de glazen kamer

Het is algemeen bekend dat het koninklijk paar zo nu en dan een aantal mensen uit de wereld van beeldende kunst, theater en literatuur uitnodigt voor een informele avond ten paleize. Blijkbaar zien de koning en de koningin het als hun plicht op de hoogte te blijven van de laatste culturele ontwikkelingen en kennis te maken met degenen die daarin een rol spelen.

Ook mag als bekend worden verondersteld dat de genodigden geacht worden niet uit de school te klappen over wat op dergelijke avonden plaatsvindt. Ik zal mij niet aan die afspraak houden. Nodig dan géén schrijvers uit. Het is onderdeel van mijn beroep om alles wat ik meemaak op te vatten als stof voor verhalen en beschouwingen; ik zie dat zelfs als een verplichting, waaraan al dan niet stilzwijgende afspraken niets aan kunnen veranderen. Ik ben ervan op de hoogte dat het diverse malen is voorgekomen dat collega’s een dergelijke uitnodiging hebben afgewezen, uit republikeinse gevoelens of op andere principiële gronden. Maar ik heb geen moment geaarzeld toen ik mijn uitnodiging ontving. Je kan als schrijver beter nieuwsgierig zijn dan principieel.

Volgens de bij de uitnodiging meegeleverde instructies zou ik worden afgehaald bij station Leiden, en toen ik op de betreffende kalme zomeravond het station uitliep, stond vlak voor de uitgang een grote zwarte limousine geparkeerd, met zijramen van ondoorzichtig donker glas. De limousine stond midden in het voetgangersgebied. Voor even was ik te gast in een wereld waar andere regels golden. Naast de wagen stond een geüniformeerde chauffeur die zodra hij me zag het achterportier opende.

‘Hoe heeft u mij herkend?’ vroeg ik.

‘U bent het toch?’ antwoordde de chauffeur, alsof dat feit de vraag overbodig maakte.

Via het busstation reden we het stationsplein af. Ik zakte weg in de ruime, zachte achterbank en hoorde vrijwel geen motorgeluid. Naast mij lag een kraakvers exemplaar van NRC Handelsblad van die avond. Toen ik de krant oppakte, schoof voor me een scherm omhoog dat de ruimte waarin ik zat, afsloot van het voorste gedeelte van de limousine. Ik vroeg me af of het scherm weer zou dalen als ik de krant neerlegde. Ik probeerde het uit, maar het scherm bleef omhoog staan. Van de chauffeur zag ik slechts een vaag silhouet.

We reden Leiden uit, soepel en in één lange beweging, alsof we ons voortbewogen over brede, vlakke wegen met flauwe bochten. Ik had de indruk dat stoplichten op groen sprongen zodra wij naderden, maar misschien was hier gewoon sprake van een bij een bepaalde snelheid zich realiserende groene golf.

‘Die filmpjes,’ zei een stem vlak naast me.

Ik schrok, maar begreep toen dat het de versterkte stem van de chauffeur moest zijn.

‘Dat stond niet op de nadere toelichting bij de uitnodiging, maar die satirische filmpjes op tv.’ Niets in het roerloze silhouet van de chauffeur wees erop dat hij deze woorden uitsprak, maar wie moest hier anders aan het woord zijn.

‘Ja?’ zei ik, hoewel ik geen idee had of hij mij kon horen.

‘Daar moet u straks niet over beginnen.’

‘Hij vindt ze niet leuk,’ zei ik.

‘Hij heeft daar geen mening over. Maar hij wordt moe van de vraag.’

‘Goed,’ zei ik .‘Begrepen.’

Er volgden geen verdere mededelingen en ik pakte de krant weer op, meer om mezelf een houding te geven dan om te lezen wat er in de wereld gebeurde. Nu pas verbaasde ik me erover dat ik alleen in de auto zat. Er zouden toch wel meer genodigden uit Amsterdam komen, nam ik aan, gezien het aantal schrijvers, kunstenaars en acteurs dat zich in die stad ophield – maar werden die dan stuk voor stuk met een eigen limousine afgehaald, en allemaal op een ander tijdstip? Ik legde de krant weer neer en keek naar buiten, waar het langzaam donker werd.

