven wordt is belangrijk, het feit van de beschrijving bevestigt het belang van die wereld. Als een waarschuwing las ik het boek in ieder geval niet. (‘Ga die wééreld uit,’ hoor ik nu opeens Frank Boeijen zingen.)

Hoe ik het boek wel las? Met overmoed, waarschijnlijk. Als jongere lezer vereenzelvig je je met het streven, niet met de frustratie. Het streven deelde ik, de frustratie was voor ouderen – alsof ik eeuwig dertig zou blijven. Het is vergelijkbaar met hoe ik in die tijd Nescio las: met (verlangende) herkenning als het ging om het streven van de personages, met minzaamheid als het ging over hun latere capitulatie of ondergang. Als je op een gegeven moment de leeftijd van capitulatie en ondergang hebt bereikt, denk je met lichte gêne terug aan die minzaamheid. De ontwikkeling van een lezer komt neer op het verliezen van overmoed.

*

Veel zal me zijn ontgaan toen ik De grachtengordel voor het eerst las. De recente herdruk is voorzien van een uitgebreid nawoord van de auteur, een ‘who’s (ongeveer) who’ en een register, maar bij de eerste uitgave zat geen sleutel. Ik was al blij wanneer ik iemand meende te herkennen. (‘Is dat Zwagerman, is dat Jessica Durlacher?’)

Nu, bij mijn tweede lezing, ben ik inmiddels een kwarteeuw schrijver, en herken ik meer. En dan gaat het niet om wie voor wie model heeft gestaan, dat is het eigenlijk het minst interessante aspect van het boek.

Ik herken de frustraties, de hoop, het gedoe, de uitgevers, de hoogmoed, de jaloezie, de onzekerheid, de verbetenheid, het verlangen naar erkenning, het verlangen naar zuiverheid, de desillusie, de ontgoocheling – al die zaken zijn van alle tijden, zeker als het om schrijvers gaat. ‘Schrijver’ is een beroep dat geen beroep is, een zelf in het leven geroepen roeping, een naïef idee van compleetheid en vervuldheid dat zich nooit (of toch tenminste nooit langer dan twee seconden) in de werkelijkheid manifesteert. Door hun hoog opgeschroefde verwachtingen organiseren schrijvers hun eigen teleurstelling. Ze staan te schreeuwen in een berglandschap waarin echo geen natuurwet is.

Bij schrijvers is er niets nieuws onder de zon, je komt al deze zaken ook al tegen in New Grub Street van George Gissing (uit 1891), niet toevallig een van Meijsings favoriete romans. Alhoewel: misschien is er toch een verschil, misschien waren Gissings en Meijsings schrijvers eenzamer dan hun huidige collega’s omdat het internet nog geen rol speelde, laat staan sociale media. Ze hadden maar één versie van zichzelf, die ze alleen maar aan anderen konden tonen in de echte wereld. Ze moesten elkaar tegenkomen, ze moesten naar buiten; elke ontmoeting betekende dat tenminste één van het gezelschap zijn of haar eigen woning had verlaten. Wat ze lieten zien konden ze niet wissen, retoucheren of vergezeld laten gaan van een ergens vandaan gehaalde stemmige foto die op een vage manier precies uitdrukte hoe ze zich voelden – of: hoe ze zich wilden voelen, of hoe ze wilden dat de ander dacht dat zij zich voelden. Maar dat is niet het opheffen van eenzaamheid, het is het capitonneren van je eenzaamheid met een steeds weer verversbare versie van jezelf. Dat geldt overigens niet alleen voor schrijvers. Je hebt nu een spiegel die je kunt omkeren naar het publiek zonder dat je spiegelbeeld verloren gaat.

