wolkenkrabbers en badhuizen: hermans herlezen

1

Ik lees De mislukkingskunstenaar, het eerste deel van Otterspeers biografie van W.F. Hermans. Otterspeer kreeg stevige kritiek, en er valt ook van alles op het boek aan te merken, maar interessant is het allemaal wel. De hardheid, de totale compromisloosheid van Hermans – nu kan je dat bewonderen, of er in ieder geval met een zeker ontzag kennis van nemen, voor degenen die hem van dichtbij meemaakten, moet het schokkend zijn geweest.

Tussendoor herlas ik De tranen der acacia’s, dat ik boven verwachting goed vond. Ook hier die hardheid, een dreinerige hardheid zou je kunnen zeggen, want de personages van de jonge Hermans (ik ben nu ook aan Ik heb altijd gelijk begonnen) blijven grote, boze kinderen, die niet de middelen hebben om het vermeende onrecht dat ze is aangedaan recht te zetten. Ze lopen rond in een absurde wereld, waar ze de weg niet kennen, de wegen worden trouwens ook steeds versperd door mensen die uiteindelijk niet te vertrouwen zijn; maar je krijgt de indruk dat ze de weg, mocht die er zijn, ook niet zouden wíllen kennen: het kennen van de weg brengt verantwoordelijkheden met zich mee, het loont om het bestaan van de weg, elke vorm van ordening, te ontkennen, te spelen dat je een speelbal bent. Dat is overigens wel een spel op leven en dood.

Stilistisch piept en kraakt de De tranen der acacia’s behoorlijk. Over die stijl schreef Herman Franke ooit een artikel voor De Revisor (zie hier), waarin hij een alternatieve versie van de eerste pagina gaf, en inderdaad, opeens loopt de tekst een stuk soepeler – maar een gladgetrokken Hermans is geen Hermans, for better or for worse. Zo geeft Franke voor deze passage (de scène speelt zich af in een trein):

Terwijl de hilariteit van de schooljongens nog even opleefde kwamen de wagens weer in beweging, zo traag, dat de wielen bij iedere las een sonoor geluid gaven alsof het gongen waren.

deze verbeterde versie:

Tot hilariteit van de schooljongens kwamen de wagens weer in beweging, zo traag dat de wielen bij iedere las een droog, donker geluid gaven. Ke-doeng… ke-doeng… ke-doeng…

In zijn toelichting heeft Franke het over ‘weer zo’n mislukte vergelijking’:

Iedereen weet hoe het ‘kedoengen’ van een trein klinkt. Het zal in de jaren veertig niet veel anders geklonken hebben dan nu. Aan het geluid van gongen, dat ik overigens eerder galmend dan sonoor zou noemen, heb ik nog nooit gedacht. Het klinkt juist droog en donker, als jambische dubbelslagen op de grote trom van een fanfare, vooral als de trein heel traag rijdt. Maar wat is in dit geval mooier dan het geluid gewoon met woorden te laten klinken? Kedoeng… kedoeng… kedoeng…

Even afgezien van de ongelukkige associatie met het oeuvre van Guus Meeuwis – misschien is het beeld inderdaad mislukt, maar het vervreemdende effect ervan werkt voor mij wel, ik zie meteen een verband tussen de smalle, al te smalle wielen van een trein en die gongen, waardoor (in mijn hoofd althans) spanning en breekbaarheid wordt opgeroepen. Om een nauwkeurige nabootsing van de werkelijkheid gaat het Hermans ook helemaal niet.

In zijn stijl zie je Hermans worstelen, aan die stijl lees je de snelheid af waarmee hij schreef. Er staan ook treffende formuleringen en beelden in De tranen der acacia’s, die opduiken als heldere verrassingen, met de schittering van diamanten, scherp geslepen, niet gestroomlijnd.  Stijl en beelden dragen beide bij aan het karakter van de roman. Veel had beter gekund, ja, maar het boek heeft karakter – en dat karakter kan niet worden verbeterd. Stijl is alles, ik heb het ook wel eens geroepen, maar misschien is karakter alles.

