terugspoelen

Van mijn vader had ik alleen foto’s, geen bewegend beeld. Toen ik geboren werd, was hij hoofd van de Michiel de Ruyterschool in Amstelveen. Ik wist dat zijn leerlingen ooit hadden meegezongen met zanger Max Woiski jr., toen die voor een tv-programma een opname maakte van het kinderliedje ‘In ’t groene dal, in ’t stille dal’. Er waren foto’s van, waarop je Woiski de bloemen in het tuintje van de school zag begieten. Mijn vader stond ook op die foto’s, maar of hij bij de tv-opnamen in beeld was gekomen, wist ik niet. Misschien zat er iets in het omroeparchief.

Op de site van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid vond ik een verwijzing naar ‘Mackintosh’, een programma van vijftien minuten uit 1964 van Max Woiski jr. Dat zou het kunnen zijn, al werd er niet verwezen naar kinderliedjes. Ik bestelde, betaalde en een paar dagen later lag een dvd van de opname in de bus.

Het programma is uitgezonden op 17 april 1964. Max Woiski jr. (in 1930 geboren in Paramaribo, echte naam: Max Rene Valentino Mackintosh) had een jaar eerder een hit gehad met ‘Je bent nog niet gelukkig met een mooie vrouw’, en daar had hij blijkbaar een eigen tv-programma aan overgehouden. De dvd begint met studio-opnames van Woiski met band. Ze spelen opgewekte Zuid-Amerikaanse muziek in een decor dat waarschijnlijk een Caribische havenmarkt moet voorstellen, inclusief manden vol (plastic?) vis. Op de achtergrond eten twee zwarte figuranten onbekommerd een banaan.

P1010568

De leden van de band dragen glimmende shirts, waarvan je de kleuren zelf moet invullen, want alles is in zwartwit. Woiski, donker colbertje, grijze broek,stropdas, wit overhemd, speelt gitaar en introduceert de nummers, nerveus maar sympathiek. De blanke sambaballenspeler kijkt gedurende alle nummers somber en gelaten voor zich uit, alsof hij in de band is terechtgekomen via een voor hem desastreus verlopen weddenschap.

Na vier, vijf nummers volgt de aftiteling, maar nadat het beeld zwart is geworden, komt als toegift opeens de voorgevel van de Michiel de Ruyterschool in beeld, met spelende kinderen ervoor, blijkbaar is het speelkwartier. Over een verlaten Amstelveense straat komt Max Woiski jr. aanrennen, in de kleren die hij ook tijdens de studio-opname droeg. Onder het rennen raadpleegt hij zijn horloge, hij springt over het lage muurtje van de schooltuin en loopt over het gras naar de school. In de deuropening staat mijn vader, het schoolhoofd. Kinderen lopen langs hem heen naar binnen, mijn vader begeleidt ze met armgebaren, rustig, beheerst, iemand met gezag dat hij niet hoeft te benadrukken.

Als de kinderen binnen zijn, komt Max Woiski aanlopen. Mijn vader steekt zijn hand naar hem uit en nadat ze elkaar de hand hebben geschud, lopen ze naast elkaar de school binnen. Daar zingen Woiski en de leerlingen in een lokaal ‘In ’t groene dal, in ’t stille dal’, de leerlingen met de overdreven verzorgde dictie die toen normaal was. Ze worden begeleid door Zuid-Amerikaanse klanken, en alles wordt geplaybackt, zo te zien. Tijdens de uitvoering van het lied komt mijn vader niet meer in beeld, we moeten het doen met die elf, twaalf seconden bij de schooldeur.

P1010570P1010574

De van het scherm van mijn laptop genomen foto’s zien er onverwacht dramatisch uit, alsof ik als een paparazzo in de struiken van de schooltuin heb gelegen om mijn vader te betrappen. Die vergelijking is misschien niet eens zo gek. (Voor generatiegenoten: ik moet ook denken aan de foto’s uit de eerste serie van Q en Q.)

Terugspoelen en nog eens goed kijken. Mijn vader draagt een grijs colbertje, een donker overhemd en een donkere stropdas. Grijzend, een redelijk vol gezicht, hij ziet er goed uit. Op het moment van uitzending ben ik tien maanden, zelf is hij veertig, tien jaar jonger dan ik nu ben en eigenlijk kan dat niet, dat is in strijd met alle wetten van de logica. (Het zou trouwens goed kunnen dat ik dat colbertje heb afgedragen en dat het bij de colbertjes zat die ik vorig jaar na een zolderopruiming hier om de hoek in een kledingbak heb gedumpt.)

Wanneer hij met Woiski naar binnen loopt, verwacht je even dat mijn vader zijn hand op de schouder van de zanger gaat leggen. Je zou het hem gunnen (na afloop nog even wat gaan drinken, vrienden voor het leven, oom Max zou nog jarenlang een graag geziene gast op familieverjaardagen zijn), maar het gebeurt niet, en als hij achter Woiski aanloopt, ziet mijn vader er opeens klein uit, en smalletjes, als een jongen met een colbertje. Toen hij een paar seconden eerder de kinderen binnenliet, stond hij er nog bij als het schoolhoofd, breder, groter, met gezag. Wat is er intussen gebeurd? Maar weer even terugspoelen. En als je hem weer bij die schooldeur ziet staan met zijn leerlingen denk je: hm, eigenlijkbest grote kinderen.

