“dáár is het rijksmuseum!”

het nieuwe rijks

Vanwege verrichte werkzaamheden en een alerte ingreep van een redacteur in de rol van goede fee had ik een kaartje voor een van de voorbezichtigingen van het nieuwe Rijksmuseum gekregen, en zelfs een extra kaartje voor een introducé, en dus stonden Irene en ik op zaterdagochtend in een lange rij op het Museumplein. Het was de snelst bewegende rij aller tijden, en nadat de toeristen eruit waren gezeefd werden we welkom geheten en goedemorgen gewenst door uiterst vriendelijke medewerkers. Daarna was er koffie en cakejes zoveel je maar wilde, en net toen we op het punt stonden de ruime opzet van de nieuwe entree te bewonderen, begreep ik dat dit – de garderobe, de koffiebar, de andere koffiebar, de tafeltjes met krukjes – een tijdelijke opstelling was, omdat we ons midden op het fietspad bevonden dat ook na de verbouwing nog steeds onder het museum doorloopt.

(Eigenlijk vind ik het jammer dat de fietslobby heeft gewonnen, al is de kans groot dat ik die mening herzie  zodra ik zelf weer eens onder het museum door fiets. In ieder geval hoop ik dat die steeldrummer en de familie tuvaanse keelzangers nog leven, want als de fietsers terug mogen, dan zij ook.)

De echte ingangen van het musuem zitten links en rechts van het fietspad, en komen uit op de twee atria, die (net als lang geleden) glazen overkappingen hebben. Ruimte ! Licht! Voor de verbouwing had je die smalle, donkere ingangen in de torens links en rechts. Door de ruime nieuwe entree is het Rijks meteen een volwassen  museum geworden, en omdat de architecten zijn uitgegaan van wat er al was, maakt het nergens een geforceerde indruk (dit in tegenstelling tot de badkuip van het nieuwe Stedelijk).

Iedereen liep opgeruimd rond, natuurlijk vooral omdat we al naar binnen mochten voor het museum officieel openging. Wel was het voor sommige mensen nog een beetje wennen. Zo hoorden we een vrouw tegen haar partner roepen terwijl ze in de verte wees: ‘Kijk, dáár is het Rijksmuseum!’ Het was de meest raadselachtige scène van de dag, omdat de vrouw midden in het atrium stond en dus net als de rest van ons al lang en breed binnen was. (‘Ik heb het vast verkeerd verstaan,’ zei ik. ‘Nee hoor,’ zei Irene, ‘ze zei het echt, ik hoorde het ook.’)

Voor we ons aan de nieuwe tijdlijninrichting zouden wagen, gingen we eerst maar eens naar de eregalerij met de meesterwerken. In de bovenhal (waar vroeger de museumwinkel zat, als ik me goed herinner) waren de oorspronkelijke decoraties in oude luister hersteld, zodat je je opeens weer kon voorstellen dat het gebouw ooit ‘de kathedraal van Cuypers’ werd genoemd; de scènes uit de vaderlandse geschiedenis op de muren deden in ieder geval sterk denken aan kruiswegstaties.

Ook in de Nachtwachtzaal was er veel onder de verf vandaan gehaald. Onderdeel van het oude decoratieschema was een korte biografie van Rembrandt, die in gouden kapitalen langs de bovenrand van de muur liep. Een vreemd effect van de restauratie: op plaatsen waar de oude decoraties zijn hersteld, wordt het museum onderdeel van zijn eigen collectie en hoort het eigenlijk thuis in de afdeling Negentiende eeuw.

Die Nachtwachtzaal stond erg vol, iedereen trok er blijkbaar als vanzelf naartoe. De ruimte had een bijzondere akoestiek: de stemmen van alle aanwezigen vormden een wolk van doordringend en overweldigend bijengegons, een geluid dat ik nooit eerder had gehoord en dat bijna een kunstwerk op zich was.

Die tijdlijnopstelling, waarbij historische voorwerpen en schilderijen samen in zalen zijn ondergebracht, werkt best goed. Je voelt in ieder geval minder museale druk op je schouders. Vroeger belandde je bij een bezoek aan het Rijks regelmatig in een zaal waar alleen maar glas- of zilverwerk stond. Daar liep je dan gehaast doorheen, want als je dat allemaal zou moeten bekijken ging je dood. Nu loop je door een soort driedimensionale tijdbalk waar allerlei voorwerpen broederlijk de tijdgeest staan uit te drukken. Dat maakt het allemaal wat beter te verteren, al ontstaat er als gevolg van deze opstelling wel een scheiding tussen de meesterwerken van Rembrandt en Vermeer c.s.uit de eregalerij (tijdloos) en de schilderijen die in de tijdlijnzalen hangen (tja, blijkbaar toch net iets meer tijdgebonden).

