harde knallen in het bos

knal

Tegen zes uur ’s avonds loop ik van Huizen naar station Naarden-Bussum, onder een grijze, dreigende hemel. Op het zandpad door het bos word ik aangesproken door een jonge wandelaar met zwart haar en een donkere jas, type jonge dichter die economie is gaan studeren omdat hij aan zag komen dat hij het qua levensonderhoud niet van de poëzie zou moeten hebben, maar die nu hij voortdurend voor al zijn tentamens zakt zich ernstig afvraagt of hij toch niet voor een letterenstudie had moeten kiezen. (Ik hou wel van gedetailleerde typeringen.) Hij vraagt of hij me wat mag vragen, en hij vraagt: hoorde u zo-even ook die knal?

Nee, ik was in gedachten, antwoord ik.

O sorry, zegt hij. Blijkbaar vindt hij het vervelend dat hij me bij die gedachten stoort.

Wat voor knal? vraag ik.

Nou, dáár (hij wijst in de richting van het bos rechts, achter de heuvel met de twee bankjes die over de Tafelbergse hei uitkijken, nu nog onzichtbaar) en dan rolde het geluid zo verder hier langs. Hij is een beetje ongerust merk ik, maar hij houdt zich groot en als ik nogmaals zeg dat ik niets heb gehoord, zegt hij dat we er maar niet meteen het ergste van moeten denken.

Nee, zeg ik, en als ik doorloop bedenk ik dat ik hem had moeten vragen wat hij dan als ‘het ergste’ beschouwde. Terrorisme? Een afrekening binnen het criminele circuit? Een gek die op wandelaars schiet? Trump die een oorlog tegen de Gooi- en Vechtstreek begint?

Ik loop verder, de hei op, langs de heuvel met de bankjes. Rechts van me bevindt zich het bos waar de knal moet hebben geklonken. De zandweg die er langs loopt heet de Weg langs de Twaalf Schepsels, ontdekte ik laatst. Ik heb geen idee wie die Twaalf Schepsels waren, misschien zijn ze daar ooit met z’n allen op een gruwelijke manier aan hun eind gekomen en nemen ze nu wraak op poëtisch aangelegde wandelaars door middel van harde knallen waarvan de echo wegrolt door het bos.

Alles goed en wel, maar ik ben toch een beetje ongerust merk ik. De avond valt, de dichter is doorgelopen richting Huizen, uitgerekend nu is er in de wijde omtrek (ik overzie de hele heide) niemand te bekennen, geen fietser, geen wandelaar – alsof iedereen dekking heeft gezocht. Het heideveld is opeens groot en onherbergzaam, ook al hoor je overal het verkeer van de N527 en zie je aan de tegenoverliggende bosrand de lichtjes van restaurant De Tafelberg. Alerter dan normaal loop ik door, langs het veld waar vorig jaar altijd een roodborsttapuit een stukje meevloog, van struiktop tot struiktop. Uit het bos rechts klinkt opeens een klap, alsof er met karbiet wordt geschoten, misschien is het gewoon een van die hekken bij het wildrooster dat dichtklapt. Ik zie geen rook boven de boomtoppen.

Ik sla linksaf en steek het heideveld over. Het bos bevindt zich nu achter me, en ik denk: ik ben niet in de rug gedekt. En hoewel het allemaal niet ernstig is, eerder een spel dan ernst, is dit toch een gedachte die ik op dit punt nooit heb gehad en comfortabel voelt het niet.

Misschien spreekt die beleefde jonge dichter wandelaars aan om ze met zelfverzonnen knallen uit hun comfortzone te halen, om ze met aangescherpte zintuigen hun omgeving te laten ervaren. Dat is hem dan redelijk gelukt – wie weet is hij in dienst bij een natuurbeheersorganisatie die het allemaal wat spannender wil maken voor de mensen.

Maar als ik bijna aan de overkant van de hei ben beland, hoor ik vanuit dat bos achter me dan toch een harde, doffe knal, met een nagalm die door het bos rolt.

Vuurwerk? Ik keer me om. Nog steeds geen rook boven de boomtoppen. Oefenende soldaten? Dat zal wel niet. Toen ik elf, twaalf was woonden we een paar jaar in Harskamp, vlakbij het schietterrein, en hoorden we voortdurend van dit soort geluiden, misschien dat deze knal me daardoor nu, veertig jaar later, niet erg verontrust. Even later hoor ik nog zo’n knal, ik loop rustig door, is dit alles, het voorspel was spannender, bovendien ben ik nu ver uit de buurt van wat er ook gaande is.

Het zou mooi zijn als nu vanuit de bosrand de poëtische student aan kwam rennen, zwaaiend met zijn armen en dingen roepend als: Er is niets aan de hand! of: Maak dat je wegkomt, we zijn allemaal verloren! of desnoods: Om mijn oud woonhuis peppels staan! – maar hij laat het afweten.

 

(afbeelding: Wikipedia)
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s