Ook compositorisch valt er van alles op  de roman aan te merken, maar dat gééft niet. Bij Otterspeer lees ik dat Hermans zelf ook vond dat hij De tranen der acacia’s te snel had geschreven. Je krijgt (bijvoorbeeld door die goed getroffen originele beelden) dan ook de indruk dat Hermans het best kan, en dat het boek evenwichtiger was geworden wanneer hij er even voor was gaan zitten, als hij er de tijd voor had genomen – maar hij heeft die tijd niet, hij heeft haast, met een verbeten haast is hij aan het werk, hamerend, er zit een samengebalde kracht in deze roman. Onder het lezen vraag je je af of de schrijfmachine waarop hij dit typte het scheppingsproces wel heeft overleefd, of de letterarmpjes niet door de kamer vlogen, of er vanuit de coulissen niet voortdurend nieuwe schrijfmachines moesten worden aangedragen.

2

De aantrekkingskracht van de vroege romans (en een aantal vroege verhalen) van Hermans zit ’m voor mij ook in het beeld van Amsterdam dat eruit opduikt. Hermans geeft niet eens erg uitgebreide beschrijvingen, dus de herkenning zal ook komen doordat ik de wijken ken die hij beschrijft, en foto’s uit die tijd heb gezien. ‘Herkenning’ is niet het juiste woord, ik bestond in die jaren nog niet, het is herkenning-met-terugwerkende-kracht.

In De tranen der acacia’s  wordt de tijd opgeroepen waarin Plan-Zuid en de Baarsjes nog nieuwe wijken waren, aan de rand van de stad. Arthur Muttah woont met zijn zus en zijn grootmoeder ergens in De Baarsjes, waar precies is niet duidelijk, misschien aan de Tweede Kostverlorenkade, vlakbij de Wiegbrug, de brug over de Kostverlorenvaart die de De Clercqstraat verbindt met de Admiraal de Ruijterweg. In ieder geval wonen Muttah en zijn familie op loopafstand van het ‘ultramoderne huizenblok’ waar de fietsenstalling van Zwikker zich bevindt, en in De stad is in verval, waarin aan de hand van drie wandelingen het Amsterdam van Hermans wordt beschreven, spreekt Bob Polak het vermoeden uit dat voor dit blok ‘de Geuzenhof’ model heeft gestaan, tussen de Geuzenkade en de Willem de Zwijgerlaan, niet ver van die Wiegbrug.

Moeilijk voor te stellen dat de wijken waar het boek zich afspeelt ooit nieuw zijn geweest, de grenzen van de bebouwde kom. De donkere bakstenen nog licht, de boompjes iel, de straten breder dan nu, doordat er minder auto’s zijn. Zo nieuw alles dat de spanning er nog op staat, wezenloos ook, het wezenloze van het nieuwe dat zich nog niet heeft ingenesteld, dat zich nog niet heeft bewezen, in dergelijke wijken hangt altijd iets onheilspellends in de lucht. Je ziet dat onheilspellende ook elders, in foto’s en in films, bijvoorbeeld in de buitenopnames van korte films van Laurel en Hardy uit de jaren twintig en dertig, waarin het decor bestaat uit de nieuwe wijken van Hollywood, met nieuwe straten, nieuwe bungalows, lege velden, iele boompjes; een landschap met een unheimische uitstraling, waar gruwelijke dingen kunnen gebeuren. Het landschap is zo nieuw dat het nog niet door de goden is ontdekt. Geen toezicht, geen straf – tot alles is uitgehard kan iedereen hier zijn gang gaan.

Ook in De tranen der acacia’s hangt die onheilspellende sfeer in de straten, versterkt door de troosteloosheid en de grauwheid van de laatste oorlogsjaren, en de tevergeefsheid van de lange wandelingen die Arthur Muttah door de stad maakt. Geen idee hoe iemand die Amsterdam niet kent dit boek leest, wat voor beelden hij erbij heeft. Wat stelt die lezer zich voor bij de Wolkenkrabber in Oud-Zuid, waar Andrea woont, en waar Muttah (wat een ontzettend lelijke achternaam, trouwens) een jaar lang met haar samenwoont (en misschien wel gelukkig is, voor zover hij daartoe in staat is, we horen niets over dat jaar, Hermans beschrijft geen geluk). De Wolkenkrabber van architect J.F. Staal staat bij mij om de hoek, op het Victorieplein, ik ken het gebouw, ik ken de straten waar Andrea op uitkijkt vanaf haar etage, al ben ik nooit in het gebouw geweest en weet ik ook niet hoe hoog ze woont.

P1010995

“Aan het eind van de laan stond de wolkenkrabber. De huizenrijen van de laan waren er als in een lus omheen gelegd. Geen enkel van zijn vensters blonk; ook niet zijn ruggestreng: het uitpuilende glazen trappenhuis. Het gebouw leek zonderling hoog. […] Het had, met z’n ijzeren balkonnetjes, met alle kachelpijpen die eruit staken, aan de muren en aan elkaar bevestigd in een verwarring van ijzerdraden, ook iets weg van een enorm vergroot onderdeel uit een radiotoestel; of een isolator van een fantastische Amerikaanse hoogspanningsinstallatie.” De tranen der acacia’s, hoofdstuk 8

In De stad is in verval besteedt Bob Polak ook aandacht aan het bezoek dat Arthur Muttah brengt aan de zwager van fietsenmaker Zwikker, die op Kattenburg woont, op de Kattenburgerdwarsstraat. Muttah wil bij hem een fiets kopen. Wat Polak niet noemt: ‘het groene paviljoen’ waar zwager Zwikker zijn fietsen bewaart. Muttah ziet dat gebouwtje al wanneer hij op Kattenburg naar de overkant van de gracht kijkt:

En in het water lag een eilandje waarop een koepel van groen hout stond, gebouwd in buitensporige avantgarde-stijl.

Later gaan ze daar een fiets halen, ‘over een dammetje’ lopen ze naar het gebouwtje toe, er staat ook een auto in, verborgen onder een stuk zeil.

Het kan niet anders dan dat Hermans zich hierbij heeft laten inspireren door het badhuis dat tegenover Kattenburg op een uitpringend gedeelte aan de kade vanWittenburg stond (het oranje rondje rechtsonder op de kaart), gebouwd in 1924, gesloopt in 1975, en opgetrokken in de ‘buitensporige avantgarde-stijl’ van de Amsterdamse School (net als de vrijwel identieke badhuizen op het Boerhaaveplein en het Smaragdplein, die in dezelfde tijd zijn gebouwd, en gelukkig niet zijn gesloopt). Het badhuis was bereikbaar via een brug die in het verlengde van de Eerste Kattenburgerdwarsstraat lag. Op oude foto’s lijkt de koepel trouwens niet van hout.

badhuis wittenburgstadskaart kattenburg jaren vijftig, van site stelling-amsterdam.nl

3

Bij Hermans blijft troosteloosheid van Amsterdam niet beperkt tot de oorlogsjaren. Het verhaal ‘Dokter Klondyke’ uit 1946 uit Moedwil en misverstand speelt zich deels af in een pension, waar het verlamde meisje verblijft dat de zogenaamde dokter Klondyke nog van vroeger kent. Dat pension bevindt zich in een huizenblok aan lange, sombere straat die zich ‘aan de rand der bebouwde kom’ bevindt.

De westzijde bestond uit een eindeloze huurkazerne, de andere kant uit hoge, smalle woonblokken, waartussen, op lager niveau dan de straat, hier en daar nog boerenhuisjes stonden, door stro gedekt en door verwilderd gras omgeven.

De straat die hiervoor model heeft gestaan is de Admiraal de Ruijterweg, waardoorheen toen nog de tram naar Zandvoort reed, dezelfde tram die dokter Klondyke na de dood van het verlamde meisje nog net weet te halen, op weg naar zee. In het verhaal rijdt de tram onder het pension door, via een poort die in het huizenblok is uitgespaard. Ik heb online gezocht in de beeldbank van het Stadsarchief, maar in werkelijkheid lijkt er van zo’n poort (helaas!) geen sprake te zijn geweest, alles wijst erop dat de tram gewoon de straat volgde en aan het eind afsloeg richting Haarlem. (In de nieuwbouw bij Den Haag CS heb je tegenwoordig wel zo’n poortachtige onderdoorgang voor de tram. Die zou het Dokter Klondyke-tunneltje moeten worden genoemd.)

4

Inmiddels heb ik Ik heb altijd gelijk uit. Dat boek deed me minder dan ik had verwacht, misschien las ik hem te snel na De tranen der acacia’s, en had ik beter even kunnen wachten tot de slagschaduw van die roman was weggetrokken. Ik heb altijd gelijk was ooit omstreden vanwege de uitspraken die hoofdpersoon Lodewijk Stegman over katholieken doet. Het leverde Hermans in 1952 een proces (en vrijspraak) op. Katholieken zijn een dreigende aanwezigheid in de roman, soms doen opvattingen en uitspraken van de personages denken aan wat er tegenwoordig over moslims wordt beweerd. Katholieken ‘planten zich voort omdat ze de meerderheid willen hebben.’ Volgens de vrouw van een partijgenoot van Lodewijk krijgen ze eerder huizen toegewezen dan anderen: ‘Hier drie huizen verderop woonde een familie, die waren katholiek. Die hebben ook een huis gekregen.’ En wanneer het door het verlies van Indië overbodig geworden Koloniaal Instituut leeg zal komen te staan, vermoedt Lodewijk Stegman dat er vast een ‘oude mannen- en vrouwenhuis’ in komt, of… ‘een Rooms-Katholieke kerk’.

