in het restaurant (drie gangen)

1. voorgerecht

Nadat hij mijn soep heeft neergezet, blijft de ober naast mijn tafeltje staan. Hij pakt het mes dat klaar ligt voor het hoofdgerecht en begint met de punt ervan in het tafellaken te tekenen. Hij trekt de lijnen van een slordige rechthoek, waarin hij her en der wat kleine vormen plaatst.

‘De woning van mijn grootmoeder,’ zegt hij zacht, en zonder mij aan te kijken trekt hij nog wat lijnen. Het tafellaken is dik, aan weerszijden van elke lijn bolt de stof een beetje op.

De kok komt naast hem staan en haalt zijn handen over zijn schort. ‘Kwam hij daar vandaan?’ Hij laat een dikke wijsvinger vlak boven de tekening zweven.

‘Nee, nee,’ zegt de ober. ‘Dat is de gang. Hij kwam via het balkon.’  Hij wijst met de punt van het mes.

De kok veegt met zijn hand over zijn ongeschoren kin en kijkt nadenkend naar de tekening.  ‘Soep goed, meneer?’ vraagt hij wanneer hij mijn blik vangt.

‘Ja, ja,’ zeg ik haastig, hoewel ik nog niet heb geproefd. Ik steek mijn hand uit naar de lepel.

De kok richt zich weer naar de ober. ‘En de balkondeuren?’

De ober haalt zijn schouders op. ‘Ze lag ik bed, wat kan ze nou…’

De kok knikt en kijkt weer naar de tekening, waarvan de lijnen langzaam vervagen. De ober ziet het ook en zet met de mespunt sommige lijnen  wat duidelijker aan.

Ik leg mijn lepel neer en strek mijn hand uit naar mijn glas rode wijn. Ik doe het niet goed, in plaats dat ik het glas oppak, gooi ik het om. De tekening van de ober wordt onmiddellijk bedekt door een grote paarsrode vlek.

De ober trekt wit weg. Hij keert zich naar mij, maar voor hij iets kan doen, pakt de kok hem vanachteren bij de schouders en trekt hem mee naar de keuken.

‘Alsof hij erbij was,’ sist de ober, ‘alsof hij erbij was.’ En hij blijft geagiteerd fluisteren. ‘Nee, nee, dat is onzin,’ zegt de kok, en hij blijft de ober kalmerend toespreken tot ze beiden achter de slappe klapdeuren naar de keuken zijn verdwenen.

2. hoofdgerecht

De blonde serveerster die samen met de kok het tafellaken heeft vervangen, vraagt of alles naar wens is en schenkt nog wat wijn bij. Als ze uitgeschonken is, blijft haar hoofd vlak naast het mijne hangen. ‘Ziet u die man daar?’ fluistert ze. Een paar kroezige haartjes van haar krullen schuren langs mijn wang.

Ik kijk naar de man die ze bedoelt. Hij is een jaar of zestig en zit een tafeltje verder. Ik kijk hem in het gezicht. Hij ziet er onopvallend uit, als iemand die op zijn werk niet veel mensen onder zich heeft.

‘Dat is mijn vader,’ fluistert de serveerster. ‘Hij eet hier bijna elke avond en hij volgt me voortdurend met zijn blik, bij alles wat ik doe. Hij denkt dat ik hem niet herken, omdat hij is weggegaan toen ik twee jaar was. Maar ik weet wie hij is. Ziet u niet hoeveel ik op hem lijk?’

Ik kijk naar de man. Hij eet een biefstuk. Ik kan het gezicht van de serveerster niet zien – als ik me naar haar zou omdraaien, raak ik haar wang met mijn neus – maar de man doet in niets aan haar denken.

‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik zie het niet.’

‘Echt niet?’ vraagt ze. ‘Maar het is alsof ik in een spiegel kijk, nadat ik me heb verkleed als een man van zestig!’

Ik schud voorzichtig mijn hoofd en voel de buitenste haartjes van haar krullen weer op de huid van mijn wang.

‘Ik zal het u laten zien.’ Ze loopt naar de man en laat zich naast hem door haar knieën zakken, zodat haar hoofd zich op dezelfde hoogte bevindt als het zijne. Daarna kijkt ze me afwachtend aan, met opgetrokken wenkbrauwen.

Ik zie geen enkele gelijkenis en schud mijn hoofd.

