zo bewaken ze ons (kunst en katten)

110 090 050

Viktor F. nam me mee naar een Holland Festivalvoorstelling, ‘Promised Ends’ van Derrick Ryan Claude Mitchell en diens groep Saint Genet, in de Zuiveringshal van het Westergasfabriekterrein. Een mix van performance, dance, opera en toneel. Vooraf bezochten we een inleiding waarin we werden bijgepraat over de geschiedenis van de performancekunst (Joseph Beuys met de coyote, Marina Abramović en Ulay, Chris Burden die zich in zijn arm liet schieten.) Bij de voorstelling zelf stond uiteindelijk weinig op het spel. We zaten op tribunes en keken naar het speelveld, waar men in de weer was met bloed, honing en lichamen. Een variatie op King Lear maar dat stuk ken ik alleen in ultrakorte samenvatting. Herhaling, herhaling – zo probeerden ze ons murw te beuken, maar de vonk sloeg slechts zo nu en dan over. We bleven veilig. Ze slaan elkaar, maar je weet dat er niemand dood zal gaan daar beneden, ze wikkelen elkaar in folie maar je weet dat niemand gaat stikken, ook zullen er geen emmers bloed over de toeschouwers worden omgekeerd omdat de organisatie de stomerijrekening niet zal kunnen betalen.

Voor het stuk begon mochten we, op aanwijzing van in Holland Festival-uniformen gestoken medewerkers, om het speelveld heenlopen, waar al van alles gebeurde met zand en honing. Langs de rand lagen dode konijnen, en ik dacht: nu zijn de katten ook dood, want ik paste sinds die middag op de katten van Metsike, die een paar dagen weg was, en telkens wanneer ik op haar katten pas, ben ik de eerste uren uiterst nerveus omdat ik deuren en ramen en gaskranen open heb laten staan terwijl ik vergeten ben de waterbakjes bij te vullen. Dat was het meest indrukwekkende van de tweeënhalf uur durende voorstelling: dat ondertussen elders in Amsterdam Metsikes katten waren veranderd in Schrödingers katten waarmee van alles aan de hand kon zijn, of niet.

Toen ik tegen middernacht hun domein betrad leefden ze natuurlijk nog, een goede geest had stilzwijgend ramen, deuren en gaskranen gesloten en het water bijgevuld. Ik ken de drie katten al jaren, ze zijn ondertussen aardig op leeftijd, 17, 17 en 16, twee zussen en een zoon/neef, drie totaal verschillende persoonlijkheden en elk op hun eigen, niet-sentimentele manier ontroerend, stuk voor stuk een uitgebreide beschrijving verdienend – Pippi, die iets kangoeroe- of eekhoornachtigs heeft omdat ze twee kromme vergroeide voorpootjes heeft (radiale hypoplasie heet dat, in het Engels worden dergelijke katjes squitten genoemd, van squirrel en kitten) en die zodra ik binnenkom al mijn bewegingen volgt om te kijken waar ik ga zitten, en nog belangrijker, hoe ik ga zitten – om meteen op schoot te springen als de positie van mijn benen klopt met haar verlangens; Joey, de mooie, aarzelende chocoladesiamees, die voor elke handeling altijd lang moet nadenken en helemaal niet van gedoe en drukte houdt; Sawa die vroeger altijd erg op zichzelf was maar door Metsike bij de groep is getrokken, en die nu ze een nierziekte heeft meer dan ooit gezelschap en warmte zoekt en soms al een beetje ver weg lijkt – ’s nachts lag ze opgerold naast me, tegen mijn flank aan, vanwege haar ziekte een beetje schonkig en mager, ze schoot weg toen ik in een droom uithaalde naar mijn broer die niet wilde vertellen waar hij mijn laptop had verstopt maar kwam later gelukkig weer terug. (Elke keer als je de rust van een kat verstoort zet ergens iemand een streepje achter je naam.)

Waarom zijn katten zo goed om naar te kijken? Het zijn sierlijke miniaturen, in perfecte verhouding tot het origineel, roofdieren op eentiende van hun ware grootte. Daarom lijken ze zich ook altijd net in een andere wereld te bewegen dan wij, want wij zijn geen miniaturen – hoe veel sierlijker zouden wij niet zijn als we tien keer zo klein waren, maar nee, wij banjeren op ware grootte door de wereld.

Toen ik in de vroege ochtendschemering wakker werd, zat Joey naast me op het kussen, rechtop, voorpoten naast elkaar, staart langs zijn lichaam, starend in de verte, als een oud Egyptisch beeld. Zo bewaken ze ons. Niet voor ons, in dienst voor ons, maar in opdracht van iets groters, dat we nooit helemaal zullen begrijpen, zoals de katten zelf ook weten. Ze vinden dat niet erg, ze kennen onze beperkingen, voor hun zijn die beperkingen een eeuwenoud gegeven waar ze neutraal tegenover staan.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in kunst, leven en getagged met , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s