iedereen deed mee

 

220px-bahnhofsuhrzuerich_p1050253

Wat we deden toen de tijdmachine bleek te werken: we gingen naar voetbalwedstrijden. Geen historische finales, geen legendarische wedstrijden van voor onze tijd, daar ging het ons niet om, we bezochten wedstrijden die een paar dagen geleden waren gespeeld en waarvan we het verslag op tv hadden gezien, al dan niet in samenvatting. Natuurlijk was het gezicht op de wedstrijd vanaf de tribune anders, statischer, dan thuis voor de tv, maar niets verraste ons echt. De kalme vervreemding waarmee we keken naar wedstrijden waarvan wij de hoogtepunten en de uitslag al kenden, had op ons een ontspannende uitwerking. Het was alsof speciaal voor ons een stuk werd opgevoerd waarvan wij de tekst thuis al hadden gelezen; niet alleen de tweeëntwintig spelers op het veld deden mee, ook de mensen op de tribune om ons heen. Iedereen deed mee, behalve wij. Dit verschilde eigenlijk erg weinig van hoe we gewoonlijk in het leven stonden, en toen we ons dat eenmaal realiseerden, kostte het weinig moeite om de tijdmachine weer te ontmantelen.

 

(foto: Wikipedia)
Geplaatst in verhalen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

het literaire bos

p1020403

Nadat ik naweeënd van de griep de hele dag werkstukken had nagekeken, ging ik om half vijf de kou in voor de boodschappen. Eerst naar de Blokker op de Rijnstraat voor een nieuwe afwasborstel. De winkel had niet alleen een nieuw logo, ook de indeling was veranderd. Dat schijnt zo nu en dan te moeten gebeuren om ons bij de les te houden, maar lastig is het wel, ik wil helemaal niet bij de les gehouden worden. Stel dat steden dat ook zouden doen – om uw weg nu nog beter te kunnen vinden hebben we het stadswapen en het stratenpatroon gewijzigd, en ook de wijken hebben we omgegooid, Noord ligt nu onder Zuid, en Oost ligt nu over het IJ, het zal even wennen zijn maar daarna zal u de voordelen ervan inzien. (Ik hoop niet dat ik hiermee een overenthousiaste bestuurder op ideeën breng.)

Op zoek naar de plek waarheen het Blokker-reorganisatieteam de afwasborstels had verhuisd, zag ik vanuit mijn ooghoek op een plankje opeens mijn eigen blender staan. Hoe kwam die hier nou? Het duurde een halve seconde voordat mijn hersens zich weer hadden aangepast aan de wereld zoals die is.

Ik kocht een NRC en ging die lezen in Vascobelo, verderop in de Rijnstraat. Het decor bestaat daar uit in rekken geplaatste boeken waarvan cover, rug en achterkant zijn verwijderd. Het is een onrustbarend gezicht, alsof je koffie drinkt in een slachthuis met gevilde lijkjes. De toekomst van het boek, het einde van het boek? Toepasselijk genoeg las ik de boekenbijlage. Auke Hulst opende zijn stuk over de verhalen van Capote met een krachtige zin:

Truman Capote’s wereld bestond uit twee tektonische platen die nooit goed op elkaar aansloten: het Amerikaanse Zuiden van zijn jeugd, en de culturele beau monde van het New York […]’

Meteen zag ik een literaire Bosatlas voor me waarin elk schrijverschap werd uitgebeeld door middel van verschuivende continenten en tegen elkaar aan schurende tektonische platen; en diagrammen van aardlagen, ver de diepte in, tot de gloeiende kern – want er moet een gloeiende kern zijn, voor schrijverschappen zonder gloeiende kern is er in de literaire Bosatlas geen plaats.

(Als variant kan je je ook een atlas van het Literaire Bos voorstellen: met boomsoorten, oude eiken, geknotte wilgen, magere heesters, parasitaire klimop, giftige paddenstoelen, vleesetende planten, monotoon hamerende spechten en verzin er zelf de rest bij. Wat is hier het equivalent van de gloeiende kern? Niet: een bosbrand.)