*

Wat me vooral opvalt bij herlezing van De grachtengordel is hoe goed het boek is, hoe goed het in elkaar zit ook, met de niet-chronologische opbouw, de stijlpastiches, de prachtige ingreep om uitgerekend het moment van de prijsuitreiking niet te beschrijven. Dat zal me allemaal zijn ontgaan, dertig jaar geleden, vrees ik. Ik zal toen gedacht hebben dat iemand wraak nam op zijn wereld. Maar iemand neemt vooral wraak op zichzelf. De roman is geen afrekening, het beschrijft afrekeningen. Het is niet larmoyant, het beschrijft larmoyantie. Het is, misschien nog het meest, een verkenning. En de verkenner van dienst, die tegelijk deelnemer is, beweegt zich gejaagd door een gejaagde kleine claustrofobische wereld vol verdoemden. (Een van de motto’s van het boek is van Gissing en beschrijft het literaire bedrijf als ‘a trade of the damned’.) Achteraf lijkt het alsof het hoofdpersonage, de schrijver Provenier, voortdurend met grote passen op weg is door Amsterdamse straten in een gele schemering met donkerpaarse gekartelde wolken. Zelfs de rustige Rooseveltlaan krijgt een apocalyptische glans. (Hij zit meer in taxi’s dan dat hij daadwerkelijk rondloopt geloof ik, maar het gaat om het beeld dat in je opkomt wanneer je na lezing je oog nog eens op het boek laat vallen; kijk, daar gaat Provenier, in zijn schemerwereld, gejaagd op weg in een stad die in eeuwige schemering is verzonken.)

Het uitgebreide nawoord van de nieuwe editie is misschien ál te uitgebreid, maar het roept wel reminiscenties op met door Penguin Classics of Oxford University Press heruitgegeven klassieken – al zijn bij die boeken de nawoorden doorgaans niet door de auteur zelf geschreven, zoals hier wel het geval is. Toch is het niet onterecht, deze associatie met die classics. Als we uit de jaren negentig één klassieker mogen meenemen, dan toch eerder De grachtengordel dan, om maar eens wat te noemen, De ontdekking van de hemel.

*

Dat magnum opus van Harry Mulisch kwam ook uit in 1992, maar ik heb het destijds niet gelezen. Pas een paar jaar geleden las ik het voor het eerst, ik zal nooit weten wat mijn jongere ik ervan gevonden zou hebben. Toen ik het uiteindelijk las vond ik het vooral een mal boek. Met goede delen, dat wel, zoals het deel waarin Quinten op een kasteel verblijft waar alle andere bewoners hem stuk voor stuk een kunde bijbrengen die hij later nodig zal hebben voor het vervullen van zijn opdracht. Goed gevonden, ik moest meteen aan Tonke Dragt denken. (Over klassiekers gesproken.)

Het grootste probleem van De ontdekking van de hemel is dat het verhaal zich veel te laat afspeelt. Dat hele idee dat door de opkomst van wetenschap en techniek, ‘de onttovering van de wereld’, de mensheid het contract met God heeft opgezegd en dat daarom de tafelen met de Tien Geboden terug moeten – dat doet in een twintigste-eeuwse setting toch een beetje achterhaald en ouderwets aan. Mulisch had er beter een historische roman van kunnen maken; wanneer het verhaal zich in de zeventiende of achttiende eeuw had afgespeeld had er meer op het spel gestaan, was het verhaal  ‘eigentijdser’ geworden. Mooier nog was het geweest wanneer Mulisch het boek in de zeventiende of achttiende eeuw had geschreven. Maar zoiets zou waarschijnlijk zelfs de krachten van een Mulisch te boven zijn gegaan.

Je zou bijna nog gaan hopen dat een uitgever of een fonds ooit een schrijver de opdracht geeft om De ontdekking van de hemel te herschrijven als historische roman, om te zien hoe dat zou uitpakken. Of meerdere schrijvers, die elk het boek zich in een andere tijd laten afspelen. En daarna kunnen ook andere romans in een andere periode worden geplaatst, waarom niet, een nieuw genre dient zich aan. Max Havelaar aan de vooravond van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, Kleine Johannes in de jaren zestig, Gimmick in de jaren vijftig, Lijmen/Het been eind jaren tachtig, De grachtengordel in 2021.  

