well, it’s only bricks and mortar (1)

P1010804P1010807

Ik had met Metsike afgesproken op het KNSM-eiland, om scones te eten bij de Sissy Boy (‘Ik ging naar Sissy Boy om scones te eten’ –  goeie eerste zin voor een hard boiled detective. I was going to eat scones at a place called Sissy Boy; ja, zou zo uit Raymond Chandler kunnen komen), en dus fietste ik de Sarphatistraat af, de Czaar Peterstraat in, de straat die de buurt doorsnijdt waar ik van 1987 tot 1999 heb gewoond. Halverwege de Czaar Peterstraat kon ik niet verder, omdat er een straatfeest aan de gang was, met heleboel kraampjes en harde muziek. Een straatfeest! Toen ik in deze buurt woonde waren er geen straatfeesten. Er viel ook niet zoveel te vieren. Eind vorige eeuw was de Czaar Peterbuurt een somber negentiende-eeuws wijkje met lange, smalle straten, in het oosten begrensd door vage bedrijventerreinen, in het westen door de lange blinde zijgevel van het reusachtige voormalige kledingmagazijn van het leger en in het noorden door de oude rangeerterreinen op de Rietlanden met daar weer achter, over de brug, het KNSM-eiland, toen nog een in onbruik geraakt onderdeel van de havens, met  veel kaalslag en oude loodsen die door krakers werden bewoond. Vanwege het straatfeest sloeg ik af en reed ik verder door de Blankenstraat, waar ik veertien jaar lang op nummer 346 heb gewoond. De opzichter van Eigen Haard die mij in 1987 de sleutels gaf, zei dat het blok waarschijnlijk binnen drie, vier jaar zou worden gesloopt. De opzichter van Eigen Haard aan wie ik in 1999 de sleutels teruggaf, zei hetzelfde. Toen ik langs het blok kwam waar nummer 346 deel van uit maakt, zag ik dat het met hekken was afgezet en alle etages leeg waren. Blijkbaar gingen ze eindelijk wat aan het blok doen. Volgens de borden ging het niet om sloop, maar om renovatie. Ik stopte en keek naar boven. Sommige ramen stonden open, hier en daar lag het plafond er al half uit. Tot mijn eigen verbazing raakte het me. Het was alsof iets definitief voorbij was, alsof ik nu nooit meer terug zou kunnen. Dat was natuurlijk raar, want waarom zou ik terug willen? Ik woon beter dan toen, ik durf voorzichtig te zeggen  dat ik zelfs gelukkiger ben – en toch sta ik voor een hek met het gevoel dat ik buitengesloten ben. Maar misschien is het anders, en voel ik me niet buitengesloten van een plek maar van een deel van mijn verleden. Omdat het decor ervan wegvalt omdat het onherstelbaar wordt veranderd, zal het net zijn of het nooit heeft bestaan. Veertien  jaar is lang, en ik raak gauw gehecht aan omgevingen. Toen ik vijftien jaar geleden naar de Diamantbuurt verhuisde, heb ik nog jarenlang last gehad van de steeds weer terugkerende droom dat er iets niet goed was gegaan, dat ik Blankenstraat 346 was vergeten op te zeggen, dat ik ook voor die etage nog huur moest betalen – een bedrag dat in de loop der jaren natuurlijk steeds hoger werd. In die dromen klom ik weer over de smalle steile trappen naar twee hoog, met boven en onder me nieuwe buren, die meestal ook een lichte bedreiging vormden. Soms klopte het in die dromen juist wél dat ik daar woonde, hoe vreemd de etage er ook uitzag (soms was het drie hoog), maar meestal klopte er niets van en had ik me door mijn eigen nalatigheid een gigantische huurschuld op de hals gehaald. Blijkbaar was die verhuizing nogal traumatisch geweest, en dat vind ik een gênante conclusie, want voor trauma was helemaal geen reden, het was geen haastklus, ik ging naar een veel betere etage – dus waarom al die onrust? Eén rustige verhuizing, na veertien jaar – en jarenlang onrustige dromen! Ik vraag me af hoe mijn ouders dat vroeger deden, met elke drie, vier jaar een verhuizing, hoe hebben ze dat in godsnaam overleefd? Zijn die huizen in hun dromen nooit door elkaar gaan lopen, hebben ze nooit van torenhoge huurschulden gedroomd?

