hoe ik scipio leerde kennen (5)

(deel 1, deel 2, deel 3, deel 4)

Maar laat ik opschieten met mijn verhaal, het wordt al laat. Waar waren we gebleven, o ja, ik zou verdergaan met die cowboyhoed die Scipio op de werkvloer droeg, en dat hij die van Elsje Fiederelsje af moest zetten.

Iedereen die bij de vulmachines werkte, moest een wit linnen petje op. Dat was wel zo hygiënisch, want zo konden er geen dingen vanuit ons haar in de pinda’s en de borrelnoten vallen. Dat er in het dak van de fabriek grote gaten zaten en de mussen boven de open pindacontainers heen en weer vlogen, leek de dreiging die van onze haren uitging enigszins te relativeren, maar het had weinig zin om Elsje Fiederelsje daarop te wijzen als hij weer eens om zich heen keek en ‘Jongens, petjes op!’ riep. ‘En géén hoed!’ voegde hij er dan speciaal voor Scipio aan toe. De witte cowboyhoeden waren voor de leden van het hogere kader, zoals Elsje Fiederelsje zelf en het meisje van het lab.

Het lab bevond zich op een tussenverdieping die met een ijzeren wenteltrap met de werkvloer was verbonden. Er werkten meer mensen, maar wij zagen alleen het meisje. Regelmatig daalde ze de ijzeren trap af om een monster te nemen bij een van de machines die op dat moment nootjes aan het verpakken was. Het was een etherisch meisje met een bleke huid, grijze ogen en lichtblonde krullen. Ze droeg een lange witte laboratoriumjas en de voorgeschreven cowboyhoed, die haar het beste stond van iedereen. Ze werd elke dag na het werk door haar vriendje opgehaald en terwijl ze door de hal liep, reageerde ze met een matte glimlach op de opmerkingen en voorstellen die ze naar haar hoofd geslingerd kreeg. ‘Typisch hè,’ zei ik tegen Scipio, ‘dat het meisje van het lab er dan weer zo engelachtig moet uitzien, je kan je toch meteen voorstellen dat ze vleugels heeft en hier klapwiekend rond zou vliegen, van machine naar machine?’ Scipio keek me met afgrijzen aan en riep: ‘Zeg, ben jij nog maagd of zo?’

*

Misschien is het Scipio die we als een engel zouden moeten zien, een aardse engel met een air van onkwetsbaarheid. Zonder zich iets van werkroosters aan te trekken dartelde hij van machine tot machine, om een helpende hand te bieden of kleine sabotages te plegen. Hij wist algauw precies hoe alle machines werkten en begon te experimenteren met het uitschakelen van diverse functies. Soms schakelde hij de nootjestoevoer uit als we samen aan een verpakkingsmachine stonden. Ook zonder nootjes werden de zakjes nog steeds vol lucht geblazen, van een houdbaarheidsdatum voorzien en geseald. Met die strak staande lege zakjes vulde hij een aantal dozen, waarop hij vervolgens met keurige viltstiftletters  ‘onzichtbare pindarotsjes’ schreef, of ‘luchtmonsters productiehal’. Hij deed dit openlijk, alsof het allemaal vanzelf sprak, en misschien viel het daarom niemand op. ‘Die dozen worden ergens anders weer door andere uitzendkrachten uitgepakt,’ zei hij, ‘die kan het ook niets schelen. En als er klachten komen, zijn we hier allang weer vertrokken.’ De zomer was tenslotte al bijna voorbij, binnenkort begonnen de colleges.

*

Scipio zou Engels gaan studeren. ‘Omdat ik dat eigenlijk wel een mooie taal vind,’ zei hij schouderophalend, alsof het vanzelf sprak dat je een studiekeuze met niet al te diepgravende overwegingen motiveerde. Ik weet nog wanneer hij dat zei, we zaten op een terras ergens bij het Rokin, het was tijdens een van onze aangeschoten vrijdagmiddagen.

Op vrijdag sloot de fabriek om één uur, en daarna gingen de uitzendkrachten naar het kantoor van Tempo Team op het Rokin, om het die week verdiende geld op te halen. Je kreeg toen nog gewoon je weekloon mee in een envelop, zelfs voor die tijd lijkt dat ouderwets, maar het is natuurlijk ook al jaren geleden, opeens weet ik ook weer wat de zomerhit van dat jaar was, ‘Voyage voyage’ van Desireless, dat galmden Scipio en ik door de productiehal als het weer eens langskwam op de radio, voor zover we de tekst konden volgen dan. ‘Et jamais ne reviens!’ Don Johnson zong ondertussen zijn versie van ‘Under the boardwalk’, of was dat Bruce Willis? Ja, het was Bruce Willis.

Op die vrijdagmiddagen reden Scipio mee met een uitzendkracht die met de auto naar zijn werk kwam, een Joegoslaaf (die had je toen nog) die elke dag dozen met verpakte noten de fabriek uit smokkelde. Wij hadden natuurlijk in het begin ook van alles mee naar huis genomen (zij het nooit met dozen tegelijk), maar na een week konden we geen pinda of borrelnoot meer zien. ‘Je moet ze ook niet opeten,’ zei de Joegoslaaf, ‘je moet ze verkopen. Of weggeven, aan mooie vrouwen.’ Later werden dat gevleugelde woorden van Scipio, ‘Of weggeven, aan mooie vrouwen.’ Je hoorde de komma, en ik was de enige die wist waar het vandaan kwam.