Geplaatst in lezen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

gratis aangeboden: fragment voor schrijvers m/v die bezig zijn aan een dystopische roman (en wie is dat niet, tegenwoordig)

[…]

In die tijd, tegen het midden van de eenentwintigste eeuw, begonnen ook de eerste processen tegen romanpersonages. Sommige historici trokken meteen parallellen met de rechtszaken die in de middeleeuwen tegen dieren waren aangespannen maar hen werd algauw duidelijk gemaakt dat het hier om iets anders ging en dat we inmiddels niet meer in die middeleeuwen in kwestie leefden.

De eerste maanden werden aangeklaagde personages voornamelijk veroordeeld wegens discriminatie, minachting voor het andere geslacht, toxische masculiniteit, bordeelbezoek, gebruik van drugs, het bezigen van inmiddels niet meer acceptabele terminologie en het onvermogen te leren van het verleden, hoewel er ook personages om andere redenen werden aangeklaagd – zo was er het geruchtmakende proces tegen Holden C. uit The Catcher in the Rye, die werd veroordeeld wegens het zich voordoen als een zestienjarige (de aanklager wist aan te tonen dat Holden minstens een al wat ouwelijke man van zesentwintig moest zijn), en de niet minder beruchte zaak tegen Sal P. en Dean M. uit On the Road wegens het voortdurend zonder doel per auto onderweg zijn en zodoende een niet door nut of noodzaak gepardonneerde bijdrage aan de opwarming van de aarde leverend.

De processen waren goed bezochte bijeenkomsten waar lezers en anti-lezers (in die jaren waren ook de eerste anti-leesclubs ontstaan) zich op de tribune van de rechtszaal verdrongen. Ook werden ze uitgebreid  besproken in talkshows van de publieke omroep als De Rechtse Vooravond en De Iets Minder Rechtse Vooravond, die waren bedoeld om het gehele politieke spectrum te bedienen. Nooit eerder was er op tv en op sociale media zo intensief over literatuur gesproken.

Een nieuw stadium werd bereikt toen de heer Rodion R. uit Misdaad en straf werd aangeklaagd wegens een moord op een hospita die hij in de roman waarin hij de hoofdrol speelde al had bekend. De advocaat van R. voerde aan dat dit een geval was van Ne Bis in Idem, met andere woorden, dat zijn cliënt niet twee keer voor hetzelfde feit kon worden veroordeeld. De aanklager in kwestie, die inmiddels was uitgegroeid tot de grote ster van deze serie processen en luisterde naar de merkwaardige naam Alfons van de Letteren, pareerde de advocaat succesvol met de stelling dat het hier ging om veroordelingen in verschillende dimensies, die van het boek en die van de wereld waarin dat boek werkzaam was, en dat het Ne Bis in Idem-principe alleen geldig was binnen één bepaalde dimensie.

De veroordeling van R. opende de deur tot een vloed van andere processen, waarvan het bekendste ongetwijfeld het massaproces was  dat werd aangespannen tegen de daders uit de verzamelde detectiveromans van Agatha Christie. Niemand van hen ontsnapte de dans, waardoor het percentage  vrouwen onder de veroordeelden ook weer wat steeg.  

Gaandeweg de processen werden Van de Letteren en zijn mede-aanklagers er steeds vaker van beschuldigd dat ze vooral personages van inmiddels overleden schrijvers voor de rechtbank sleepten. Waarschijnlijk toch enigszins geraakt door die kritiek werden er vervolgens meer personages van nog levende auteurs gedaagd. Dit veranderde weinig aan de procedures, aangezien er voor de schrijvers geen enkele rol was weggelegd. Die moesten zich elders maar verantwoorden, mochten ze daar behoefte aan hebben; er werd voor dat doel zelfs een bescheiden subsidiebedrag vrijgemaakt.

