verzin een list

ceres, november 1983, beeldbank stadsarchief amsterdamceres, november 1983, beeldbank stadsarchief amsterdam 2

In 1984 werkte ik een jaar in het Gemeentearchief van Amsterdam, samen met een aantal andere langdurig werkloze jongeren, om werkervaring op te doen in het kader van de Werk Verruimende Maatregelen, een soort Melkertbanen avant la lettre; we stonden dan ook bekend als de WVM’ers.

Het Archief was toen nog gevestigd aan de Amsteldijk, in het oude raadhuis van Nieuwer-Amstel. Maar er waren ook depots elders in de stad, en dat jaar werkte ik regelmatig in de voormalige broodfabriek Ceres, een groot, somber, bakstenen negentiende-eeuws blok op de hoek van de Weesperstraat en de Nieuwe Prinsengracht, dat in 1989 is  afgebroken. Samen met een aantal andere WVM’ers moest ik de patiëntendossiers inpakken die daar werden bewaard in een aantal vrijwel van daglicht verstoken lage fabriekshallen. Het ging om archieven van het Binnengasthuis en het Wilhelmina Gasthuis, die beide waren opgegaan in het AMC. De dossiers moesten worden ingepakt omdat ze zouden worden overgebracht naar de nieuwbouw die op dat moment bij het archiefgebouw aan de Amsteldijk verrees.

In die donkere hallen van Ceres stonden de dossiers in onafzienbaar lange stellingskasten. Elk dossier zat in een grote, rechthoekige envelop, en ze stonden alfabetisch op naam gerangschikt, per ziekenhuisafdeling. Wij moesten tien of vijftien van die dossiers in een archiefdoos stoppen, en vervolgens op de rug van de doos aangeven welke dossiers erin zaten. Met welke verwijzingen we dat deden, weet ik niet meer.

Die archiefdozen waren een eigen ontwerp van het Gemeentearchief. Ze waren van zuurvrij karton en we moesten ze zelf vouwen; ze arriveerden op pallets als grote stapels kartonnen vellen met uitlopers, gaten en voorgestanste vouwlijnen. In het begin was het uiterst ingewikkeld om uit zo’n vel een doos te vouwen, maar na een tijdje konden we het met onze ogen dicht. We organiseerden  wedstrijdjes wie het ’t snelst kon. Achteraf denk je: daar zal het hogere kader vast wel mee ingenomen zijn geweest, dat wij volkomen vrijwillig met een razende snelheid die dozen in elkaar vouwden. Aan de andere kant was het erg eenvoudig om je tussen die eindeloze rijen stellingkasten aan toezicht te onttrekken, en er werd veel tijd verlummeld.

In mijn herinnering was vooral collega Koen goed in dozen vouwen. Koen deed aan body building en kon door het aanspannen van zijn biceps de stof van de mouwen van zijn stofjas doen scheuren, iets dat hij graag liet zien en dat op een gegeven moment van hogerhand verboden werd, omdat het teveel stofjassen kostte.

We hadden looplampen om ons werk bij te lichten. Die lampen waren door middel van ellenlange verlengsnoeren verbonden met stopcontacten en hadden een haak waarmee we ze in de kast konden hangen. Ik zou er een van bovenaf genomen foto van willen hebben: een donkere hal met eindeloze stellingkasten, rij na rij na rij, met hier en daar een lichtkring waarin iemand in een vaalblauwe stofjas zijn werk staat te doen: stapeltjes patiëntendossiers in archiefdozen stoppen, en die archiefdozen weer terugzetten in de stellingkasten. Zo nu en dan haakt hij zijn lamp een meter verder. Mijn toenmalige chef vertelde destijds dat er ooit iemand van een filmmaatschappij was komen kijken, op zoek naar een stemmige locatie.

Het waren oude patiëntendossiers, ik geloof dat ze tot 1950 gingen, of misschien 1960. Zo nu en dan kwam een archiefmedewerker met een lijstje langs, dan had het AMC dossiers opgevraagd van bejaarde patiënten die waren opgenomen.

De dossiers bestonden uit patiëntenkaarten die in lichtbruine enveloppen zaten, die bij de randen waren vervilt. Ze waren open, je kon de kaart er zo uithalen. Ik vraag me opeens af of er überhaupt enveloppen om de kaarten zaten, misschien waren het wel patiëntenkaarten met een omslag of zo. Het is lang geleden en herinnering is een subjectieve en creatieve kracht.

Onder het werk stond ik regelmatig in die dossiers te lezen. Puntsgewijs bijgehouden ziektegeschiedenissen, in inkt of potlood. Droge samenvattingen van lijden. Nu waren ze allemaal dood, behalve dan die paar bejaarden van wie het AMC zo nu en dan een dossier opvroeg. ‘Ah Bartleby, ah humanity!’ (Ik geloof dat ik dat verhaal toen al kende.) ‘All those people, all those lives/ Where are they now?’ (Dat kende ik zeker niet, want dat nummer zou pas een paar jaar later uitkomen.)

In de stellingkasten lagen hier en daar stapels röntgenfoto’s op glasplaten. Die kon je dan in het licht van je looplamp houden. Wat zou er op gestaan hebben? Botbreuken, aangetaste organen, in haarscherp zwart-wit. De foto’s hadden geen etiketten of verwijzingen, en gingen dan ook niet mee in de dozen.

Toen ik op een dag bezig was met patiëntendossiers uit 1944 van professor Biemond, hoofd van de afdeling neurologie van het Wilhelmina Gasthuis, bedacht ik: stel dat je opeens een dossier vindt van een bekend persoon. Ik trok een dossier uit de kast en keek naar de naam van de patiënt. Marten Toonder.

Ik sloeg het dossier open. De patiënt werd aangeduid als de schrijver van de Tom-Poesverhalen. Uit de rest van de aantekening kon ik opmaken dat hij naar professor Biemond was gegaan omdat hij overspannen was.

*

in de Toonder-biografie van Wim Hazeu lees ik dat Marten Toonder in 1944 nog steeds zijn Tom Poes-strip in De Telegraaf publiceerde. Maar de Duitsers waren de oorlog aan het verliezen, en het zou niet goed zijn voor Toonders naoorlogse carrière als hij tot het bittere einde bij De Telegraaf zou blijven, zeker niet nu na Dolle Dinsdag de SS zijn invloed op de krant had vergroot. Aan de andere kant was het riskant om zomaar met de strip te stoppen. Hazeu: ‘Toonder verzon met behulp van zijn huisarts Bos een list. […] Een week later meldde Toonder zich bij de medicus Arie Biemond, een vriend van zijn huisarts. Biemond werkte op de afdeling neurologie van het Wilhelmina Gasthuis. Hij was bereid het spel mee te spelen en verklaarde dat zijn patiënt zenuwziek was en dus arbeidsongeschikt. Zo kon Toonder stoppen, zonder te hoeven onderduiken.’

*

Herinnering is een vreemd goedje. Zat er werkelijk geen tijd tussen de gedachte aan de mogelijkheid een bekende naam tussen de patiëntendossiers aan te treffen en het uit de kast trekken van het dossier van Toonder? Misschien zat er tussen gedachte en dossier wel een uur, of een dag, maar verdween al die tijd tussen gedachte en vondst met één klap vanwege het verbazingwekkende karakter van die vondst. Er is ook nog de mogelijkheid dat de gedachte aan bekende namen pas later door de herinnering bij de vondst is verzonnen, om van het aantreffen van het dossier van Marten Toonder een verhaal te maken.

 

(foto’s: archiefopslag in voormalige broodfabriek Ceres, november 1983, afkomstig van de beeldbank van het Stadsarchief van Amsterdam.)
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in kind van de verzorgingsstaat, leven en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s