de jongen uit plan Zuid

P1010703

Chrétien Breukers schreef in een stuk over de beurs van kleine uitgevers over Heere Heeresma en toen ik dat las, bedacht ik dat ik nog steeds een keer Een jongen uit plan Zuid moest lezen – al was het alleen maar omdat ik van die wijk hou. Van Heeresma wist ik verder niet zoveel. Ooit las ik, toen ik nog op de middelbare school zat, zijn novelle De vis, en die vond ik toen goed, maar dat heeft er niet toe geleid dat ik meer van Heeresma ben ga lezen. Ten onrechte waarschijnlijk, want de twee deeltjes waaruit Een jongen uit plan Zuid bleek te bestaan, zijn erg goed. De bibliotheek bij mij om de hoek, Cinetol, had ze allebei in de kast staan, we zitten hier tenslotte aan de rand van plan Zuid.

Een jongen uit plan Zuid ’38 -’43 en Een jongen uit plan Zuid ’43 – ’46 verschenen in 2005 en in de boekhandel zul je ze niet meer vinden. Als er een vorm van literaire rechtvaardigheid bestond, zou het boek inmiddels zijn uitgegroeid tot een bescheiden klassieker die herdruk op herdruk beleefde. Maar nee.

Heeresma (1932-2011) kondigde jarenlang aan dat hij nog eens een grote roman zou schrijven die Kaddisj voor een buurt moest gaan heten. Dit is niet die grote roman, maar komt er wel dichtbij en is juist door zijn bescheiden omvang misschien wel ontroerender en hartverscheurender dan die grote roman ooit had kunnen worden.

De schrijver verplaatst zich in een jongen die de oorlogsjaren beleeft in Amsterdam-Zuid. Die jongen is hij in feite zelf, het boek zit in ieder geval vol autobiografische elementen. De stijl is kortaf, zakelijk, soms stroef. Het is geen verhaal, het is een relaas waar de ene gebeurtenis op de andere volgt, bijna alsof oorlog normaal is, en bijna laconiek wordt beschreven hoe joodse vriendjes en vriendinnetjes verdwijnen; bijna laconiek – maar ondertussen. Wat het boek zo goed maakt is dat de vertelstem van de jongen nergens vertedering wekt. De jongen uit plan Zuid is geen Kees de Jongen of Paddy Clark – jonge romanpersonages die met hun naïviteit bij de lezers een comfortabel gevoel van minzaamheid oproepen, doordat die lezers het idee krijgen dat zij meer weten dan die jongens zelf. De jongen uit plan Zuid is niet naïef. Hij weet genoeg. Als zijn toon ons had vertederd, was het boek mislukt. Maar die toon vertedert niet en het boek is goed.

*

Als je de boeken naast elkaar legt, vormen de omslagen één foto. Plan zuid in aanbouw, dat is meteen duidelijk. Na even googelen kwam ik erachter dat de foto genomen is vanaf het Amsterdams Lyceum. Je ziet de Lyceumbrug over het Noorder Amstelkanaal met daarachter het Olympiaplein. Rechts zijn de woonblokken al klaar, links staat nog niets. (Om een of andere reden is de foto gespiegeld, de zijweg rechts is de Tititaanstraat.) Op het langgerekte plantsoentje net achter de brug staat tegenwoordig het Van Heutz-monument (dat in 2004 is herdoopt in Monument Indië-Nederland). Dat monument staat daar al vanaf 1935, en wordt in Een jongen uit plan Zuid regelmatig genoemd; de hoofdpersoon woont er vlakbij, in de Speerstraat. Vreemd dat ze voor het omslag geen foto hebben gebruikt die daadwerkelijk dateert uit de tijd waarin het boek speelt.

