in de rijnstraat (bij de albert heijn)

 

Ik had net mijn boodschappen op de lopende band van kassa 4 gelegd en stond onder het wachten gedachteloos om me heen te kijken. Eerst zag ik het niet, of beter: ik zag het wel, maar registreerde het niet; maar opeens was het alsof ik mezelf op de schouder tikte en zei: kijk dan nog eens goed! Pas toen viel het me op: de man die bij kassa 5 zijn boodschappen op de lopende band had gezet, had precies hetzelfde gekocht als ik. De boodschappen stonden zelfs min of meer in dezelfde volgorde op de band. Een klein bakje blauwe bessen. Een doosje kastanjechampignons. Een literpak biologische milde magere yoghurt. Drie bananen. Een pak rijstwafels. Een fles appelsap. Een doosje brillendoekjes, niet de oranje,  maar de blauw-witte. En ik zag dat hij, net als ik, op het laatste moment nog een reep Bros uit het snoepvak achter de lopende band had gepakt en bij zijn boodschappen had gelegd.

Hij ving mijn blik. We keken elkaar recht in de ogen, we waren even lang. Hij was van mijn leeftijd, en zijn bril leek sterk op die van mij. Ook hij was blond, en ook hij droeg een lange jas, alleen was die niet donkerblauw, zoals de mijne, maar donkerbruin. we droegen allebei de sjaal met sneeuwkristallenmotief die een paar geleden door de HEMA werd verkocht.

Ik maakte een gebaar naar mijn boodschappen en wilde een opmerking maken, maar een vreemde beklemming zorgde ervoor dat ik geen woord kon uitbrengen. Bovendien waren wij nu allebei aan de beurt, en gingen we op zoek naar onze portemonnee.  Onze boodschappen werden over de scanner gehaald, de piepjes klonken vrijwel gelijktijdig op, en daarna rekenden we tegelijk hetzelfde bedrag af.

Nadat we onze boodschappen hadden ingepakt (we hadden allebei een Albert Heijn-zak met feestdagen-opdruk) liepen we naast elkaar naar buiten. Weer ving hij mijn blik, weer wilde ik iets zeggen, weer lukte het niet. Nadat de winkeldeuren achter ons waren dichtgeschoven, sloeg ik rechtsaf; hij liep naar links. Na een paar passen hield ik stil. Ik keek om en  zag dat hij ook omkeek, met zijn hoofd een beetje schuin, zoals ook ik mijn hoofd een beetje schuin hield. We maakten allebei een kleine beweging,  alsof we naar elkaar toe wilden lopen, maar we bleven staan, blijkbaar beseften we allebei dat we door moesten lopen in de gekozen richting, hij richting Victorieplein, ik richting Van Woustraat – alsof er een evenwicht verstoord zou worden als één van ons op de ander zou aflopen, een evenwicht waarvoor wij verantwoordelijk waren en waarvan de instandhouding op onze schouders rustte, en dat op meer betrekking had dan onze levens alleen.

Ik keerde me om en terwijl ik doorliep, bedwong ik de neiging om een blik over mijn schouder te werpen om te controleren of ook hij zijn weg vervolgde. Er vormden zich gedachten en ideeën in mijn hoofd die ik niet helemaal tot het einde kon doordenken. Het was alsof de wereld uit twee helften bestond die even langs elkaar waren geschuurd, zonder dat dat de bedoeling was geweest; dimensies waren doorbroken en tijd en ruimte hadden zich door een kleine onoplettendheid in de kaart laten kijken. Toch maakte dit vage besef mij niet somber, integendeel. Overal voelde ik betekenis rondzingen, zowel in mijn hoofd als in de ruimte om mij heen, en ook al kon ik die betekenis vooralsnog niet in woorden vatten, het was niet uitgesloten dat mij dat ooit wél zou lukken, en dat ik dan zou staan te kijken van wat er mij zou worden geopenbaard.

Deze verwachtingsvolle stemming hield aan, ook toen ik thuis was en mijn boodschappen had weggezet. Ik stond voor het raam en probeerde mij de ander voor te stellen, die nu misschien ook al thuis was en zijn boodschappen had opgeruimd. Misschien stond ook hij voor het raam, met soortgelijke gedachten, en in een vergelijkbare stemming. Ik hoopte sterk dat dat het geval zou zijn – maar het was ook goed wanneer hij gedachteloos naar het parkje voor zijn huizenblok staarde (er is bij mij geen parkje voor het huizenblok), of naar het water aan de overkant (er is bij mij geen water aan de overkant), of naar de spreeuwenwolken in de lucht boven zijn straat (er zijn geen spreeuwenwolken in de lucht boven mijn straat).

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s