hoe ik scipio leerde kennen (2)

 

[deel 1 is hier te vinden]

 

Een jaar eerder had ik ook de hele zomer als uitzendkracht gewerkt, om het collegegeld voor mijn eerste studiejaar bij elkaar te verdienen. Het uitzendbureau stuurde me naar de Maggi-fabriek aan de Haarlemmerweg, een groot conglomeraat van productiehallen en kantoorcomplexen waaromheen altijd een vage soepgeur hing. (De fabriek is al lang geleden gesloten, maar een deel van het complex staat nog overeind, geloof ik; misschien dat je de soep nog ruikt als je je neus tegen de muur drukt.)

Ik kwam terecht op de afdeling met de reusachtige ovens waarin het aromaconcentraat werd gebakken. Dat concentraat werd een verdieping hoger gemalen en verhit, waarna het naar onze afdeling werd getransporteerd via een gigantische stalen slagroomspuit die uit het plafond naar beneden stak. Onder die slagroomspuit bevond zich een lopende band met lange, ondiepe bakken. In elke bak poepte de slagroomspuit een gloeiend hete hoeveelheid roodbruin concentraat. Samen met een collega moest ik afwisselend de lege bakken op de band zetten en de volle bakken als laatjes in een kar schuiven. Dat laatste was lastig werk, omdat je het tempo van de band moest bijhouden en als je een bak maar een beetje schuin hield, het hete concentraat over je handen stroomde. We hadden handschoenen gekregen, maar die waren van linnen, dus daar had je niet veel aan. Soms moest ik wegens personeelsgebrek zowel de lege bakken opzetten als de volle bakken afhalen – iets dat bijzonder uitputtend was, ook door de tropische hitte die op de afdeling heerste.

Die hitte was niet alleen afkomstig van het dampende concentraat, maar ook van de meer dan manshoge ovens waarin het concentraat werd afgebakken. Het was net of we werkten in een grot die uitgehakt was in een vulkaan, ook omdat de afdeling slecht verlicht was. We liepen rond met geïmproviseerde hoofdbanden van keukenpapier om het zweet uit onze ogen te houden, en onze overalls zaten vol roodbruine vlekken van gemorst concentraat. We leken waarschijnlijk nog het meest op leden van een Japanse ninja-sekte die om rituele redenen weigerden het bloed van hun tegenstanders van hun uniform te wassen.

Sommige uitzendkrachten konden niet tegen de hitte en de chaos, die zag je na een dag niet meer terug. Ik hield het twee weken vol. Toen ging de fabriek een paar weken dicht, blijkbaar vond Maggi het handig als alle werknemers tegelijk op vakantie gingen.

*

Meteen daarop stuurde het uitzendbureau me naar De Schaap in Sloterdijk, waar ze noten en rozijnen verpakten. Het verschil met de Maggi was immens. De productiehal baadde in daglicht, er heerste geen klamme hitte en iedereen liep rond in kraakwitte overalls en petjes.

Ook ik kreeg zo’n overall en zo’n petje. Ik werd tewerkgesteld op een tussenverdieping, waar ik een gigantische kubus van aan elkaar gekleefde rozijnen uit elkaar moest halen, met behulp van een tuinslang waar een slap straaltje water uitkwam. Terwijl ik natte klonten rozijnen uit de kubus trok en die klonten weer onderverdeelde tot er alleen individuele rozijnen overbleven, keek ik uit over de fabriekshal, waar een stuk of tien verpakkingsmachines stonden – hoog oprijzende, in verschillende kleuren geschilderde gietijzeren gevallen met horizontale en verticale lopende banden, stempelrollers en allerlei andere onduidelijke maar ongetwijfeld ingenieuze toevoegingen. Een paar machines waren aan het werk, zuchtend en ratelend. Keurig afgemeten hoeveelheden pinda’s werden in bakjes aangevoerd en verdwenen in zakjes die precies op het juiste moment onder het omvallende bakje verschenen.

Ondertussen kneedde ik natte brokken rozijnen. Na een half uur zat mijn witte overall al onder de vochtige bruine vlekken, met hier en daar een aangekoekt rozijnenplakkaat.