*

Je woonde in de Blankenstraat voor je het wist; de etages waren zo klein dat er geen urgentiebewijs voor nodig was, en veel mensen die wel zo’n bewijs hadden, wachtten liever op iets groters. Het was een donkere etage, nummer 346. Ik kreeg alleen zonlicht in de kamer wanneer de zon in de ramen van de overburen reflecteerde, en dat was een kwestie van minuten, en dan nog alleen als de zon hoog genoeg stond. Het blok bestond uit eenkamerappartementen, die vroeger hadden bestaan uit een voorkamertje en een achterkamertje die door middel van een alkoof van elkaar waren gescheiden. Toen ik daar woonde, sprak ik ooit een oude buurvrouw die in het blok was opgegroeid in een gezin met een stuk of tien kinderen, met z’n allen op zo’n kleine etage. We waren veel op straat, zei ze, overal zaten winkeltjes, op elke hoek zat een kroeg, binnen stonden de stapelbedden drie hoog langs de muren, de jongste kinderen sliepen in de alkoof bij de ouders in bed, voorlichting hadden we niet nodig. Veel winkels en kroegen waren er niet meer over, midden jaren tachtig. De buurt werd bevolkt door een mengeling van studenten, werklozen, heroïnehoertjes en bejaarden die de uittocht naar Purmerend en Almere hadden gemist of geweigerd. Het was een stille, sombere buurt aan de rand van het centrum, aan de rand van álles, eigenlijk – geen slechte plek om je leven uit te stellen. Toch veranderden er dingen in de tijd dat ik daar woonde. De gekraakte kledingmagazijnen aan de Conradstraat werden ontruimd en gesloopt, en in plaats van de lange blinde gevel kwam nieuwbouw die voor licht en ruimte en een doorgang naar Oostenburg zorgde. Hier en daar werden in de Czaar Peterstraat blokken vervangen door nieuwbouw. De Rietlanden en het KNSM-eiland werden ontwikkeld tot nieuwe woonwijken, niet langer liep de Czaar Peterstraat dood, de wijk was niet langer een beschut door de tijd vergeten hoekje. ‘Moet jij daar ook niet eens weg?’ vroeg een voormalig buurmeisje me ooit toen ik haar elders in de stad tegenkwam. Boven me woonde op dat moment een jongen die tot diep in de nacht aritmische geluiden uit een drumcomputer haalde. Beneden me zat een jongen van een jaar of zeventien die de hele dag met zijn vriendjes hasj rookte en naar reggae luisterde; zowel de muziek als de hasjdampen kwamen door de kieren in de vloer naar boven. Ik werkte aan mijn tweede roman (die mislukte en nooit is uitgekomen) en moest daar inderdaad weg. Wegkomen bleek vrij eenvoudig te zijn: ik bleek zoveel woonduur te hebben opgebouwd dat ik bij elke etage waarvoor ik me inschreef bij de eerste drie zat. Toen ik al bijna weg was, kreeg ik nog een dag twee undercoveragenten over de vloer, een man en een vrouw, die vanaf mijn bank met een verrekijker het drugspand op de begane grond aan de overkant in de gaten wilden houden. Ze waren in burger, maar de vrouw had handboeien bij zich, ze hingen bungelend aan haar riem toen ze naar de snackbar liep om iets te eten te halen. De agenten hielden contact met een andere eenheid, even verderop, ze verwachtten een of andere actie, maar die bleef uit en tegen de avond vertrokken ze weer.

*

Waar ik nu woon, heb ik vrijwel het hele jaar zon. Het is lang geleden, die tijd in de Blankenstraat, maar helemaal gerust ben ik er niet op. Wat stond ik daar nou precies te voelen bij dat hek? Op het hek hangt een bord waarop staat dat deze renovatie zijn eigen facebookpagina heeft. Als ik weer thuis ben, blijkt dat inderdaad zo te zijn, het bedrijf dat de renovatie uitvoert, houdt dagelijks de vorderingen bij. ‘Asbestsanering is begonnen!’ melden ze op 30 juni. Ook niet echt een geruststellende mededeling als je daar veertien jaar hebt gewoond. Nadat ik weg was, is de gentrificatie van de Czaar Peterstraat (en de buurt) pas goed begonnen. Er rijdt nu ook een tram door de straat, die daardoor opeens een stuk breder lijkt dan vroeger. Er zijn hippe winkeltjes en koffiegelegenheden en het is makkelijk om daar met enig dedain op neer te kijken, alsof ik de échte Czaar Peterstraat nog heb meegemaakt, alsof er veel verloren is gegaan. Er ís ook veel verloren gaan, vooral veel somberheid en ellende. Er is vast ook nieuw ellende, maar die is in ieder geval kleuriger dan de oude. Toch zie je de geschiedenis onder je handen verdwijnen, het oude lijkt echter dan het nieuwe en voorgaande generaties lijken altijd een echter bestaan te hebben gehad dan de generatie waarvan je zelf deel uitmaakt. Toen ik in de Blankenstraat kwam wonen, zat in de (inmiddels al lang gesloopte) oudbouw aan de kop van de Czaar Peterstraat een vloerbedekkingswinkeltje. De moeder van de eigenaar, die ook altijd in het winkeltje rondhing, had in 1917 het aardappeloproer op de Rietlanden nog meegemaakt, bij een jubileum van dat oproer (het zal in 1987 zijn geweest) werd ze geïnterviewd door de NRC. Ik kocht bij haar zoon een coupon geel zeil voor het minieme open keukentje op nummer 346. Het was een oud, dik stuk zeil dat zich met moeite liet snijden, en zat ongetwijfeld vol asbest.

