johnny ramone en de oplagecijfers van mijn boeken

458px-Johnny_ramone

Verleden week zag ik op Holland Doc een documentaire over de Ramones, End of the Century, van Jim Fields en Michael Gramaglia. Muziek uit de vorige eeuw, hoe lang is dat nu al weer geleden! De band bestaat al bijna twintig jaar niet meer, zelfs de documentaire bleek al tien jaar oud. Hoe ouder je wordt, hoe meer snelheid het leven krijgt, en dat zal waarschijnlijk alleen maar erger worden. Op een gegeven moment zal ik alleen nog maar gekleurde strepen langs zien schieten, alsof ik midden in een Formule 1-race sta; maar nee, het zijn geen razende bolides, het is gewoon het leven dat voorbijkomt.

Voor de Ramones zelf was het allemaal ook snel voorbij, trouwens. Joey en Dee Dee leefden al niet meer toen End of the Century uitkwam, Johnny stierf een paar maanden na de première. Niet alleen daardoor ontroert is de film, het komt ook door de band zelf. Hun ‘hey ho let’s go’-punk heeft altijd iets ontroerends gehad, door de combinatie van onverschillig bravoure, strakke verbetenheid en simpele naïviteit, waardoor hun nummers iets weg hadden van kinderliedjes on speed, gespeeld door vier broertjes die ’s nachts alleen thuis zijn en nadat ze de drankkast hebben geplunderd zich haastig aan hun eigen snelle en laconieke vorm van teringherrie overgeven om de demonen in de kelder op afstand te houden.

Niet dat dat lukte, natuurlijk. Uit de interviews in de documentaire bleek dat die demonen ze uiteindelijk aardig te pakken hadden gekregen. Het was misschien vanaf het begin al een ongelijke strijd, maar wie heeft er ooit van een gelijke strijd gehoord?

Dat contrast ook. De verbroedering waarmee ze zich allemaal met dezelfde achternaam tooiden, alsof ze inderdaad familie waren, en niet vier misfits uit een saaie middenklassewijk in Queens die elkaar aan het eind van hun puberteit hadden gevonden; en de werkelijkheid waarin die verbroedering natuurlijk niet houdbaar was.

Zoals bleek in de jaren tachtig, toen gitarist Johnny een verhouding kreeg met de vriendin van zanger Joey, waarna gitarist en zanger de rest van hun gedeelde carrière vrijwel geen woord meer met elkaar wisselden, hoewel ze avond aan avond naast elkaar op het podium stonden. Wel blijkt uit End of the Century dat het Johnny ernst was met Joeys vriendin: wanneer Johnny in het begin van deze eeuw wordt geïnterviewd, zijn ze nog steeds samen.

 *

 Uit die interviews met de afzonderlijke leden, gemaakt na het uiteenvallen van de band, blijkt pas hoeveel ze van elkaar verschilden, ondanks hun gedeelde achternaam en kledingkeuze. Joey, zijn hele carrière lang een verwelkende bloem op een te lange steel, bassist Dee Dee, die ooit geniale liedjes schreef maar nu praat met de onrustbarende (want niet-empathische) opgewektheid van een verslaafde, drummer Tommy, die als enige van het kwartet de indruk wekt dat hij al heel lang geen Ramone meer is (en dat klopt, hij verliet de band al vrij snel) en de zakelijke, afgemeten Johnny, die veel fans achter hun oren deed krabben door president Bush te prijzen toen de band in 2002 werd opgenomen in The Rock and Roll Hall of Fame, en die nu meldt dat hij in 1960 al voor Nixon was.

Hoewel Joey de sympathiekste was (kwetsbaar, ziekelijk, vertederend, dood), beviel de stugge rechtse Johnny me het best, merkte ik tot mijn verbazing. Vooral door die stugheid. Kijk hoe Dee Dee en Joey hun interview geven: ze richten zich naar de interviewer, omdat ze genieten van de aandacht en de mogelijkheid zichzelf te laten zien (Dee Dee), of omdat ze de interviewer een plezier willen doen door hem al dan niet aarzelend te geven wat hij wil (Joey). Het resultaat is dat ze allebei spreken met een zekere stemverheffing; ze zijn zich bewust van de situatie en reageren op die bewustheid door te forceren en te acteren. Johnny doet het anders. Hij zit op een stoel in zijn appartement en beantwoordt de vragen die hem worden gesteld kort, bondig, en zonder dat hij zijn stem verheft, zelfs niet als hij een vraag doorspeelt aan de vrouw die hij zo’n twintig jaar geleden van Joey afpakte en die zich in een ander deel van de ruimte bevindt. (Ontstond er een machtstrijd tussen Joey en mij toen Tommy opstapte, vraagt hij. Zijn vrouw, die niet in beeld komt, houdt zich op de vlakte.) Hij is welwillend, beleefd, eerlijk, maar geeft niets cadeau. Niets in zijn gezicht straalt uit dat hij vrienden met de interviewer zou willen worden, zelfs niet voor de duur van de ontmoeting, niets in zijn blik straalt uit dat hij daar ook maar in de verste verte behoefte aan zou kunnen hebben.

