‘verkwikkend is veelal de arbeid’

janhanloessayprijs

Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , | Een reactie plaatsen

‘bring me home/ to this house of many days’

 

De nieuwe roman van Hanna Bervoets heet Fuzzie en daardoor moet ik aan Dick denken, mijn vroegere bovenbuurman. In 1987 kwamen we tegelijk in de Blankenstraat wonen, ik op twee hoog, hij op drie hoog. Ik had eigenlijk de derde etage willen hebben, omdat de vorige bewoner er op een of andere manier in was geslaagd een ligbad in de douchecel in te bouwen, maar ik kreeg de tweede toegewezen.

Dick was een dikke jongen (dit is puur om het effect, in het echt heette hij anders) die als beveiliger in het Rijksmuseum werkte. Toen ik een dag nadat ik de sleutel had gekregen mijn muren aan het schilderen was, werd ik door Dicks moeder uitgenodigd om boven een kopje koffie te komen drinken. Dicks ouders waren hem aan het helpen met het leggen van hoogpolig tapijt. Dicks vader vroeg wat ik deed. Ik zei dat als barkeeper werkte maar dat ik in september aan een studie filosofie zou beginnen. ‘Filosofie!’ riep Dicks vader, ‘Daar hou ik erg van. Weet je wat mijn filosofie is? Er zijn teveel buitenlanders in ons land.’

We dronken koffie uit breekbare kopjes met een vergulde rand. Er werd gebeld, en Dicks vader trok in het trappenhuis aan het touw. Beneden werd iets geroepen. ‘Wie is het?’ vroeg Dicks moeder. ‘Een neger die komt behangen,’ zei Dicks vader.

‘Wat?’

‘Dat riep die.’

‘Hij riep: een neger die komt behangen?’

‘Ja. Dick, heb jij een neger besteld?’

‘Nee,’ zei Dick. Met z’n drieën stonden  ze bij de deur te wachten. Er verscheen een blanke jongen met stekeltjeshaar in een net pak. ‘De Lange,’ stelde hij zich voor. ‘Van de verzekering.’

‘We dachten dat u een neger was die kwam behangen,’ zei Dicks vader.

‘O?’ De jongen keek hem onzeker aan.

Wat riep u nu beneden?’

‘Verzekeringen, De Lange.’

Er werd gelachen, het misverstand werd nog eens gezamenlijk herkauwd en gedeeld, De Lange kreeg ook koffie, het leek me een goed moment om naar beneden te gaan en verder te gaan met mijn muren.

Toen ik een week later verhuisde zag Dick me een doos lp’s de trap opdragen. ‘Allemaal opera zeker?’

*

Elke dag hoorde ik Dik zich hijgend en puffend door het smalle trappenhuis omhoog werken, maar een aantal jaren later ging het hem gemakkelijker af – hij was gaan trainen, met een aantal vrienden, vlak boven mijn hoofd, zo nu en dan viel er met ontstellend geweld een gewicht op de vloer, later hoorde ik de schotenwisselingen van de films waarnaar ze keken. Ik kwam het groepje wel eens tegen op de trap (dan moest ik teruglopen naar boven, het was geen trap waarop je elkaar kon passeren), geen jongens met wie je ruzie moest krijgen.

Toen een overstroming van Dicks ligbad het plafond van mijn douchecel onherstelbaar had beschadigd, kwam de afgetrainde, gespierde Dick een nieuw plafonnetje voor me maken, buiten de woningbouwvereniging om. Een paar avonden lang was hij opgewekt bezig, hij werkte het allemaal goed af, likje verf erover, klaar. Het was lastig om met hem te praten zonder te vervallen in een gretig soort minzaamheid, maar gelukkig hielden we allebei van Mister Bean en konden we scènes uitwisselen. (‘Have you got the turkey on?’). Mijn eerste boek was net uit en daar wilde hij wel een exemplaar van hebben, gewoon, om eens in te kijken, later vertelde hij dat hij om de eerste pagina had moeten lachen en dat hij de titel had doorgegeven aan iemand die graag las, want je weet maar nooit, zo iemand gaat het dan kopen en kan het aan anderen aanraden. Als ruil voor mijn boek gaf hij me een stapeltje cd’s die van het vriendje van een nichtje waren geweest. Dat vriendje had het nichtje niet al te goed behandeld, hij had wat cd’s bij haar laten liggen en die kreeg hij natuurlijk niet terug, het was indiemuziek, misschien had ik er wat aan, zelf hield Dick van andere muziek en hij wist inmiddels dat ik geen opera’s draaide.