*

Toen in de jaren zestig en zeventig de stadvernieuwing in Amsterdam in gang werd gezet, werd er afgebroken en opgebouwd zonder al te veel respect voor oude stratenpatronen; de aan de Czaar Peterbuurt grenzende Oostelijke Eilanden (Kattenburg, Wittenburg) zijn daar goede voorbeelden van. In de jaren tachtig groeiden de bezwaren tegen die aanpak, omdat de eenvormige nieuwbouwblokken het karakter van oude buurten totaal negeerden. In de Czaar Peterbuurt, waar de stadsvernieuwing later op gang kwam, kan je zien waar die bezwaren in resulteerden: er wordt vaker voor renovatie dan voor afbraak gekozen, en nieuwbouw gebeurt per blok, zonder dat het oude stratenpatroon wordt doorbroken. Mooi, dat respect voor de bestaande situatie, maar het gevolg is wel dat er nog heel lang mensen in de Blankenstraat zullen wonen die voor hun zonlicht afhankelijk zijn van de reflectie in de ramen van de overburen.

(De titel van deze blogpost komt uit dit nummer.)
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in kind van de verzorgingsstaat, leven en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

8 reacties op well, it’s only bricks and mortar (1)

  1. Metsike zegt:

    Er was ook een geïmproviseerd kattenasiel aan het eind van de Czaar
    Peterstraat, herinner ik me. Met katten in buitenhokken aan de
    huisgevel. Daar ging ik heen als ik geen geld voor Artis had.

  2. Debbie zegt:

    Bij dat hok vol katten ben ik bijna eens beroofd toen ik daar met met mijn vriend stond te geiten naar die beesten. Zo’n buurtje was het dus. Maar ook geweldig; een locatie waar zo’n soort kattenasiel kan bestaan, dat kan alleen aan de rafelrandjes van een grote stad. Ik hou erg van stadse rafelrandjes, die zijn er steeds minder, en zeker in A’dam zijn ze volgens mij vrijwel verdwenen. Daarom heb ik als ‘jouw buurmeisje’ toch ook veel gehouden van de Blankenstraat & de Czaar Peterbuurt, al trokken veel Amsterdammers er hun neus voor op. De foto die je geplaatst hebt, raakte me, ik ben blij dat ‘ons’ pand niet tegen de vlakte gaat, maar wordt gerenoveerd (tot vast iets heel duurs). Het is inderdaad zonde als het bouwkundige patroon van het buurtje wordt doorbroken. Dus, ik hield van mijn woning, maar het was een kwetsbare relatie, zeer afhankelijk van (a)sociale boven of benedenburen. Daarom was ik erg blij met jou, een schrijver die op sloffen boven mijn hoofd liep.

    • Zo’n buurt was het inderdaad, al heb ik me er nooit onveilig gevoeld, terwijl ik toen toch vaak diep in de nacht thuiskwam, vaak lopend. Al was het wel een brandbare straat, maar gelukkig was het nooit bij ons. Of het dure etages worden, weet ik niet, misschien als ze worden samengevoegd, maar daarover las ik vooralsnog niets op de facebookpagina van het bedrijf dat renoveert. Wel krijgt het hele blok een nieuwe achtergevel, die iets naar achteren wordt geplaatst, waardoor alle etages wat groter worden. Het blok waar we ooit op uitkeken (en waar dat drugspand zat) is een paar jaar geleden al opgeknapt, dat ziet er best goed uit. Maar de straat blijft smal en de zon blijft weg.

  3. Debbie zegt:

    O, en wat ik nou helemaal vergeet te schrijven: dank voor je verhaal, misschien is het wel iets voor het Parool?

  4. Michiel zegt:

    Grappig: ik luister op de laptop naar het nieuwe album van (Stephen Patrick) Morrissey en juist op het moment dat ik me afvraag of zijn naam op dit blog misschien ergens genoemd wordt (denk aan: Engeland is gesloten) stuit ik op de titel ‘Well, it’s only bricks and mortar’, een zinnetje uit M’s nummer ‘Late night, Maudlin street’ (1989).

  5. Pingback: well, it’s only bricks and mortar (2) | reddend zwemmen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s