‘ik sluit wat droge geitenkeutels bij’

Hieronder mijn recensie van Ik wil nooit vergeven worden, de verzamelde brieven van Ted Hughes, die op 28 juni in NRC Handelsbladstond.

Hij was een gevierd en gelauwerd dichter en kinderboekenschrijver, werd in 1984 benoemd tot Poet Laureate, zijn postuum verschenen Collected Poems tellen dertienhonderd bladzijden – en toch kan de naam Ted Hughes niet vallen zonder dat die andere naam valt: Sylvia Plath, de Amerikaanse dichter met wie hij in 1956 trouwde en die in 1963 zelfmoord pleegde.

Ook het feit dat er in de reeks Privé-domein een selectie van zijn brieven is verschenen, zal daar vooralsnog weinig aan veranderen.  Al was het alleen al omdat de titel, Ik wil nooit vergeven worden, rechtstreeks naar dat veelbesproken huwelijk verwijst: de regel is afkomstig uit een brief die Hughes kort na de zelfmoord van haar dochter aan de moeder van Plath stuurde. De Engelse uitgave waarop deze brievenbundel is gebaseerd heet Letters of Ted Hughes, en dat is in al zijn neutrale eenvoud een titel die meer recht doet aan zowel inhoud als auteur.

De eerste brief uit de bundel dateert uit 1952. Hughes, in 1930 in West-Yorkshire geboren als timmermanszoon, is dan een eenentwintigjarige student. ‘Soms vind ik Cambridge fantastisch, andere keren is het een sloot vol koud, helder water waarin alle kikkers zijn gestorven,’  luidt de eerste regel van die eerste brief, en meteen hebben we thema’s uit Hughes’ leven en werk te pakken: de natuur, de dood – en natuurlijk Cambridge, waar hij de vrouw zal ontmoeten die zo’n stempel op zijn leven zou drukken.

Tot het zover is, is Ted Hughes nog ‘gewoon’ een uiterst begaafde jongen uit het noorden die in zijn brieven aan vrienden en familie op allerlei manieren zint om geld te verdienen waarmee hij tijd kan kopen om te dichten. Nadat hij Plath eenmaal heeft ontmoet, wordt hij voorgoed Hughes-die-aan-die-andere-naam-vastzit.

Aanvankelijk scheppen Hughes’ brieven een beeld van een ideaal schrijverskoppel. Plath en hij botsen, inspireren elkaar, zetten elkaar onder stroom. Maar je weet wat komen gaat. Je weet ook dat vijf jaar na Plaths zelfmoord Hughes vriendin Assia Wevill zichzelf van het leven zal beroven, samen met het dochtertje dat ze hadden.

Het is eigenlijk jammer dat we dit allemaal al weten, want daardoor wordt de indruk van wat Hughes meemaakt voor de lezer afgezwakt: er bestaat al een kader voor, en dat kader is meestal niet al te gunstig voor Hughes. Maar ondanks dat pasklare kader komen de gebeurtenissen toch hard aan, mede door de intensiteit van de brieven waarin Hughes deze dingen aan zijn correspondenten meldt. ‘Ik was de enige die haar had kunnen helpen, en de enige die zo afgestompt wasdoor haar toestanden en eisen dat ik het niet herkende toen ze die hulp werkelijk nodig had,’ schrijft hij aan zijn zus Olwyn. Alleen al door die intensiteit vormen deze brieven een rehabilitatie van Hughes; niet omdat ze hem als schuldeloos slachtoffer presenteren, maar omdat ze hem presenteren als autonoom persoon.

In de jaren zeventig trouwt Hughes met Carol Orchard en begint hij een boerderij, maar het verleden laat hem niet los: Plath wordt een icoon, biografen dienen zich aan en worden per post uitgebreid terecht gewezen.

*

In deze (door Nelleke van Maaren goed vertaalde) bundel laat Hughes zich zien als een zorgvuldig correspondent, die de tijd neemt om familieleden, vrienden en collega’s zijn  standpunten duidelijk te maken. Hij lijkt vastberaden, maar wanneer hij terugkijkt, en dat doet hij regelmatig, heeft hij zelden het gevoel dat hij iets wezenlijks heeft bereikt. Hij schrijft veel over literatuur, maar ook over de natuur, die hij met mooie beelden beschrijft en waarvan hij als jager en visser met een aardse, onsentimentele liefde houdt. Je kijkt niet op van een mededeling als ‘Ik sluit wat droge geitenkeutels bij’.

Het achterste van zijn tong houdt Hughes meestal voor zichzelf. ‘Weet je wat mij dwarszit?’ vraagt hij in 1965 aan zijn vriendin Assia. ‘De gedachte dat je mijn brieven bewaart. […] Ik word op het moment al genoeg belaagd door […] begerige nieuwsgierige aagjes, en als je dat allemaal opspaart zodat een of andere Suzette het opeens in handen krijgt, kan ik niet vrijuit schrijven.’ Dit is iets om bij het lezen van de brieven in het achterhoofd te houden, maar toch krijg je niet de indruk dat Hughes zich voortdurend inhoudt met het oog op een eventuele latere publicatie.