Het verhaal over dat vriendje was wat vaag, ergens school de dreiging van al dan niet uitgevoerd geweld, alsof de jongen er niet zonder kleerscheuren vanaf was gekomen, daarom bleven die cd’s altijd een beetje besmet, maar ik draaide ze wel. Ik had ze kunnen weigeren, ik had naar het hele verhaal kunnen vragen, maar dat deed ik niet, net zoals ik ooit, jaren geleden, de filosofie van zijn vader niet had tegengesproken. Wel voelde ik een vaag medelijden met de jongen, ook omdat hij van hetzelfde soort muziek hield als ik. Er zaten twee cd’s van Grant Lee Buffalo bij het stapeltje. Ik kende alleen de naam. Melancholische liedjes die een beetje sleepten en soms wat temerig werden – ik draaide ze veel, het waren nummers die lang in je hoofd bleven hangen,  het sombere ‘Happiness’ bijvoorbeeld,  maar vooral toch ‘Fuzzy’.

Geplaatst in leven, muziek | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

met ongeknipte nagels over straat

 

van der elsken.png

Met Chrétien Breukers naar de tentoonstelling van Ed van der Elsken in het Stedelijk. De tentoonstelling is al net zo onoverzichtelijk als het museum-na-de-verbouwing. Er zijn witte zalen die elk aan een aparte locatie zijn gewijd, aan begin en eind zijn er zwarte zalen met vitrines en filmloops en waar je dezelfde dingen tegenkomt als in de witte zalen, maar dan toch anders. Veel kende ik al, het wilde maar niet indrukwekkend worden, misschien ontbrak het ons ook aan de nodige concentratie. Of misschien hou ik gewoon niet zo van het extraverte geklofte jongenimage dat Van der Elsken zich aanmat. In de jaren vijftig was hij op zijn best.

Filmbeelden van Amsterdam zoals het ooit was doen het altijd goed, omdat het vergelijkingsmateriaal is. Gruiziger, die stad van vroeger, en met veel meer kaalslag. De afbraak van de jodenbuurt, de met onkruid overwoekerde woestijn waar ooit de Stopera zou worden opgetrokken – het is allemaal zo lang geleden dat die Stopera inmiddels aan haar eerste ingrijpende renovatie toe is.

De stad zag er terloopser uit, geïmproviseerder, en de mensen ook. Kijk naar de vrolijke, kleurige straatbeelden uit begin jaren tachtig, uit Van der Elskens film My Amsterdam. (Dat is ook weer zoiets, die irritante toe-eigening met dat bezittelijke voornaamwoord). Het is alsof al die mensen hun eigen kleren droegen, terwijl we nu door winkels worden aangekleed. Kijk naar de punkjongen op 11.49. Hondenhalsband, colbertje, groen shirt met panterprint, die ontelbare buttons, alles in orde, en dan daarboven het metalen montuur met dubbele neusbrug dat hij ooit nog in de slaapstad waar hij is opgegroeid met zijn moeder heeft uitgezocht bij het plaatselijke filiaal van de Brilmij. Het heeft iets onbekommerds, ‘Nu is het al af’, waarom zou je naar perfectie streven, je ziet toch al dat ik besta?

Het grote zandstralen moest nog beginnen, in het centrum en de negentiende-eeuwse gordel. Toen heerste daar nog duisternis. Nu is alles veel mooier, opgeknapt, autoluw, gerenoveerd, gegentrificeerd, en wij lopen er ook beter bij, gekapt, gesaneerd, met de juiste schoenen. Voor wie doen we dat eigenlijk allemaal? Verwachten we iemand? De stad legt nu een nieuwe entree aan die daadwerkelijk De Rode Loper heet. Voor wie? Wat doen we als Hij of Zij niet komt?

Na het bezoek aan het Stedelijk aten we met Metsike bij Nieuw Albina op de Albert Cuyp. Daarna liepen we even door de Govert Flinckstraat om het pand te zien waar Chrétien ooit woonde. De avond viel, de straat waar we doorheen liepen was nog niet gezandstraald, hier en daar zaten nog de kunststof kozijnen in de gevel die er in de jaren tachtig in waren geduwd. Het is er allemaal nog, waar zou het ook naartoe moeten zijn gereisd. Een dag later liep ik van huis naar de OBA. Overal schemerde de oude stad. Er liggen laagjes over het verleden, maar met een goed geheugen en een nagel die scherp genoeg is om die laagjes weg te krabben blijkt er weinig veranderd. Onder het plaveisel nog steeds drijfzand.

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , | 3 reacties

de jogger die mensen erop wees dat het niet meer regende

Gustave_Caillebotte_-_Jour_de_pluie_à_Paris

Een stem uit het niets, vlak achter me: ‘Het is opgehouden met regenen, hoor!’

Ik keek op, hij was me al voorbij: een jogger, met felroze schoenen. Ik kantelde mijn paraplu opzij, inderdaad, het regende niet meer, ik klapte mijn paraplu in.