Het schemerde toen ik naar huis liep, de straten waren een beetje wit, sneeuw kon je het niet noemen. Ik vroeg me toch even af of ik, als ik straks thuiskwam, mijn blender wel zou aantreffen. Als dat niet zo was, moest ik terug naar de Blokker om hem terug te halen, ik hoopte dat ik het personeel zou kunnen overtuigen van mijn gelijk. Misschien trof ik straks een leeg appartement aan omdat álle voorwerpen waren teruggekeerd naar de winkel waar ik ze ooit vandaan had gehaald. Dan stond ik voor een onmogelijke missie, waar zou ik moeten beginnen, sommige winkels bestonden niet meer, anderen bevonden zich in het buitenland. In zo’n geval zou het nog het beste zijn om zelf braaksporen aan te brengen om vervolgens de verzekering te bellen met de mededeling dat doortastende inbrekers alles hadden weggehaald.

 

 

Geplaatst in leven | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

er is vast wel een japans woord voor

p1020359

In het katern ‘Vooruitblik 2017’ van de laatste NRC van dit jaar heeft Arjen Fortuin het over een van zijn favoriete voetbaluitdrukkingen: de corridor of uncertainty,

de aanduiding van de ruimte tussen de laatste verdediger en de doelman van de tegenpartij. Als de bal in dat lege gebied belandt, staat de tijd even stil in onzekerheid.

Mooie uitdrukking,  kende ik nog niet. De column van Fortuin gaat niet over voetbal, maar over boeken die in 2017 zullen verschijnen. Dat zijn er vooral veel, en ze worden door hun uitgevers stuk voor stuk ronkend aangeprezen. ‘Na glossy geronk valt alles tegen,’ schrijft Fortuin.

Het boek waar ik me het meest op verheug is die ene aan alle voorpubliciteit ontsnapte prachtnovelle. En die dan voor de zekerheid ook ongelezen laten, om net wat langer te kunnen schuilen in de corridor of uncertainty.

Meteen weet ik dat ik dat ook ga doen, het komend jaar: boeken ongelezen laten. Geen stapels nog te lezen boeken op de bank, maar alles direct in de boekenkast zetten. Niets overtreft de aanschaf van een boek, en de verwachting die het wekt – waarom zou je die mooie emoties verstoren? Je kunt die voorpret beter conserveren, uitspreiden over de rest van je leven, het zal een nieuwe vorm van literair genot zijn.

Kasten vol ongelezen boeken, dat kan best groot gaan worden, je kan je ermee onderscheiden, het zal een statussymbool worden voor de ultieme literaire fijnproever, er is vast wel een Japans woord voor. Heb je al die boeken gelezen? Welnee, kijk eens in wat voor perfecte staat ze verkeren. O ja, sorry, ik dacht ook al. Uitgevers gaan weer boeken op de markt brengen waarvan je de pagina’s zelf moet opensnijden – zodat je aan iedereen die langskomt kan bewijzen dat je exemplaar ongelezen is.

(Als het bezoek weg is, zit je met je e-reader in een verduisterd zijkamertje verwoed te lezen, verteerd door het schuldgevoel van een twaalfjarig masturberend jongetje.)

 

 

 

 

 

Geplaatst in lezen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Want een engel daalde neder op zekeren tijd

tinguely

Gisteren ging ik met Chrétien Breukers naar het Stedelijk Museum voor de tentoonstelling van Jean Tinguely, die vijfentwintig jaar geleden overleed. Ik herinner me een eerdere tentoonstelling van hem (Tinguely, niet Breukers) in het Stedelijk, wanneer was dat, eind jaren tachtig, begin jaren negentig? Toen werkten alle vreemde bouwsels nog, tenminste, zo herinner ik het me, je mocht onbekommerd met je voet op schakelaars trappen en daar ging het los, rammelend, ratelend, heen en weer rollend – achteloze, vreemde machines waren het, beverig en solide tegelijk, onnut en vrolijk, vervaardigd van roestend ijzer waarin vreemde objecten waren opgenomen.

Nu bleken de machines oud, en nog beveriger, en niet meer geschikt om onbekommerd te worden aangezet. Toen we de eerste zalen binnenliepen, klonk nergens geratel, alles stond stil, elke zaal de aula van een apparatenkerkhof, het museum een mausoleum. Behalve machines die eeuwig stilgevallen leken was er ook veel documentatie te zien, op foto’s en in vitrines. Er werd uitgebreid aandacht besteed aan eerdere tentoonstellingen van Tinguely in het Stedelijk, met name Dylaby uit 1962. Op een tentoonstelling kijken naar foto’s en teksten over een vorige tentoonstelling; het vergrootte het idee dat we te laat waren, dat ook deze tentoonstelling te laat was. Het lag ook aan ons: we hadden levendige machines verwacht, we kregen een stille overzichtstentoonstelling, een uitgerekte bijzettingsplechtigheid.

