december in oostende (2)

 

De laagstaande zon maakt van Oostende een andere stad. Op haar dagelijkse route weet ze zich nauwelijks boven de bebouwing uit te hijsen, ze schijnt door gebouwen heen, ze schijnt in gebouwen, in het cafégedeelte van de Grote Post bijvoorbeeld, en in Du Parc, waar we in de late middag langs liepen en binnen een oud koppel zagen zitten waarvan IMG-20191202-WA0017de gezichten koperig-goud werden uitgelicht; meteen kregen ze iets waardigs, een verbannen vorstenpaar, net zoals de oude man die zich eerder die middag in de Grote Post met gesloten ogen in het lage zonlicht koesterde een Italiaanse prelaat of stadsbestuurder uit de renaissance werd. (En nu maar onthouden dat al die mensen, ‘wij’ zou ik bijna zeggen, die waardigheid ook bezitten bij bewolkt weer.) Ook het strand ziet er anders uit met die lage zon. Toen ze even een wandeling ging maken appte L. me een foto en ik vroeg me meteen af naar welke planeet ze was afgereisd.

Niet alleen de mensen en het strand, ook de stad wordt uitgelicht; aan het eind van de middag hangt aan het westelijke uiteinde van de Koningsstraat een wolk van stofgoud, waaruit de rails van de Kusttram zich als gouden tentakels uitstrekken naar het pleintje voor Du Parc. De zee haalt de zon deze maand niet meer, net voor ze die bereikt zakt ze moe achter Middelkerke naar beneden. Elke avond is er weer een andere kunstenaar verantwoordelijk voor haar daadwerkelijke ondergang, soms een impressionist die het houdt bij pastelkleuren, dan weer een expressionist die meer risico’s durft te nemen en niet terugschrikt voor een ziekelijk roodpaars. Ook zit er altijd wel wat groen bij.

*

Het is een onverhuld fantastische ochtend, we gaan een strandwandeling maken naar het zuiden, we zien wel hoe ver we komen. Het is eb, het strand is onwerkelijk breed en leeg, bijna iedereen is ergens anders, wat vreemd is, want hier is het het mooist. Ons komt het niet slecht uit. We wandelen, we zijn Oostende voorbij, er zijn duinen, er is een villa, er is luchtafweergeschut, het strand blijft leeg, om de paar honderd meter klimmen we over een strandhoofd dat als een stenen slang de zee in steekt en die aanmerkelijk hoger waren voordat het strand hier opgespoten werd. Op bijna elk strandhoofd steken hengels schuin omhoog, die bewaakt worden door vissers. Links van ons, boven het land, reist de lage zon met ons mee, net altijd even voor ons, we halen haar niet in.

Ter hoogte van Raversijde waadt een man in een felgeel oliepak heen en weer tussen twee strandhoofden, moeizaam trekt hij een onzichtbare last door het water, dat tot aan zijn ellebogen komt. Als hij bij een van de strandhoofden aankomt, wisselt hij wat woorden met een visser, daarna keert hij om en gaat weer op weg naar de andere kant. Daar staat, in de schaduw van het strandhoofd, een oude man met een wankel karretje waarop plastic bakken staan. Het ziet eruit als een scène van Beckett, je krijgt vermoeide benen alleen al als je naar de eenzame wader kijkt, maar er is niets surrealistisch aan de hand, ze vissen op garnalen, zo blijkt als L. de oude man met het karretje aanspreekt. Hij heeft een pluizig wit sikje, op zijn ene neusvleugel zit een uitgehard snotje en op het zwarte sweatshirt dat om zijn dikke buik spant staat I’m a limited edition. Hij laat een bakje zien, de bodem is bedekt net bruine garnalen, de vangst tot dusverre. Zolang het eb is, gaan ze door, voor zichzelf, niet voor de handel. Het is uitkijken voor de pietermannen die tussen de garnalen zitten, die kunnen gemeen steken. Zelf gaat hij het water niet meer in, dat laat hij over aan de jongeren, hij is tenslotte al zesenzeventig. Samen met de oude man en een aantal in afwachting ronddribbelende meeuwen wachten we tot zijn medevisser het water uit komt. Langzaam werkt die zich in onze richting, hij draagt een zonnebril en een zwarte bandana met witte schedels. Het trechtervormige net dat hij langs de bodem heeft gesleept wordt aan het smalle uiteinde opengeknoopt en de vangst in een bak gestort. Routineus beginnen de mannen te sorteren. De beweeglijke pietermannen – kleine, doorzichtige visjes – worden bij de staart gepakt en naar de meeuwen gesmeten, die ze in één keer doorslikken. Er zitten ook kleine krabbetjes tussen de garnalen, die worden ook weggeworpen, zodra ze landen beginnen ze zich in het natte zand in te graven, binnen een paar seconden zijn ze verdwenen. De meeuwen moeten ze niet.

