gatsby’s glimlach

P1010577

Naar The Great Gatsby van Baz Luhrmann, de 2D versie, omdat die minder ver fietsen was dan de 3D versie en omdat tweeënhalf uur door een 3D-bril kijken me wat veel leek. Ik had er van tevoren niet bij stil gestaan, maar een 2D versie van een 3D film is natuurlijk geen gewone speelfilm; het is dezelfde film als de 3D versie, behalve dan zonder bril en diepte-effecten. Zodat de film vol zat met effecten als dwarrelende sneeuwvlokken, naar voren gestoken sigaren, heftige camerabewegingen, rondzwevende confetti, spetterende champagne, rollende parels en allerlei andere voorwerpen die richting zaal schoten. Ze deden daar op het doek zo hun best dat je de neiging kreeg naar de acteurs te roepen: ‘Ho nou, doe geen moeite, wij zijn het maar, we kijken hier naar de 2D-versie.’

Wat een lawaai trouwens. Het boek was stiller. Dat is een groot voordeel van boeken, dat vaak te weinig aandacht krijgt: ze maken geen geluid. Daarom kun je ze ook overal mee naartoe nemen.

Daarom leidt literatuur ook zo gemakkelijk tot contemplatie en verstilling. Zelfs al bevind je je in de loopgraven van Stalingrad of sta je midden in de feestzaal van Gatsby’s mansion, je zit in een bel van stilte, vaak zit je dan ook nog eens in het hoofd van iemand anders, wiens schedelwanden als extra isolatiemateriaal dienen.

Ook de beelden die je tijdens het lezen vormt, hebben iets stils. Hoe levendig het proza ook is, de beelden houden altijd iets onbestemds, alsof je ze ziet door een mist en je bovendien net je bril hebt afgezet. Het verhaal wordt gevormd door de tekst, de beelden zijn fragmentarisch en vragen nauwelijks om interne logica en consistentie. Ze komen en ze gaan, alsof lezen een vorm van dromen is.

Als je dan een qua beeld en geluid overweldigende versie van F. Scott Fitzgeralds Gatsby krijgt voorgeschoteld, is dat wel even schrikken; maar ik dacht ook: ik heb me de hele setting van het boek altijd veel te bescheiden voorgesteld. Die huizen bijvoorbeeld.

*

Het huis van Gatsby met dat weelderige interieur en al die feesten is een snoepwinkel voor de New Yorkse jet set en wannabees. En door de wervelende manier waarop Luhrmann het huis en die feesten in beeld brengt, is het is ook een snoepwinkel voor de filmkijker. Dat is ook het probleem van de film: je kijkt je ogen uit, maar als het verhaal omslaat en de feesten voorbij zijn, zit je naar een lege snoeptrommel te staren. Luhrmann vindt voor de tragische afwikkeling van het verhaal geen andere beeldtaal uit, hij blijft op de oude voet doorgaan, alles moet snel dan wel overdonderend, en bij voorkeur allebei tegelijk. En daar razen de jarentwintigauto’s door de Valley of Ashes weer eens naar New York, met een voor auto’s uit die dagen absurde snelheid.

Het is bij veel scènes net of je naar een animatiefilm zit te kijken. En dat is het in feite ook. Veel decors komen uit de computer, en de belichting van de acteurs is vaak volstrekt onnatuurlijk, net als de glans die op hun kapsels en gezicht ligt. Soms was het allemaal zo onecht dat ik de indruk kreeg dat ik naar een lange trailer van een game zat te kijken.  (Is er ooit een game gemaakt van Gatsby: ja, warempel, al gaat het hier vooral om kleine parodieën, zo te zien.) Tegelijkertijd was het allemaal zo dik aangezet en wervelend dat het wel een musical leek en dat ik het als een gemis ervoer dat de acteurs niet regelmatig in gezang uitbarstten. (Gatsby the Opera – is die eigenlijk ooit gemaakt? Ja  warempel.)

Een verfijnd psychologisch drama is het dus niet geworden, ook omdat Luhrmann tussen al het visuele geweld door regelmatig kiest voor de gemakkelijke lach. Zo wordt het verhaal komischer dan in het boek, ook doordat de bijrollen stuk voor stuk behoorlijk karikaturaal zijn. Toby Maguire speelt Nick Carraway met de twee gelaatsuitdrukkingen die hij tot zijn beschikking heeft: verbaasd-geschrokken en verbaasd-geamuseerd, en de raamvertelling waarin het verhaal is opgenomen is volstrekt overbodig.

Kortom, er deugt van alles niet, en toch is het ook meeslepend. In ieder geval ben je even van je literaire verstilling genezen, en dat is ook wat waard. Bovendien is Leonardo di Caprio helemaal geen slechte Gatsby, al doet hij misschien iets te veel zijn best en fronst hij ook wel erg vaak; je zou bijna naar het doek roepen: ‘Koop een bril, Gatsby!’ Zo krijgt dat reclamebord van opticien T.J. Eckleburg dat zo prominent in het verhaal voorkomt ook een nieuwe dimensie.

Maar je kunt zeggen wat je wilt, de glimlach heeft Di Caprio goed getroffen – de glimlach waarmee Gatsby de verteller bij hun eerste ontmoeting begroet en betoverd, de glimlach die me maar vier of vijf keer in ons leven tegenkomen – if we’re lucky; en die Fitzgerald als volgt beschrijft:

He smiles understandingly – much more than understandingly. It was one of those rare smiles with a quality of eternal re­assurance in it, that you may come across four or five times in life. It faces – or seemed to face – the whole eternal world for an instant, and then concentrated on you with an irresistible prejudice in your favor. It understood you just as far as you wanted to be understood, believed in you as you would like to believe in yourself, and assured you that it had precisely the impression of you that, at your best, you hoped to convey.

In de film werd het voorgelezen door de voice-over. Maar dit is dan weer iets dat beter werkt in de stilte van het boek, hoe goed Di Caprio’s glimlach ook was.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in film, lezen, recensie en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op gatsby’s glimlach

  1. Metsike zegt:

    Een mooi filmessay voor in je toekomstige bundel (hoop ik)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s