Ik hoorde voetstappen op de ijzeren wenteltrap. Er verscheen een collega, een jongen in een onbevlekte overall. Hij droeg geen petje maar een witte cowboyhoed waarvan het bovendeel een beetje doorzichtig was, alsof het van fijn gaas was gemaakt. Hij lachte vrolijk, alsof hij zich ergens op verheugde.

‘Jij bent de nieuwe uitzendkracht,’ zei hij.

‘Ja,’ zei ik.

‘Van Tempo Team zeker? Ik ook. Student natuurlijk. Mooi zo.’ Hij nam me van top tot teen op, nog steeds met die lach. ‘Zo te zien denk je dat je elke dag een schone overall krijgt.’

‘O,’ zei ik. ‘Ja, eigenlijk wel. Maar dat is dus niet zo?’

‘Eén keer per week,’ zei de jongen. ‘Maar dat geeft niet. Leef je maar lekker uit met die rozijnen, bij de lunch heb ik een schone overall voor je. Toen ik hier begon dacht ik ook dat we elke dag een nieuwe overall kregen. Maar dat bleek niet zo te zijn, en toen heb ik maar een kopie laten maken van de sleutel van de linnenkamer.’

‘Vonden ze dat goed?’

‘Nee, vast niet,’ zei de jongen, ‘maar ze hebben geen idee.’

Ik schaamde me voor mijn naïeve vraag. Om het te compenseren, vertelde ik hem dat ik de afgelopen weken bij de Maggi had gewerkt.

‘Bij de Maggi? Jij bent gek, dat is het zwaarste baantje wat ze hebben. Daar hebben ze mij ook een paar keer naartoe willen sturen, maar daar trapte ik niet in. Ik zat bij de Nissan voor ik hier terechtkwam, dat was wel lekker rustig. Ik ben Scipio, trouwens.’

Ik noemde mijn naam.

‘Ik had je graag geholpen met die rozijnen,’ zei Scipio, ‘maar ik geloof dat ik elders nodig ben.’

We keken naar beneden. Midden in de productiehal stond de chef. Hij droeg net zo’n hoed als Scipio en stond naar ons te zwaaien. Ik had al een tijdje iemand horen roepen, blijkbaar was hij dat, en wilde hij dat Scipio naar beneden kwam.

Op de bovenste trede van de trap keerde Scipio zich om en keek me glimlachend aan. ‘Ik zie bij je lunch,’ zei hij. ‘Small?’

‘Wat?’ vroeg ik.

‘Je overall.’

‘Nee,’ zei ik, ‘medium.’ Ik dacht: dan sla ik de mouwen wel om.

 

(wordt vervolgd)

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in schrijven, scipio, verhalen en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op hoe ik scipio leerde kennen (2)

  1. Kees van Dijk zegt:

    Een feuilleton! Wat leuk. Meesters van het feuilleton? Dickens, Ischa Meijer (De Dikke Man), Proust, Bomans (zittend in de Haarlemse Ark in 1962), Peter Handke in de Neue Zürcher Zeitung, halfweg de jaren tachtig, en natuurkijk de grootmeester: Louis Couperus! Over die raadselachtige Scipio die al jaren door van Essens werk tot ons komt als tragische nar, want inmiddels jong overleden. Maar wel smaakmakend. Is dit nou autobio of pure fictie? Ik prefereer onduidelijkheid hieromtrent.

    Hij doet denken aan Smake. Een raadselachtig persoon dat hier in huis jarenlang spraak maakte. Een feuilleton in twee dagelijkse bedrijven; een strip van een mooi gehalte die onmogelijke wendingen maakte, die desondanks geloofwaardig waren. Heel bijzonder. Vooral het Zip-Zap-Zoppiaanse Paard is onvergetelijk in dezen.

    Lang leve Scipio.

  2. Pingback: hoe ik scipio leerde kennen (3) | reddend zwemmen

  3. Pingback: hoe ik scipio leerde kennen (5) | reddend zwemmen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s