Maar daar klonk dan toch uit een belendend zaaltje het bekende geratel dat we met Tinguely associeerden. We haastten ons ernaartoe, zagen nog net de schokkerige bewegingen van de raadselachtige objecten die in een reusachtige mobile hingen, en toen was het voorbij, andere bezoekers kwamen te laat en lachten schaapachtig.

Maar het bleek een voorbode van meer leven. In volgende zalen ontdekten we schakelaars op de vloer, er stond bij vermeld hoe vaak en hoe lang het apparaat dat door de schakelaar werd bediend, werkzaam zou zijn – meestal was dat iets als dertig seconden per vijftien minuten. Ook in volgende zalen bleek een dergelijk regime te heersen. Het was beter dan niets. Bezoekers (het was druk) liepen wat heen en weer, zodra er ergens in een hoek van de zaal iets begon te ratelen, spoedde iedereen zich erheen, om in de meeste gevallen net te laat te komen – en opeens wist ik waar we ons bevonden, niet in een museum of een mausoleum, maar in Bethesda, het badhuis uit Johannes 1: 1-15, met de genezende bron waarvan het water eens in de zoveel tijd door een engel in beroering werd gebracht; en de eerste zieke die dan het water bereikte, werd genezen ‘van wat ziekte hij ook bevangen was’.

Genezend zouden de apparaten van Tinguely niet werken, maar het heen en weer geloop, geren en gesjok, de gêne, het te laat komen en de paar gelukkigen die vlak bij iets stonden dat opeens wild begon te bewegen – je kon de engel bijna horen lachen.

Elke gedachte aan genezing verdween in een van de laatste zalen: daarin stonden de totaal zwarte machinerieën die Tinguely op een gegeven moment ging maken; ze bewogen langzamer dan zijn eerdere apparaten, er was een grote, half opgerichte boor die traag en dreigend en vooral geruisloos ronddraaide – niet voortdurend, ook hij niet, een tiental seconden per keer. Zwart, somber – je denkt meteen dat de kunstenaar in die periode aan een depressie moet hebben geleden.

Het was, kortom, wat frustrerend en teleurstellend, een bezoek aan een stervend oeuvre (en er waren ook nog gênante amateurfilmpjes met grote fallussen en ridders) – maar alles kwam nog goed in de laatste zaal, de erezaal, waarin in schemerlicht een hele reeks bouwsels stonden opgesteld die eens in de zes minuten zouden gaan werken – centraal stond een olifantachtige machine met een echte, gelige olifantenschedel en grote roestige ijzeren vlakken bij wijze van oren, en ergens opzij een heen en weer schuivende strijkbout. Andere apparaten waren opgebouwd uit verwrongen landbouwwerktuigen, ergens stak een gesmolten televisie omhoog. Toen er zes minuten waren verstreken ratelde en klapperde en knarste en piepte alles als een gek, het was bijna ontzagwekkend en de aanwezige kinderen vonden het prachtig. We dachten dat in deze zaal alles wat nog een beetje werkte bij elkaar was gezet maar later las ik op de site van het Stedelijk dat dit één installatie was, ‘Tinguely’s monumentale Mengele-Totentanz (1986)’:

een duistere installatie met schaduwspel, die Tinguely maakte naar aanleiding van een verwoestende brand waarvan hij ooggetuige was. Het werk is opgebouwd uit overblijfselen van de brand: verkoolde balken, landbouwmachines (van de firma Mengele) en dierenskeletten. Het resultaat is een gigantische memento mori, die ook verwijst naar de concentratiekampen van de Nazi’s. De bewegingen en hoge schelle geluiden zorgen voor een sacrale en macabere sfeer.

Stonden we er toch te vrolijk naar te kijken. Teveel voorkennis, te weinig voorkennis – het is altijd lastig, in musea voor moderne kunst.

