net uit het gips

 

delvaux, stationforestiere

Chrétien Breukers zat een week in Oostende en ik kwam een paar dagen langs. Op een regenachtige ochtend vertrokken we met de kusttram naar Sint-Idesbald, onderdeel van de vrijwel aan elkaar gegroeide rij kustdorpen daar. Kleine villa’s, dorpskernen, maar toch vooral veel flats met kleine appartementen en kleine balkons – kleinere versies van de flats uit de jaren zestig en zeventig die langs de promenade van Oostende staan – en die daar in de loop der jaren toch een heel eigen soort schoonheid hebben verworven, omdat het patina van de tijd de lelijkheid van een mild melancholisch laagje heeft voorzien. (Ah, het patina van de tijd! Als dat toch eens in tubes werd verkocht, dan smeerden we er de hele wereld mee vol. Maar nee, we moeten rustig wachten tot de tijd het zelf aanbrengt.)

Die gepatineerde lelijkheid werkt toch beter in Oostende dan in kleinere gemeenschappen; daar is die benauwder, beklemmender, daar kan de treurigheid nergens weg. (In Oostende waait die met de wind mee de ontzaggelijke ruimte in.)

Ook Sint-Idesbald was niet vrij van die beklemming. Het duurde even voor we er waren. Op de site van de kusttram stond keurig aangegeven bij welke halte bezoekers van het Delvauxmuseum moesten uitstappen – halte Strandlaan – maar een halte met die naam kwamen we nergens tegen en voor we het wisten waren we Sint Idesbald uit. In De Panne stapten we uit om dan maar weer naar Sint-Idesbald terug te keren. Er stond een ticketloket en aan het meisje vroegen we welke halte we moesten hebben voor het museum. Op de site staat Strandlaan, zeiden we, maar die halte bestaat blijkbaar niet. Nee, dat klopt, antwoordde het meisje, dat staat verkeerd op de site. Niet verontschuldigend, maar als iemand die op neutrale toon een algemeen bekend feit doorgeeft.

Na tien minuten stapten we uit bij de juiste halte. Er was niemand op straat, wat natuurlijk ook aan de regen gelegen kon hebben. We kwamen langs gesloten winkels en kleine villa’s met dichte rolluiken en verwilderde tuinen. Het had iets onheilspellends, alsof we in het decor van een Stephen Kingverhaal rondliepen. Elk moment kon een horde met slagersmessen gewapende clowns de hoek omkomen. De kunstmatige indruk die het allemaal maakte werd nog versterkt door de regen, die voortdurend wisselde van intensiteit, alsof in de regieruimte een technicus die zich verveelde aan de knop ‘harder/zachter’ zat te draaien.

Het Delvauxmuseum bleek gevestigd in een kleine villa die in de loop der jaren steeds meer was uitgebreid, voornamelijk ondergronds. Ik kende het werk van Delvaux niet goed. Magisch realisme, bleke naakte jonge vrouwen en treinen, herinnerde ik me, en inderdaad. In de eerste zaal was te zien hoe de jonge Delvaux op zoek was gegaan naar een eigen stijl, en toen hij die eenmaal gevonden had, heeft hij haar de rest van zijn leven niet meer losgelaten. Zijn grafiek doet denken aan boekomslagen uit de jaren vijftig. De grote doeken met de bleke jonge vrouwen overtuigen me niet. Vaak staan die etherische vrouwen bij elkaar in starre houdingen die van alles lijken te betekenen – maar er beweegt niets, het is bevroren anekdotiek. Als ik dit werk had gezien toen ik vijftien, zestien was, had ik die opgelegde geheimzinnigheid waarschijnlijk erg goed gevonden. Eind jaren zeventig zag ik in museum Kröller-Müller een tentoonstelling van Jan Toorop en daarna maakte ik op zilverkarton grote tekeningen van skeletten en naakte vrouwen met stromend haar. Maar nu was het zesendertig jaar later.

Ook Delvaux schilderde skeletten. Overal zie je invloeden van De Chirico, en hier en daar een vlaag Willink, maar die schilderde beter. Delvaux tekende met zijn verf. De huid van zijn bleke jonge vrouwen ziet er vreemd uit; de bovenste laag bestaat uit vage losse witte veegjes, alsof de vrouwen net uit het gips komen en er nog niet aan toe zijn gekomen de restjes weg te spoelen.

Eigenlijk doet het werk van Delvaux sterk denken aan naïeve kunst, outsider art (alleen al door die treinen). Maar toch – op sommige schilderijen is wel degelijk magie aanwezig. De gele avondlucht, de treinen en de mysterieuze lichten op de berg op Station Forestière (1960; zie boven); de lichten van de stad op de achtergrond op Toutes les lumières (1962, zie hieronder). Op deze doeken geen naakte vrouwen, en dat is geen toeval: op Delvaux’ beste schilderijen ontbreken die. Die veelbetekenende gestalten met hun starende ogen en  hun veronderstelde symboliek staan ontzettend in de weg. De treinen en de huizen en de luchten wekken niet de neiging beladen te zijn met betekenis, waardoor je er ongefilterd naar kijkt en ze ziet voor wat ze zijn – en wat ze zijn is: raadselachtig, veel raadselachtiger dan die vrouwen, uiteindelijk. Misschien een aardige opdracht: schilder het oeuvre van Delvaux na maar laat die vrouwen weg. Kijken wat je dan overhoudt.

Toen we alles hadden gezien, verlieten we het museum. Het was droog geworden, maar er was nog steeds niemand op straat. Gehaast liepen we terug naar de tramhalte, voordat die clowns uit hun middagslaap zouden ontwaken. De tramhalte bleek gelukkig nog te bestaan en was in de tijd die we in het museum hadden doorgebracht niet van naam veranderd.

delvaux toutes les lumieres

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie, kunst, leven en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op net uit het gips

  1. Pingback: There is a light and it never goes out – Weblog van Chrétien Breukers

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s