waarom Parijs verandert als je ouder wordt

Hier het stuk uit WahWah (nummer 8, 2007), waar ik het eerder over had. Om redenen die ik nu niet meer helemaal kan navoelen heette het ‘Coming up for air’. Het was geschreven in de vorm van een brief aan redacteur Jasper Henderson.

Beste Jasper,

Je had gelijk, ik luister tegenwoordig alleen nog maar naar klassieke muziek, dus dat grote stuk over The Smiths en andere, al dan niet relevante popmuziek uit de jaren tachtig zit er niet meer in. Ik ben nu midden veertig en kan al die muziek waarmee ik opgroeide nog moeiteloos meezingen, maar als ik dat doe krijgt het al gauw iets spookachtigs, omdat het niet meer gaat om de muziek zelf, maar om de nostalgische waarde die ze inmiddels heeft gekregen. Ik ben erg vatbaar voor nostalgie, maar de verlammende werking ervan vind ik nogal angstaanjagend. We kunnen niet meer terugkruipen in de schulp van onze adolescentie – nou ja, misschien kan het wel, maar we schieten er niets mee op, en het is geen gezicht.

Popmuziek is het perfecte medium voor de twijfels, het zelfbeklag en de grootspraak die passen bij de puberteit, maar bij volwassenen al gauw iets potsierlijks en onvergeeflijks krijgen. Ik wil niet beweren dat popmuziek alléén maar zelfbeklag en bravoure uitdrukt, maar het is er wel heel erg voor gemaakt. Dat het genre inmiddels volwassen zou zijn geworden, geloof ik niet. Die veronderstelde volwassenheid wordt tenslotte toch voornamelijk uitgedragen door jongens op leeftijd die dol zijn op trivia en het herontdekken van vergeten of verguisde artiesten, naar wie ze dan geroerd gaan zitten luisteren. Dat is wat niet klopt aan nostalgie: je laat je ontroeren door je eigen ontroering, en dat heeft iets klefs en zelfvoldaans.

Misschien begint het nu allemaal wat streng te klinken. Dat is niet de bedoeling, dit is geen ideologische verhandeling, ik probeer alleen maar een verklaring te vinden waarom mijn muziekvoorkeur op een gegeven moment is veranderd.

Die verandering ging vrij geleidelijk; op een gegeven moment besefte ik dat ik eigenlijk alleen nog onder het koken en de afwas naar popmuziek luisterde, en dan nog vrijwel uitsluitend naar soulzangers als Al Green en Smokey Robinson – uiterst gestileerde muziek, waarvan ik vroeger niets moest hebben.

*

Misschien hebben we als het om popmuziek gaat ook wel gewoon een slechte periode meegemaakt. Als ik die groepen uit de jaren tachtig terugzie, lijken ze allemaal zo jóng. En niet alleen omdat ik ondertussen ouder ben geworden, nee, ze lijken jong voor hun leeftijd, nog niet uit de puistjes en net toe aan hun eerste scheerbeurt. En behalve jong lijken ze ook nog eens vreselijk naïef, somber en te kort gedaan. Je ziet meteen de jongenskamers voor je waar ze hun eerste akkoorden leerden en hun eerste teksten schreven, op de eerste verdieping van een benauwd Engels rijtjeshuis in een eindeloze buitenwijk met oplopende straten onder een grijze lucht. De wereld viel natuurlijk ook niet mee op die jongenskamers, of op onze jongenskamers op het vasteland. Popmuziek kon uit ons die kamertjes bevrijden en ons verlossen van al onze onbestemde onvoldane gevoelens. Het was onder woorden gebracht, het was op muziek gezet, we konden het meezingen, het was speciaal voor ons gemaakt. Maar uiteindelijk bleek de bevrijding een bevestiging – een bevestiging van ons lijden aan de wereld, van de inherente eenzaamheid van het bestaan en van het treurige feit dat bijna niemand ons zag staan (en dat de mensen die ons wel zagen staan met een boogje om ons heen liepen).

Het ligt natuurlijk niet alleen aan de jaren tachtig. Toch heeft elke tijd zijn eigen karakter. Ga een decennium terug en de popmusici lijken juist veel óuder dan ze daadwerkelijk zijn. Ik vind het nog steeds moeilijk te geloven dat Déjà Vu gemaakt is door twintigers, en niet door veertigers. Misschien ligt het ook aan de haardracht en de kledinggewoonten, maar de meeste muzikanten uit de jaren zeventig maken een erg ouwelijke indruk. Er was in die tijd maar één rotpubertje, Lou Reed, en die werd dan ook de godfather van al die new wavegroepen uit de jaren tachtig die allemaal zo boos en zo somber en zo heel erg jong waren – en erg op zichzelf gericht, laten we dat ook niet vergeten. Popmuziek doet al vanaf de jaren vijftig alsof de jeugd de enige periode is die ertoe doet, maar in de jaren zeventig werd dat gevoel dan tenminste nog uitgedrukt door Bob Dylan met: ‘May you stay forever young.’ Wij moesten het doen met ‘I want to be forever young’ van Alphaville. Ergens tussen die twee nummers was het ik-tijdperk uitgebroken.