De jogger had de volgende passant bereikt, ‘Het regent niet meer!’, en ook die passant liet zijn paraplu zakken. En zo ging hij door, over het brede, drukke trottoir dat nog glom van de regen die zojuist was opgehouden te vallen. De ene na de andere paraplu werd ingeklapt.

De jogger die mensen erop wees dat het niet meer regende. Alsof hij dit altijd deed, alsof hij zijn rondjes hierop afstemde. Paraplu’s klapten zich in in zijn kielzog, waar hij ook ging.

Aan het eind van de straat riep iemand dat hij dat zelf wel uitmaakte. Een tweede passant haalde uit met zijn paraplu, de jogger pakte hem af en gooide hem in de goot, daarna rende hij door, achtervolgd door degene wiens paraplu half ingeklapt in de goot lag.

Ik dacht na over wat ik had gezien. Het was begonnen als fictie, maar geëindigd als chaotische, onvoorspelbare werkelijkheid. Aanvankelijk was ik tevreden met deze conclusie, maar nog voor ik thuis was verwierp ik ’m als sentimenteel en niet ter zake doende.

 

(afbeelding: Caillebotte, Rue de Paris, temps de pluie)

 

Geplaatst in verhalen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

googles paden zijn duister…

zachte-stressballen-inzoom

Een berichtje van Popo Kabaka, van het onvolprezen blog Tintin Perdu, naar aanleiding van mijn vorige blogpost over de latte-generatie. Ook hij had  ‘zacht van buiten, hard van binnen’  gegoogeld, maar in tegenstelling tot mij was hij niet beland bij een site over kindertassen, maar bij een bedrijf (Senso-Care) dat o.a. stressballen verkoopt – en die stressballen zijn, inderdaad, zacht van buiten, hard van binnen. (En zien er uit als kleurige, sterk vergrote virussen.)

Je zou je dus kunnen afvragen of we de nieuwe schrijversgeneratie in plaats van de cutie-generatie niet de stressbalgeneratie moeten noemen, maar veel belangrijker is de vraag waarom Google mij (kinderloos, een en al stress) bij het invoeren van de zin ‘zacht van buiten, hard van binnen’ bij kindertassen laat uitkomen, en niet bij stressballen. Hebben ze daar hun algoritmes wel allemaal op orde? Of valt uit mijn zoekhistorie van de afgelopen jaren inderdaad een logisch pad naar kleurige tassen voor kleuters af te leiden? Misschien moet ik dan zelf ook even mijn zoekgeschiedenis bekijken. Vluchten kan niet meer, en ik ben me van geen kwaad bewust, maar wie weet welke autoriteiten nu al fronsend aantekeningen zitten te maken. Dus google, als jullie meekijken (‘als’… hahaha), ik wil ook naar stressballen worden doorverwezen! Nu meer dan ooit.

 

(afbeelding: stressballen van senso-care)

 

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

latte met een harde kern

4x-keer-Cover-Schrijvers-Gids-2 (2)backpack_cuties_polka_ladybird_

Vrij Nederland bracht de Jonge Schrijvers Gids uit, waarin aandacht voor schrijvers onder de 35 (onder wie sommige ook weer ouder zijn dan 35, want in de literatuur is niets eenvoudig en eenduidig).  De jonge schrijvers vormen volgens VN de latte-generatie. Niet neerbuigend bedoeld, ‘want de échte Italiaanse latte is zacht van buiten en bezit een verrassend harde kern.’

Dat latte een harde kern heeft, wist ik niet. Volgende keer zal ik er op letten, bij de Coffee Company. Ik vrees het ergste. En wie heeft die harde kern eigenlijk, de generatie of de afzonderlijke auteurs? En is het hebben van een harde kern een verdienste?  Als ik de woorden ‘harde kern’ hoor, gaat het meestal over om zich heen meppende hooligans.

Die harde kern van de latte is er natuurlijk later bij verzonnen, om de pil te vergulden. Latte-generatie? Als ik ‘zacht van buiten, hard van binnen’ googel, kom ik terecht op de site van Van Beek Lederwaren, die met die slogan een collectie kindertassen aanprijst. ‘De super schattige tassen van The Cuties and Pals, hard van binnen, zacht van buiten.’

Dat is het: niet de latte-generatie, maar de Cutie-generatie.

