naar mordor

Ik zat op een terras bij het Sarphatipark, als je je jas aanliet, was het best te doen. Aan het tafeltje naast me zat een vrouw op het schermpje van haar telefoon te kijken, een tafeltje verder las een vrouw een boek waarvan ik de titel net niet kon zien. Vanuit het café kwam een gezette man het terras oplopen, met een volgeschonken kelkje jenever in zijn hand. Hij slaagde erin het glaasje zonder morsen op een leeg tafeltje neer te zetten en liet zich tevreden in een stoel zakken. Even bleef hij met gevouwen handen glimlachend naar het glaasje staren, alsof het een oude vriend was met wie hij al veel had meegemaakt, daarna stak hij langzaam een hand uit en tilde het bij het steeltje omhoog.

Ik probeerde een Carmiggeltiaanse beschrijving te verzinnen voor zijn handeling, want dat paste wel bij de situatie. Hij bracht het kelkje naar de lippen en nadat hij de eerste slok met gesloten ogen naar binnen had laten glijden, zuchtte hij vergenoegd, als een gepensioneerd filosoof die de oplossing van het wereldraadsel zonder wrok of spijt aan zijn opvolgers overlaat. Het beeld beviel met niet helemaal, niet in de laatste plaats omdat filosofen zich al lang niet meer met het wereldraadsel bezighouden, voor zover ze dat al ooit deden, en bovendien, wat was dat nou helemaal, het wereldraadsel? Ik keek nog eens goed naar de man, in de hoop dat ik een betere vergelijking kon vinden, eentje die minder vergezocht was maar wel eenzelfde mix van onverschilligheid en tevredenheid bevatte, maar dat zou niet lukken, want de man tilde het kelkje op en sloeg het met kracht stuk in zijn gezicht. Meteen schoot hij brullend overeind. Hij zat onder de krassen, bloed stroomde over zijn huid, er staken scherven uit zijn wangen. Met maaiende armen liep hij van het terras, loeiend als een dier dat wordt geslacht.

De vrouw met de telefoon, de vrouw met het boek en ik keken elkaar aan, alsof we wilden controleren of we allemaal hetzelfde hadden gezien. ‘Ik bel 112,’ zei de vrouw met de telefoon. Ik stond op en keek de man na. Hij liep zwalkend over straat en maakte  wilde armgebaren, alsof hij een zwerm kwaadaardige horzels wilde verjagen. De vrouw met het boek kwam ook overeind. ‘Misschien moeten we hem in de gaten houden,’ zei ze. ‘Kijken waar hij naartoe gaat.’ Ik knikte, en met z’n drieën liepen we langzaam achter de man aan. De vrouw met de telefoon had inmiddels contact met de centrale en vertelde wat er aan de hand was, en welke richting de man op ging. De man liep het Sarphatipark in, zwaaiend, brullend en zwalkend, en nog steeds hevig bloedend. Passanten die hem tegemoet kwamen, deinsden geschrokken terug. ‘Hij loopt nu in het Sarphatipark,’ zei de vrouw in de telefoon.

Wij liepen ook het park in, een meter of twintig achter hem, in hetzelfde tempo, maar zonder de rare bochten die hij maakte. Alle andere mensen in het park vluchtten van hem weg. ‘Ja, wij blijven hem volgen,’ zei de vrouw. Het was een merkwaardige situatie. Opeens was ik met twee onbekende vrouwen aan iets begonnen, en ik zag voor me hoe we deze man de hele middag zouden blijven volgen. Het voelde als het begin van een vreemd avontuur, een queeste waarbij wij drieën elkaar steeds beter zouden leren kennen en een mate van vertrouwelijkheid zouden weten te bereiken die drie minuten geleden nog volstrekt onvoorstelbaar had geleken. Onderlinge verhoudingen zouden verschuiven, vertrouwen zou worden beschaamd en herwonnen, en we zouden er sterker en wijzer uitkomen, met een verstandhouding die ons altijd met elkaar zou verbinden en niet zou worden begrepen door degenen die er niet bij waren geweest. We liepen langzaam verder. De vrouw met de telefoon bleef informatie doorgeven over onze route. Van mij mocht het nog wel even duren, al was het vervelend dat die man zo’n pijn had.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

4 reacties op naar mordor

  1. Debbie zegt:

    Te goed om niet met FB te delen ;-).

  2. Robert Gillesse zegt:

    Heel fraai verontrustend weer! Ik ben bang dat ook ik – Judas – m op Facebook heb gedeeld. Eh, maar die waren die volgers dan de hobbits en de man Gollem? Of andersom, de man de ringdrager en de volgers de ringgeesten?

    • Nou, Judas… Facebook is hier nou ook weer niet de vijand, Robert… En wie wie is, ja, daar heb je me, ik koos de titel vrij intuïtief nadat ik het woord ‘queeste’ had gebruikt – ik stelde me daarbij een tocht vol moeilijkheden voor, zonder één op één-relaties tussen personages uit dit verhaal en personages uit LOTR.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s