Telkens wanneer een personage was veroordeeld (van vrijspraak was eigenlijk nooit sprake) werd een symbolisch aantal exemplaren van de roman waarin het desbetreffende personage optrad (doorgaans ging het om enkele honderden exemplaren; soms moest er worden bijgedrukt) opgestapeld in een cel van een tot een gevangenis omgebouwde vleugel van het Letterenmuseum, waarna die cel symbolisch, maar wel met echte stenen, werd dichtgemetseld. Lezers en anti-lezers werden uitgenodigd in hun directe omgeving hetzelfde te doen met hun eigen exemplaren, en zo verschenen op de trottoirs van de witte middenklassewijken de inmiddels niet meer uit het straatbeeld weg te denken houten gevangeniskastjes waarin buurtbewoners hun besmette romans kwijt konden. Elk gevuld kastje werd vervolgens door een buurtcoördinator verzegeld. Dat die gevangeniskastjes grote overeenkomst vertoonden met de weggeefboekenkastjes die enige decennia eerder in diezelfde wijken zo populair waren geweest, was geen toeval: veel van die gevangeniskastjes waren omgebouwde weggeefkastjes die ergens uit een schuurtje of kelder waren opgediept.

Geplaatst in leven, lezen | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

PS bij wát voor membranen?

Nadat ik gisteren de voorgaande blogpost had geplaatst, viel het nieuwe nummer van De Groene Amsterdammer in de digitale brievenbus. In dat nummer recenseert Christiaan Weijts De stem, de nieuwe roman van Jessica Durlacher. En kijk, als je het over de duivel hebt: ook in die recensie valt het woord Netflix.

De stem is ‘doeltreffend geschreven,’ volgens Weijts. En even later: ‘Want filmisch is het. Het is niet moeilijk je een meerdelige Netflix-bewerking voor te stellen.’

Weijts legt nader uit hoe hij tot die gedachte komt: er is sprake van ‘effectief, doelgericht schrijven, met vooruitwijzingen die precies goed gedoseerd zijn […] met een perfect gevoel voor timing en tactisch opgetuigde suspense.’

Blijkbaar is er inderdaad sprake een nieuw recensentencliché: de Netflix-vergelijking, waarbij Netflix duidelijk als soortnaam wordt gebruikt.

Even speculeren: ik heb de indruk dat vrijwel iedereen in onze gezellige bubbel van schrijvers, lezers, recensenten, redacteuren en boekhandelaren, kortom, iedereen die zich professioneel dan wel uit liefde met boeken bezighoudt, te kampen heeft met een lichte verslaving aan streamingdiensten. Eigenlijk zijn we er te veel tijd aan kwijt, eigenlijk zouden we meer boeken moeten lezen! En als we dat dan gaan doen, en vervolgens in romans dingen tegenkomen die kenmerkend zijn voor Netflixseries, zoals timing, suspense, doelgerichte vooruitwijzingen, dan zijn we (of ieder geval: de recensenten) teleurgesteld; want ja zeg, dat kunnen we ook van Netflix krijgen, dáárvoor hebben we de tv of de laptop toch niet uitgezet?! Nu we met een boek op de bank zitten willen we wel waar voor ons geld en onze moeite.

Maar misschien is er ook iets anders aan de hand. Verderop in zijn recensie schrijft Weijts: ‘Toch wordt De stem het sterkst op die momenten dat de achtbaan even pauzeert en [de verteller] een stap opzij doet voor reflectie en introspectie. Dat zorgt voor indringende passages met twijfel en tegenstrijdige gevoelens. Die laag van de roman laat zich niet zomaar in twee, drie zinnen navertellen. Daar begint de literatuur.’

We hebben dus in één roman zowel Netflix als literatuur.