Het is vreemd om hem zo te zien, alsof ik hem inderdaad bespied, alsof ik een tijdreis maak die voor mij vreemde paradoxen zal opleveren. Ik zie hem als schoolhoofd met vanzelfsprekend gezag en als groot kind in een grijs colbertje. Beide versies zal ik later leren kennen, dat grote kind wat later dan het schoolhoofd. Hij lijkt erg op zijn gemak, bij die schooldeur, maar later dat jaar zou hij zijn gezin meenemen naar de andere kant van het land, naar Holthone, een pluisje op de kaart van Oost-Overijssel, waar hij schoolhoofd werd van het plaatselijke tweemansschooltje. Dat is de plek waar mijn herinneringen beginnen.

Weer vier jaar later zouden hij en mijn moeder terugkeren naar de zwartekousenkerk waarvan ze zich na de oorlog hadden afgekeerd en werd hij schoolhoofd in Rijssen, een van die plekken waar de bible belt het strakst is aangehaald. Zowel in Holthone als Rijssen had hij al eerder een paar jaar als onderwijzer gewerkt, in de jaren vlak na de oorlog. Hij verhuisde graag, maar vaak naar plekken waar hij al eerder had gewerkt en gewoond – hoe moet je dat noemen, rusteloosheid zonder zucht naar avontuur?

Van al dat gedoe zie je niets als hij tien jaar jonger dan ik met kalme en vanzelfsprekende gebaren zijn leerlingen zijn school binnenlaat, al is het een veeg teken dat hij kleiner wordt zodra er een andere volwassene in beeld stapt. Het gaat om centimeters, maar toch, ik kijk naar The Incredible Shrinking Man. Krimpen is het lot van elke vader en dat ik in die twaalf seconden bewegend beeld meteen een filmtrailer zie, zegt meer over mijn blik dan over mijn vader.

*

Niet lang nadat ik de dvd had bekeken, zocht ik in Huizen het graf van mijn vader weer op. Ik merkte dat ik daar met met een mond vol tanden stond, want hij lag daar opeens ook als jongere man, als hoofdonderwijzer van veertig, niet meer alleen als de bijna tachtigjarige die hij was toen hij stierf. Het was een vreemde gewaarwording, ik had met hem te doen, omdat hij op een bepaalde manier dus ook jóng was overleden – die hoofdonderwijzer van veertig lag daar tenslotte ook. En ja: daar lag dus ook een hoofdonderwijzer; ik kon wel denken dat daar mijn vader lag, maar dat was maar zeer ten dele waar, het had nogal iets aanmatigends om die hele man en alles wat hij in die bijna tachtig jaar was geweest, terug te brengen tot het feit dat hij mijn vader was. Hij lag daar ook als iemand anders, iemand van wiens leven ik maar een deel had meegemaakt.

Het was het vreemdste bezoek dat ik ooit aan mijn vader heb gebracht. Toen ik wegliep, zag ik een paar graven verder de naam Hendrik Jacob Visser op een grafsteen staan. Die steen had ik niet eerder gezien, ook al was de man aan de sterfdatum te zien al een paar maanden na mijn vader overleden. Ook dit was vreemd: Jacob Visser was de naam van de hoofdpersoon van de roman waaraan ik een paar jaar na de dood van mijn vader begon.

*

Max Woiski jr. stierf in 2011 in een verpleegtehuis in Alkmaar. Of hij de opname van het kinderliedje over het groene, stille dal als een hoogtepunt in zijn carrière heeft beschouwd, mag worden betwijfeld. Op de site MixedWorldmusic.com vond ik de tekst van een interview dat Patrick Meershoek in februari 2011 met de tachtigjarige Woiski had voor Het Parool. In dat verpleegtehuis in Alkmaar kijkt de zanger met zeer gemengde gevoelens terug op zijn carrière en zijn tijd in Nederland. ‘Het is verschrikkelijk wat jullie hebben aangericht in [Suriname]. Diep van binnen willen alle Surinamers Hollander zijn. Nog steeds! Kun je je voorstellen wat dat betekent? Ik ben een Hollander met een verkeerde kleur. Kijk, de Antillianen zitten anders in elkaar. Dat zijn trotse klootzakken met een gezonde hekel aan de Hollanders. Maar de Surinamers hebben jullie geaaid en gepaaid. De Nederlandse taal heeft zich als een prop in onze reet vastgezet. Als je ons even streng aankijkt, beginnen we braaf te zingen over de blanke top der duinen – alsof er nooit een Surinaamse cultuur heeft bestaan.’

Ik spoel terug naar de scène in het lokaal. Als Woiski jr. moeite had met de top der duinen zal ook deze tekst hem niet zijn bevallen,  hij zingt: ‘In ’t groene dal, in ’t stille dal, waar kleine bloempjes bloeien, daar ruist een blanke waterval, en druppels spatten overal.’

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in kind van de verzorgingsstaat, leven, muziek en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s