in het paleis

holbein-erasmus

In het Paleis op de Dam werd de Erasmusprijs uitgereikt aan A.S. Byatt. Paspoort en uitnodiging mee, dranghekken om het Paleis, in een partytent werden we gecontroleerd door uiterst vriendelijke agenten. Voor me in de rij stond Alexander Rinnooy Kan, die zijn fiets mee wilde nemen. Wat hij precies wilde was me niet duidelijk, het leek me sterk dat hij het paleis in wilde fietsen, waarschijnlijk wilde hij alleen maar zijn fiets binnen de dranghekken parkeren. Hij kreeg zijn zin, hij mocht mét fiets door de controle, misschien had ’t rijwiel een eigen uitnodiging gekregen.

Eenmaal binnen moesten we in de galerij wachten tot de zaal werd opengesteld. Imposante architectuur, maar het beeldhouwwerk en de richels mochten wel eens afgestoft worden – of juist niet, door het stof kreeg het allemaal wel meer diepte. Misschien was het geen stof en lag het aan de belichting. Drankje, daarna de zaal in. Stoelen, videoschermen, tapijt met sterren op de vloer, veel beeldhouwwerk, zes reusachtige kroonluchters, daarboven een donker, beschilderd tongewelf  – ik vroeg me af welke zaal dit was, de Burgerzaal kon het niet zijn, die herinnerde ik me als groter en imposanter. Maar het was ‘m wel, blijkbaar maken een paar honderd stoelen, wat videoschermen en een tapijt een zaal kleiner en huiselijker. We moesten staan, want daar kwamen de hoofdrolspelers, Byatt voortgeduwd in een rolstoel, daarna de koning, de moeder van de koning, besturen, hofdames. De koning zag er onnatuurlijk uit, gebruind, maar dan alsof het make-up was, en met lijnen in zijn gezicht die getekend leken. Eén van de hofdames was geen hofdame maar Maxima, hoorde ik later. Ik had gedacht dat de koning ook wel iets zou zeggen, maar nee, hij reikte alleen de prijs uit, een keten die als een das over de schouders van de laureaat gedrapeerd diende te worden; het leek een seconde te duren voor de koning precies begreep hoe het precies werkte. Hij bleef rustig glimlachen.

Verder: toespraken, uiteraard. Martijn Sanders, Shanti van Dam, een laudatio van Margot Dijkgraaf, en na de uitreiking het dankwoord van Byatt, dankbaar, kalm, klein en gedecideerd. Alle teksten werden op de videoschermen geprojecteerd, zodat je voortdurend een regel vooruit kon lezen, en de met beeldhouwwerk getooide zaal gaf elke stem een duidelijke echo, zonder aanzien des persoons. Ik moest denken aan preken in oude kerken, ook al heb ik die niet vaak meegemaakt, de meeste preken hoorde ik  in moderne kerken, waar de muren alle woorden droog in zich opnamen.

Toen ik op de echo ging letten, kwam de hele bijeenkomst in een andere dimensie terecht. Het was een dof-metalige echo, alsof iets of iemand in een afgesloten ruimte elk woord, elke zinsnede een halve seconde later emotieloos en routineus herhaalde, alsof alles wat in de zaal werd gezegd moest worden vastgelegd – maar niet voor ons, met ons of de bijeenkomst die we bijwoonden had het niets te maken. Het was niet eens de echo, het gebeurde eerder, in de halve seconde tussen woord en echo: tegen de tijd dat de echo zich van de woorden meester maakte, was elke menselijke eigenschap uit de stem van spreker of spreekster verdwenen. Eerst hoorde je de stem, daarna de onmenselijke echo van die stem; opeens was het alsof menselijkheid maar een dun laagje is dat door een echo van onze ziel kan worden geschraapt.

Na afloop moesten we de zaal uit, nadat eerst de koning en zijn gevolg en de laureaat en haar gezelschap de zaal hadden verlaten. Toen haastig personeel alle stoelen had verwijderd, mochten we weer terug, voor de receptie die ons door de koning werd aangeboden. Lakeien liepen rond met dienbladen, maar zo heten ze natuurlijk allang niet meer. Het was mooi geweest als Alexander Rinnooy Kan door de menigte was gefietst, langzaam, met kalme bochten, zo nu en dan met een vriendelijk knikje een kennis begroetend – maar nee.

Ik moest nog aan het werk en ging vroeg weg. Toen ik vertrok, kwam Beatrix met wat hofdames weer de zaal binnen. Ze schudde hier en daar een hand, ik kreeg de indruk dat ze daarvoor willekeurige mensen uitkoos. Misschien is dat iets waar ze zich van tevoren op verheugt: de gezichten van die mensen wanneer ze opeens met uitgestoken hand naast ze opduikt.

Het was donker toen ik naar buiten liep, een marechaussee naast de uitgang hief zijn sabel, dat was overdreven, ik ben een burger, ik kwam uit de Burgerzaal. Het was pas de tweede keer dat ik in het gebouw was geweest. Terugkijkend zag ik dat een aantal ramen verlicht was. Dat zie je niet vaak, dat er leven in zit, meestal staat dat grote, imposante gebouw als een donker en stil blok aan de Dam, vrijwel het hele jaar in winterslaap. Als het een paleis is, laat er dan daadwerkelijk iemand gaan wónen. Maar het is geen paleis, het doet alleen maar of het een paleis is, het is een van de slechtste imitaties aller tijden; een jury zou deze poging al na een paar minuten van het podium jagen, maar om een of andere reden duurt deze act al een paar eeuwen. Het is het stadhuis, ze zouden het moeten teruggeven.

 

afbeelding: Erasmus door Hans Holbein de Jonge (Wikipedia)
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie, kunst, lezen en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s