Het ziet er dus naar uit dat voor ons recensenten (ik ben er tenslotte zelf ook een) een nieuwe tool beschikbaar is gekomen om romans te analyseren en te beoordelen. Romans zijn geen eenheid meer, maar een samenstel van elementen. Met onze oordelende blik kunnen we ze in bestanddelen doen uiteenvallen: zoveel delen literatuur, zoveel delen netflix.

Alles zal in toekomstige recensies afhangen van de verhoudingen. Sterren en ballen zullen worden vervangen door grafieken en cirkeldiagrammen. ‘Uiteindelijk bevat deze roman iets te veel netflix.’ ‘Jammer dat in de tweede helft van het boek het tempo daalt omdat de literatuur het overneemt van de netflix.’

‘Netflix, netflix,’ zullen literatuurwetenschappers zich over een aantal decennia afvragen, ‘waar komt die term eigenlijk vandaan?’

‘O, dat was vroeger zo’n dienst waarop je je kon abonneren en dan zag je films en zo.’

‘En literatuur?’

‘Dat weet ik niet precies, dat was wat je zag als je het beeld op zwart zette, geloof ik.’

Geplaatst in lezen, recensie, schrijven | Tags: , , , , , | 2 reacties

wát voor membranen?

Eigenlijk was ik van plan om op deze plek een ander stuk te schrijven, een beknopte analyse van het feit dat bij mijn laatste verhalenbundel lezers (en recensenten) er al te vaak automatisch vanuit gaan dat de verteller een man is als het verhaal verteld wordt in eerste persoon enkelvoud. Iets wat voor de hand ligt als de schrijver, zoals in mijn geval, een man is; maar wat me wel verbaast is hoe hardnekkig lezers ervan overtuigd blijven dat de verteller van het mannelijk geslacht is, ook als er in de tekst steeds meer bewijzen van het tegendeel opduiken.

Ook wilde ik nog een diepgravende mediabeschouwing schrijven die zou culmineren in de lezersvraag of ergens in de indrukwekkende, vele eeuwen bestrijkende geschiedenis van kranten en tijdschriften ooit iemand werkelijk plezier heeft beleefd aan een themanummer.

Maar er diende zich iets anders aan: een opvallend element dat opdook in verscheidene recensies van de laatste roman van Lize Spit.

Daar moet ik natuurlijk helemaal niet over beginnen, dat onderwerp is te dichtbij, terwijl ik dit schrijf zit ik zelfs naast de auteur in kwestie op de bank (of zetel, zoals ze dat meubelstuk hier noemen). Ik zal het dus kort en uiterst objectief houden.

Wat dat laatste betreft (die objectiviteit) is dat eigenlijk wel jammer. In een eerdere versie van dit stuk werden sommige recensenten op sarcastische en soms ronduit kwetsende wijze op hun nummer gezet. Al die fragmenten heb ik eruit gehaald. Ik heb ze wel bewaard, want je weet maar nooit; ze hangen aan de binnenkant van de deur van het keukenkastje waarin we de glazen bewaren die tegen een stootje kunnen. Zodat ik ze toch weer even zie wanneer ik zin heb in iets strafs.

Goed, even kort dan: een aantal recensenten dat moeite met het boek had, maakte de vergelijking met Netflix. Eerst gebeurde dat in De Standaard en op doorbraak.be, een paar weken later werd dezelfde vergelijking in de Volkskrant overgenomen door Onno Blom – die bovendien net dat ene lesuur in de cursus Recenseren voor Beginners bleek te hebben gemist waarin met klem werd benadrukt dat je in je recensie nooit een woordspeling moet maken op de titel van het boek dat je beoordeelt – en als je het dan toch doet, doe het dan niet in de laatste regel.

(Sorry, hier ging iets mis. Ik heb geen idee hoe deze opmerking zich uit het keukenkastje heeft weten te bevrijden. Ik ga even het deurtje goed aanduwen.)

