de brandbare straat

 

Ik heb ooit in een zeer brandbare straat gewoond. Constant werd je wakker van sirenes. In het donker gleden oranje en blauwe zwaailichten lange het plafond. Je schoot je bed uit, schoof je raam omhoog en boog je naar buiten om te kijken waar het was. Overal staken van oranje naar blauw verschietende gezichten uit ramen. Mensen kleedden zich haastig aan terwijl de brandweercommandant per megafoon de huisnummers omriep van de etages waarvan hij de bewoners graag op straat zou zien. Van alle kanten schoten politiewagens de straat in en klonterden samen bij de brandweerwagens die traag ladders omhoogschoven naar de uit het raam slaande vlammen, terwijl met gasmaskers en zuurstofflessen uitgeruste brandweermannen met bijlen deuren open hakten. Zo nu en dan moest je je hoofd terugtrekken om te voorkomen dat er door de luchtwervelingen meegevoerde vuurdeeltjes in je haar terechtkwamen. Na zo’n brand stak je een week lang geen kaars meer aan en leegde je trouw alle asbakken in het toilet voor je ging slapen.

Na verloop van tijd kende ik vrij veel mensen in die straat. Elke keer als ik wakker werd van de sirenes trok ik mijn kleren aan en rende ik naar het brandende pand om met de inmiddels ook op straat verschenen kennissen te concluderen dat het ook deze keer net een paar deuren verder was, of twee etages hoger, in ieder geval: het was nooit bij een van ons. Zelfs toen de kennissenkring vrij groot was geworden – je kende elkaar van de supermarkt of de fietsenstalling, je gaf elkaars planten water tijdens vakantieperiodes, je wees vrienden op leeg gekomen etages – kwamen we elkaar aan de voet van elke brand telkens weer opgelucht tegen omdat het ook deze keer niet bij een van ons was.

Toen we op een nacht naar een brand stonden te kijken – het was schuin bij mij aan de overkant, we keken naar de vlammen die uit het dak sloegen, er werden sigaretten uitgedeeld, iemand had nog een halve fles wijn, een ander had stokbrood en smeerkaas, weer was het bij iemand die we niet kenden – merkte een van ons op dat er onderhand niet meer gesproken kon worden van toeval. Als er nooit brand was bij een van ons, lag de conclusie voor de hand dat er nooit meer brand in onze straat zou uitbreken zodra we alle bewoners kenden.

Dat was een mooie gedachte, het symbolische gehalte ervan beviel ons wel op dat late uur, en ter plekke smeedden we verschillende plannen om elke bewoner van onze straat te leren kennen. Terwijl we daarmee bezig waren, keerde een agent die voor ons stond zich om. Hij had een dikke grijze snor, en zijn ogen waren onzichtbaar in de schaduw die de klep van zijn pet op zijn gezicht wierp. ‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Wanneer jullie iedereen in de straat kennen gooit er nooit meer iemand een kaars om, valt er nooit meer iemand in slaap met een brandende sigaret tussen zijn vingers en is er nooit meer kortsluiting.’ Hij schudde zijn hoofd en keerde zich weer naar de brand.

We keken elkaar aan, opeens weer nuchter, schaapachtig grijnzend. De man had gelijk. Het was allemaal toeval geweest, en we wisten wat ons te doen stond: we moesten maken dat we wegkwamen. In de maanden daarna verhuisden we een voor een naar elders.

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s