nog warm van de clown

 

De hele dag had ik de aantekeningen zitten verwerken die mijn redacteur bij het manuscript van mijn nieuwe roman had gemaakt, dus ik was wel toe aan een wandeling. Ik liep de wijk uit, stak de Amstel over, kocht een coffee to go in de Jeugdherberg in het Oosterpark en liep terug naar de Amstel via het wandelpad over de Ringdijk.

Voor me liep een groep meisjes van een jaar of achttien, twintig. Een van hen droeg een gestreepte jurk en een gestreept hoedje, ik vroeg me af of dat iets chics was of een ensemble dat in een feestwinkel als gevangenispak werd verhuurd. Ik liep harder dan de meisjes en week uit naar het gras om ze in te halen. Het waren er een stuk of tien, vijftien, er waren ook twee oudere vrouwen bij, moeders, tantes? Een van de meisjes wees naar de verte, waar de Ringdijk stuitte op de Wibautstraat. ‘Daar aan het eind, volgens mij moeten we daar onze volgende aanwijzing krijgen,’ zei ze. ‘Daar, met al dat verkeer, weet iemand hoe het daar heet?’

‘De Wibautstraat,’ zei ik terwijl ik langsliep.

‘Hé wacht, wat zei hij?’ vroeg iemand, en een ander: ‘Meneer, bent u onze volgende wegwijzer?’

Ik bleef staan. ‘Wegwijzer? Hoezo? Waarheen zou ik moeten wijzen?’

‘Nou, u wijst ons nu toch ook, naar de Wibautstraat?’ zei het meisje met de streepjes.

‘Nee, ik zeg alleen maar dat die straat zo heet.’

‘Hij houdt zich van de domme,’ klonk het uit de groep. ‘Ja, hij hoort er ook bij.’ ‘Dat kan niet anders.’

Ik haalde mijn schouders op en liet de groep achter me. Maar al na een paar meter merkte ik dat ze me volgden, in hetzelfde tempo dat ik aanhield, en in hetzelfde ritme, zodat we iets van een groep marcherende soldaten kregen. Ik ging iets sneller lopen. Zij ook. Ik vertraagde mijn pas. Achter mij gebeurde hetzelfde. Ik stond stil. Iedereen stond stil. Ik keek om. Ik had verwacht dat ook zij allemaal zouden omkijken, maar nee, ze keken me verwachtingsvol aan.

‘Er is sprake van een vergissing,’ zei ik. Daardoor lieten ze zich niet afschrikken, want toen ik doorliep, liepen ook zij weer door. Versnellen,  vertragen, in alles volgden ze mijn voorbeeld. Ik begon te hinkelen. Achter mij begonnen ze ook te hinkelen, met gesmoorde kreten en gelach. Toen ik weer gewoon ging lopen, deden zij dat ook. Ik had zo’n vijftien, twintig vrouwen achter me die ik alles kon laten doen. De mogelijkheden leken eindeloos, maar aan de andere kant, het waren er wel veel. Wat moest ik met twintig vrouwen? Ik kon ze niet mee naar huis nemen, daarvoor woonde ik te klein. Ik liep in een straf tempo door, en zij ook, tot we langs restaurant De Gouden Eenhoorn kwamen.

Ik stopte, keerde me om, maakte een hoofse buiging en gebaarde met sierlijke bewegingen naar de ingang van het terras.

Gelukkig begrepen ze meteen wat ik bedoelde. ‘O, daar moeten we dus zijn.’ ‘Hier krijgen we vast onze volgende aanwijzing.’ ‘Eerst maar wat drinken.’ En ze dromden het terras op. Een van de vrouwen gaf me een biljet van vijf euro, dat ik met een knikje aannam. Nadat ik het geld had weggestopt liep ik door, de Ringdijk af, in de richting van de Wibautstraat, glimlachend om het misverstand, en tevreden met de woordloze manier waarop ik er een eind aan had gemaakt.

Toen ik het kruispunt met de Wibautstraat naderde, zag ik iets vreemds: aan de overkant van de drukke weg zat een clown op een klapstoeltje. Hij was in vol ornaat: wit gezicht, rode lippen, gek hoedje, kleurig kostuum. Ik wachtte tot het voetgangerslicht op groen sprong en stak over. De clown rookte een smalle, zelf gedraaide sigaret, met vinnige halen, als iemand wiens gedulde met de wereld op is. ‘Wat deed jij nou?’ vroeg hij toen ik aan de overkant was. ‘Zag ik dat nou goed? Was dat niet mijn groep? Waar heb jij ze naartoe gestuurd?’

Ik kon niet zomaar doorlopen, ik begreep dat ik hem een verklaring schuldig was. ‘De plannen zijn veranderd,’  zei ik. Het leek me een goede oplossing. Plannen kunnen altijd veranderen, ook op het laatste moment.

‘O ja?’ vroeg de clown achterdochtig. ‘Ik weet nergens van. Met wie heb je gesproken, met Evelien?’

‘Nee, niet met Evelien,’ zei ik, voor het geval het een strikvraag was.