We nemen afscheid en terwijl we verder lopen moet ik denken aan Blue Highways, het boek dat William Least Heat Moon schreef over de reis die hij eind jaren zeventig langs de omtrek van de Verenigde Staten maakte, in een kleine camper, om zijn verbroken relatie te verwerken. Onderweg kwam hij voortdurend mensen tegen die met iets bezig waren en daarover vertelden, zoals deze garnalenvissers, en al die mensen waren sympathiek. Misschien is dat wanneer we op ons best zijn: wanneer we vertellen over iets wat we graag doen, en waarvoor een ander belangstelling toont.

Het strand is nog steeds uitgestrekt en leeg. Hier en daar zitten bij de waterlijn groepen meeuwen, die blijkbaar niet doorhebben dat een strandhoofd terug regelmatig gratis pietermannen worden uitgedeeld.

We naderen Middelkerke, het zeefront rijst schuin voor ons op, een brokkelige rij flats,IMG_20191204_133521564_HDR die er volgens L. uitziet als een reusachtige gestrande goederentrein, – en opeens zijn we personages uit een dystopische roman van J.G. Ballard die door de woestijn een uitgestorven stad naderen. Als we de Zeedijk oplopen, blijft het uitgestorven, alles is dicht en leeg, de Dijk zelf ligt in de schaduw en is spekglad, misschien hebben ze hier gestrooid in verwachting van nachtvorst en is het middel erger dan de kwaal. Achter het zeefront is er enig leven maar het houdt niet over. Er valt op het eerste gezicht weinig voor Middelkerke te zeggen. Ik weiger me nog steeds aan te sluiten bij het koor dat zo wellustig de lelijkheid van de Belgische kust bezingt maar dit stadje is een punt voor het koor. Op zoek naar iets dat open is en koffie schenkt komen we met behulp van internet terecht in Barista; vooraf doet de naam vermoeden dat dit de verzamelplek is van de Middelkerkse hipsters maar het blijkt het restaurant van het plaatselijke zwembad te zijn. Terwijl we lunchen kijken we door een grote glaswand uit op het binnenbad waarin een paar zwemmers bezig zijn. Als ik me omdraai kijk ik via een ander raam in de muil van een grote waterglijbaan die na een paar minuten een miezerig waterstraaltje begint uit te spugen maar waaruit zolang wij er zitten niemand tevoorschijn schiet. Als ik in Middelkerke woonde zou ik hier vaker komen.

We hebben tweeënhalfuur gewandeld; in twintig minuten brengt de Kusttram ons terug naar Oostende.

*

De volgde ochtend is het mistig. De zee heeft geen horizon en de Zeedijk lijkt op te houden achter de gestroomlijnde bulk van de Kursaal. Maar als je verder loopt onthult het zeefront zich stukje bij beetje, aarzelend, alsof de stad is vergeten hoe ze er ook weer uitziet en het meter voor meter uit haar geheugen moet opdiepen, eerst de vage contouren, dan de details, als laatste de kleuren; maar alles vaag en net niet helemaal echt.

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie, leven en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op december in oostende (2)

  1. Debbie zegt:

    Wat mooi geschreven, Rob! Euforisch zelfs.
    Ik heb ook zulke goede herinneringen aan Oostende en de kust er langs, maar ben er al meer dan 15 jaar niet geweest … Ik krijg er nu weer erg zin in. Hebben jullie een vast verblijfadres? Hotel of B&B of Airbnb?
    Liefs!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s