De auto reed tot vlak voor het bordes. De chauffeur hield de deur voor me open en ik liep de trappen op naar de openstaande deur. Daar werd ik begroet door een man die ik als kamerheer beschouwde, zonder precies te weten wat een dergelijke functie inhield. Ik bevond me op onbekend terrein.

De kamerheer begeleidde me naar een grote ontvangstzaal, waar zich al verschillende mensen bevonden. Ik herkende een aantal collega’s, die net als ik het afgelopen jaar een literaire prijs hadden gekregen. Iedereen was goed gekleed, ook ik had mijn duurste pak aangetrokken, gekocht van het geld dat ik met die prijs had gewonnen. De schrijvers en acteurs waren beter gekleed dan de schilders; al moet ik zeggen dat ik lang niet alle schilders herkende, en dat ik, zodra ik iemand in een wollen trui of een spijkerbroek ontwaarde, dacht: dat zal een schilder zijn.

Na mij arriveerden nog een aantal genodigden en toen het gezelschap blijkbaar compleet was, verscheen het koninklijk paar. Handen schuddend, informerend en vriendelijk lachend bewogen ze zich van groepje naar groepje. (Er hadden zich als vanzelf groepjes gevormd waarin vakgenoten zich hadden verenigd.) Ondertussen gingen jonge mannen en vrouwen rond met dienbladen champagne, water en jus d’orange, ook waren er kleine hapjes waarbij fluisterend uitleg werd gegeven. De stemming was informeel, maar statisch. Er was weinig verkeer, elk groepje stond op zijn beurt te wachten, niemand verhief zijn stem.

De koning was in pak, en onderscheidde zich in niets van de overige mannelijke aanwezigen. Op de een of ander manier vond ik dat jammer voor hem. Zijn vrouw had nog iets majesteitelijks, door haar jurk, haar houding, het kleine diadeem dat ze droeg, maar hij had alleen maar zijn pak. Ik zag me naast mijn vader op de bank zitten, vijfenveertig jaar geleden. Mijn vader leest de krant en ik probeer een beetje mee te lezen. Er staat een man op een foto, hij draagt een pak en een stropdas. Volgens het onderschrift is het koning Hoessein van Jordanië. ‘Maar hij heeft helemaal geen kroon op!’ zeg ik verbaasd, en een beetje teleurgesteld. ‘Nee, dat doen ze niet meer,’ zegt mijn vader, dat is iets van vroeger.’

En terwijl ik met een glas champagne in mijn hand naar de koning keek, dacht ik: het is jammer dat hij hier niet rond kan lopen in een hermelijnen mantel en een kroontje op zijn hoofd. De verhoudingen zouden meteen duidelijk zijn, en de stemming zou er waarschijnlijk alleen maar meer ontspannen van worden, omdat iedereen wist waar hij aan toe was.

Langzaam kwam er meer leven in de avond. De leden van de groepjes waar het koninklijk paar langs was geweest, praatten harder, en vermengden zich met elkaar, alsof er daar sprake was van ontspanning en opluchting. Ik stond in het laatste groepje. De koning schudde mijn hand en noemde mijn naam. Ondanks het informele gehalte van de avond was het net of hij mij die naam op dat moment schonk, en ik zou bijna tegen hem roepen: maar zo héét ik al!

‘Dat verhaal met die katten,’ zei hij. ‘Mooi verhaal. Heb genoten. Hè?’ Hij keek opzij naar zijn vrouw, die mij nu ook de hand schudde. ‘Dat andere verhaal was zo droevig,’ zei ze. ‘Over dat jongetje.’

Ik knikte en mompelde een bedankje. Ik wist meteen welke verhalen ze bedoelden. Ik had geen idee of ze die daadwerkelijk hadden gelezen of dat ze gebriefd waren door medewerkers, maar dat deed er eigenlijk ook weinig toe.

