een mooie avond

 

Voordat het feest begon, hadden we alle gitaren zorgvuldig verstopt, want we wisten dat Arend-Jan ook zou komen. Toch hadden we ergens een steek laten vallen, want toen Arend-Jan terugkwam van het toilet, stak hij triomfantelijk een roze gitaar omhoog.

‘Waar heeft hij die nou weer vandaan,’ fluisterde ik tegen D.,  ‘ik wist niet eens dat we een roze gitaar hádden!’

‘Misschien heeft-ie hem van tevoren ergens in het trappenhuis verborgen,’’ siste D., en ze keek me nijdig aan, alsof ik er iets aan kon doen.

Arend-Jan ging met zijn dikke reet op de punt van de tafel zitten, met zijn gitaar in de aanslag. Ik hoopte dat de tafel nu zou omkiepen, maar nee, we  verdienden goed en bezaten degelijke meubels. ‘Het eerste nummer dat ik voor jullie ga spelen,’ kondigde hij aan terwijl hij zijn blik over de gasten liet glijden, ‘kennen jullie misschien beter in de uitvoering van Don McLean.’

Naast me hoorde ik D. mistroostig ‘O fuck’ mompelen, maar net toen Arend-Jan zijn mollige vingers op de snaren zette, werd hem de pas afgesneden door Rudolf, die zich omhoog hees van de bank waarop hij zich een paar minuten eerder met zijn eerste pilsje van de avond had laten zakken. Hij stak de hand met het nog halfvolle beugelflesje omhoog en begon te declameren. ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld!’ riep hij met zijn prettige, welluidende stem. ‘Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan! Artikel twee. De wet regelt wie Nederlander is!’

De geruchten dat Rudolf de grondwet uit zijn hoofd had geleerd, waren ook ons ter ore gekomen, maar we hadden ze ter kennisgeving aangenomen. Nu leek alles er op te wijzen dat ze niet uit de lucht gegrepen waren.

‘Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar,’ vervolgde Rudolf met die mooie sonore stem van hem. Arend-Jan keek chagrijnig toe, zijn kont nog steeds op de punt van de tafel. Zo nu en dan sloeg hij zacht een akkoord aan, alsof hij Rudolf wilde begeleiden, maar Rudolf keurde hem geen blik waardig en declameerde rustig verder. ‘Artikel vijf! Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen!’

Tot aan die avond had niemand van ons ook maar enig idee over de daadwerkelijke omvang van de grondwet gehad. Het bleek te gaan om een zeer omvangrijke lap tekst, en terwijl Arend-Jan steeds venijniger akkoorden aansloeg en Rudolf zijn volume steeds meer opschroefde om die ongevraagde begeleiding te overstemmen, verdwenen de eersten van ons naar de keuken. Voor de gasten die niet waren gaan zitten en zich ergens aan de randen van het feest ophielden, was dit eenvoudiger dan voor degenen die het eerst waren gekomen en zich gedachteloos op de bank of een stoel hadden laten zakken.

‘De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt!’ schreeuwde Rudolf boven de akkoorden van Arend-Jan uit.  ‘Alsmede op verbetering van zodanige gegevens!’

De verbazingwekkende lengte van de grondwet maakte Rudolfs prestatie er alleen maar indrukwekkender op; toch werd het steeds voller in de keuken. Op het laatst zochten ook D. en ik daar onze toevlucht. Alleen Arend-Jan en Rudolf bevonden zich nog in de kamer. Arend-Jan ramde nu in een razend tempo akkoorden uit zijn gitaar en om zich niet te laten overstemmen, zag Rudolf zich genoodzaakt de grondwetsartikelen steeds harder en sneller naar buiten te gooien. ‘De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is!’ Zijn stem schoot de hoogte in, van welluidendheid was al lang geen sprake meer. Het was alsof er in de kamer een heftig punkduel werd uitgevochten, met een krijsende zanger en een manische gitarist die sneller dan het geluid probeerde te spelen. Ondertussen scrolde D. op haar smartphone door de tekst van de grondwet, die ze via een link op Wikipedia had gevonden. ‘142 artikelen,’ fluisterde ze vol ontzag. ‘Plus additionele artikelen, wat dat dan ook moge zijn.’

We probeerden uit te vinden bij welk artikel Rudolf inmiddels was aanbeland, maar zijn razendsnelle teksten waren vrijwel onverstaanbaar geworden. Zo nu en dan dachten we nog een artikelnummer op te vangen, maar verder konden we er geen chocola van maken.

En terwijl we in de keuken bij elkaar stonden en ook anderen op hun telefoons op zoek gingen naar de grondwet, werd er aangebeld. ‘De buren,’ zei iemand, ‘om te klagen over het lawaai.’ Maar dat kon niet, de buren hadden we uitgenodigd, die stonden ook in de keuken. Laatkomers! D. en ik keken elkaar aan en vroegen ons af hoe we de situatie in een paar woorden aan hen zouden kunnen uitleggen.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s