Als meerdere recensenten min of meer tegelijk met eenzelfde vergelijking aankomen, is er meestal sprake van een nieuw cliché, een verwijzing naar ‘iets moderns’ om eigentijdsheid uit te stralen. Al kan in dit geval ook meespelen dat de auteur die naast me op de zetel zit een scenario-opleiding heeft gevolgd – dan is het verband met film of tv zo gelegd.

De vergelijkingen met Netflix waren niet bedoeld als compliment, integendeel, ze waren impliciet of expliciet bedoeld om het literaire karakter van het boek in twijfel te trekken. Het ging hier over de roman als scenario, over de vergelijking van het lezen van het boek met binge watching.

Het waren weer eens ouderwetse poortwachtersrecensies: de recensent als bewaker van het fort van de literatuur die bepaalt wie naar binnen mag en wie niet. Het interessante van de recensies was dat het literaire gehalte van de rest van het boek eigenlijk niet in twijfel werd getrokken, de Netflix-dus-geen-literatuurvergelijking had alleen te maken met de manier waarop het verhaal werd opgebouwd en verteld.

Goede vergelijkingen, mooie beelden = prima. Spanning opbouwen en op die manier lezers meeslepen = niet prima. Ik vat het maar even ongenuanceerd samen. Je zou het ook zo kunnen zeggen: als je er als schrijver voor zorgt dat je lezers je boek in één adem uitlezen, dan moeten we het er nog maar eens over hebben of dat boek wel literatuur is. De recensent van De Groene Amsterdammer had het zelfs over ‘licht weerzinwekkend effectbejag’. Als de middelen waarmee je lezers meesleept betrekking hebben op spanning lijken die middelen per definitie niet literair te zijn.

Als het om spanningsopbouw en meeslepende leeservaringen gaat, kan je je vergelijkingen ook binnen de literatuur zoeken. Kijk naar negentiende-eeuwse romans, van Dickens bijvoorbeeld. Veel van die romans werden bovendien in afleveringen gepubliceerd, mensen verdrongen zich om een nieuwe aflevering te pakken te krijgen.

In afleveringen – hoe Netflix wil je het hebben? Netflix heeft het tenslotte ook niet zelf uitgevonden. We kunnen als poortwachters alle romans die tot binge reading uitnodigen wel buiten het fort willen houden door ze met buiten-literaire zaken te vergelijken, maar het gevaar bestaat dat we dan een literatuur overhouden die vrijwel in z’n geheel bestaat uit semi-autobiografische, semi-essayistische, plotloze verkenningen van individuele levens en generaties. Wat ook bloedmooie romans kan opleveren en heeft opgeleverd, maar waarom zouden we het fort bevolken met een homogene populatie?

Je zou zelfs kunnen aanvoeren dat de literatuur best wat van Netflix mag overnemen – ze heeft zich de afgelopen eeuwen al uitgebreid door de beeldcultuur laten beïnvloeden, en daar zijn we niet slechter van geworden.

Het is hoe dan ook een interessante discussie, al ben ik nu even de laatste die zich ermee moet bemoeien, en heb ik de indruk dat die vrij lokaal is, en bijvoorbeeld in Engelstalige landen veel minder urgent is. Ik vind het altijd zo’n gereformeerde discussie: wie is uitverkoren en wie niet?

De roman in kwestie staat inmiddels op de longlist van de Libris Literatuur Prijs en bevindt zich momenteel dus in het fort, of alle poortwachters het daar nu mee eens zijn of niet.

Maar voor zover dat al niet gebeurd is, mogen de stenen muren van het fort wat mij betreft worden vervangen door permeabele membranen, zoals celwanden: er gaat van alles ongehinderd door, heen en weer, naar beide kanten. Dan zijn er ook geen poorten meer nodig.

Geplaatst in boek, lezen, recensie, schrijven | Tags: , , , , , , | 20 reacties