Een paar brieven springen eruit. Een daarvan is de lange brief die Hughes op 13 mei 1963, een paar maanden na de dood van Sylvia Plath, aan zijn voormalige schoonmoeder schrijft. Blijkbaar is Sylvia’s moeder van plan naar Engeland te komen om voor de kinderen van Sylvia en Ted te zorgen (Frieda en Nick, op dat moment respectievelijk drie en  één jaar oud). In zijn brief probeert Hughes haar op andere gedachten te brengen. Aan alles voel je dat hij deze theatrale, verstikkende vrouw zo ver mogelijk bij zijn kinderen vandaan wil houden. Hij doet dat met een  geduldige en tegelijk afgemeten beleefdheid (‘Je zult begrijpen dat je komt in juni me voor een veelvoud van problemen stelt’). Zijn eigen rouw en schuldgevoel zet hij opzij omdat het nu om iets belangrijkers gaat: het welzijn van zijn kinderen. Juist dat maakt deze brief zo aangrijpend. Als een leeuwin gaat hij voor zijn kinderen staan om ze voor deze vrouw te beschermen. (Ze komt natuurlijk toch.)

Een andere brief die opvalt, is die van 10 november 1982, gericht aan bisschop Ross Hook, die Hughes blijkbaar gevraagd om deel te nemen ‘aan een discussie over manieren waarop vertegenwoordigers van de kerk en van de poëzie samen een terrein zouden kunnen verkennen dat hun beide ten goede zou komen’. Hughes antwoordt dat hij die uitnodiging een ‘eer’ vindt, om vervolgens uitgebreid te gaan uitleggen waarom hij er niet op zal ingaan. Hij moet zijn poëzie zuiver houden, autonoom. En passant legt hij uit wat hij als de geest van de poëzie ziet: ‘de stem van de pijn – en het fysieke lichaam van de poëzie, om  het maar zo te noemen, is de behandeling waardoor de dichter die pijn tracht te verzoenen met de wereld.’ Het is een heel andere brief dan de brief aan de grootmoeder van zijn kinderen, maar ook hier is iemand aan het woord die zijn eigen kracht kent, een bedreiging (persoonlijk dan wel artistiek) bespeurt en met gedecideerde beleefdheid zijn plek verdedigt.

In de brieven aan zijn kinderen ontpopt Hughes zich als een zorgzame, wat strenge maar belangstellende vader, die graag opbouwende kritiek geeft aan Frieda (die zich tot dichter en schilder ontwikkelt) en herinneringen aan visexpedities ophaalt met Nick (die zich later als bioloog in Alaska zou vestigen, niets van de literaire wereld wilde weten, zelfs met zijn vader niet over zijn moeder wilde praten en in 2009 zelfmoord pleegde).

Ik wil nooit vergeven worden is een brievenboek met sterke slotakkoorden. Vanaf 1989 tot zijn sterfjaar 1998 correspondeerde Hughes met Nick Gammage, journalist en Hughes-adept. Gammage stelt Hughes vragen over leven en werk, en in zijn uitgebreide antwoorden geeft Hughes veel informatie over zijn oeuvre, maar ook over zijn jeugd – bijvoorbeeld op de verwoestende invloed die de Eerste Wereldoorlog ook nog op zijn generatie had.

Het echte slotakkoord is natuurlijk de publicatie van de dichtbundel Birthday Letters in 1998, waarmee Hughes een paar maanden voor zijn dood eindelijk het stilzwijgen doorbrak dat hij in zijn werk altijd over Sylvia Plath had bewaard. De bundel, bestaande uit achtentachtig gedichten, kwam als een volslagen verrassing en werd een groot succes. Voor Hughes was het schrijven en publiceren van deze gedichten na al die jaren een bevrijdende ervaring. In een brief aan zijn zoon omschrijft hij het als het inslaan van een glazen ruit, het opblazen van een verstopping, een gigantische aardverschuiving.  ‘Het is of ik heel nieuwe, andere hersenen heb. Ik kan nu dingen denken die ik nooit kon denken. Ik heb een vrijheid in mijn verbeeldingskracht die ik sinds 1962 niet meer heb gehad.’ Ook tegen de dichter Seamus Heany heeft hij het over ‘vreemde euforiën’ die hem een groot gevoel voor vrijheid geven. ‘Soms heb ik een krankzinnige vlaag van hoe ik me in 1955 voelde, voordat ik Sylvia Plath ontmoette.’

 

Ted Hughes, Ik wil nooit vergeven worden, Arbeiderspers, 543 p., € 45,00

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in recensie en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op ‘ik sluit wat droge geitenkeutels bij’

  1. Debbie zegt:

    Pracht recensie, vorige week al met veel plezier gelezen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s