my back pages

 

Toen in 2000 mijn tweede roman, Troje, uitkwam, werd ik een paar keer geïnterviewd – niet erg vaak, maar vaak genoeg om te merken dat er iets niet goed ging bij die interviews. Ik ging veel te veel mee met de vragenstellers, en met hun oordelen over mijn werk, zodat ik eigenlijk hún vragen met hún antwoorden beantwoordde. Ik was zo’n grote pleaser dat ik zelf ergens in de tussenruimte tussen vraag en antwoord verdween.

Dat moest anders, en daarom noteerde ik na een van die onbevredigende bijeenkomsten een aantal regels en opmerkingen. Ik vond ze terug toen ik naar iets anders op zoek was in de oude mappen die sinds jaar en dag van pc naar pc en van laptop naar laptop met me mee reizen. Voor wat het waard is. Ik was zeventien jaar jonger. (‘I’m younger than that now.’)

 

I

Niemand komt tussen jou en je roman, tussen jou en je personages.

 

II

Het is niet jou taak om de interviewer op zijn gemak te stellen. Niet naar hun kant toe kruipen. Do not go to them – let them come to you.

 

III

Er wordt niet in relativerende en/of meewarige termen over je personages gesproken, niet door jou in ieder geval. Als de andere kant dat doet: niet in meegaan, niet laten gaan – er iets aan doen. Ze moeten met hun poten van je personages af blijven. Ze zouden wel willen, maar ze mogen niet.

 

IV

Je hebt die personages zelf op de wereld gezet – now stand by them! Val ze niet af. Ook eventuele onsympathieke trekjes, vreemde daden etc. worden verdedigd, het zijn namelijk geen echte daden, die moreel beoordeeld hoeven te worden, het zijn functionele bewegingen om een beeld te scheppen en het boek rond te krijgen.

 

V

Je mag ze vriendelijk afkappen of verbeteren.  ‘Dat is precies die onduidelijkheid die een goed boek nodig heeft.’ ‘Dat is geen traagheid, dat is onderhuidse spanning.’ ‘Een roman is geen illustratie bij het leven van de schrijver.’ ‘Een boek waarin wel veel gebeurt, vergeet je sneller.’ Niets wat je zegt hoeft waar te zijn.

 

VI

Ze hanteren graag een quasi-meewarig toontje. Daarmee dagen ze je uit, op een niet onvriendelijke manier. Ze proberen je een beetje te porren, om je enigszins van je à propos te brengen; ze proberen met dat toontje een soort ouwe-jongens-krentenbroodsfeertje te scheppen. Maar ze zien het zo dat zíj de ouwe jongens zijn, en jij hun krentenbrood.

 

VII

Hun toon dient ook om hun jaloezie te maskeren; die jaloezie is niet persoonlijk gericht op jou, maar er zullen er maar weinig zijn die interviewen als hun absolute ideaal zien, en stiekem niet liever ook geïnterviewd zouden willen worden. M.a.w: jij zit waar zij willen zitten. Zorg ervoor dat ze in hun eigen stoel blijven zitten. Vergis je niet in het object van hun sympathie: ze willen niet vertrouwelijk met jou worden, maar met jouw stoel.

 

VIII

Nu ook weer niet paranoïde worden. Zij doen hun werk, jij het jouwe. Misschien heeft het zijn voordelen om het als een wedstrijd te zien, maar toch. Je hoeft niet te winnen, zo lang je maar niet verliest.

 

IX

Als ze zeggen: daar komen we zo nog even op terug – garantie dat ze er nooit meer over beginnen.

 

X

Ze houden niet van wedervragen. Vergeet dus niet bij elk interview je nieuwsgierigheid te bedwingen.

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in schrijven en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op my back pages

  1. lammertv1 zegt:

    Dus ik mag interviewers niet pesten?

  2. Michiel Suurmond zegt:

    Enkele hiervan zijn, al dan niet gewijzigd, terechtgekomen in Het jaar waarin mijn vader stierf. Ik herinner mij uit dat boek tenminste opmerking I en het slot van IV.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s