de schop

 

Zaterdagmiddag met B. een rondje langs de Amstel gefietst. Op de terugweg zagen we hoe een overstekende meerkoet ontstellend hard werd geraakt door een tegemoetkomende auto. De auto reed door, de meerkoet kwam in de berm terecht. Hij bleef roerloos liggen, maar toen ik op hem afliep, zag ik dat hij nog leefde. We konden hem daar niet zomaar laten liggen, we moesten iets doen. Een steen, om zijn kop te verbrijzelen? De dierenambulance bellen? Dat vond ik een beetje gênant, op de een of andere manier, alsof  ik bang was dat ze niet zouden komen en me terecht zouden wijzen. Bovendien, als ze al kwamen, zouden we daar een hele tijd hulpeloos naast de doodstrijd van een meerkoet moeten staan wachten. Het had ook geen zin, volgens B, de klap was zo hard geweest, daarbinnen was van alles kapot. De meerkoet probeerde op te staan, maar zakte weer terug en boog zijn kop naar achteren, naar zijn rug, alsof hij daar iets zocht. Het zijn best grote vogels, meerkoeten. Even verderop, bij een boerderij, was een man in overall bezig aan het hek van zijn oprijlaan. Ik liep op hem af en vertelde hem dat er een aangereden meerkoet in de berm lag. ‘Dat gebeurt vaker,’ zei hij. Ik vroeg of hij iets had om hem uit zijn lijden te verlossen. ‘Ik pak wel even de schop,’ zei de man. Hij zei het alsof hij vaker zoiets bij de hand had gehad, en dat luchtte me een beetje op. Hij verdween in de schuur en kwam terug met een schop. Ik liep met hem mee naar de meerkoet, ik vond niet dat ik het hem in zijn eentje moest laten opknappen. Hij had zoiets nooit eerder gedaan, zei hij. Wat denk je, een klap op zijn kop? Misschien met de schop door zijn nek, stelde ik voor. De man hield de schop loodrecht boven de nek van de meerkoet en sloeg toe. De poten van de meerkoet begonnen te bewegen. ‘Hij leeft nog,’ zei de man. Hij duwde harder op de schop. De poten bewogen, maar ik herinnerde de kip die buurman Woertel bijna vijftig jaar geleden in Holthone slachtte; nadat hij de kip had onthoofd, rende het lichaam hard weg, om een paar meter verder scheef tegen het hoge gras te blijven liggen. ‘Hij beweegt nog steeds,’ zei ik. De man zei dat hij dwars door de nek was gegaan. De kop was helemaal onder het gras verdwenen. De poten hielden op met bewegen. De man vroeg zich af wat we met het koploze lichaam moesten doen. Hij legde het op zijn schop en mikte het in het water. ‘Nou,’ zei hij, met een verlegen, vreugdeloze grijns, ‘prettige dag verder.’ Ik wenste hem hetzelfde, met eenzelfde soort schouderophalende grijns. Schouderophalend – niet uit onverschilligheid, maar omdat we nog niet helemaal wisten hoe we ons voelden.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in leven en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op de schop

  1. Els van der Veen zegt:

    je was getuige en je hebt gehandeld – mooi.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s