Terwijl de koningin alvast iemand anders de hand schudde, begon de koning over een gemeenschappelijke kennis die druk doende was met een jacht rond de wereld te zeilen. Ik had geen idee over wie hij het had, hier was waarschijnlijk iets mis gegaan met de voorbereiding.

‘Echt niet?’ vroeg hij.

‘Nee, echt niet,’ zei ik. ‘Majesteit.’ Dat laatste woord schoot er onwillekeurig uit, en gelukkig deed hij alsof hij het niet had gehoord.

‘Ik dacht nog,’ zei hij, ‘zo’n reis om de wereld, daar zit vast een goed verhaal in.’

Ik lachte beleefd.

De stemming steeg. Iedereen liep nu door elkaar, glazen in de hand (bier, wijn, champagne), men durfde hardop te spreken en te lachen, en de koning en de koningin bewogen zich ontspannen door de aanwezigen, soms samen, soms apart. De koningin barstte regelmatig uit in gelach, ook wanneer daar nauwelijks aanleiding toe was.

Aanvankelijk bevreemdde me dat overdadige gelach, maar opeens zag ik wat ze deed: ze probeerde zo mooi en welluidend mogelijk te lachen om tegenwicht te bieden aan die satirische filmpjes waarin haar een schurende paardenlach wordt toebedeeld. Het nam me voor haar in, maar ik had tegelijkertijd met haar te doen. Als je erop lette, zag je haar ogen door de ruimte schieten, op zoek naar iets dat haar reden zou geven te laten horen hoe mooi ze in werkelijkheid kon lachen.

Op een gegeven moment kwam de koning op me aflopen. ‘Ik heb hem gevonden hoor,’ zei hij.

‘Wie?’ vroeg ik, want ik had geen idee over wie hij het had.

‘Degene met de gemeenschappelijke kennis die rond de wereld zeilt. Ik had me vergist. U was het niet, hij is het.’ Hij wees naar een Vlaamse schrijver die net zo blond was als ik, en ook een bril met een donker montuur droeg. Het lag voor de hand hoe de vergissing was ontstaan: waarschijnlijk had het koninklijk paar van te voren geoefend met foto’s van de genodigden.

Opeens begon de mededeling rond te zoemen dat het bier op was. Gezien de vroegere reputatie van de koning was dat verrassend, en er werd besmuikt gegrinnikt.

‘Dat kunnen we niet hebben hoor!’ riep de koning quasi verontwaardigd, een uitroep die veel hilariteit veroorzaakte en de koningin weer gelegenheid gaf haar parelende lach te laten horen. Algauw bleek dat het bier helemaal niet op was, iemand had niet goed gekeken. Dat klonk niet erg geloofwaardig. Probeerde men de gasten te ontregelen, was er sprake van dat hier een of ander stukje werd opgevoerd? Ik vroeg me af of dit, deze bijeenkomst, wel echt was, of we niet met een stel dubbelgangers te maken hadden, in een gehuurd paleis, en of onze gretige gedienstigheid en zelfgenoegzame vrolijkheid de volgende dag niet breeduit op internet belachelijk zouden worden gemaakt. Ik keek rond of ik camera’s zag hangen. Maar ook als ik camera’s zou ontdekken, zou dat nog niets betekenen, behalve dat het paleis goed beveiligd werd.

Ik keek nog eens goed naar de koning en de koningin. Ze zagen er echt uit, en ze gedroegen zich alsof ze op hun gemak waren, in hun eigen omgeving.

Nog ingewikkelder werd het toen de koning op een gegeven moment een imitatie gaf van het Haagse accent waarmee hij op tv belachelijk wordt gemaakt. Hij deed het erg goed, en ik vroeg me onwillekeurig af of hij die filmpjes niet zelf insprak.

Net toen de avond leek in te zakken, openden twee bedienden de grote tuindeuren. Nieuwsgierig liepen we die kant op. Sommigen stapten het bordes op, de meesten van ons bleven in de deuropening staan.

De tuin was een donker vlak dat achteraan werd begrensd door nog donkerder begroeiing. In de verte stond hier en daar een zwak brandende lage lamp tussen de heesters.

De koning voegde zich bij ons. ‘Staan we nu allemaal hier,’ zei hij. ‘Wachten we ergens op?’