PS

Aan het verbouwde Stedelijk ben ik trouwens nog steeds niet gewend. De tentoonstelling was boven, dus nadat we via de nieuwe badkuip naar binnen waren gegaan, moesten we door de lege ruimte van het voormalige restaurant verder richting trap, die bij de voormalige ingang naar boven gaat. Ooit, toen de oude ingang nog de ingang was, had die brede trap een logische, bijna majestueuze plek; nu moet je eerst een hoek om voor je de trap bereikt, de locatie is niet logisch meer, ze hadden de trap 180 graden moeten draaien bij de verbouwing, nu is het een trapje achteraf – en alsof dat idee moest worden versterkt, lagen de treden er shabby en grauw bij, een trap waar niemand meer in geloofde. Benieuwd wat er gaat gebeuren als straks de hele indeling van het museum op de schop gaat, of ze op een of andere manier iets aan die trap kunnen doen. Even schrobben zou al een stuk helpen.

Geplaatst in kunst | Tags: , , , , | 1 reactie

buys ballot in nijmegen

campus-nijmegen

Maandag gaf  ik mijn laatste college in Nijmegen. Vanaf maart reisde ik regelmatig per trein en bus naar de campus van de Radboud Universiteit in en rond het Erasmusgebouw. Dat deel van de campus is opgetrokken in een jarenzeventig-betonstijl waaraan het patina van de tijd inmiddels een zekere onschuld heeft verleend, zodat het bijna iets ingetogens en  fragiels krijgt, vooral als je het vergelijkt met de expressieve architectuur van de nieuwere gebouwen op de campus.

De reis verliep al die maanden zonder enig probleem, maar uitgerekend deze laatste keer moest ik via Den Bosch vanwege uitgelopen werkzaamheden tussen Arnhem en Nijmegen. Ik had de afgelopen weken waarschijnlijk iets te enthousiast rondgebazuind dat het heen en weer reizen naar Nijmegen probleemloos verliep, dat konden de goden die het Openbaar Vervoer onder hun hoede hadden niet over hun kant laten gaan. (Het lijkt me typisch iets dat beginnende goden in hun maag gesplitst krijgen, het OV. )

Altijd was het weer even een kleine schok wanneer de Intercity naar Nijmegen bij Arnhem omkeerde, alsof we weer terugkeerden naar Utrecht, Amsterdam en verder, maar nee, we gingen gewoon door naar Nijmegen. En altijd was het ook weer even wennen dat in de Erasmustoren en de omliggende campusgebouwen de sloten van de toiletten de verkeerde kant opdraaiden. Samen met die omkerende trein zorgde dat ervoor dat ik steeds weer de indruk kreeg dat ik naar een ander halfrond was afgereisd, waar dingen de andere kant opgingen, en ik nam me altijd weer voor om uit te zoeken hoe dat ook weer zat met de wet van Buys Ballot, en of dat wel de wet was waarmee ik dit alles associeerde, en of je die naam wel schreef als Buys Ballot. (Het is er nog niet van gekomen.)

koeleman

Voor het laatste college had ik Bertram Koeleman uitgenodigd, omdat ik mijn studenten de afgelopen maanden zijn (erg goede!) verhalenbundel Engels voor leugens had laten lezen. De studenten hadden vragen moeten verzinnen die Koeleman uitgebreid en enthousiast en met kennis van zaken (het ging tenslotte om zijn eigen bundel) beantwoordde. Na afloop realiseerde ik me dat ik mijn eigen vraag had vergeten te stellen, en daarom stelde ik hem maar in de trein waarin Koeleman en ik aan het eind van de middag terugreisden naar het noordwesten.

Tijdens het lezen van Engels voor leugens was me opeens opgevallen wat een toepasselijke naam Koeleman was voor iemand die dergelijke verhalen publiceerde, vooral als het ging om de afstandelijke, registrerende en daarom verkillende manier waarop geweld werd beschreven. (En er zit nogal wat geweld in de bundel.) Mijn vraag was dan ook of Koeleman zijn echte naam was of een pseudoniem. De vraag verraste hem, hij heette gewoon Koeleman, maar toen ik het uitlegde begreep hij de vraag heel goed.

Eigenlijk hoop ik nu dan ook dat hij de rest van zijn oeuvre zal schrijven onder het pseudoniem Bertram Koeleman.

