niet te plechtig! niet te cynisch!

P1010754

Gisteravond voor het eerst sinds ik hier woon (en ik woon hier inmiddels al vijftien jaar) naar de dodenherdenking om de hoek gegaan, voor de voormalige ijssalon Koco op de Van Woustraat. Ik zag de aankondiging en opeens leek het me logisch, ik weet niet precies waarom. Ik liep de stille tocht tegemoet die van het Van der Helstplein was vertrokken, en toen ik hem tegenkwam, sloot ik achteraan aan. Dat was even wennen, de laatste keer dat ik in een stoet meeliep, was in 1989 toen het Chinese leger een eind had gemaakt aan de studentenprotesten op het Plein van de Hemelse Vrede. Ik deed mijn best om me niet plechtig te voelen, of omgeven door een wolkje van heilig gelijk, ik probeerde maar zo onopvallend mogelijk mee te lopen. Politie te paard voorop, veel kinderen met witte ballonnen, en het waren vooral de kinderen die de stilte van de stille tocht serieus namen.

Voor de voormalige ijssalon, die regelmatig van eigenaar, of in ieder geval van naam en gevelkleur verandert en waarin nu een waterpijpcafé zit (eigenlijk is de gedenkplaat die de inval van de Grüne Polizei in 1941 herdenkt de enige constante factor van het pand) was de straat afgezet en stonden al behoorlijk wat mensen. De ballonnen mochten de lucht in. We keken ze na. We moesten even wachten tot het acht uur was en keken nogmaals de ballonnen na. Rustig kabbelend zweefden ze omhoog, met kaartjes aan hun touwtjes, ik moest denken aan spermatozoïden die in een onmetelijke ruimte tevergeefs op zoek gingen naar een eicel. De last post werd geblazen, en daarna was het stil, al ging buiten de afzetting het verkeer gewoon door. De paar mensen die binnen de afzetting tegen elkaar praatten (verdwaalde toeristen, dacht ik) werden met een grimmig ‘ssstttt!’  terecht gewezen. Na een tweede ‘ssssttt!’ hielden ze inderdaad hun mond.

Hoe moet je eigenlijk herdenken? Dat is me nooit goed uitgelegd. Twee minuten, dat is 24 seconde per oorlogsjaar. En dan moeten we van minister Plasterk ook nog de slachtoffers van andere, recentere oorlogen herdenken. Wat ik in plaats daarvan deed: ik probeerde me nog steeds niet te plechtstatig te voelen en registreerde elke onderbreking van de stilte. Maar misschien is het met herdenken net zo als met mediteren: het gaat er niet om wat er tijdens de stilte gebeurt, het gaat erom hoe je je de rest van de tijd gedraagt, als je níet mediteert.

Na de stilte zong men om me heen zacht mee met de twee coupletten van het Wilhelmus, dat verbaasde me. Daarna was het de beurt aan de kinderen. Bij dit soort gelegenheden liggen allerlei vormen van herdenkingskitsch op de loer, vooral als er kinderen worden ingeschakeld. Die moeten dan bij wijze van corvee goedmaken wat wij hebben laten liggen, denk ik dan. (Niet alleen als het om oorlog gaat, maar ook bij dingen als ‘het milieu’ of ‘dierenmishandeling’). Een kind declameerde een gedicht, andere kinderen lazen interviews voor die ze oudere buurtgenoten hadden afgenomen over de oorlog. Een bejaarde buurtgenoot vertelde zelf iets. Ik kende de straten waar die verhalen zich afspeelden en ik zag die straten voor me in een grauw floers, wat ook weer een vorm van kitsch was. Toch was ik tijdens die verhalen pas echt stil. Concrete herinneringen maken meer indruk dan de kreet ‘Nooit meer oorlog’, de brave bezwering waarmee we het allemaal eens zijn en waarvan we inmiddels zouden moeten weten dat die niet werkt.

Een van de geïnterviewde vrouwen vertelde dat ze als meisje lid was van de AJC, de jeugdorganisatie van de SDAP, en pas na het uitbreken van de oorlog ontdekte dat alle andere kinderen van haar groepje joods waren. ‘We vroegen nooit naar elkaars religie.’ Ze wist hun namen nog. Eén van die kinderen had de oorlog overleefd.

Zo’n concrete mededeling, in een paar sobere regels, zou je als argument kunnen zien om de herdenking niet te breed en daardoor te abstract te maken, niet te verdunnen over alle oorlogen die sindsdien hebben plaatsgevonden. Als we niet in een paar slachtoffers álle slachtoffers zien, heeft herdenken geen zin – voor zover het al zin heeft, zo’n bijeenkomst waar je toch voortdurend op de bijeenkomst zelf staat te reflecteren, en je gevoelens probeert te reguleren – niet te plechtig! niet te cynisch! –, alsof het eigenlijk om een examen gaat; terwijl de echte test elders plaatsvindt, gedurende de rest van je leven, altijd, alleen nou net niet tijdens die twee minuten.

Want pas achteraf besef je dat het helemaal niet gaat om wat er zich in je hoofd afspeelt tijdens de herdenking. De herdenking is de samenkomst zelf, ongeacht wat iedereen daarbij denkt en de details waardoor men zich laat afleiden (zoals het bouwvakkersdecolleté van de man die schuin voor me naast zijn kind neerhurkte en dat gelukkig grotendeels door een spierwit wasmerkje aan het gezicht werd onttrokken). Jij bent niet de herdenking, de herdenking is iets wat gevormd wordt door de aanwezigheid van de deelnemers. Je bent er naartoe gegaan, je bent er even onderdeel van, en daarna ga je weer naar huis, opeens weer een individu, met een vaag, onbestemd gevoel dat voor een deel bestaat uit machteloosheid – misschien is machteloosheid wel het belangrijkste ingrediënt van een herdenking.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in leven en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s