 

 

(afbeeldingen afkomstig van de site van Vrij Nederland en de site van Van Beek lederwaren)
Geplaatst in lezen, schrijven | Tags: , , , | 1 reactie

harde knallen in het bos

knal

Tegen zes uur ’s avonds loop ik van Huizen naar station Naarden-Bussum, onder een grijze, dreigende hemel. Op het zandpad door het bos word ik aangesproken door een jonge wandelaar met zwart haar en een donkere jas, type jonge dichter die economie is gaan studeren omdat hij aan zag komen dat hij het qua levensonderhoud niet van de poëzie zou moeten hebben, maar die nu hij voortdurend voor al zijn tentamens zakt zich ernstig afvraagt of hij toch niet voor een letterenstudie had moeten kiezen. (Ik hou wel van gedetailleerde typeringen.) Hij vraagt of hij me wat mag vragen, en hij vraagt: hoorde u zo-even ook die knal?

Nee, ik was in gedachten, antwoord ik.

O sorry, zegt hij. Blijkbaar vindt hij het vervelend dat hij me bij die gedachten stoort.

Wat voor knal? vraag ik.

Nou, dáár (hij wijst in de richting van het bos rechts, achter de heuvel met de twee bankjes die over de Tafelbergse hei uitkijken, nu nog onzichtbaar) en dan rolde het geluid zo verder hier langs. Hij is een beetje ongerust merk ik, maar hij houdt zich groot en als ik nogmaals zeg dat ik niets heb gehoord, zegt hij dat we er maar niet meteen het ergste van moeten denken.

Nee, zeg ik, en als ik doorloop bedenk ik dat ik hem had moeten vragen wat hij dan als ‘het ergste’ beschouwde. Terrorisme? Een afrekening binnen het criminele circuit? Een gek die op wandelaars schiet? Trump die een oorlog tegen de Gooi- en Vechtstreek begint?

Ik loop verder, de hei op, langs de heuvel met de bankjes. Rechts van me bevindt zich het bos waar de knal moet hebben geklonken. De zandweg die er langs loopt heet de Weg langs de Twaalf Schepsels, ontdekte ik laatst. Ik heb geen idee wie die Twaalf Schepsels waren, misschien zijn ze daar ooit met z’n allen op een gruwelijke manier aan hun eind gekomen en nemen ze nu wraak op poëtisch aangelegde wandelaars door middel van harde knallen waarvan de echo wegrolt door het bos.

Alles goed en wel, maar ik ben toch een beetje ongerust merk ik. De avond valt, de dichter is doorgelopen richting Huizen, uitgerekend nu is er in de wijde omtrek (ik overzie de hele heide) niemand te bekennen, geen fietser, geen wandelaar – alsof iedereen dekking heeft gezocht. Het heideveld is opeens groot en onherbergzaam, ook al hoor je overal het verkeer van de N527 en zie je aan de tegenoverliggende bosrand de lichtjes van restaurant De Tafelberg. Alerter dan normaal loop ik door, langs het veld waar vorig jaar altijd een roodborsttapuit een stukje meevloog, van struiktop tot struiktop. Uit het bos rechts klinkt opeens een klap, alsof er met karbiet wordt geschoten, misschien is het gewoon een van die hekken bij het wildrooster dat dichtklapt. Ik zie geen rook boven de boomtoppen.

Ik sla linksaf en steek het heideveld over. Het bos bevindt zich nu achter me, en ik denk: ik ben niet in de rug gedekt. En hoewel het allemaal niet ernstig is, eerder een spel dan ernst, is dit toch een gedachte die ik op dit punt nooit heb gehad en comfortabel voelt het niet.

Misschien spreekt die beleefde jonge dichter wandelaars aan om ze met zelfverzonnen knallen uit hun comfortzone te halen, om ze met aangescherpte zintuigen hun omgeving te laten ervaren. Dat is hem dan redelijk gelukt – wie weet is hij in dienst bij een natuurbeheersorganisatie die het allemaal wat spannender wil maken voor de mensen.

Maar als ik bijna aan de overkant van de hei ben beland, hoor ik vanuit dat bos achter me dan toch een harde, doffe knal, met een nagalm die door het bos rolt.

Vuurwerk? Ik keer me om. Nog steeds geen rook boven de boomtoppen. Oefenende soldaten? Dat zal wel niet. Toen ik elf, twaalf was woonden we een paar jaar in Harskamp, vlakbij het schietterrein, en hoorden we voortdurend van dit soort geluiden, misschien dat deze knal me daardoor nu, veertig jaar later, niet erg verontrust. Even later hoor ik nog zo’n knal, ik loop rustig door, is dit alles, het voorspel was spannender, bovendien ben ik nu ver uit de buurt van wat er ook gaande is.

Het zou mooi zijn als nu vanuit de bosrand de poëtische student aan kwam rennen, zwaaiend met zijn armen en dingen roepend als: Er is niets aan de hand! of: Maak dat je wegkomt, we zijn allemaal verloren! of desnoods: Om mijn oud woonhuis peppels staan! – maar hij laat het afweten.

 

(afbeelding: Wikipedia)
Geplaatst in verhalen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen