de vrouw met wie je gelukkig gaat worden

Terwijl ik de aandacht van de barkeeper probeerde te trekken, viel mijn blik op de onderarm van de man die naast me aan de bar stond. Op de gladde huid stond in groene tatoeageletters het woord ‘abba’. Dat verbaasde me, het was een stevige, grote man met een baard, meer iemand voor hardrock en een Harley Davidson.

‘Eén bier!’ riep ik naar de barkeeper. Het was druk, ik was er niet zeker van dat hij me had gehoord. Het donkere plafond hing vlak boven ons, en het was alsof ik ondanks het geklets en de muziek de balken kon horen kraken, alsof we ons in het ruim van een schip bevonden.

De hardrocker naast me zei iets tegen me. Pas toen hij het herhaalde en op zijn tatoeage wees, begreep ik waar hij het over had. ‘Niet de popgroep,’ zei hij. ‘Het rijmschema. Omarmend rijm heet dat.’

Hij zette zijn glas op de bar en begon zijn mouwen op te stropen. Even dacht ik dat hij wilde vechten en onwillekeurig deed ik een stap achteruit.  Hij negeerde mijn schrik en zei: ‘Ik heb er meer, kijk maar.’ Op zijn bovenarmen stonden andere lettercombinaties. ‘Gepaard rijm,’ wees hij, ‘gekruist rijm. Slagrijm. Rijk rijm. Gebroken rijm.’ Hij knoopte zijn overhemd open en wees op zijn borst. Ook daar stonden letters, in keurige kolommen. ‘Het sonnet. En hier, de limerick. Het kwintijn. Het oosters kwatrijn. En hier,’ zijn vinger wees een lange letterkolom aan die net onder zijn rechtertepel begon, ‘het Frankisch rondeel. Die is vrij ingewikkeld. En op mijn billen…’ Hij haalde zijn riem los en begon zijn broek open te knopen.

Ik keek langs hem heen en zei snel: ‘Hé!’ alsof ik ergens een bekende ontdekte. Op hetzelfde moment zag ik inderdaad een bekende: in de verte zat Scipio in zijn eentje aan een tafel een tijdschrift door te bladeren. Ik liep naar hem toe en ging tegenover hem zitten.

‘Zo,’ zei Scipio terwijl hij zijn tijdschrift dichtsloeg, ‘is er nog nieuws?’ Voor ik hem kon antwoorden, zette de man met de rijmschema’s een glas bier voor me neer. ‘Je was je bestelling vergeten,’ zei hij. Hij legde een hand op mijn schouder en boog zich naar me toe. ‘Op mijn billen,’ zei hij zacht, ‘staat de naam van de vrouw met wie je gelukkig gaat worden.’

Hij ging met zijn rug naar ons tafeltje staan en liet zijn broek zakken. Een onderbroek droeg hij niet. Zijn billen waren glad, bijna glanzend, en roken vettig en huiselijk, alsof hij ze met crème had ingesmeerd. Er stonden lange regels op getatoeëerd, in een schrift dat te klein was om te lezen. Het was alsof ik naar  een opengeslagen bijbel keek, gedrukt op glad, bleek perkament. Zonder zich om te draaien overhandigde de man mij een vergrootglas. ‘Kijk maar!’ riep hij. ‘Ze staat er bij hoor!’

Ik hield het vergrootglas tussen mijn ogen en zijn billen, klaar om op te springen wanneer er iets onverwachts gebeurde. De man bleef rustig staan. Ik zag dat elke regel bestond uit een lange reeks meisjesnamen.

‘Hij heeft het ooit ook bij mij gedaan,’ hoorde ik Scipio zeggen. ‘Het eerste wat ik zag was de naam van mijn moeder.’

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in schrijven, scipio, verhalen en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s