Op een gegeven moment begon het Irene op te vallen dat er best veel kasten stonden. En inderdaad, als je erop lette, zag je ze overal staan, grote kasten, nog grotere kasten, kleinere kasten, bewerkte kasten, statige kasten – het leidde behoorlijk af, alsof je in het Rijkskastenmuseum rondliep. Misschien bewaarden ze er iets in. In een fantasy-boek zouden ze de toegang vormen tot een parallelle wereld waarin zich wonderlijke zaken afspeelden die met diverse queestes tot een goed einde moesten worden gebracht.

*

Vroeger had je geüniformeerde suppoosten die in een hoekje van de zaal op een ongemakkelijk hoog krukje met een broeierige blik in het niets zaten te staren en waarschuwend kuchten wanneer iemand te dicht bij een schilderij kwam, maar die zijn verdwenen. (Misschien vind je er nog een als je zo’n kast opentrekt.) De nieuwe suppoosten (ze heten ongetwijfeld anders) dragen geen uniform maar bedrijfskleding, waarop een roze button is aangebracht met een naam, waarschijnlijk die van henzelf. Ze zitten niet meer in een hoekje, ze lopen rond en verstrekken informatie over de tentoongestelde objecten. Niet ongevraagd, gelukkig, al scheelt het soms niet veel. Wij werden er wel vrolijk van, al moest ik ook denken aan het verhaal ‘Het Museum’ van Belcampo, waarin de verteller in het Rijksmuseum telkens wordt aangesproken door suppoosten die de meest krankzinnige theorieën op hem loslaten.

Niet dat we krankzinnige theorieën hebben gehoord. Wel hoorden we dat de bronzen Shiva van de afdeling Aziatische kunst (in een mooi nieuw paviljoen) een vooralnog onverklaarbaar wonder van gietkunst is. En ergens op de bovenverdieping bleek dat een van de kasten waarvoor wij stil bleven staan een classicistische verzamelkast was uit het einde van de achttiende eeuw. Achter de imposante deuren zaten maar liefst honderdvijftig laatjes waarin allerlei verzamelde objecten zaten opgeborgen. Dat vertelde de enthousiaste jonge suppoost die onze informatiehonger had opgevangen tenminste. We moesten hem op zijn woord geloven, want de kast was dicht. Op sommige dagen mocht hij open, vertelde hij erbij. Vandaag was niet zo’n dag.

Desondanks is het goed gelukt, het nieuwe Rijks. Het is ruim, er hangt meer zuurstof, je loopt er met lichtere tred doorheen dan ooit tevoren. Bijna overal, dan toch. Voor we vertrokken (weer overal glimlachende medewerkers die ons groetten en nog een prettige middag wensten, tot bijna halverwege het Museumplein aan toe) liepen we nog even helemaal naar boven, naar de afdeling twintigste-eeuwse kunst. Die collectie was ondergebracht op een smalle zolderverdieping, die aan het eind ook nog eens leek dood te lopen, zodat we dezelfde weg terug moesten. Misschien hadden we ergens een afslag gemist, maar het gaf de indruk dat we het staartje hadden bezocht van een afgesloten tijdperk, waar niets meer bij kon en waar niets meer op zou volgen.

Maar waar kwamen wij dan vandaan? Wij kwamen uit een tijdperk dat nog niet bestond. Daar zou je terneergeslagen van kunnen worden, maar je zou ook kunnen concluderen dat je dus alles nog kunt invullen en dat de mogelijkheden onbegrensd zijn. Dat laatste dan maar.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in kunst, leven en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op “dáár is het rijksmuseum!”

  1. Kees van Dijk zegt:

    Dank voor deze mooie, uitgebreide beschouwing, recensie. Als jongen van tien stond ik altijd rustig een uur met mijn vader voor de Aziatische keramiek, overigens; voor de duidelijkheid: voor één vitrine, in zo’n zaal, en daarna weer een uur voor de volgende vitrine. Het wende en was eigenlijk wel heel goed voor mijn algemene ontwikkeling. Het leverde tienen op bij spreekbeurten; en de bijnaam Professor, zonder dat ik brildrager was. Had toch wel wat. Ik zal die zalen dus moeten missen: alleen maar Ao Kutani, alleen maar Ruku-schaaltjes. Altijd in contekst vanaf nu. Ach ik snap het wel; het is ook goed natuurlijk. Maar: geef mij die oude tentoonstellingsopvattingen maar. Al dat modieuze en meeslepende van die Pijbes. Dat is toch die slimme en slinkse marketingjongen van de Kunsthal? Dat is gewoon een verkoper in een winkel van It’s, toch? Alsof hij de IVA heeft gedaan!

    Nou, vooruit; dat is dan weer eens mijn duit in het zakje van dit zeer aangename blog waar zo weinig op gereageerd wordt. Is dat de bedoeling? of is dat iets anders?

    Kees

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s