Maar een fascinerende foto is het wel. Ik vind dergelijke foto’s altijd een beetje onthutsend. Alles is nog zo nieuw. Die breekbare boompjes en lantarenpalen lijken op de tegels gelijmd, alsof we naar een modelbouw-diorama kijken. Eén windvlaag en ze knakken. Maar het meest onthutsende is wel dat de wijk nog maar halverwege is. Aan de ene kant van het Olympiaplein is leegte, daar moet nog met bouwen worden begonnen. Dat zo’n wijk – die nu iets ouds, bedaagds, vanzelfsprekends heeft, iets versletens, iets gerestaureerds, iets klassieks – er ooit niet is geweest, daarmee kan ik leven. Maar dat zo’n wijk ooit zo’n stadium heeft gekend, halverwege de aanleg, alles nog nieuw, met verse geuren en kleine boompjes – daar heb ik moeite mee, een gevoel dat bestaat uit een mengeling van ontroering en vervreemding. Blijkbaar ga ik er onwillekeurig dan toch vanuit dat zo’n wijk er in één keer is. Zo schrok ik ooit ook behoorlijk toen ik een foto zag van de Eiffeltoren in aanbouw. Je hebt Parijs zonder Eiffeltoren en Parijs met Eiffeltoren. Maar Parijs met een halve Eiffeltoren? Daar had ik nooit bij stilgestaan, dat leek eigenlijk iets onmogelijks. Alles wat gebouwd is, heeft geschiedenis. Maar die bouw zelf heeft dat ook.

Construction_tour_eiffel5 wikipedia

(foto: Wikipedia)

*

Nog voor ik Een jongen uit plan Zuid uit had, fietste ik op een middag plan Zuid in. Ik parkeerde mijn fiets op de hoek van de Stadionweg en de Beethovenstraat en liep naar de straten rond het Olympiaplein waar Heeresma is opgegroeid. Hoge bomen, oude baksteen, bedaagd, versleten, gerestaureerd, klassiek; maar met nu meer dan ooit de vage oude schaduw van de oorlog eroverheen. Het was glorieus weer, met een krijtblauwe lucht en een lage gele zon, die de cv-ketelstoom die uit schoorstenen oprees deed oplichten, alsof binnen in die huizen iets magisch werd verstookt. Ik liep door de Speerstraat, een van die donkere, smalle zijstraten van de breed opgezette hoofdwegen van die wijk, en het schoolgebouw dat ik fotografeerde, was ooit de School met de Bijbel waarop de jongen uit plan Zuid uitkeek vanuit het ouderlijk huis; in de tijd dat scholen nog kleine burchten waren.

 

P1010698

Daarna las ik verder in het tweede deel, eerst in een overvolle Coffee Company in de Beethovenstraat, daarna thuis.  En toen ik beide deeltjes uithad, leek het logisch om De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve nog eens te herlezen. Het speelt in dezelfde tijd, en ook hier: de registrerende toon waarmee wordt verteld hoe de ondergang zich voltrekt, en onder die toon de afgrond. Reves stijl is iets verzorgder, gelijkmatiger dan die van Heeresma. Maar ook dat redt Een jongen uit plan Zuid: dat Heeresma de invloed van Reve, die in ander werk vrij groot schijnt te zijn, hier binnen de perken heeft weten te houden – door de grimmige ernst waarmee hij het schreef, denk je dan.

*

Toen ik Boslowits uit had, ging ik in de Revebiografie van Nop Maas op zoek naar achtergrondinformatie. De familie Boslowits heette eigenlijk Bobrownitski. Het laatste adres van moeder en zoon voordat ze werden weggevoerd, bleek  hier om de hoek te zijn: een benedenwoning in de Topaasstraat. De jonge Reve woonde toen daar vlakbij, op de Jozef Israëlskade (die toen was herdoopt in Jan Tooropkade).

Geregeld ging ik ’s avonds aan en steeds was alles hetzelfde. Het aanbellen, het van het slot draaien van de binnendeur en als ik in de gang trad, was tante Jaanne al weer binnen. Kwam ik in de huiskamer, dan zat voor het linker raam van de erker tante Jaanne, en voor het rechter Hansje. Was ik eenmaal binnen, dan verliet tante Jaanne voor een ogenblik haar post, schoot de gang in en sloot de binnendeur op het slot. Wanneer ik wegging, volgde ze me, sloot de deur achter me en als ik op straat stond, zag ik ze reeds weer, als beelden, voor het raam zitten. Ik maakte dan een wuivend gebaar, maar ze reageerden nooit.                                                                                                                                        Gerard Reve, De ondergang van de familie Boslowits.

Dat was dus hier:

P1010711

 

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in boek, leven, lezen en getagged met , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op de jongen uit plan Zuid

  1. Debbie zegt:

    Mooi!
    Beide boeken op mijn lijstje zetten.

  2. hein aalders zegt:

    Zie het net verschenen ‘Wie was Hans Boslowits?’ van Igor Cornelissen (Uitgeverij Bas Lubberhuizen)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s