vroeger begon alles om half elf

P1010942

Gisteravond dan toch naar het reünieconcert van The Replacements in Paradiso gegaan. Het was druk en vol, erg vol – dat verbaasde me, ik had een lang niet uitverkochte zaal met vooral veel generatiegenoten verwacht, maar er waren ook veel twintigers, dertigers en veertigers. Ik wist dat R. ook zou gaan, maar in deze drukte zou ik hem nooit ontdekken. Ik had het voorprogramma laten passeren, iedereen wachtte op de band, misschien was het minder druk op het balkon. Toen ik me omkeerde  ontdekte ik vlak achter me R., die M. bij zich had. Ik besloot dan toch maar beneden te blijven staan.

Het was minstens tien, twaalf jaar geleden dat ik voor het laatst in Paradiso was geweest, dat ze een tweede balkon hadden was nieuw voor me. Dat balkon maakte de sfeer nog intiemer, en beter. Een propvolle zaal in afwachting van de band, ik was vergeten hoe dat was, die dicht opeengepakte massa, die rumoerige, bijna agressieve verwachting, de schouders en de hoofden vlak voor je, de glazen bier; dat zweterige, nevelige, het geduw van mensen op weg naar voren, het onderdeel zijn van iets, de nooit volledig vrije blik op het podium, de vreemde opwinding en vage angst die daarbij hoort – pas nu wist ik weer dat het vroeger ook zo was geweest. Ik was dat ondertussen vergeten, of niet vergeten, ik herinner me concerten in Paradiso totaal anders,  in mijn herinneringen aan concerten in Paradiso sta ik nooit tussen de menigte maar zie ik het geheel voor me alsof ik een camera ben die ongeveer een meter boven de hoofden zweeft, met vrij zicht op de hele zaal, en op mezelf. Ik herinner me die concerten dus niet als belevenissen, maar als flarden van documentaires waarbij ik soms ook zelf in beeld ben, vaag, nooit scherp, nooit in close-up. Dat viel me nu pas op, nu ik voor het eerst sinds tien, twaalf jaar weer tussen zo’n hechte massa luidruchtige concertgangers stond. Herinneringen worden geproduceerd in een studio die ergens in je hoofd zit, aan een montagetafel, en de beelden heb je niet zelf geschoten.

Ik had The Replacements nooit eerder gezien, R. en M. wel, in de ‘echte tijd’ van de band, de jaren tachtig. Ze zouden om half negen beginnen, maar ze waren natuurlijk te laat, dat wist ik nog wel van vroeger, op tijd begon het nooit. ‘Vroeger begon alles om half elf,’ zei M. Dat klonk als een goede titel voor iets, ik wist niet meteen wat. ‘Dapper van je, dat je hier meteen midden in de volle zaal gaat staan in plaats van het balkon, als je hier zo lang niet bent geweest,’ zei R. grijnzend. Nou ja – nu ik er toch stond, dan ook maar de hele ervaring ondergaan, en daarvoor was de zaal beter geschikt dan de balkons. Ik moest denken aan het verhaal van Roald Dahl over het jongetje dat in een vegetarisch milieu opgroeit, elke dag heerlijk eet, echt heerlijk – tot hij op een gegeven moment vlees te eten krijgt; dan denkt hij: o, wacht even, dit kan dus ook. Dit zou voor het eerst sinds lange tijd weer een vleesmaaltijd worden.