Je ziet dat het geen makkelijke man is (dat bleek ook al uit de herinneringen van zijn voormalige collega’s, en zelf wist-ie het ook) maar hij straalt wel iets autonooms uit, iets compleets. Zo zou ik ook wel willen zijn, geen pleaser als zijn voormalige collega’s, maar your own man, een man uit één stuk – ook al begin je gaandeweg de documentaire iets te voelen van de eenzaamheid die om hem heen hangt; en van zijn frustratie.

 *

 De frustratie van Johnny Ramone was dat de Ramones nooit echt groot zijn geworden. Godfathers van de Engelse en Amerikaanse punk, jawel, maar echt doorbreken, ho maar,  links en rechts werden ze ingehaald door de bands die ze hadden beïnvloed. Bij elke lp dachten ze weer: dit gaat hem worden, nu worden we rijk en beroemd, maar nee, steeds bleven de verkoopcijfers achter bij de verwachtingen. In de documentaire vertelt Johnny dat het hem halverwege de jaren tachtig begon te dagen dat het niet meer ging lukken; dit was het, groter zouden ze niet worden.

En daar moest hij zich dan maar mee verzoenen. Geen stadions, geen gouden platen, geen rijkdom, geen privévliegtuig. Zaaltjes, elke avond weer. Dit was zijn top, dit was zijn werk, dag in dag uit, meer zou het niet worden. En hij verzoende zich ermee, wat moest hij anders? Dit was het enige trucje dat hij kende.

Dit was het fragment dat me het meest raakte. Johnny Ramone die beseft dat het niet beter gaat worden en zich daar grimmig bij neerlegt. De band als werk, waar je elke dag naartoe gaat, met naast je aan de lopende band dan ook nog een collega die jouw bloed wel kan drinken. Omstreeks die tijd zag ik ze in Paradiso, snoeihard en snel en nihilistisch en op hun eigen manier legendarisch.

Het duurde nog vrij lang, een paar dagen, voor ik erachter kwam waarom ik nu steeds weer aan juist dit fragment terugdacht. Misschien is het zo dat de dingen die ons bijblijven vooral over onszelf gaan, want (en klinkt dit potsierlijk? Nee, ik geloof het niet) hier in deze scène herkende ik toch iets. Met andere woorden: na acht boeken moet ik misschien toch ook maar de conclusie trekken dat dit het is, moet ik er me misschien bij neerleggen dat ik nooit meer dan een paar duizend exemplaren per boek zal verkopen, en dat ik om rond te komen er altijd bij zal moeten blijven vertalen, redigeren en recenseren, met zo nu en dan een werkbeurs, zolang dat systeem tenminste nog bestaat.

Ik hoor de tegenwerpingen nu al: ja maar, je kunt niet weten… de volgende keer…  je naamsbekendheid neemt toch elke keer weer een beetje toe… denk aan Jan Siebelink…

Maar berusting kan erg bevrijdend zijn. Je bent in ieder geval bevrijd van die vervelende en voor de hand liggende tegenwerpingen. Bovendien: zonder die berusting zal schrijven zich nooit helemaal in het hier en nu afspelen, altijd iets onbevredigends blijven houden – omdat je voortdurend op de toekomst gericht blijft. Dáár, in die toekomst, moet het gebeuren: gerecenseerd worden, gekocht worden, dóórbreken, genomineerd worden, bekroond worden; en als het deze keer niet lukt, dan met de volgende poging. Of de volgende.

En toch, berusting, resignatie – het klinkt nobeler dan het is, ik moet de eerste heilige nog tegenkomen die zoiets klaarspeelt zonder wrok en verbittering. Het past ook veel te goed bij me, berusting, ik heb  nooit zoveel gehad met het ‘rage, rage, against the dying of the light’; ik moet opeens denken aan iets wat Irene zei toen ik haar vertelde dat ik een meditatiecursus ging volgen: ja, net iets voor jou, misschien zou je beter karate kunnen gaan doen.

Goed, dan leggen we ons er niet bij neer, maar probeer dát dan maar eens zonder wrok en verbittering klaar te spelen. Johnny Ramone had nog zijn vier akkoorden die hij elke avond snoeihard en woedend de zaaltjes in kon rammen, maar schrijven is helaas een wat subtieler en zachtaardiger beroep.

 (foto: Johnny Ramone, Wikipedia)
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in muziek, schrijven en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

4 reacties op johnny ramone en de oplagecijfers van mijn boeken

  1. Rob,

    Leuk stuk. Ik hoop niet dat je een verbitterde oude man gaat worden. Want je boek “Het jaar dat mijn vader stierf” is me 1000 x liever dan Bonita Avenue of 50 tinten grijs. Je moet er genoegen mee leren nemen dat enkele lezers je waarderen en dat de mythe van Sisyfus voor de meesten van ons de dagelijkse realiteit is (die overigens mij niet niet bitter stemt) Om jezelf te vergelijken met The Ramones doe jij jezelf tekort want jij bespeelt een breder register dan 1, 2, 3 en Gabba Hey

    • Nee, ‘Verbitterde oude man’ staat niet op programma. Wel: Sisyfus, in navolging van Camus, voorstellen als een gelukkig man. Dank. Toch heb ik een groot zwak voor de Ramones; ze hebben met hun ijzerenheinigheid dan toch maar alles uit hun register gehaald wat erin zat.

  2. Whooooooosh!
    ‘What was that?’
    ‘That was your life mate..’
    (John Cleese)

    Mooi melancholiek stuk Rob, met een inktzwart rafeltje
    Ga jij es snel op karate!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s