Geplaatst in Geen categorie, leven, lezen | Tags: , , , , | 1 reactie

in het paleis

holbein-erasmus

In het Paleis op de Dam werd de Erasmusprijs uitgereikt aan A.S. Byatt. Paspoort en uitnodiging mee, dranghekken om het Paleis, in een partytent werden we gecontroleerd door uiterst vriendelijke agenten. Voor me in de rij stond Alexander Rinnooy Kan, die zijn fiets mee wilde nemen. Wat hij precies wilde was me niet duidelijk, het leek me sterk dat hij het paleis in wilde fietsen, waarschijnlijk wilde hij alleen maar zijn fiets binnen de dranghekken parkeren. Hij kreeg zijn zin, hij mocht mét fiets door de controle, misschien had ’t rijwiel een eigen uitnodiging gekregen.

Eenmaal binnen moesten we in de galerij wachten tot de zaal werd opengesteld. Imposante architectuur, maar het beeldhouwwerk en de richels mochten wel eens afgestoft worden – of juist niet, door het stof kreeg het allemaal wel meer diepte. Misschien was het geen stof en lag het aan de belichting. Drankje, daarna de zaal in. Stoelen, videoschermen, tapijt met sterren op de vloer, veel beeldhouwwerk, zes reusachtige kroonluchters, daarboven een donker, beschilderd tongewelf  – ik vroeg me af welke zaal dit was, de Burgerzaal kon het niet zijn, die herinnerde ik me als groter en imposanter. Maar het was ‘m wel, blijkbaar maken een paar honderd stoelen, wat videoschermen en een tapijt een zaal kleiner en huiselijker. We moesten staan, want daar kwamen de hoofdrolspelers, Byatt voortgeduwd in een rolstoel, daarna de koning, de moeder van de koning, besturen, hofdames. De koning zag er onnatuurlijk uit, gebruind, maar dan alsof het make-up was, en met lijnen in zijn gezicht die getekend leken. Eén van de hofdames was geen hofdame maar Maxima, hoorde ik later. Ik had gedacht dat de koning ook wel iets zou zeggen, maar nee, hij reikte alleen de prijs uit, een keten die als een das over de schouders van de laureaat gedrapeerd diende te worden; het leek een seconde te duren voor de koning precies begreep hoe het precies werkte. Hij bleef rustig glimlachen.

Verder: toespraken, uiteraard. Martijn Sanders, Shanti van Dam, een laudatio van Margot Dijkgraaf, en na de uitreiking het dankwoord van Byatt, dankbaar, kalm, klein en gedecideerd. Alle teksten werden op de videoschermen geprojecteerd, zodat je voortdurend een regel vooruit kon lezen, en de met beeldhouwwerk getooide zaal gaf elke stem een duidelijke echo, zonder aanzien des persoons. Ik moest denken aan preken in oude kerken, ook al heb ik die niet vaak meegemaakt, de meeste preken hoorde ik  in moderne kerken, waar de muren alle woorden droog in zich opnamen.

Toen ik op de echo ging letten, kwam de hele bijeenkomst in een andere dimensie terecht. Het was een dof-metalige echo, alsof iets of iemand in een afgesloten ruimte elk woord, elke zinsnede een halve seconde later emotieloos en routineus herhaalde, alsof alles wat in de zaal werd gezegd moest worden vastgelegd – maar niet voor ons, met ons of de bijeenkomst die we bijwoonden had het niets te maken. Het was niet eens de echo, het gebeurde eerder, in de halve seconde tussen woord en echo: tegen de tijd dat de echo zich van de woorden meester maakte, was elke menselijke eigenschap uit de stem van spreker of spreekster verdwenen. Eerst hoorde je de stem, daarna de onmenselijke echo van die stem; opeens was het alsof menselijkheid maar een dun laagje is dat door een echo van onze ziel kan worden geschraapt.

Na afloop moesten we de zaal uit, nadat eerst de koning en zijn gevolg en de laureaat en haar gezelschap de zaal hadden verlaten. Toen haastig personeel alle stoelen had verwijderd, mochten we weer terug, voor de receptie die ons door de koning werd aangeboden. Lakeien liepen rond met dienbladen, maar zo heten ze natuurlijk allang niet meer. Het was mooi geweest als Alexander Rinnooy Kan door de menigte was gefietst, langzaam, met kalme bochten, zo nu en dan met een vriendelijk knikje een kennis begroetend – maar nee.

Ik moest nog aan het werk en ging vroeg weg. Toen ik vertrok, kwam Beatrix met wat hofdames weer de zaal binnen. Ze schudde hier en daar een hand, ik kreeg de indruk dat ze daarvoor willekeurige mensen uitkoos. Misschien is dat iets waar ze zich van tevoren op verheugt: de gezichten van die mensen wanneer ze opeens met uitgestoken hand naast ze opduikt.