Maar toen begon het. Zaallicht uit, blauw podiumlicht, The Replacements. Nou ja, Paul Westerberg en bassist Tommy Stinson met twee, eh, replacements, want de originele gitarist overleed in 1995 en de drummer had geen zin in de reünietoer. Ze gingen snoeihard van start. Ik herinner me snoeiharde concerten, en had gehoord dat het volume sindsdien zou zijn aangepast aan wat het menselijk oor nog wél aankon, maar dit was een overtreffende trap. En het was niet alleen hard, het was een brij. Ik had mijn tegelijk met het kaartje bestelde oordopjes bij me, die kleine buttplugs voor je oren, ik deed ze in maar ondanks alle beloften dat de beleving van de muziek door die doppen niet zou worden geschaad, werd de brij er alleen maar doffer van. Het geluidsvolume was niet het ergste; het ergste was de bas. Ik herinnerde me van vroeger dat je de bas daadwerkelijk in je lichaam kon voelen, maar dit ging verder, deze bas ging op zoek naar je hart en je longen en schokte alle kamers en vliezen die hij onderweg tegenkwam om te testen waar hun zwakke plekken zaten, deze bas leverde een alternatieve hartslag die je eigen hartslag probeerde uit te schakelen. Je kreeg de neiging je borst met je handen te beschermen tegen dit beukende, golvende geweld en tegelijkertijd je pols te voelen of je eigen hart nog wel sloeg. Het was een uiterst benauwend gevoel, alsof je totaal werd ontregeld door iets dat nog heel lang door zou gaan, het was een aanval waar je je niet aan kon overgeven.

Ik was niet de enige die er moeite mee had, R. en M. keken ook bedenkelijk, R. met zijn handen over zijn oren. Doorgewinterde Paradisogangers van het allereerste uur, allebei, maar dit vonden ze toch ook extreem. R. was de eerste die vertrok. Een halve minuut liep ik ook de zaal uit. In de hal trof ik een hoofdschuddende R. Een halve minuut later kwam M. naar buiten. Wat was dit voor toestand? R: ‘Dat is geen bas, dat is openhartchirurgie.’

We gingen naar boven, om te kijken hoe het daar ging. Op de gang, bij de openstaande deur naar het eerste balkon, dronken we een biertje. Hier was het iets beter , ook de brij was minder dof. Zo konden we nu horen dat Paul Westerberg goed bij stem was. Maar het balkon op of terug de zaal in, daaraan moesten we niet denken.

Het vreemde was dat wij de enigen waren die de zaal waren ontvlucht. Daar verbaasden we ons erg over. Hadden al die andere concertgangers dan nergens last van? Bezaten zij een mate van overgave die voor ons niet was weggelegd? Konden wij nu werkelijk nergens tegen, hadden al die anderen allemaal zo’n staat van verlichting bereikt dat ze onstoffelijk waren geworden en het geluid zonder problemen dwars door hen heen ging, waar het bij ons ruw had aangeklopt, telkens weer, als beukende golven tegen een zwak dijkje? Het was een raadselachtig gebeuren.

‘Gaat u nu al naar huis?’ vroegen ze bij de garderobe verbaasd. Al met al hadden we The Replacements net vijf nummers horen spelen.

Buiten was het weldadig rustig, een mooie, kalme avond, windstil, met laat zonlicht op de gevels aan de overkant van de Weteringschans. Ik liep naar de Amstel, en langs de Amstel, de stille avond beviel me zo goed dat ik de omweg via de Berlagebrug nam. Vroeger begon alles om half elf; nu was ik voor half elf thuis.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in leven, muziek en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

5 reacties op vroeger begon alles om half elf

  1. S zegt:

    ik dacht dat alles nog steeds om half elf begon.. maar zou zelf in dit geval ook de mooie ‘nu-toch-echt-bijna-zomer-avond’ buiten hebben gekozen.

    • Ha, S. Woord-water (ik vermoed tenminste dat je zowel woord als water bent), er begint altijd wel iets om half elf: als het niet de avond zelf is, dan wel de rest van de avond. Maar niet alles begint dan – dat komt natuurlijk ook omdat we [hier stond eerst: tot op zekere hoogte] allemaal onze eigen tijdzone zijn; krijg dat allemaal maar eens gesynchroniseerd!

      • S zegt:

        ..nou ja ongeveer (iets meer dan de helft, zowel woord als water), in ieder geval ben ik min of meer mezelf gebleven. En het kan inderdaad zijn dat mijn tijdzone niet helemaal klopte met de plaatselijke realiteit van wanneer dingen in principe plaats zouden kunnen vinden, maar uiteindelijk waren het in dit geval toch maar de replacements.

  2. Pingback: welfare paradise | reddend zwemmen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s