‘We dachten, misschien gebeurt er wat, gaat er wat gebeuren, hier,’ zei een schrijver, met de gretige, haastige lach waarmee we dienstbaarheid uitstralen naar hogergeplaatsten.

‘Vuurwerk of zo,’ zei iemand anders.

‘Of een bucolisch herdersspel,’ zei de Vlaamse schrijver die iemand kende die rond de wereld zeilde.

‘Een bucolisch herdersspel,’ herhaalde de koning, niet spottend, maar tevreden, alsof de woorden oude vrienden waren aan wie hij lang niet had gedacht maar die nu tot zijn grote genoegen weer opdoken. ‘Misschien een ideetje voor de volgende keer,’ zei hij tegen zijn vrouw, die naast hem was komen staan. ‘Iets opvoeren in de tuin.’

Hij keerde zich om en liep terug naar het midden van de zaal, en ook wij maakten ons los van het donkere uitzicht. Terwijl de tuindeuren weer gesloten werden, bekroop me nogmaals het gevoel dat we onderdeel uitmaakten van een proefopstelling, dat hier iets werd opgevoerd waarvan we geen weet hadden.

Ik moest naar het toilet, en liep in de richting waarin ik de hele avond al mensen had zien verdwijnen. Ik kwam terecht in een lange gang. Ik had verwacht dat er personeel zou rondlopen dat mij de juiste weg zou wijzen, maar de gang was verlaten. Over dik tapijt liep ik langs gesloten deuren, op zoek naar een aanwijzing (een afkorting, een symbool) die zou aangeven dat er zich achter een van die deuren een toilet bevond. Het duurde even voor ik mijn vergissing inzag: ik liep niet rond in een hotel of een restaurant, hier woonden mensen en die hadden geen bordjes op deuren nodig om het toilet te vinden.

Inmiddels bevond ik me in een geheel ander gedeelte van het paleis. Ik was nog steeds niemand tegengekomen. Alle deuren waren geschilderd in gebroken wit en hadden koperen handgrepen. Ik trok een deur open die op een of andere manier een bescheidener indruk maakte dan de andere deuren, misschien omdat hij zich in een niet al te goed verlicht gedeelte van de gang bevond. De hoopvolle verwachting dat zich achter die deur een toilet zou bevinden, bleek op niets gebaseerd. De kamer die ik binnen stapte, bevatte een manshoge replica van het achthoekige kasteeltje waarin de koning zijn jeugd had doorgebracht, zo te zien geheel vervaardigd uit roerhoutjes en afgebrande lucifers. Ik herkende het gebouw meteen van de kalenders van het Koninklijk Huis die vroeger bij ons thuis jaar in jaar uit boven de keukentafel hingen. Achter de raampjes brandde een vriendelijk geeloranje licht.

Ik liep er op af om het van dichterbij te bekijken, maar deinsde terug toen in het kasteeltje kleine schimmen heen en weer begonnen te schieten, in een onaangenaam, gejaagd tempo. Ik vermande me, boog me naar voren en  keek naar binnen. Het kasteeltje werd bewoond door een grote hoeveelheid witte muizen die zich razendsnel leken te vermenigvuldigen en zich nu ook in grote getale door de glasloze vensters naar buiten begonnen te persen. Ik maakte maaiende bewegingen met handen en voeten in een poging ze af te weren, struikelde achterwaarts naar de deur en verliet gehaast de kamer.

Blijkbaar had ik een andere deur genomen, want ik kwam niet uit op de gang van waaraf ik de kamer was binnen gestapt, maar in een kamer die een stuk groter was dan de vorige, en geheel was opgetrokken uit glas. Niet alleen de vensters, ook de raamlijsten, de muren en het plafond bestonden uit glas. Dat was opmerkelijk, maar toch registreerde ik het nauwelijks, omdat mijn aandacht uitging naar de vloer, die ook uit glas bestond. Onder die vloer gaapte een gat, een peilloze rechthoekige diepte die net zo groot was als de kamer. Je kon verschillende aardlagen onderscheiden, en hier en daar kringelde een uitloper van een boomwortel, bijgelicht door zwevende lichtstaven die de weerspiegeling vormden van de tl-balken die de kamer verlichtten. Voorbij de lagen die zich binnen het bereik van deze dubbele verlichting bevonden, verloor de diepte zich in een ondoordringbare duisternis.

Op mijn vlucht voor de muizen was ik enkele meters naar binnen geschoten. Nu ik zag in wat voor ruimte ik me bevond, bleef ik roerloos staan, met mijn armen van mijn lichaam, alsof ik bang was mijn evenwicht te verliezen. Ik had geen idee hoe dik de glasplaat was waarop ik stond. Hij leek me te houden, er kraakte niets, ook schoten er geen barsten in. Het was alsof ik op glashelder ijs stond.

Ik deed een paar passen en alle gebeurtenissen van de avond tot dusverre vervaagden alsof het oude herinneringen waren. Ik bewoog me in een kamer van glas op een vloer van glas boven een peilloze diepte en ik werd doorstroomd door een onverwacht gevoel van opgetogenheid, alsof de concentratie die ik tot in de toppen van mijn vingers voelde, een bevrijding betekende uit een voorgaande toestand van onverschillige halfslaap.

Ik voelde dat deze vloer mij zou dragen, maar tegelijkertijd was ik me ervan bewust dat ik dat niet zeker kon weten. Alles hing nu van mij af, van de bewegingen die ik zou maken en de druk die ik zou uitoefenen, en tegelijkertijd draaide alles om zaken waarop ik geen invloed kon uitoefenen, zoals de dikte van de glasplaat en de verhouding daarvan tot mijn gewicht. Door de glazen muren rondom mij ving ik vage beelden op van belendende kamers. Achter de muur met de vensters schemerde het donker van de tuin. Aan het eind van de kamer zag ik nu een grote, glazen put staan, waarop een putdeksel rustte dat ook van glas was. Het deksel was niet helemaal over de put heen geschoven, zodat er een donkere kier overbleef. Onder de vloer zag ik de ronde kolom van de put naar beneden gaan, tot in de diepe duisternis die alles opslokte.

Ik bukte mij en trok voorzichtig mijn schoenen uit. Op mijn sokken gleed ik als een trage schaatser over het spiegelgladde glas naar de put. De kou van het glas trok door mijn voetzolen naar boven, en ik vroeg me af of ik de vloer onder mijn voeten voelde buigen. Het is geen buigen, hield ik mezelf voor, het glas veert zachtjes mee en dat is goed.

De opening die het putdeksel vrij liet was net groot genoeg voor iemand van mijn gestalte. Ik keek over de rand van de put naar beneden en zag dat in de binnenwand van de put glazen handgrepen waren aangebracht met behulp waarvan iemand naar beneden zou kunnen klimmen. Ik stak een arm omlaag om te voelen hoe stevig de eerste handgreep verankerd zat, maar ik kon er net niet bij.

Toen ik opkeek en zag hoe ver ik van de deur verwijderd was en hoe peilloos de diepte tussen mij en de deur, werd ik gegrepen door een grote angst. Ik hapte naar adem en het duurde enige tijd voordat mijn hartslag weer gezakt was tot een aanvaardbaar niveau. Terwijl ik strak voor me uit keek schuifelde ik op mij sokken in de richting van de deur. Zo nu en dan stootte ik tegen iets aan, het bleek te gaan om glazen meubilair dat me eerder niet was opgevallen.

Toen ik deur had bereikt, trok ik hem voorzichtig open en stapte de kamer uit. Mijn overhemd plakte aan mijn lichaam. Ik bevond me niet in de kamer met het kasteeltje en de muizen, maar in een verlaten gang, waarop ik, herinnerde ik me nu, al de hele terugweg van de put naar de deur op had uitgekeken, door de glazen muur heen. Tegenover mij zag ik een deur waarop een bordje hing met de afbeelding van een bloot jongetje dat met een sierlijk boogje in een pot piste. Onder de deurkruk hing een rond slot met een uitsparing waarin het woordje ‘vrij’ zichtbaar was.

Nadat ik gebruik had gemaakt van het toilet slaagde ik erin de zaal terug te vinden. Ik had geen idee hoeveel tijd inmiddels was verstreken. De meeste gasten waren vertrokken. Personeel verzamelde glazen. Met zijn handen in zijn zakken kwam de koning op me aflopen. ‘We waren u even kwijt,’ zei hij zacht. Er zat onmiskenbaar teleurstelling in de blik waarmee hij me aankeek, alsof hij zich in mij had vergist.

Achter mij dook een bediende op met mijn schoenen. Voordat hij ze aan mij overhandigde, wisselde hij een blik met de koning terwijl hij zijn hoofd schudde, als iemand die zonder woorden wil overbrengen dat er niet aan verwachtingen is voldaan. Ik bukte me om mijn schoenen aan te trekken, en voelde dat ik rood werd, alsof ik deelde in de teleurstelling die hier opeens over mijn gedrag leek te heersen.

‘De auto staat voor,’ zei de bediende toen ik mijn schoenen aanhad. Hij liep voor me uit door de gang en toen hij de deur voor me openhield, vermeed hij mijn blik.

Eenmaal in de limousine (het scherm tussen voor- en achtergedeelte was omhoog geschoven zodra de chauffeur was ingestapt), besefte ik dat koning noch koningin afscheid van me had genomen. Het door de teleurgestelde blik van de koning en zijn bediende gevoede besef dat ik op de een of andere manier had gefaald, bezorgde me een knagende, van schaamte vervulde onrust, die nog versterkt werd door de gedachte dat als ik had gefaald, ik blijkbaar ook uitverkoren was geweest.

Uitverkoren had ik me al gevoeld toen ik de uitnodiging had ontvangen. Het was een misplaatst gevoel geweest, waarvoor ik me vrijwel meteen al schaamde, omdat ik heel goed wist dat het soort bijeenkomsten waar de uitnodiging betrekking op had regelmatig werd gehouden en in feite een soort hofroutine vormde. Nu schaamde ik mij dubbel, maar het was het nog te vroeg om te kunnen aangeven waarvoor precies.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op de glazen kamer

  1. Dirk Rodenburg zegt:

    Beste Rob van Essen,

    Een mooi stuk weer. Er staat volgens een klein foutje in. U spreekt over een kamerheer, terwijl u volgens mij een lakei (of adjudant) bedoelt. Een kamerheer is een adviseur; de koning heeft er in iedere provincie een of meerdere zitten. Het woord kamerheer roept de associatie op van huishoudelijke assistentie, dat wel, maar houdt iets anders in.

    Met enthousiaste lezersgroet vanuit Sousse,

    Dirk Rodenburg

    • Beste Dirk,

      Ja, maar er staat dan ook: “Daar werd ik begroet door een man die ik als kamerheer beschouwde, zonder precies te weten wat een dergelijke functie inhield.” Met andere woorden, de verteller heeft de door u genoemde associatie met huishoudelijke assistentie, terwijl hij een voorbehoud maakt omdat hij waarschijnlijk ergens in zijn achterhoofd het (terechte) idee heeft dat hij zich vergist. Vergissingen van de verteller zijn niet altijd vergissingen van de schrijver.
      groet! RobvE

      • Dirk Rodenburg zegt:

        Helemaal eens met uw beargumentatie. Ik had dit ook gezien. Maar het komt mijns inziens wat geforceerd over, te veel in dienst staand van de ‘vondst’ om met het woord kamerheer te kunnen spelen. Wie doet er open in een paleis? De meeste mensen denken waarschijnlijk: een lakei. Hoewel een kamerheer een adviseur is, heeft het voor mij persoonlijk ook iets weg van een gezelschapsheer, de tegenhanger van gezelschapsdame. Maar waar gaat het ondertussen over? Over niets.
        Het is mooi uw schrijfsel in Sousse te ontvangen. Ik houd met name van de impliciet geschreven bijdragen. De leeuwentandarts, de chrysanten van Faverey, de grote verdwijntruc. Chapeau!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s