Ressentiment en onvrede zijn van alle tijden. In Ik heb altijd gelijk willen de ontevredenen een politieke partij oprichten die de verzuilde maatschappij op haar fundamenten moet doen schudden, ook dat klinkt bekend. Je zou er een parallel met Trots op Nederland of de PVV in kunnen zien, waren het niet dat die partij waarin Lodewijk een centrale rol moet spelen, nu juist níet trots is op Nederland: het doel van de partij is Nederland op te heffen en te doen opgaan in een Verenigd Europa. ‘Het eerste wat wij doen als wij de macht in handen hebben, is het opheffen van de Nederlandse staat.’ Ressentiment en onvrede vertaalt zich niet altijd in dezelfde vormen.

5

Naar eigen zeggen heeft Hermans De tranen der acacia’s achter elkaar door geschreven, terwijl aan Ik heb altijd gelijk een zorgvuldiger compositie ten grondslag ligt. Misschien hou ik gewoon meer van het eerste soort romans. Bij een roman die de schrijver van te voren niet helemaal in zijn hoofd heeft, ga je mét de schrijver op reis, je weet niet waar je uit gaat komen, het is een unieke ervaring, omdat de schrijver de route ook nog niet helemaal kent; je laat je door hem meeslepen. Bij een van te voren uitgedacht boek neemt de schrijver je mee in zijn constructie, volgens een vaststaande route; je wordt niet meegesleept, je wordt rondgeleid. Bij de uitgang neemt de schrijver met een ferme handdruk afscheid van je voordat de rondleiding van de volgende lezer begint.

*

De foto van het badhuis is afkomstig uit het album Amsterdam, old pictures and postcards van Jan Willemsen op Flickr. De plattegrond van Kattenburg en Wittenburg komt van de site stelling –amsterdam.nl. De stad is in verval, een literaire wandeling door het Amsterdam van Willem Frederik Hermans van Bob Polak is in 2003 uitgegeven door Bas Lubberhuizen.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in boek, lezen en getagged met , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op wolkenkrabbers en badhuizen: hermans herlezen

  1. rhcdg zegt:

    Over stijl en karakter: stijl *is* natuurlijk karakter, en verder niets (techniek). Daarom kon Vestdijk in de Forumtijd tegen Marsman ook zeggen dat hij ‘voorgoed voor het talent (had gekozen), desnoods dan bij een volkomen verwerpelijke persoonlijkheid’.

    Die zin van Franke vind ik geen</i) verbetering. Hij maakt ervan dat de trein weer in beweging kwam en dat men daarom moest lachen; dat is erg slecht gelezen. En sonoor betekent toch galmen? Hoe de treinen toen klonken weet ik ook niet, maar sonoor en gongen horen bij elkaar.

    Niet alleen Franke, ook Tonnus Oosterhoff heeft over dat snelle schrijven van Hermans gepubliceerd. Het is een bepaald type schrijver dat zo te werk gaat, en voor wie het schrijfproces belangrijker lijkt dan het resultaat, dat vol gaten komt te zitten. Denk ook aan Leopold. Het merkwaardige is wel dat Hermans zijn boeken vaak herzag voor een nieuwe druk, soms ingrijpend – maar dat urgente karakter bleef toch behouden.

    • Franke is een chirurg die de ziel wegsnijdt, en daarbij ook nog eens vreemde veranderingen aanbrengt, zoals inderdaad bij die hilariteit; en het zou natuurlijk best kunnen dat treinen nu anders klinken – als dat argument al nodig is. Met ‘karakter’ doelde ik eerder op het karakter van de tekst dan van de schrijver. Een tekst met een soms stroeve stijl kan wél een overtuigend karakter hebben (urgent, agressief, meeslepend) – misschien juist door die ‘gebrekkige’ stijl. Een perfecte, soepele stijl is niet alles. Daarom erger ik me ook vaak aan recensenten die teksten afserveren door op woordniveau ‘fouten’ in die tekst gaan aanwijzen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s