de herkomst van joachim stiller

1

Ooit zei ik dat ik meer Vlaamse literatuur wilde lezen.

En kijk, toen ik eerder dit jaar met L. in Turnhout te gast was bij Johny Geerinckx in zijn programma Overlezen, schonk panellid Karl van den Broeck me, bij wijze van huiswerk, De canon van de Nederlandstalige literatuur – een door uitgeverij Vrijdag en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren uitgebracht boek waarin veel aandacht wordt besteed aan schrijvers uit Vlaanderen.

Een Vlaamse schrijver die in die canon ontbrak was Hubert Lampo en dat was jammer, vertelde Van den Broeck erbij, omdat een aantal verhalen uit Een man met goede schoenen hem had doen denken aan Lampo, een van de grondleggers van het magisch realisme in het Nederlandse taalgebied (zoals Lampo’s ondertitel luidt).

Dus beloofde ik Karl iets van Lampo te gaan lezen; dat was er tot nu toe niet van gekomen. Een paar weken later kreeg ik van L. ( in dit geval niet ize maar ennert) een exemplaar van De komst van Joachim Stiller. Toen moest ik wel, en daar ging ik.

Het boek kwam uit in 1961. Mijn exemplaar stamt uit 1989, de vijfendertigste druk. Ik kende de titel, op de middelbare school lazen veel scholieren de roman voor hun lijst. Ik niet, ik heb zowel die school als die lijst niet afgemaakt. Toch kende ik het boek. Je hebt titels die zo bekend zijn dat ze al decennia lang deel uit maken van je culturele bagage, of je ze nu gelezen hebt of niet. De titel is eigenlijk het hele boek geworden, de tekst zelf is veranderd in een nawoord bij die titel, de achtergrondinformatie die de titel eenmaal nodig had om al die tijd aan de hand van een paar steekwoorden in het collectieve geheugen rond te kunnen blijven zoemen.

(Steekwoorden bij deze titel: magisch-realisme / vlaams / stiller is jezus / stiller komt niet / kortgekipte haren / nee dat is dat boek van daisne / verrek je hebt gelijk)

Ik begon te lezen. Dat viel niet mee. De taal was stroef, en een beetje gedragen. ‘Ofschoon verbonden aan een vooruitstrevende krant, vraag ik me soms af, of ik van nature geen conservatief zou zijn,’ luidt de eerste zin van de roman, een opening die niet meteen een snelle rit belooft. Schrijver en journalist Freek Groenevelt woont en werkt in Antwerpen en krijgt een geheimzinnige brief die decennia geleden is gepost maar toch betrekking heeft op Groenevelts heden. Dat van die brief is natuurlijk spannend maar de manier waarop Groenevelt in de eerste hoofdstukken verslag doet van zijn leven, hm, tja, daar zit toch een zekere zelfgenoegzaamheid in, en dat maakt het boek er niet sympathieker op, ook omdat je begint te vermoeden dat Lampo hier een nauwelijks verhuld portret van zichzelf schildert. Wishful writing als resultaat van wishful thinking. Hij (Groenevelt) drinkt graag in fijne Antwerpse kroegjes waar men hem kent, kibbelt vrolijk met zijn hoofdredacteur, is bevriend met een antiquaar,  komt door die geheimzinnige brief ook nog eens in contact met een mooie jonge intrigerende onderbuurvrouw… Wel heeft hij zorgen: als schrijver van tegen de veertig (Lampo was van 1920) voelt hij zich bedreigd door leden van de jongere schrijversgeneratie, die middels hun armetierige blaadje met hem afrekenen. Maar kijk, de mooie jonge vrouw die zich in de kringen van die valse jonge honden bevindt, kiest uiteindelijk (nou ja, eigenlijk al heel gauw) voor Groenevelt en blijkt zijn soulmate, de liefde van zijn leven.

Kortom: een geïdealiseerd zelfportret waarin de auteur, die langzamerhand een schrijver van middelbare leeftijd wordt, middels zijn alter ego zijn opvolgers ontmant door er met hun trofee vandoor te gaan.

Of eerder toch dit: een angstig zelfportret waarin de sombere auteur een manier zoekt om om te gaan met het feit dat hij ouder wordt en opgevolgd gaat worden door een volgende generatie. Het is uit angst en niet uit zelfgenoegzaamheid dat hij die generatie belachelijk maakt en de leden ervan castreert. Trouwens, niet alleen de nieuwe literatuur is een vijand, via zijn roman geeft de auteur ook af op de beeldende kunst die na zijn vormende jaren is opgekomen: er is ook nog een verhaallijntje over een nieuwe schildersensatie die een mummelende debiel blijkt en zijn scabreuze krabbelwerk letterlijk op de binnenwanden van urinoirs schildert. Het is satire van dik hout – dunner hout kon de angst blijkbaar niet bezweren.

Zelfgenoegzaamheid in semi-autobiografische romans is onverteerbaar, en maakt zo’n roman algauw onleesbaar. Wanneer die zelfgenoegzaamheid dient als bezwering van angst gebeurt er iets anders, dan komt er spanning op de tekst te staan. Maar daar heb je wel wat voor nodig: kennis van buiten de roman.

2

In 1990 schreef Hubert Lampo in Dietse Warande en Belfort een stuk (hier terug te vinden) waarin hij terugblikte op het ontstaan van zijn roman over Joachim Stiller, en de donkere gevoelens waaraan hij in die tijd leed. ‘Net als ikzelf toen ik het boek concipieerde, heeft Groenevelt behoefte aan hulp,’ schrijft hij over zijn alter ego.

Groenevelts trauma heeft betrekking op een V-2 die eind 1944 op de Teniersplaats in Antwerpen insloeg en een tram raakte. Joachim Stiller is dat trauma, dat tot entiteit geworden zijn best doet om Groenevelt te bereiken om hem gerust te stellen, om ervoor te zorgen dat hij verder kan met zijn leven, dat de tijd weer voor hem begint te lopen. Uiteindelijk lukt Stiller dat door zich op te offeren, niet aan het kruis maar op het plaveisel.

Lampo maakte die bominslag mee in 1944, vanuit de verte. Via zijn alter ego Groenevelt probeerde hij zichzelf te genezen van zijn oorlogstrauma’s die vooral ‘op het vlak van de geest’ bestonden. De Koude Oorlog die na de bevrijding volgde zorgde voor grote somberheid, schrijft hij in het genoemde stuk. Hij begint aan een roman over Joachim Stiller en merkt gaandeweg wat hij aan het doen is: hij schept een vorm om zich te bevrijden.

Dat ook de generatie die na hem komt hem zoveel onrust baarde dat die verslagen moest worden is eigenlijk een extra complicatie van de roman. Vooral daarin zit de zelfgenoegzaamheid, die blijft woekeren omdat de auteur zich er niet helemaal van bewust lijkt te zijn. Dat geeft de tekst iets naïefs, alsof de auteur hier meer van zichzelf laat zien dan eigenlijk de bedoeling was. Terwijl Joachim Stiller het oorlogstrauma beëindigt, grijpt Lampo’s alter ego de kans zijn viriliteit te bewijzen door de draak van zijn opvolgers, zijn zonen, te verslaan en de prinses te verwerven. Wat is nu het grote, het eigenlijke trauma? De komst van volgende generaties, zo had het boek ook kunnen heten.

3

De komst van Joachim Stiller is zo’n roman die beter of in ieder geval sympathieker wordt naarmate je je meer verdiept in de herkomst, de biografie van de schrijver, diens eigen commentaar op zijn werk. Dat is een zwakte van het boek, ben je dan meteen geneigd te roepen, gevoed door de opvatting dat de tekst voor zich moet spreken, dat de maker er niet meer toe doet als de tekst eenmaal bestaat; maar in plaats van zwakte kan je ook zeggen: eigenschap. (Misschien moeten we dat vaker doen: zodra iemand zwakte! roept meteen eroverheen gaan met: nee, eigenschap!)

Je kan op papier draken doden, maar fictie kan niet alles bewerkstellingen. Wensdromen verslaan geen generaties. Voor Groenevelt ging de tijd weer door toen Joachim Stiller zijn offer bracht, maar de ironie daarvan is natuurlijk dat als gevolg daarvan de schrijver alleen maar steeds ouder zal worden, met steeds meer nieuwe generaties onder hem. De roman lijkt zich niet van die ironie bewust. In Lampo’s artikel uit 1990 klinkt nog steeds de toon van iemand die zich verdedigt, die zich ondanks zijn opgesomde successen nog steeds miskend voelt.

Toen De komst van Joachim Stiller in1961uitkwam was Wolkers net begonnen, Hugo Claus al lang en breed bezig, De avonden al twaalf jaar oud. Je kan je voorstellen dat dit boek toen meteen al niet meer bij de tijd was, in ieder geval niet als het ging om de tijdzone waarin de literaire voorhoede opereerde. Het voordeel van een late lezing is dat dat er allemaal niet meer zo toe doet. Romans zijn doorgaans niet onsterfelijk, maar ze kunnen in de loop der decennia wel enige tijdloosheid verwerven, al was het alleen maar omdat de tijdgeest die ooit als een onzichtbaar fluïdum om het boek heen wolkte inmiddels is vervlogen, opgegaan in een groter geheel.

Geen idee wat ik van het boek gevonden had als ik het eind jaren zeventig wel voor mijn lijst had gelezen. Wie weet hoe goed ik het had gevonden, dit lijkt een boek dat in staat is vooral adolescenten en twintigers te betoveren.

4

In 1976 werd van De komst van Joachim Stiller een tv-serie gemaakt, geregisseerd door Harry Kümel, met Hugo Metsers in de hoofdrol, en bijrollen voor Cox Habbema en Willeke van Ammelrooy. Die serie is in zijn geheel op YouTube te zien, en wel hier, 2 uur 33 minuten en 53 seconden lang. Met name geschikt voor nieuwsgierigen met een goed uithoudingsvermogen en een stoïcijnse bereidwilligheid alles in zijn tijd te zien. Heel erg goed is het allemaal niet. In zijn rol van Groenevelt leidt Hugo Metsers aan een ernstig geval van voice-over, bovendien praat hij in sommige scènes ook nog in zichzelf, om het de kijker maar zo makkelijk mogelijk te maken. Mooie beelden van Antwerpen midden jaren zeventig, dat wel. Met de daarbij behorende mode (zelfs in de flashbacks die in de oorlogsjaren spelen hebben de jongetjes halflang jarenzeventig haar), auto’s (opeens een Snoek in beeld, altijd mooi), en gebouwen (Het Steen nog zonder eenentwintigste-eeuwse aanbouw!)

Het boek wordt vrij nauwkeurig gevolgd. Maar toch. Wanneer Hugo Metsers in zijn rol als Groenevelt voor het eerst zijn onderbuurvrouw Maria van de Casteele (Willeke van Ammelrooy) bezoekt, dartelt die haar appartement rond in een luchtige peignoir, waaronder ze een zwarte bh draagt die de tepels blootlaat.

Ook in de roman loopt Maria op dat moment rond in een peignoir, maar de roman-Groenevelt observeert tevreden dat deze toestand niets clichématigs heeft, ondanks de verwachtingen die erotische literatuur en ‘de kitschfilm’ in onze hersens hebben geprent. ‘Haar peignoir viel niet toevallig open, terwijl ze zich onder een of ander voorwendsel vooroverboog of de benen kruiste. En ook zat zij mij niet uitdagend van onder de neergeslagen wimpers aan te kijken.’

In de tv-serie valt de peignoir op dat moment nu juist wél open, om over uitdagende blikken nog maar te zwijgen. Je zou er een meta-commentaar van de scenarioschrijvers op het boek in kunnen zien: dit wat wij maken is nu juist zo’n kitschfilm waar de auteur zich in zijn roman bij deze zelfde scène tegen afzet – maar dat zal wel niet; hier wordt gewoon voldaan aan de eis die Nederlandstalige tv-series uit de jaren zeventig en tachtig zichzelf stelden omdat ze wisten uit welk hout de kijkers gesneden waren: er moeten blote borsten in.

En dat is een beetje tragisch, het is jammer dat de scenarioschrijvers niet iets beter voor het boek hebben gezorgd. Door alle kledingstukken gesloten te houden hadden ze hier met de verwachtingen van de contemporaine kijkers kunnen spelen op de manier die de auteur al in zijn tekst had aangegeven, maar nee. Weer stijgt je sympathie voor Lampo, omdat ze dat niet konden opbrengen.

Dit bericht werd geplaatst in boek, lezen en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op de herkomst van joachim stiller

  1. Jacob zegt:

    OK dan!

  2. Pingback: De terugkeer van de nostalgie (vangst #16) – Aanlegplaats

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s