in de kelder van de kruidenier

 

Van ons dorp fietsten we vroeger elke dag vijftien kilometer naar school. Vijftien kilometer heen en vijftien kilometer terug, bedoel ik. We vormden een hechte groep, dat wel, verenigd in onze ellende. Mooi weer was het zelden, laat staan windstil. Er ging een bus, maar onze ouders hadden besloten dat het goed voor ons was om zomer en winter door weer en wind naar school te fietsen. De Ratten, noemden ze ons op school, omdat we er altijd zo natgeregend of verwaaid uitzagen. Onze ouders waren niet rijk, dat scheelde ook, onze regenpakken waren na twee buien al niet meer waterdicht en hingen na een paar keer tegenwind als flarden om ons lijf.

Elke ochtend verzamelden we ons aan de rand van het dorp bij de Kruidenier. ’s Winters was het dan nog donker, maar bij de Kruidenier brandde altijd licht, die was al vroeg bezig allerlei dingen te verplaatsen. Als we ’s middags terugkwamen, was de Kruidenier ook het punt waar we afscheid namen van elkaar, moe, en met ironische groeten als ‘veel plezier met je huiswerk’.

Op een ochtend, toen ook de laatste van ons zich bij de groep had gevoegd en we op het punt stonden om vol tegenzin aan de dagelijkse ochtendetappe van vijftien kilometer te beginnen, kwam de Kruidenier naar buiten. Ik zie hem nog staan, een oude, rijzige man met een grijs stekeltjeskapsel, en ik weet ook nog wat hij zei, juist omdat hij er niet omheen draaide. ‘Jongens,’ zei hij, ‘er is een kortere weg.’

Hij had gelijk. ‘Laat je fietsen staan, en kom mee naar binnen,’ zei hij. We liepen met hem mee naar de kelder van zijn winkel, waar hij in een hoek een houten deurtje opentrok. ‘Hoelang doen jullie er elke dag over?’ vroeg hij. ‘Een uur heen en een uur terug,’ zeiden wij. ‘Hier doorheen is het twee minuten, dat betekent een tijdwinst van achtenvijftig minuten per keer, als ik het in de gauwigheid goed uitreken.’

We geloofden hem niet, maar we bleven wel staan, we waren met zoveel dat hij ons nooit allemaal tegelijk kon vermoorden. ‘Het is echt waar,’ zei hij. ‘Wil niemand het proberen?’

We keken elkaar aarzelend aan. Petje, die we zo noemden omdat hij altijd een muts droeg, wierp zich op als vrijwilliger. ‘Letten jullie erop dat hij geen vreemde dingen doet,’ zei hij tegen ons, en daarna verdween hij in het donker achter het deurtje. We vroegen ons af of we zojuist zijn laatste woorden hadden gehoord. We wachtten. ‘Twee minuten heen, twee minuten terug,’ zei de Kruidenier. We knikten, om aan te geven dat we het begrepen hadden. Drie minuten, vier minuten. Geen Petje. Vijf minuten. We keken ongerust naar de Kruidenier. We hadden Petje nodig, Petje fietste graag op kop. Na zes minuten kwam Petje weer uit het donker tevoorschijn. ‘Het is echt waar,’ zei hij. ‘Je komt vlak bij de school uit, achter de fietsenstalling. Twee minuten, meer is het niet. Ik bedacht dat ik bewijs nodig had, dus ben ik even naar binnen geslopen.’ Hij liet zien wat hij had meegenomen: een witte koffiemok met de tekst kanjer. Die mok kenden we, die was van Verstraal, de conciërge bij wie we ons moesten melden als we te laat waren.

We begonnen als één man te hossen en te juichen, Petje in ons midden, met de mok boven zijn hoofd. We haalden onze tassen van onze fiets en renden de tunnel in, en inderdaad, na twee minuten kwamen we uit achter de fietsenstalling.  De eerste twee uur hadden we geografie en natuurkunde, twee vakken waar we nu heel anders over dachten. Na schooltijd doken we weer de tunnel in, en na twee minuten stonden we weer in de kelder van de Kruidenier. Twee keer hadden we achtenvijftig minuten uitgespaard. Opgewonden sprongen we op onze fietsen, die nog steeds langs de straat stonden. We spraken meteen af dat we dat de volgende dag anders zouden doen, die fietsen moesten niet de hele dag onbeheerd voor de Kruidenier staan, dat zou gaan opvallen. De volgende ochtend kwamen we allemaal een uur later bij de Kruidenier (‘Eerste uur vrij,’ hadden we tegen onze ouders gezegd). We parkeerden onze fietsen uit het zicht tussen de struiken, renden door de winkel naar de kelder, en door de tunnel naar school. Op school noemden ze ons nog steeds de Ratten, maar wij zouden onszelf vanaf deze dag aanduiden als de Mollen.

*

Nu konden we dus altijd een uur later van huis, en zouden we altijd een uur eerder thuis komen! Ja, dat hadden we gedacht. In de praktijk betekende die tunnel een hoop gedoe. Omdat niemand anders ervan mocht weten (daarvan waren we overtuigd, zonder dat iemand het ons had verteld), moesten we nog steeds op de normale tijd van huis vertrekken; we konden tenslotte niet voortdurend aanvoeren dat we het eerste uur vrij hadden. We moesten dus een uur zoekbrengen bij de Kruidenier, voor we de tunnel ingingen, of bij school, als we de meteen na aankomst bij de Kruidenier de oversteek maakten. Van tijdwinst was dus geen sprake, en wat moesten we al die tijd doen? ‘We zouden eens kunnen kijken hoe het voelt om huiswerk te maken,’ opperde een van ons, maar dat was natuurlijk geen serieuze suggestie. Meestal kozen we ervoor om meteen de tunnel in te gaan, om vervolgens een uurtje in de omgeving van school rond te hangen, zonder dat het opviel – want als men zag dat we opeens een uur te vroeg kwamen, zouden er allerlei vragen worden gesteld. ‘Ach god Ratjes, zijn jullie zó bang dat jullie te laat komen dat jullie nu nóg vroeger van huis vertrekken?’ Na schooltijd stuitten we op hetzelfde probleem. Want hoewel de meeste van onze ouders onze roosters niet uit hun hoofd kenden, zou het toch opvallen als we opeens elke dag een uur eerder van school kwamen. Ook dat uur moesten we dus elders zoekbrengen. Nou ja, we hebben toen veel dingen gedaan die het daglicht niet konden verdragen. Wat moesten we anders? We verveelden ons dood. Een paar van ons werden gearresteerd en verdwenen naar kostscholen of in jeugdgevangenissen. Om te voorkomen dat de hele groep aan internaten en jeugddetentie ten onder zou gaan, gebruikten we de tunnel uiteindelijk alleen in noodgevallen, als het hard regende, of als we ons allemaal tegelijk hadden verslapen. De rest van de tijd fietsten we weer gewoon de vijftien kilometer van het dorp naar school, en van school terug naar het dorp. Vloekend en tandenknarsend, want bij de Kruidenier lag een perfecte tunnel, die ons een hoop tijd en moeite kon besparen. We vervloekten niet de tunnel, we vervloekten onszelf. Het lag tenslotte aan ons. We waren te jong, we hadden te weinig macht. Waren we maar eenmaal volwassen! Dan zou alles anders zijn.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s