bij de rode jehova’s van ede-zuid

 

Nu is de gewoonte er wel uitgesleten, maar jarenlang keek ik de dag na de verkiezingen wat de SP in Ede had gedaan; begin jaren tachtig was ik een half jaar lang kaderlid van de afdeling daar.

Dit was in de dagen van de rode jehova’s: als kaderleden trokken we elke doordeweekse avond de arbeiderswijken van Ede in om het SP-blad De Tribune te verkopen, waarin een apart inlegvel van de afdeling was ingevoegd. Ik maakte cartoons voor dat inlegvel, want ik wilde toen behalve kunstenaar en schrijver ook nog striptekenaar worden.

Zeventien was ik, nee, achttien, hoe dan ook, jong nog! Er zat nog een verbandje om mijn navel omdat ik net geboren was.

Toen heettten ze nog de Socialistiese Partij. Elke avond verzamelden we ons bij Mark Vogel, de afdelingsvoorzitter,  een wat starre, magere man die met zijn zwangere vrouw in een flat in Ede-Zuid woonde. (Ik woonde om de hoek, in een andere flat, bij mijn zus en mijn zwager in.) Iedereen rookte toen nog, ook de zwangere vrouw van Mark Vogel. Het zou goed kunnen dat er ergens een Vogel rondloopt die net dertig is geworden en minstens twee centimeter langer had kunnen zijn.

Het was een klein groepje, de kaderleden van de afdeling Ede. Behalve Mark Vogel (die anders heette, ik heb zijn naam veranderd, ik weet niet eens precies waarom) en zijn vrouw zaten er nog drie stellen in: twee studentenechtparen en een ouder echtpaar. Op dat laatste echtpaar was Mark Vogel erg trots, omdat zowel de man als de vrouw niet hadden gestudeerd. (Ook hun namen zou ik graag veranderen, maar ik weet niet meer hoe ze heetten.) En dan was er nog een verpleger die in het Julianaziekenhuis werkte, een wat stuurse jongen die een paar keer bij mijn zus en mijn zwager was langs geweest om een Tribune te verkopen. Zo was ik er ook bijgekomen, ik geloof dat hij ooit tegen me zei: ‘De partij kan altijd wel een striptekenaar gebruiken.’

Op de eerste avond mocht ik meelopen met de verpleger en de mannelijke helft van het oudere echtpaar, laten we hem Johan noemen. Het was donker en behalve wij was er niemand op straat. Ik hoefde nog niet zelf aan te bellen, ik mocht kijken hoe Johan en de verpleger het deden. Je begon niet over de revolutie, maar over misstanden in de gemeente, zoals het geplande militair oefenterrein op de hei en het gebrek aan verkeersdrempels. De meeste mensen luisterden beleefd, zo nu en dan kocht iemand een Tribune. Aan het eind van de avond kwamen we op een straathoek een Surinaamse vrouw tegen die ons schreeuwend en schaterlachend haar levensverhaal vertelde. ‘Ik ben helemaal rauw van onderen!’ riep ze. ‘Ze was helemaal rauw van onderen,’ zei Johan later grijnzend, toen we de avond evalueerden in de flat van Mark Vogel. Hij wees naar mij. ‘Dat was natuurlijk wel mooi voor hem, z’n eerste avond en dan meteen zo iets.’ Mark Vogel schudde bijna onmerkbaar zijn hoofd, afkeurend, met samengeknepen lippen. Ik zie het hem nog doen.

Tuinpaadje oplopen, aanbellen, verhaaltje afdraaien, beleefd aangehoord worden, zo nu en dan een krantje verkopen. Altijd in je achterhoofd de vage hoop dat er niemand thuis zou zijn, tenminste, dat is hoe ik me het herinner. Maar ik zal er toch ook iets anders bij gevoeld hebben, ik moet toch hebben gedacht dat ik iets goeds deed. Als er iemand een Tribune kocht, werd meteen het adres genoteerd, w zouden niet rusten voor de nietsvermoedende koper lid van de partij was geworden. Ik geloof niet dat ik in het halve jaar dat ik erbij zat iemand lid heb gemaakt. Aan het eind van de avond brachten we de onverkochte Tribunes terug naar Mark Vogel en dronken we een biertje met hem.

Eén avond in de week hoefden we niet de deuren langs, dan kregen we scholing van Mark Vogel, aan de hand van gefotokopieerde exemplaren van Beginselen van de filosofie van Georges Politzer. Daarin werden de grondslagen van ‘de materialistische filosofie’ uitgelegd. Ook was er een boekje van de partij zelf, Op naar het socialisme!, waarin precies werd verklaard waarom het dialekties materialisme de kapitalistiese wereld zou vervangen door een betere. ‘Dat is allemaal wetenschappelijk bewezen,’ zei Mark Vogel. Het boekje eindigde met een anderhalve pagina lang citaat van Mao. ‘Waar komen de juiste ideeën vandaan? Vallen ze uit de lucht? Neen. Zijn ze de geest aangeboren? Neen. Ze komen voort uit de maatschappelijke praktijk en uit niets anders […].’

Ik vond ergens onderin een kast een schrift vol met samenvattingen van de eerste hoofdstukken van dat boek van Politzer. Blijkbaar maakte ik thuis huiswerk. In mijn aantekeningen wordt afgerekend met ‘de ‘individualist’, die neigt naar solipsisme, zichzelf en zijn eigen gedachten als het belangrijkste ziet en ‘de werkelijkheid als eerste factor’ negeert.  Erger nog is de ‘dilletant’, die alles voor zichzelf houdt en ‘leeft voor zijn genoegen’.

Voor de scholingsbijeenkomsten werden afgesloten, kwam er een rondje ‘zelfkritiek’, waarbij alle leden één voor één moesten aangeven waarin ze de afgelopen week tekort waren geschoten wat betreft de inzet voor de partij, ‘zonder dat het meteen sensitivity training hoeft te worden,’ zoals Mark Vogel er altijd bij zei. We vonden algauw een handige formule voor die zelfkritiek-rondes: één voor één gaven we routineus toe dat we ook de afgelopen week na onze avondinspanningen te lang bij de afdelingsvoorzitter waren blijven hangen en teveel bier hadden dronken. Tijdens een van die vergaderingen dwong Mark Vogel zijn vrouw tot het maken van excuses omdat ze een week eerder had beweerd dat in de Sovjet-Unie arbeiderswoningen standaard met een ligbad waren uitgerust. Als de vergadering voorbij was, kwam het bier op tafel en vertelde Mark Vogel racistische moppen, waar we allemaal erg om moesten lachen.

Het is gemakkelijk en verleidelijk om van zo’n Mark Vogel een karikatuur te maken; maar hij deed het toch maar. Vijf avonden in de week stelde hij het huis van hem en zijn vrouw open als uitvalsbasis en hoofdkwartier. Voor hij alle kaderleden weer naar buiten had gewerkt, was het toch al gauw elf, twaalf uur, en om zeven uur moest hij al weer naar zijn werk. Hij had een zware baan, hij deed iets met moeilijk opvoedbare jongens in Hoenderloo. En dan moest hij ook nog regelmatig naar scholingsbijeenkomsten voor afdelingsvoorzitters. Maar hij geloofde heilig in de goede zaak en was bereid er offers voor te brengen, met het fanatisme van iemand die er zelf nog maar net achter is gekomen hoe het allemaal zit.

Bij mij was er helemaal geen sprake van offers, ik was een werkloze voortijdige schoolverlater die blij was dat hij ’s avonds wat te doen had. Ik kon beleefde praatjes aan deuren houden, maar het echte fanatisme ontbrak bij me. Ik herinner me vlagen en fragmenten. Een vrouw die open doet en zegt dat we binnenkort allemaal het teken van het beest op ons voorhoofd getatoeëerd zullen krijgen. De paar ledendie we al hadden in Ede en waar we altijd konden aanbellen voor een glaasje water of een kopje thee. Een 1 mei-bijeenkomst in Wageningen met echte oude arbeiders die de ‘De Internationale’ zongen, met geheven vuist.

Ik herinner me ook nog een avond thuis bij Johan en zijn vrouw, het oudere echtpaar dat niet had gestudeerd. Ik dronk samen met de vrouw likeur uit een vierkante stenen kruik en ons gesprek draaide om het steeds weer herhalen van de kreet ‘Lijmen, Jan’. Johan was op een gegeven moment blijkbaar gaan slapen, ik zie tenminste voor me hoe hij op een gegeven moment in een gestreepte pyjama huilend tegen zijn vrouw stond te schreeuwen dat ze óók naar bed moest komen. Misschien verzin ik die gestreepte pyjama erbij, maar naakt was hij in ieder geval niet, dan had ik me die avond ongetwijfeld veel beter herinnerd.

In de loop van de maanden begon ik steeds meer het idee te krijgen dat ik in plaats van een goede materialist toch eerder een individualist en een dilletant was. Als kunstenaar was je dat al gauw, bleek uit het scholingsmateriaal. Ik was duidelijk iemand die na de revolutie zou moeten worden heropgevoed. Bovendien begon ik in hiërarchie en praktijk van de partij steeds meer parallellen te zien met de streng-gereformeerde kerk waarin ik was opgegroeid.

Op een avond vertelde ik tegen Mark Vogel dat ik ermee ophield. Ik stond op het punt om naar Amsterdam te verhuizen, dat maakte mijn uittrede wat soepeler. Ik was nog even van plan geweest een grote tekening voor de afdelingsleden te maken, om te laten zien dat er wat mij betreft geen hard feelings waren, maar daar had ik toch maar van afgezien. Wel wenste ik Mark Vogel, met de arrogantie die bij de leeftijd hoort, nog veel succes met de goede zaak, al was zijn weg dan niet helemaal de mijne. Op dat moment kwam de stuurse verpleger binnen, die me ooit bij de afdeling had gehaald. Mark Vogel vertelde hem dat ik ermee ophield. ‘Slappe hap,’ zei de verpleger, en keek me aan met een sombere, teleurgestelde blik. Daarna verliet hij hoofdschuddend de kamer.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in kind van de verzorgingsstaat, leven en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s