‘O met Schotanus dan zeker,’ zei de clown schamper. ‘De kankerlul, net iets voor hem. En nu?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ze gaan daar iets drinken denk ik.’

‘O, is het een café? En wat moet ik dan ondertussen? Hier maar een beetje blijven zitten tot ze klaar zijn?’ De clown smeet zijn sigaret weg. ‘Ik ga daar goddomme echt niet op zitten wachten hoor. Ze hebben een schema en daar moeten ze zich aan houden.’ Hij stond op, trok een eenwielige fiets achter zijn stoel vandaan en stak met het ding onder zijn arm de straat over, waarbij hij de middelvinger van zijn vrije hand opstak naar een aantal verwoed remmende automobilisten, want hij had niet gewacht tot het groen werd.

Aan de overkant stapte hij op zijn eenwieler en fietste het wandelpad van de Ringdijk op. Na een paar slagen ging hij al op zijn bek. Hij bleef roerloos zitten, op handen en knieën, zijn gezicht naar het wegdek. ‘Kanker!’ riep hij. ‘Tyfus!’ Ondanks het langsrazende verkeer dat ons van elkaar scheidde kon ik hem duidelijk verstaan. Hij herhaalde de woorden, hard en bezwerend, alsof Kanker en Tyfus demonen waren die onder het aardoppervlak leefden en door hem werden opgeroepen omhoog te komen om overal een eind aan te maken, niet in de laatste plaats aan zijn eigen bestaan. Hij bleef nog even roerloos zitten, maar toen de aarde niet scheurde en er geen demonen verschenen stapte hij weer op zijn eenwieler. Ik keek toe hoe hij zich over de Ringdijk van me af bewoog, met hoekig slingerende bewegingen en wiekende armen. Hij werd steeds kleiner. Voor hij in de verte afsloeg naar het terras van De Vergulde Eenhoorn viel hij nog twee keer.

Hij had zijn stoeltje laten staan. Het was een aardig tuinstoeltje, het frame was van ijzer, de rug en de zitting waren van kunststof dat op linnen probeerde te lijken. Ik kon zoiets wel op mijn balkon gebruiken. Om te kijken hoe stevig het ding was liet ik me erin zakken. De zitting was nog warm van de clown. Ik stond niet meteen weer op, ik weet niet precies waarom. Misschien bleef ik zitten vanwege de prettige onthechting die ik vrijwel meteen ervoer – midden op het trottoir op een stoeltje naar het voorbijrazende verkeer kijken, dat zou ik vaker moeten doen, je kijkt meteen een beetje anders tegen de dingen aan, alles is nieuw en vreemd, alleen al omdat je het verkeer eigenlijk nooit vanuit zithoogte ziet, zeker niet van zo dichtbij. Zolang je niet in een rolstoel zit tenminste. Zo bracht ik enkele minuten mijmerend door, tot ik in de verte iets zag bewegen. Op de Ringdijk verliet een groepje mensen het terras van De Vergulde Eenhoorn, en hoewel ik vanwege de afstand alleen maar vage silhouetten kon onderscheiden, begreep ik toch meteen om welke groep het ging; het feit dat ze vooraf werden gegaan door een clown op een eenwielig rijwiel liet wat dat betreft weinig te raden over. Langzaam kwamen ze mijn kant op, zo nu en dan hield de groep stil om de clown de gelegenheid te geven weer op zijn fietsje te klimmen.

Ik had genoeg tijd om op te staan en weg te lopen, maar ik bleef zitten, alsof ik niet meteen afscheid wilde nemen van de status van onthechte toeschouwer die ik zojuist had verworven. Ze naderden het kruispunt, de clown onzeker slingerend op zijn eenwieler, achter hem de meisjes en de vrouwen. Het licht werd groen, ze staken over, ze kwamen op me af. De clown keek me strak aan, maar hij stopte niet. Vlak voor mijn stoel zwenkte hij naar rechts, in de richting van de rotonde bij het Amstelstation. ‘Kankerlul,’ zei hij in het voorbijgaan, vol minachting en ingehouden woede. ‘Tyfushond.’ Terwijl ze langsliepen herhaalden de meisjes en de vrouwen het woord, één voor één, ‘Kankerlul, tyfushond, kankerlul, tyfushond.’ Ze keken me er opgewekt bij aan, alsof ze het een leuk spel vonden. De vrouw die me vijf euro had gegeven, bleef staan. Ik peuterde het biljet uit mijn achterzak en legde het in haar uitgestoken hand, waarna ze zich weer bij de groep voegde. Toen het gezelschap de rotonde had bereikt stond ik op. Ik klapte het stoeltje in en liep ermee naar huis.

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

9 reacties op nog warm van de clown

  1. Hilarisch! Ik voel een nieuwe bundel aankomen..

  2. Arjan zegt:

    briljant verhaal!

  3. Mark zegt:

    Schitterend! Had voor mij nog pagina’s mogen doorgaan!

  4. Viktor Frölke zegt:

    Tyfushond!

  5. Erg leuk, heb er hardop om gelachen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s