Het was donker toen ik naar buiten liep, een marechaussee naast de uitgang hief zijn sabel, dat was overdreven, ik ben een burger, ik kwam uit de Burgerzaal. Het was pas de tweede keer dat ik in het gebouw was geweest. Terugkijkend zag ik dat een aantal ramen verlicht was. Dat zie je niet vaak, dat er leven in zit, meestal staat dat grote, imposante gebouw als een donker en stil blok aan de Dam, vrijwel het hele jaar in winterslaap. Als het een paleis is, laat er dan daadwerkelijk iemand gaan wónen. Maar het is geen paleis, het doet alleen maar of het een paleis is, het is een van de slechtste imitaties aller tijden; een jury zou deze poging al na een paar minuten van het podium jagen, maar om een of andere reden duurt deze act al een paar eeuwen. Het is het stadhuis, ze zouden het moeten teruggeven.

 

afbeelding: Erasmus door Hans Holbein de Jonge (Wikipedia)
Geplaatst in Geen categorie, kunst, lezen | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

being hercules segers

segers-berglandschap

Aan het eind van de ochtend naar het Rijksmuseum gelopen. Om twaalf uur stond de zon al zo laag dat er Amsterdam-Zuid strijklicht over de straten viel. Ik ging naar de tentoonstelling van het werk van Hercules Segers (1589/1590 – 1633/1640). Schilderijen, maar vooral veel al dan niet bewerkte etsen. Zes zalen, 128 catalogusnummers. Al die zes zalen waren diepzwart (alleen ergens aan het einde zweemde het naar donkergrijs), de doorgaans kleine werken hingen fel uitgelicht aan die zwarte muren, alsof het oplichtende dia’s waren. Het was alsof je in een sarcofaag liep. In de eerste zaal was een inleidende, collage-achtige korte film over Segers, gemaakt door Christian Borstlap, geprojecteerd op een trapvormig scherm. De voice-over was ingesproken door John Malkovich, gelaten, traag, uiterst melancholisch – en die stemming werd nog versterkt doordat als achtergrondmuziek ‘Dream 3’ van Max Richter was gebruikt, een (jawel) gelaten, traag en uiterst melancholisch stuk voor piano en cello (klik) Die nachtzwarte zalen, de treurige stem en de melancholische muziek die vanuit de eerste zwarte zaal nog zalen ver doorklonken, ze zorgden voor een vreemde stemming. En het waren de kleine fel oplichtende werken die die stemming terugkaatsten, of misschien ging het andersom, en  hadden ze die stemming veroorzaakt. Die weidse en tegelijk ingesnoerde landschappen, met de wriemelende bomen, de dreigende luchten, die steeds weer door Segers opnieuw hernomen landschappen, mensloos voor het grootse deel, en als er mensen opstonden, waren ze er vaak later door anderen bij geschilderd – het zijn landschappen die Segers waarschijnlijk nooit heeft gezien, niet in het echt tenminste. Hij heeft ze gezien bij kunstbroeders, hij heeft ze in zijn hoofd opgenomen en weer uitgeëtst, rivieren, rivierdalen, bergen. En al die landschappen zijn de melancholie voorbij, alsof ze leeg zijn achtergebleven. Het zijn geen gelikte eindproducten, het zijn studies, maar van wat? Je kijkt ernaar en zit in het hoofd van Segers, waaruit steeds weer die landschappen komen; hij probeert niet te behagen, hij probeert iets uit te drukken, ergens achter te komen – alsof hij ergens iets is kwijtgeraakt en hoopt het in die landschappen weer terug te vinden. Maar het is er steeds niet, en dus is het tijd voor een volgende variant. En een volgende.

(Je zou een andere opstelling kunnen proberen, met lichtere muren, je laat de voice-over van de film inspreken door Jim Carry en zet er een vrolijke wals achter, wie weet zie je alles dan heel anders; maar waarschijnlijk springt het glas dan van de etsen.)

 

afbeelding: Berglandschap van Segers (bron: Wikipedia). Om de melancholie nog wat op te voeren: dit schilderij is in vlammen opgegaan.Op YouTube is het filmpje met de voice-over van John Malkovich te vinden, en wel hier; maar wel met andere achtergrondmuziek.
Geplaatst in kunst | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen