de russische boerenkeuken op mars

Gisteren mocht ik in Putten met een feestrede de opening opluisteren van de eerste onbemande bibliotheek van Nederland. Niet wat u denkt (en wat ik dacht), het betekent dat leden met een pasje ook buiten openingsuren naar binnen kunnen. In Scandinavië en Vlaanderen al gangbaar, naar verluidt, nu dus ook in Nederland. Ze wilden graag dat ik een ‘ode aan de moderne bibliotheek’ bracht; die zit er wel degelijk ergens in verborgen, hieronder, maar het ging me natuurlijk vooral om Olga. En of ze het nog ergens konden nalezen? Nou, zeker, hier,van tien tot nul:

10

De eerste onbemande ruimtevlucht vond plaats op 4 oktober 1957, toen in de Sovjet-Unie de satelliet Sputnik 1 werd gelanceerd en vervolgens in een baan om de aarde gebracht. Na 92 dagen zacht bliepend om de planeet te hebben gecirkeld, verbrandde de kunstmaan volgens plan in de atmosfeer. Dit onverwachte Sovjet-Russische succes zette de Amerikanen aan tot een verbeten concurrentiestrijd die erin resulteerde dat twaalf jaar later Neil Amstrong van een laddertje afdaalde en de eerste stappen op de maan zette – iets dat overigens door steeds minder mensen wordt geloofd, maar dat is een ander verhaal.

En dus niet het verhaal dat ik u wil vertellen. Weinig mensen weten dat de ruimtetechnici van de Sovjets niet lang na de eerste onbemande ruimtevlucht nóg een satelliet lanceerden, Sputnik 1a, de eerste onbemande ruimtebibliotheek. Ik zie aan uw gezichten dat dit nieuw voor u is. Dat viel dan ook te verwachten, weinig mensen weten hier nog iets van, omdat vrij snel na de lancering alle medewerkers aan dit programma het zwijgen werd opgelegd.

De eerste onbemande ruimtebibliotheek was uiteraard niet erg groot, en het aanbod niet heel divers. De collectie bestond uit het verzameld werk van Karl Marx, het verzameld werk van Vladimir Iljitsj Lenin en nog een klein aantal boeken waarin de zegeningen van de socialistische revolutie en het communisme werden bezongen.

Na enkele dagen namen de technici in het vluchtleidingscentrum in Kazachstan via een primitieve, maar voor die tijd uiterst geavanceerde beeldverbinding enige beweging waar bij de satelliet. Een ruimtevaartuig dat, naar latere berekeningen uitwezen, waarschijnlijk afkomstig was van de planeet Mars, legde aan bij de sluis van de satelliet en na enige minuten zagen de verbijsterde technici in Kazachstan een vage gestalte de eerste onbemande ruimtebibliotheek binnen kruipen.

De gestalte bewoog zich zeer traag en nam ook nog eens de tijd om de hele collectie uitgebreid in ogenschouw te nemen, dus in het vluchtleidingscentrum was alle tijd om weddenschappen af te sluiten over het boek of de boeken waarmee de buitenaardse bezoeker de bibliotheek zou verlaten. Lenin, Marx, een brochure van tweeduizend pagina’s over het laatste Vijfjarenplan? Groot was de consternatie toen de alien de satelliet verliet met een boek dat niemand thuis kon brengen. Na uitgebreide bestudering van beeldmateriaal bleek het te gaan om het boek 101 recepten uit de Russische Boerenkeuken, dat door iemand op het laatste moment de collectie moest zijn binnen gesmokkeld.

Uiteraard probeerde men dit geheim te houden, maar aangezien op het vluchtleidingscentrum permanent enige vertegenwoordigers van de Opperste Sovjet aanwezig waren, die bovendien enkele malen per dag een rapport moesten uitbrengen, was er geen mogelijkheid om de kennis van wat er zojuist in de ruimte was gebeurd beperkt te houden tot de direct betrokkenen. Zoals gezegd, er werd meteen ingegrepen, en van vrijwel niemand die op dat moment in het vluchtleidingscentrum aanwezig was, is ooit nog iets vernomen. Het is waarschijnlijk hieraan te wijten dat het Russische ruimtevaartprogramma ten opzichte van het Amerikaanse een achterstand opliep die nooit meer is ingehaald.

9

Er valt veel te zeggen over het bovenstaande, bijvoorbeeld dat het concept van de onbemande bibliotheek ouder is dan men soms wil doen geloven, maar er blijkt ook uit dat bezoekers van bibliotheken hun eigen, zelfstandige keuzes maken, ongeacht de propagandistische bedoelingen van de samenstellers van die bibliotheek. Een goede bibliotheek is propaganda voor het maken van je eigen keuzes. Ik ben nog steeds dankbaar dat in het stadje waar ik opgroeide een Openbare Bibliotheek was waar ik mijn eigen keuzes kon maken. Daar zal ik zo meteen het een en ander over vertellen, maar laten we de nostalgische en misschien wel melancholische bespiegelingen nog even uitstellen, om eerst nog even het verhaal af te maken. Al valt er niet veel meer te vertellen. Dat we nadat de onverwachte bezoeker de eerste onbemande ruimtebibliotheek had verlaten, nooit meer bezoekers van de planeet Mars hebben mogen ontvangen, zou iets kunnen zeggen over de vernietigende eigenschappen van de Russische boerenkeuken – maar mocht die keuken de gehele bevolking van Mars hebben uitgeroeid, dan kan dat natuurlijk ook liggen aan vertaalfouten of de vervanging van bepaalde, niet op Mars verkrijgbare ingrediënten door andere voedingsmiddelen die, eenmaal gecombineerd en verhit, zich op fatale wijze tot een dodelijk gif bleken te ontwikkelen.

8

Het stadje waar ik opgroeide en de Openbare Bibliotheek bezocht, heette Rijssen. Ik weet mijn lidmaatschapsnummer nog: 2552. Mijn lidmaatschapskaart was van dik, gelig papier, dat door overmatig gebruik langzaam verviltte. De inkt waarmee een bibliotheekmedewerkster het nummer 2552 en mijn naam en adres had genoteerd, vervaagde in de loop der jaren langzaam van donkerblauw naar een wonderlijke tint vaalblauwgroen. Het was de eerste Openbare Bibliotheek waarvan ik lid werd, en zeker niet de laatste: waar ik sindsdien ook heb gewoond, ik heb altijd een bibliotheekkaart op zak gehad. Veruit het grootste deel van mijn leven ben ik dus lid geweest van de Openbare Bibliotheek, veruit het grootste deel van mijn leven heb ik het bestaan van de bibliotheek voor een vaste waarde binnen de samenleving aangenomen. Maar de tijden veranderen, zoals tijden dat nu eenmaal plegen te doen als je even niet oplet.

Ooit was de Openbare Bibliotheek een middel tot verheffing, een middel om ook degenen die niet zoveel verdienden om boeken te kunnen aanschaffen of de drempel van de boekhandel te hoog vonden, de mogelijkheid te geven zich te ontwikkelen. In de Bibliotheekwet van 1975 werd de functie van de bibliotheek nog als volgt omschreven:

een elementaire voorziening in een democratische en zich democratiserende samenleving, die aan ieder het recht toekent zich bewust en in vrijheid te ontwikkelen, een mening te vormen.

1975 – dat was dan ook tijdens de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat, dat is al weer lang geleden. In de decennia die volgden zouden ook de bibliotheken niet ontkomen aan bezuinigingsrondes, maar dat de bibliotheek als instelling, als elementaire voorziening ter discussie werd gesteld, merkte ik pas vijf jaar geleden, toen ik in Het Parool las dat de toenmalige woordvoerder cultuur van de Amsterdamse afdeling van de VVD tijdens een discussie over de begroting van de Openbare Bibliotheek het volgende had gezegd:

Amsterdammers jong en oud zijn al lang niet meer alleen afhankelijk van de bieb voor een goedkoop en goed toegankelijk aanbod van boeken. Van W.F. Hermans tot Homerus en van Jip en Janneke tot Anna Karenina, via websites als Marktplaats is de gehele Wereldbibliotheek voor een paar euro per titel te koop en eenmaal gelezen kan hetzelfde boek net zo gemakkelijk weer worden doorverkocht.

Er is niet zoiets als ‘de samenleving’, zei de Britse premier Margaret Tatcher al in de jaren tachtig, en de uitspraak van de Amsterdamse VVD’er is een uitvloeisel van die gedachte, die met vrolijke danspasjes op het graf van de verzorgingsstaat wordt verwoord. Want dat is wat opvalt: die provocatief-badinerende toon, het triomfantelijke dedain waarmee de hele bibliotheektraditie opzij wordt geschoven als een overblijfsel uit een andere tijd, toen Marktplaats nog niet dé virtuele locatie voor al onze cultuurbehoeftes was.

Het is natuurlijk nog maar de vraag hoeveel van de collectie van een gemiddelde bibliotheek voor een paar euro op websites als Marktplaats te vinden is, en dat de woordvoerder het over Marktplaats heeft en niet over een binnen deze context meer voor de hand liggende site als Boekwinkeltjes.nl, laat al zien hoe vreemd de boekenwereld  voor haar is, maar wat vooral opvalt is dat ze het heeft over  ‘Amsterdammers, jong en oud’. Ik zie schoolkinderen nog niet zo gauw volkomen zelfstandig boeken bestellen en verkopen op internet. Ze kunnen wel zelfstandig boeken zoeken in een bibliotheek, zonder dat er per boek moet worden afgerekend, of überhaupt moet worden afgerekend. Juist voor kinderen uit alle geledingen van de maatschappij (en hoeveel geledingen telt de maatschappij wel niet) betekent de Openbare Bibliotheek een belangrijke kennismaking met de wereld van het boek, erger nog: de werelden van het boek, en dus: de wereld zelf. Zelf zoeken vergroot je zelfstandigheid. En voor jong en oud geldt: zoeken is iets anders dan bestellen. Je bestelt wat je wilt hebben; maar als je daadwerkelijk zoekt, vind je nog eens wat waarvan je het bestaan niet kende, en zo ontwikkel je je. Zoeken verruimt je blik, of je nu wilt of niet. En die blikverruiming is gebaat bij een breed aanbod.

7

Natuurlijk, op badinerende toon gestelde beweringen als die van  de VVD-cultuurwoordvoerder zijn bedoeld om de discussie op gang te brengen en dit soort reacties vol heilige verontwaardiging, als die van mij en hopelijk ook van u, op te wekken. Inderdaad, tijden veranderen, dat weet ik ook wel. Want zeg eens eerlijk, klonk dat net allemaal niet wat braaf en ouderwets? Discussies over bibliotheken wekken maar al te vaak de indruk van achterhoedegevechten. Boeken? Van papier? Op een plank, in een gebouw? Dat je tegenwoordig ook e-books kan lenen doet daar weinig aan af.

Maar ik herinner me – en daar zijn we aanbeland bij de al beloofde nostalgische en wie weet zelfs melancholische bespiegelingen – ik herinner me dus nog mijn lidmaatschapsnummer van de Openbare Bibliotheek in het Twentse stadje waar ik in de jaren zeventig opgroeide, het zojuist al genoemde Rijssen. Mijn gereformeerde ouders die uit het westen kwamen en iets wereldwijzer waren dan de autochtone Rijssenaars vonden het goed dat hun kinderen lid werden van die bibliotheek, wat niet vanzelfsprekend was, want: Openbaar, het woord zegt het al, werelds tot en met. In die bibliotheek vond ik boeken die niet werden gekenmerkt door een eng-christelijke moraal, die niet bestemd waren voor ‘mensen van onze kerk’, boeken waarin mensen avonturen beleefden zonder God en gebod, en zonder gebed aan het eind. In die bibliotheek vond ik ook boeken waarin stond dat de aarde veel ouder was dan zesduizend jaar, en dat er iets had plaatsgevonden dat evolutie heette, en waarvan mooie diagrammen bestonden, die ik thuis natekende. Ik ben nog steeds blij voor het tegenwicht dat die kennis bood, ik ben nog steeds blij dat ik niet pas veel later met al die zaken kennis maakte. De kennis die ik opdeed, en ook de avonturenboeken die ik las vielen daaronder, hielp me zelfstandiger worden.

In feite was die bibliotheek in Rijssen ook onbemand, want er werkten alleen maar vrouwen. De hoofdbibliothecaresse herinner ik me nog goed. Lichtbruin brilmontuur, kort haar, degelijke bloezen, degelijke rokken. Ze kende op een gegeven moment de lidmaatschapsnummers van mijn broer en mij uit haar hoofd (want bij elke uitlening moesten die nummers worden genoteerd), ze kneep regelmatig een oogje dicht als we meer leenden dan we eigenlijk in huis mochten hebben en vond het zelfs goed dat wij boeken uit de afdeling voor volwassenen leenden – er was een dag waarop mijn broer, die grote belangstelling had voor het oude Egypte, alle bibliotheekboeken over dat onderwerp tegelijkertijd in huis had, zonder dat iemand dat erg vond, niet alleen de boeken die voor de jeugd waren bestemd, maar ook die van de volwassenenafdeling.

6

Nu zou het niet meer kunnen, zo’n zelfstandig opererende bibliotheekmedewerkster. Uitleningen zijn geautomatiseerd, het is onmogelijk om meer boeken te lenen dan toegestaan, het lidmaatschapsnummer kent niemand meer uit z’n hoofd, het enige geheugen waarin dat opgeslagen zit is dat van je smartphone, omdat het nummer nodig is om in te loggen op de gratis wifi. De bibliotheek van vroeger bestaat niet meer. Vaak letterlijk. Toen ik een paar jaar geleden in Rijssen was, ben ik nog op zoek gegaan naar de plek waar de Openbare Bibliotheek zich destijds had bevonden, ergens achter de Haarstraat, een vrijstaand gebouw van een paar bouwlagen met een plat dak, naast een braakliggend terrein waar weinig gras groeide en dat was afgezet met kleine stenen paaltjes.

 Ik vond het niet meer terug. Niet alleen het gebouw niet, ook de straat niet meer, alsof er een nieuwe wijk was gebouwd met nieuwe straten, alles zag er nieuw en onbekend uit. Er was nog wel een bibliotheek, maar die stond elders, bij de Schildkerk. Voor zover ik weet zijn alle bibliotheken waarvan ik lid ben geweest verdwenen – als het om de gebouwen gaat tenminste. De bibliotheek van Ede zit in een ander pand, ook de hoofdvestiging van de  bibliotheek van Amsterdam verhuisde op een gegeven moment, van de Prinsengracht naar het Oosterdok. En waar de Bibliobus is gebleven die in de buitendorpen van de gemeente Ede zijn zegenrijke werk deed, en waar ook ik een paar jaar lang een enthousiaste bezoeker van was, dat weet ik al lang: die is naar de sloop gegaan.

Die Bibliobus was .de merkwaardigste bibliotheek uit mijn carrière als bibliotheekpashouder, en ik zal er zo meteen op terugkomen, en vooral op de chauffeuse ervan, de uitbaatster, hoe ze ook genoemd moet worden;. Maar het gaat niet om de gebouwen of die bus, want de bibliotheek is geen gebouw of een bus, het is een concept dat vele vormen kan aannemen. We moeten ons nu weer optakelen uit de nostalgische put waarin we ons even hadden laten zakken, en wanneer we over de rand van de put heen kijken zien we dat de tijden zijn veranderd, en niet zo’n beetje ook.

Een gereformeerd jongetje dat is opgevoed met strenge leef- en denkregels is niet meer aangewezen op de bibliotheek voor informatie over de wereld. Hij kan ook terecht op het internet. Hij hoeft daar de deur niet meer voor uit. Bibliotheken hebben zichzelf moeten heruitvinden. Ik herinner me van de oude Amsterdamse bibliotheek aan de Prinsengracht een zaaltje met encyclopedieën waar je van alles kon opzoeken. Om maar iets te noemen. En daar zocht je dan dingen op. Zo ging dat.

Toen de nieuwbouw aan het Oosterdok klaar was, vroegen veel mensen zich af: waar zijn alle boeken gebleven? Al was het alleen maar omdat de kasten lager waren dan in de oude vestiging, je kon erover heen kijken, er was meer ruimte, meer daglicht. De boeken waren er nog wel, maar andere dingen stonden op het punt om te verdwijnen.

Ik herinner me de verdieping die in het nieuwe gebouw aan het Oosterdok was vrijgemaakt voor cd’s en dvd’s, prachtig vormgegeven ook, een feest voor oog en oor. Maar in de jaren tussen het ontwerp van het nieuwe gebouw en de oplevering ervan was het rad van de digitalisering weer een paar tandjes verder gedraaid. Muziek werd gestreamd, er was Netflix, die prachtige afdeling op de eerste etage, je kwam er op de roltrap langs op weg naar boven en je zag er bijna nooit iemand. Die afdeling bestaat nu dan ook niet meer, de hele etage is ontruimd en veranderd in een studie- en werkplek.

Waarna de vraag rijst: is de bibliotheek een monument uit het verleden dat wanhopig aansluiting zoekt bij het heden en voortdurend de boot mist?

Laten we die vraag eens beantwoorden met: nee. Het concept verandert, en hoe sneller de tijden veranderen, hoe sneller het concept mee verandert, misschien met hangen en wurgen, misschien zelfs voor de troepen uit. Voor sommigen is het vloeken in de kerk als de bibliotheken zich afficheren als ontmoetingsplek of studieplek. Alsof daar iets mis mee is. Laten al die scholieren en studenten die daar zo geconcentreerd aan het werk zijn elkaar maar elders ontmoeten! En nu we het er toch over hebben, laten al die mensen die daar langs de boekenkasten lopen, maar een e-reader kopen! Of op Marktplaats gaan kijken, wat daar allemaal aangeboden wordt! En al die mensen die daar een krant of een tijdschrift lezen en een kopje koffie drinken, hoeveel andere gelegenheden zijn er niet waar dat ook kan?  Zonder dat daar belastinggeld heen gaat?

O ja, natuurlijk. Belastinggeld. Ach, wie weet ben ik gewoon niet de aangewezen persoon om de bibliotheken te verdedigen omdat ik er te veel goede herinneringen aan heb. Misschien is het wel het mooist als de bibliotheek iets onbenoembaars wordt, iets dat niet is te vangen in één woord of beeld, iets dat niet alleen verandert door de tijd heen, maar ook door je leeftijd heen. Altijd is de bibliotheek weer wat anders, voor iedereen, voor elke levensfase. Zo lang je er nog andere mensen tegenkomt, en jezelf, voorziet ze nog in een behoefte.

Vanwege corona heb ik het laatste halfjaar vooral bij mijn vriendin in Brussel gebivakkeerd, en als ik iets mis van Amsterdam is het wel de bibliotheek aan het Oosterdok, waar ik ook gewoon vaak op een stoel op een van de bovenste verdiepingen, al dan niet met koffie, naar de stad zat te staren, en hoe daar in het westen de zon onderging. Alsof dit hele gebouw alleen maar opgetrokken was om mij ’s avonds van het uitzicht te laten genieten. In mijn meest zelfzuchtige buien fluisterde ik dan tegen mezelf: en waarom ook niet. Maar dat vertel ik natuurlijk aan niemand. Ik kan het alleen iedereen aanraden, om daar bovenin het gebouw naar de stad te kijken. Ik zou ervoor naar Amsterdam reizen.

5

 Maar het punt is natuurlijk dat de veranderde functie van bibliotheken (dééls veranderde functie, bedoel ik, laten we ook niet overdrijven, er leent heus nog wel eens iemand een boek) het punt is dat die veranderde functie de aandacht trekt van politici en beleidsmakers en managers die budgetten kleiner maken of kleiner zien worden. En ik moet eerlijk zeggen: toen ik werd uitgenodigd om bij de opening van de eerste onbemande bibliotheek van Nederland een lezing te geven dacht ik óók even dat het hier ging om een mooi verpakte bezuinigingsmaatregel, dat gewoon het voltallige personeel ontslagen zou worden. Maar dat bleek gelukkig niet waar, het ging om een verruiming van de openingstijden, vergroting van de service, versterking van de functie voor de gemeenschap. En eerlijk gezegd; het lijkt me heerlijk om ’s avonds in m’n eentje in een bibliotheek rond te dwalen, te werken of te lezen. Ik word er jaloers van.

Maar mocht het bij dit project uiteindelijk toch om een bezuinigingsmaatregel blijken te gaan, dan kom ik hier weer een toespraak houden, voor het gebouw, met een megafoon desnoods, en met een geheel andere inhoud, weer of geen weer. Liever met een beetje mooi weer natuurlijk, maar hoe dan ook: u bent gewaarschuwd.

4

Maar ik dwaal af, we waren net zo goed op gang, met die lofzang op de bibliotheek. Ik ben oprecht blij dat ik die lof hier kan zingen, in het openbaar, net zo openbaar als de bibliotheek zelf, want niet zo lang geleden heb ik een enorme kans laten liggen om dat te doen, óók in het openbaar.

Zoals u weet, want het is net nog gememoreerd, werd mijn roman De goede zoon vorig jaar bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Dat was een mooie avond, in het Amsterdamse Amstel hotel – voor mij althans, andere schrijvers hebben daar misschien andere herinneringen aan. Een van de dingen die nog steeds een beetje knaagt is dat mijn dankwoord zo kort was. Ook anderen reageerden daar teleurgesteld op. Had ik daar niet iets meer werk van kunnen maken? Het is lastig om een helder hoofd te houden als je opeens zo’n prijs krijgt, en bovendien dacht ik: ik doe een dankwoord dat zo kort is dat het in zijn geheel door Nieuwsuur zal worden uitgezonden. Doorgaans schakelen ze bij Nieuwsuur na de eerste al dan niet stamelend uitgesproken zinnen van de gelukkige winnaar weer terug naar de studio, zodat de kijkers maar moeten raden hoe het verder ging. Nou ja, zo werd mijn dankwoord dus heel kort. Eerlijk gezegd had ik van tevoren geen tekst voorbereid, want dat is de goden verzoeken – als je niet wint loop je aan het eind van de avond zacht verwensingen mompelend naar huis met in je binnenzak je ongebruikte dankwoord, en hoe treurig is dat wel niet.  Als ik bij het Literatuurmuseum werkte dan wist ik het wel, dan ving ik de vijf niet-winnaars na afloop op en vroeg ik om die tevergeefs op papier gestelde dankwoorden en vervolgens maakte ik daar de meest melancholische collectie van het hele museum van, een archiefmapje vol niet ingeloste verwachtingen en tevergeefse hoop. Maar dit terzijde.

Pas later op die voor mij zo feestelijke avond in het Amstelhotel bedacht ik dat ik in mijn dankwoord aan had kunnen knopen bij juryvoorzitter Alexander Rinnooy Kan, die eerder op de avond in zijn rede de Openbare Bibliotheek verdedigde tegen aanvallen van op bezuiniging beluste beleidsmakers, managers en politici. Dáár had ik in mijn dankwoord op door moeten gaan, ik had mijn solidair met de Openbare Bibliotheek moeten verklaren, u weet ondertussen hoeveel ik aan die instelling heb gehad. Ze verruimde mijn blik, die bibliotheek in Rijssen aan de Bevervoorde – ik heb  even opgezocht aan welke straat dat gebouw destijds lag, dat kan heel snel tegenwoordig, op internet, je hoeft er je deur ook niet meer voor uit, heel handig is dat, vroeger zou je daarvoor bijvoorbeeld helemaal naar de bibliotheek moeten gaan. Volgens de beknopte geschiedenis van de Rijssense bibliotheek die ik online vond, trok de bieb begin jaren zestig in dat pand aan de Bevervoorde, omdat het vorige gebouw te klein was geworden. Een deel van de inventaris was vervaardigd door de plaatselijke ambachtsschool, stond erbij vermeld. Ik vind dat een ontroerende zin.

3

Zijn we toch weer in de nostalgie terecht gekomen. ‘Ambachtsschool’, alleen dat woord al. Je ziet meteen een wereld voor je waar iedereen zijn plaats kent en waar dan ook dringend een revolutie moet uitbreken. Toch is die gedachte aan revolutie en vooruitgang niet genoeg om de ontroering te laten verdwijnen. Ik heb via google Streetview nog even rondgekeken op die Bevervoorde, maar het gebouw vond ik ook deze keer niet terug.

En toch, al die gebouwen die niet meer bestaan, en de ondertussen gesloopte bussen, niet te vergeten – eigenlijk is het wel goed dat ze verdwenen zijn. Het voorkomt dat je alléén maar achteruit kijkt, en het bewijst eens te meer hoe sterk een concept is als het vele vormen en gebouwen én plaatselijke ambachtsscholen kan overleven.

2

Ja, die bus. Ik zou daar nog op terugkomen en daar is het nu de tijd voor, nu we zojuist toch weer even in vroeger tijden waren beland. Toen ik elf jaar was, verhuisden we van Rijssen naar Harskamp, een van de buitendorpen in de gemeente Ede. Harskamp was te klein, veel te klein voor een bibliotheek, maar een keer per week kwam de Bibliobus langsrijden. Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik die bus bij de school zag halt houden. We kenden de SRV-man, maar dit was een stadium verder. Een bibliotheek in een bus. Geen idee of het nog bestaat. Mijn broer ging naar de middelbare school in Ede, en bezocht daar de bibliotheek, maar ik zat in het laatste jaar van de lagere school en leende mijn boeken bij de Bibliobus wanneer die op vrijdagmiddag het dorp aandeed. De bus werd bestuurd (en als ik zeg ‘bestuurd’ bedoel ik meer dan alleen achter het stuur zitten) door een grote, forse vrouw die zomer en winter jurken aanhad die haar ontzagwekkende armen bloot lieten. Ze droeg een bril met een stevig, zwart montuur, eerder een mannenbril dan een vrouwenbril. Op het rechterglas van die bril was een zwart kokertje gemonteerd, alsof ze met één oog altijd door het oculair van een microscoop keek. Ik vroeg me altijd af of ze met zo’n bril wel zo’n grote bus kon besturen, blijkbaar kon dat, er zaten maar weinig krassen op de zijkanten. De boeken die bij haar werden geleend stempelde ze krachtig af, zoals ze alles met grote gebaren deed. Ze sprak met een vreemd accent, het verhaal ging dat ze uit Oost-Europa kwam, misschien wel uit Rusland, en dat ze na vele omzwervingen bij ons was terechtgekomen. Om die theorie te testen nam ik op een middag mijn postzegelalbum mee naar de Bibliobus, om haar op een rustig moment de postzegels uit de Sovjet-Unie te laten zien die ik had verzameld. Misschien zou ze kunnen lezen wat daar op stond. Ik had inmiddels al een band met haar opgebouwd, ik was dat leesgierige jongetje dat altijd het langst moest zoeken naar boeken die hij nog niet gelezen had, en ze had de gewoonte ontwikkeld om uit het depot speciaal boeken mee te nemen die misschien wel iets voor mij waren. Soms legde ze haar hand op mijn hoofd en noemde ze me liefkozend ‘Kleintje’. Ik mocht vaak meehelpen opruimen als de laatste leners waren vertrokken, en reed dan met haar mee naar de parkeerplaats bij de Gereformeerde Kerk, waar de bus nog een paar uur stond om de volwassenen van het dorp de gelegenheid te geven boeken te lenen. Het was daar dat ik haar de Russische pagina’s van mijn postzegelalbum liet zien, op een rustig moment, we waren alleen in de bus, buiten schemerde het. Op een groot aantal van die postzegels stonden satellieten en kosmonauten afgebeeld. ‘Steek die maar weer weg Kleintje,’ zei ze hoofdschuddend. ‘Daar heeft Olga al genoeg mee te doen gehad.’ Ze pakte een klein flesje uit haar tas en nam een flinke slok.

Het was voor het eerst dat ik haar naam hoorde. De week daarop reed ik weer mee naar de Gereformeerde Kerk. ‘Geen postzegels deze keer?’ vroeg ze. En toen ik verlegen nee schudde legde ze haar op mijn hoofd. ‘Jij kan er ook niets aan doen Kleintje,’ zei ze. Ze nam weer wat slokken uit haar flesje. ‘Ooit was er een bibliotheek in de ruimte, weet jij dat wel? Olga bouwde daar aan mee.’

En die namiddag vertelde ze het verhaal over de eerste onbemande bibliotheek in de ruimte, in fragmenten, want zodra iemand de bus binnenkwam, wachtte ze tot we weer alleen waren. ‘Niemand heeft dit ooit geweten,’ zei ze terwijl ze zich naar me voorover boog. ‘Niemand mag dit ooit van jou horen. Iedereen denkt dat Olga dood is.’ Ze trok haar hoofd terug en keek me wantrouwig aan, alsof ze me kennis had verschaft waarvan ik misbruik zou gaan maken. Ik beloofde haar dat ik zou zwijgen – aan wie zou ik het ook moeten vertellen?

‘Moet jij niet naar de Bibliobus?’ vroeg mijn moeder een week later. ‘Nee,’ zei ik, ‘ik heb mijn boeken nog niet uit.’

Dat was niet waar. Ik durfde niet.

Die avond werd de Bibliobus aangetroffen in een greppel langs de weg van Harskamp naar Otterlo. De bestuurdersplaats was leeg, van Olga geen spoor. Voor zover ik weet heeft niemand haar ooit nog gezien. De volgende dag fietste ik naar de plek waar het was gebeurd. Een reusachtige takelwagen was net bezig de bus uit de greppel te halen. ‘De boeken zijn al opgehaald,’ zei een van de omstanders tegen mij. Door de gebarsten voorruit wierp ik een blik naar binnen, de lege planken boden een troosteloze aanblik. Ik stak de greppel over. Achter een rij bomen lag een hobbelig weiland. Daar vond ik haar flesje, het was leeg. Ik nam het mee naar huis en begroef het in de tuin.

Na een paar maanden verscheen er een nieuwe Bibliobus in het dorp, groter, glanzender, met meer boeken, en een vrolijke jongeman achter het stuur die Erik-Jan heette.

1

Ik heb nog vaak aan Olga gedacht. In de loop der jaren ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat zij degene was die het boek over de Russische boerenkeuken in de satelliet heeft gelegd, en dat ze zich op tijd uit de voeten heeft weten te maken nadat de eenzame lener uit het heelal uitgerekend met dát exemplaar vertrok. Soms hoor ik het haar tegen me zeggen tijdens een van onze gesprekken, ‘natuurlijk heb ik dat boek daar binnen gelegd, Kleintje.’ En dan neemt ze weer een slok uit haar flesje.

0

Van de eerste onbemande bibliotheek in de ruimte nu dan weer terug naar de eerste in Nederland, en wel hier. Nul: het moment van lancering.

Ik dank u voor uw aandacht.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

10 reacties op de russische boerenkeuken op mars

  1. Erik Hofmans zegt:

    Leuk verhaal. Eigenlijk ben ik jaloers op je; ik wist destijds niet eens dat er zoiets als een openbare bibliotheek bestond. Zielig hè.

  2. Inostrate zegt:

    Grappige ode aan de bibliotheek. Ik ben er ook nog steeds fan van sinds mijn jeugd en herinner me ook nog alle locaties waar ik lid van was. Heerlijk om er te zijn en vol verwachting thuis je buit te gaan lezen.

  3. Ben zegt:

    Heel, heel mooi verhaal, gestoken in een ingenieuze robvanesseniaanse constructie.
    Ik genoot ervan.
    Merci!

  4. Ilse zegt:

    Heel erg van je verhaal genoten, Rob, toen ik (als één van de dertig) aanwezig was in Putten bij de start van Open+. Heb het zojuist nogmaals met veel plezier teruggelezen.

  5. Michiel van Hunenstijn zegt:

    Heerlijk verhaal. Toch fijn om te vermoeden dat de Russische klassieken, want die waren vast ook wel aanwezig in die Sputnik 1a, toch, voor eeuwig blijven cirkelen in de ruimte.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s