*

Muziek die je niet bevrijdt, maar je in je bestaan bevestigt, verliest haar belang als dat bestaan verandert. Natuurlijk draait de wereld om jou als je puber bent. Geen erger leed dan je eigen leed, en wat een troost is het als iemand die je niet kent dat leed perfect weet uit te drukken en van een meeslepende soundtrack voorziet! Je loopt rond in je eigen film! Maar dat is een vorm van zelfbedrog die je niet je hele leven kunt volhouden. Op een gegeven moment kom je erachter dat we in elkaars film spelen, en nog later blijken we figuranten te zijn in een productie met een cast van miljoenen, zo niet miljarden. Van een op jouw wereldleed toegesneden soundtrack is dan natuurlijk al lang geen sprake meer.

Dat is een hele opluchting, en het maakt de geleidelijke overgang naar klassieke muziek voor mij achteraf gezien ook zo logisch. Het is geen toeval dat de popmuziek waarnaar ik nog luister zo gestileerd is. Stilering is cruciaal. Het schept orde, het schept ruimte – ruimte om die stilering te ondergaan en te ontcijferen. Die ruimte kunnen we goed gebruiken: op een gegeven moment zijn we oud genoeg om het allemaal zelf te ontdekken. Je kent ongetwijfeld ‘Rubber Ring’ van The Smiths. In dat nummer betreurt Morrissey het feit dat we de liedjes die veel voor ons betekenen verrassend snel kunnen ontgroeien. Hij smeekt ons de liedjes (zíjn liedjes) niet te vergeten die ooit ons leven hebben gered en ons aan het huilen maakten toen we ons in onze pijn lagen te wentelen ‘on the bedroom floor/ and said “O smother me, mother…”’. Maar we kunnen ons niet altijd laten verstikken en smoren (net zoals we op een gegeven moment afscheid moeten nemen van onze moeder).

Larmoyante teksten zijn ook volop aan te treffen in de tekstboekjes van klassieke cd’s, maar door de stilering en beheersing waaraan die teksten vervolgens in de uitvoering worden onderworpen wordt dat larmoyante effect meteen weer gecompenseerd. De popmuziek sloeg je in het gezicht en omhelsde je. Om klassieke muziek hangt meer ruimte, waarin je je naar de muziek toe kunt bewegen. Dat die muziek eeuwen geleden is gemaakt helpt daar natuurlijk ook bij. Het is niet autobiografisch. De ontroering die wordt gewekt geldt niet jezelf. Als je jong bent is de muziek die je goed vindt speciaal voor jou gemaakt, als je ouder bent is dat goddank niet meer zo. Het is abstracter, het omvat meer, het gaat niet alleen over jou. Je bent er te gast. Maar dat betekent niet dat je er niet door geraakt kunt worden, integendeel. Verder heeft het ook wel wat om je te concentreren op een stuk muziek dat langer duurt dan drie minuten.

*

Veel vager kan ik het niet uitleggen. Misschien heeft het er ook wel mee te maken dat ik niet meer drink, daar word je ook een stuk minder larmoyanter van. Naar voetbal kan ik ook niet meer kijken, omdat het leeftijdsverschil tussen mij en die voetballers tegenwoordig zo groot is dat het niet goed meer voelt om zo’n jongen vanaf de bank voor de tv uit te schelden als hij op de paal schiet. En voor literatuur geldt hetzelfde als voor muziek: sinds ik me niet meer als een miskende adolescent beschouw, kan ik Salinger ook niet meer lezen zonder me te ergeren. Het is geen kwestie van valse bescheidenheid, maar van perspectief. Perspectieven verschuiven blijkbaar als je ouder wordt. Misschien kan ik het op een andere manier uitleggen. Eerder dit jaar was ik met E. in Parijs. Vierentwintig jaar geleden was ik daar voor het laatst geweest. Parijs bleek in de tussentijd niet alleen veel schoner geworden, maar ook veel groter en weidser. De straten waren breder, de afstanden langer. De enige verklaring die ik daarvoor zo snel kon verzinnen was dat ik als adolescent blijkbaar zo met mezelf bezig was dat de omgeving verwerd tot een decor, waartegen mijn belangrijke leven zich afspeelde, met andere woorden: ik was het centrum waaromheen alles zich groepeerde. Nu ik na een kwarteeuw terug was, nam ik een veel vanzelfsprekender plek in het geheel in en als gevolg daarvan was ik kleiner geworden, en de stad groter. Eigenlijk luchtte dat me wel op. Maar misschien is dit helemaal geen goede ontwikkeling en gaat het hier om een onomkeerbaar proces waar geen redden meer aan is. Straks doe ik er op mijn zeventigste drie uur over om het Place de la Concorde over te steken, niet omdat ik tegen die tijd zo slecht ter been ben, maar omdat de stad inmiddels oneindige afmetingen heeft aangenomen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in muziek en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s