De man legt zijn bestek neer en kijkt opzij, naar haar. Maar ook zij kijkt opzij, in dezelfde richting als de man, zodat hij tegen haar achterhoofd aankijkt. De serveerster werpt een snelle zijdelingse blik naar me, alsof ze wil vragen: en ons profiel?

Ik schud weer mijn hoofd.

De man vraagt iets aan haar. Ze kijkt niet om, ze beweegt haar mond, alsof ze iets vraagt. De man haalt zijn schouders op en kijkt naar zijn eten. De serveerster doet hetzelfde. De man gaat weer verder met zijn biefstuk. De serveerster imiteert al zijn bewegingen. Zo nu en dan werpt ze een blik op mij. Ik zie nog steeds geen gelijkenis. Wanneer de man een hap neemt, neemt de serveerster een denkbeeldige hap. Wanneer hij een slok neemt, neemt zij een denkbeeldige slok. Wanneer hij de aandacht van de ober probeert te trekken, doet zij hetzelfde. Wanneer de ober niet reageert, staat de man kwaad op. De serveerster komt overeind, met een vergelijkbare verontwaardigde uitdrukking. De man gooit zijn verfrommelde servet op de resten van zijn biefstuk en loopt naar de kapstok. De serveerster loopt achter hem aan, nadat ze een denkbeeldige servet op een denkbeeldig bord heeft geworpen. De man rukt een jas en een hoed van de kapstok, trekt de deur open en beent naar buiten. De serveerster rukt ook een hoed en een jas van de kapstok en loopt hem achterna. Ik zie ze een voor een achter het raam voorbij komen, het is alsof de serveerster nog even een blik naar binnen werpt, op zoek naar mij, maar ik weet het niet zeker. Voor het geval ze naar me kijkt, schud ik mijn hoofd.

 3. nagerecht

‘Die man bij het aquarium,’ zegt de ober zacht terwijl hij het toetje voor me neerzet. ‘Heeft u die al gezien?’

‘Je vader?’ vraag ik zonder op te kijken.

‘Nee, hij is u.’ Ik begrijp niet goed wat hij bedoelt. ‘Kijk dan,’ zegt hij, ‘u bent het zelf.’

Ik kijk naar de man die aan een tafeltje naast het aquarium zit. Ik kan hem niet goed zien, hij zit ver weg, en omdat hij een boek leest, zie ik alleen zijn haar. Ik wou dat ik zo rustig  in een restaurant kon zitten, verdiept in een boek, zonder nerveuze aandacht voor de wereld om je heen, en zonder dat die wereld zelf om aandacht vraagt. En wat een goede ogen moet hij hebben om te kunnen lezen bij het vage schijnsel van het aquarium! Ik wou dat ik aan dat tafeltje was gaan zitten. Ik hou erg van aquaria, ik kan er uren naar kijken, maar ik durf daar niet zo goed voor uit te komen, omdat ik bang ben dat het kinderachtig is om zo onder de indruk te zijn van heen en weer zwemmende vissen in een lichtbak.

De kok verschijnt naast de lezende man en zegt iets tegen hem. De man kijkt op, ik zie dat hij dezelfde bril heeft als ik, hij vouwt zijn boek dicht, een vinger op de plek waar hij gebleven is, en zegt iets terug. De kok wijst naar mij, de man kijkt in mijn richting en steekt een hand naar me op.

‘Nou?’ zegt de ober tegen me, ‘nou?’ Hij stompt me tegen mijn rug, ter hoogte van mijn schouders.

Ik weet niet zo goed wat hij van me verwacht en steek aarzelend ook een hand omhoog, terwijl ik mijn ogen samenknijp om het gezicht van de man bij het aquarium beter te kunnen zien. Hij heeft een vriendelijk hoofd, hij glimlacht, ik weet het bijna zeker.

‘Glimlach dan terug!’ fluistert de ober terwijl hij tegen mijn schouder stompt, ‘glimlach dan terug, idioot!’ En ik wil wel, ik wil écht wel, maar mijn mondhoeken trekken onwennig, alsof ze niet meer precies weten hoe dat gaat, glimlachen, en ik zit te ver van de man bij het aquarium af om de kunst van hem te kunnen afkijken. Ik zie wel dat hij glimlacht, maar wat heeft hij allemaal in werking gesteld voor het zo ver was? ‘Glimlach dan toch verdomme!’ roept de ober terwijl hij kleine stompbewegingen tegen mijn schouder blijft maken. ‘Glimlachen! Probeer het dan toch! Iedereen kan het. Toe dan! Nee, dat is het niet, dat is huilen.’

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s