Het is de oudere man, idioot!

 

visserVan de meeste romans en verhalen die ik schreef weet ik niet meer hoe ze zijn ontstaan, maar van Visser herinner ik me dat nog wel. (De roman is heruitgegeven en ligt nu weer in de winkel, met een mooi nieuw omslag van Nanja Toebak, die ook de covers van De goede zoon en Winter in Amerika ontwierp.)

Het begint meestal met een vaag idee over een situatie, zelden weet ik nog welk beeld als eerste kwam. Ik liep in die jaren (2006, 2007) rond met het idee ‘leraar zegt iets verkeerds in de klas’ – en wat er dan zou kunnen gebeuren. Wát er zou kunnen gebeuren wist ik nog niet. Op een avond liep ik naar het Amsterdamse café-restaurant De Jaren in de Nieuwe Doelenstraat. Toen ik daar aankwam, zag ik aan de overkant vier mensen lopen, een echtpaar van in de vijftig met een jonger stel, allemaal goed gekleed, duidelijk ouders die met hun dochter en haar vriend gingen eten, ik weet niet meer hoe ik dat meteen zag, maar het meisje hoorde onmiskenbaar bij het oudere stel. Het jonge stel liep voorop. Terwijl ik naar het groepje keek, keerde de vriend van de dochter zich om en zei iets tegen zijn aanstaande schoonvader, op een gretige, ietwat onderdanige manier. De man zei iets terug, lachend, knikkend, een beetje minzaam.

Meteen bedacht ik dat deze scène goed zou zijn voor een verhaal; vooral de verhouding tussen schoonzoon en schoonvader was interessant, het onderdanige streven naar gelijkheid van de een, de minzaamheid van de ander, de onuitgesproken machtsverhouding tussen die twee, die zich de komende avond, de komende jaren, aan beide kanten nog verder zou gaan stabiliseren, wie weet hoe dat zou aflopen.

Ik merkte dat ik de situatie vanuit de jongen beschouwde, blijkbaar identificeerde ik me automatisch met hem; maar, bedacht ik opeens, dat ik moet ik niet doen, ik moet de scène benaderen vanuit de oudere man, zelf ben ik tenslotte ook al over de veertig. En meteen daarop volgde een tweede inzicht: die oudere man, dat kan de leraar zijn die iets verkeerds zegt in de klas. Zo werd die man Jacob Visser, en ook het feit dat Jacob Visser een dochter heeft die op het punt staat te gaan trouwen is naar die scène te herleiden. (Hij is zelfs in het boek terechtgekomen, in hoofdstuk 3, de passage die begint met ‘Maar het is een lul, denkt hij…’, p. 22 in de oude editie, p. 25 in de nieuwe.)

Maar dat eerste inzicht, dat ik me niet met de jongere maar met de oudere man moest identificeren, dat was het belangrijkste, dat was een erkenning van het feit dat ik niet eeuwig jong was, dat ik de voeten van de bodem moest losmaken en me mee moest laten voeren door de stroom. Dat opende mogelijkheden, en een van die mogelijkheden was Visser. In de maanden daarna zou het me steeds meer moeite gaan kosten om te luisteren naar de muziek die in mijn verlengde jeugdjaren zo belangrijk voor me was geweest.

 

 

Advertentie
Dit bericht werd geplaatst in boek, schrijven en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s