We waren niet de enige uitzendkrachten die meereden met de Joegoslaaf, de auto zat afgeladen vol, en soms passeerden we onderweg naar Tempo Team Elsje Fiederelsje, die op zijn fiets op weg was naar zijn eigen weekend, met zijn lege lunchtrommeltje onder de snelbinders. Er werd getoeterd en geschreeuwd, we zwaaiden uitgelaten. Elsje Fiederelsje stak dan zijn hand op en lachte, als een boer met kiespijn. (Nee, het ging dieper dan dat, het had niet alleen met ons te maken, maar ook met de rest van zijn leven. Ook Elsje Fiederelsje verdient een hele roman, maar nu moeten we het hierbij laten: dat hij lachte als een boer die een dag eerder bij de tandarts was en zich sindsdien probeert te verzoenen met het idee dat kiespijn niet zijn grootste probleem was.)

Omdat de fabriek zo vroeg sloot op vrijdag, waren wij altijd de eersten die bij Tempo Team kwamen binnenvallen. We lieten onze werkbriefjes zien, kregen ons geld, er was een koelkast vol bier, we hadden het over het werk, stoer en aangeschoten, niemand kon ons wat maken, behalve dan het personeel van Tempo Team, dat ons naar buiten dirigeerde als we te luidruchtig werden. Scipio en ik zochten dan een terras om verder te drinken, we schonken onze glazen bij uit de flesjes die Scipio van Tempo Team had mee gesmokkeld. ‘Om weg te geven, aan mooie vrouwen’ – ja, maar er waren nooit vrouwen op dergelijke middagen, we waren te aangeschoten, en later te dronken, niemand wilde iets met ons te maken hebben. Maar we hadden elkaar.

Op een van die middagen had Scipio het over zijn studie, en wat hij daar mee wilde. ‘Helemaal niets, eigenlijk, ik zie wel, dat geldt voor jou toch ook?’ Ik kon hem alleen maar gelijk geven, ik ging filosofie studeren tenslotte. ‘Weet je wat ik soms denk,’ zei Scipio toen. ‘Of ik niet gewoon mijn hele leven in zo’n fabriek moet blijven werken. Gewoon, dat het routine wordt, elke dag acht uur aan zo’n machine en nootjes inpakken. En de rest van de tijd gewoon doen wat je wilt. Je hoeft niets meer te worden, je bent al iets, je hebt je geld en daarbuiten kan je lezen wat je wilt, of schrijven wat je wilt, als je ergens iets over wilt weten ga je naar de bibliotheek en lees je alles wat los en vast zit. Gewoon tot je vijfenzestigste nootjes inpakken. Wie kan je wat maken. Of je neemt een duf baantje op een postkamer of zo. Is dat eigenlijk niet de grote vrijheid?’

Hij meende daar niets van, natuurlijk, zoiets zou ook helemaal niet bij hem hebben gepast. Maar soms vraag ik me nog wel eens af of het voor mij niet had kunnen werken, zo’n regelmatig leven zonder ophef. Ik weet dat ik mezelf voor de gek hou, maar misschien zou het gezorgd kunnen hebben voor het evenwicht dat me altijd is ontgaan. Nu ben ik te oud voor de lopende band of schoonmaakwerk. Bestaan er nog postkamers? Als ik naar buiten kijk en de postbode zie lopen, denk ik: hé, dat zou ik kunnen doen. Maar postbodes werken volgens mij tegenwoordig ook op uitzendbasis. Ik denk niet dat ze elke vrijdagmiddag hun geld komen halen en dronken worden.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in scipio, verhalen en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op hoe ik scipio leerde kennen (5)

  1. Kees van Dijk zegt:

    Ha, daar hebben we Scipio weer. Wat fijn. Wonderlijke man, die Scipio. Heeft volgens mij uiteindelijk iets met Hannibal te maken, olifanten. Alpen. Middelbare school.

    In mijn studietijd was er Paul uit Haarlem, die een flat kocht op de Engelandlaan. Een onafhankelijk man, want hij studeerde naar believen. Hij verdiende zijn brood met nachtportierswerk in het EG in Haarlem. Heet nu geheel anders, maar ik neem aan: Paul werkt er nog steeds. Hij las taalfilosofen voor zijn plezier: zeer onbekende mensen; al was het natuurlijk begonnen bij de onvolprezen heer Ludwig Wittgenstein; dat was nog eens een tijd. Helder joch. Hij leeft nog, vermoed ik. Hij was zuinig op zichzelf. Wij fietsten beiden uit Haarlem naar het gebouw van Bunge in de Spuistraat, en dat gaf een binding.

    Nu wil ik ook wel weer eens wat horen over Oom Evert!

  2. Pingback: hoe ik scipio leerde kennen (slot) | reddend zwemmen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s